Examenkandidaten gezocht!
We zoeken nog een aantal examenkandidaten die (voor moneys) hun frustraties, verdriet, of blijdschap willen uiten na afloop van de examens. Solliciteer voor 3 maart als eindexamenvlogger!

Meedoen

Hoofdstuk 1.2 + 1.3 + 2.2

Beoordeling 5.5
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 3e klas vwo | 576 woorden
  • 2 juli 2014
  • 2 keer beoordeeld
Cijfer 5.5
2 keer beoordeeld

ADVERTENTIE
"Hij was echt die meester die iedereen voor de klas wil hebben"

Pabo-student Melle wil graag leraar worden. Wij spreken hem over zijn rolmodel en hoe het is om stage te lopen. Wil je meer weten over hoe het is om voor de klas te staan en hoe je zelf leraar kunt worden? Check onze pagina over ‘leraar worden’! 

Naar de pagina

Nominale waarde = waarde v/h geld in economie

Intrinsieke waarde = materiaalwaarde

Directe ruil = zonder geld (chips tegen appel)

Indirecte ruil = ruil met geld

Wettige betaalmiddelen = betaalmiddelen waarmee je volgens de wet mee mag betalen.

DNB = de Nederlandse bank = zorgt voor veiligheid betalingsverkeer, geld wordt verspreidt, toezicht houdt op geldinstellingen

Chartaal geld = contant geld

Giraal geld= geld op bank

Functies geld = ruilmiddel(als je iets koopt met geld), spaarmiddel(spaarrekening), rekenmiddel(waarde producten aangeven

Goederen = tastbaar (tijdschrift)

Diensten = niet tastbaar (haar knippen)

 

Primaire behoeften= basisbehoeften

Secundaire behoeften= luxe goederen die je niet nodig hebt

Zelfvoorziening= zelf producten maken waarmee je in je behoeften voorziet, groente verbouwen

Economie= wetenschap die zich bezighoudt met keuzes die mensen maken tussen behoeften & beschikbare middelen om in deze behoeften te voorzien.

Welvaart = mate waarin mensen met de beschikbare middelen in hun behoeften kunnen voorzien.

Inkomen per hoofd v/d bevolking = totale inkomen v/e land gedeeld door aantal inwoners.

 

Inkomen = geld dat binnenkomt voor je huishouden.

Inkomen in geld = salaris

Inkomen in natura = in vorm van goederen & diensten

Modale inkomen =een bedrag dat door de meeste mensen wordt verdiend

Uitkering = een inkomen van overheid

AOW = algemene ouderdoms wet = boven de 65 jaar een toeslag

SVB (sociale verzekerings bank)= betaalt de AOW & kinderbijslag

 

Begroting = overzicht alle uitgaven & inkomsten.

Dagelijkse uitgaven = kosten levensonderhoud = eten,drinken

Vaste lasten= regelmatig terugkerende uitgaven voor huishouden = abonnement

Incidentele uitgaven = uitgaven die niet vaak voorkomen.

Verzekering = tegen betaling v/e premie een bepaald risico wordt gedekt.

 

Sparen = het niet uitgeven, maar bewaren van een deel van je inkomsten

Rente = over spaargeld is een vergoeding v/d bank, rente over een lening moet je betalen a/d bank of kredietinstelling waar je geld leent

Creditsaldo = een tegoed op de bank

Debetsaldo = een schuld aan de bank

Poliskosten = als je een verzekering afsluit betaal je dit

Transactiekosten = voor inwisselen van vreemd geld, incasseren cheque, opnemen geld met creditcard dan betaal je dit

Lenen = gebruikmaken van geld van anderen voor aankopen]

Aflossen = geleend geld terugbetalen

Termijnen = aflossing/rente in gedeelten terugbetalen.

 

 Bedrag                                            Percentage

  x percentage = rente OF                         x bedrag = rente

   100                                                    100

 

 

 

 

 

Produceren = het maken van goederen of leveren van diensten

Consumeren = het kopen van goederen of diensten

Industriële bedrijven = bedrijven die goederen produceren

Dienstverlenende bedrijven = bedrijven die diensten leveren

Agrarische bedrijven = halen grondstoffen direct uit de natuur.

Productiefactoren = natuur,arbeid,kapitaal,ondernemerschap = middelen die nodig zijn voor productie

Inflatie = het minder waard worden van geld, bv doordat prijzen stijgen

 

  (Nieuw – Oud)

                          X 100 =

          Oud

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.