Ben jij weleens opgelicht?

Wij doen onderzoek naar online oplichting onder jongeren. Vul de vragenlijst in (ca 5 min) en maak kans op een Bol.com bon van 25 euro (echt waar!)

Hoofdstuk 1 t/m 12

Beoordeling 6.8
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas vwo | 6406 woorden
  • 26 maart 2009
  • 12 keer beoordeeld
Cijfer 6.8
12 keer beoordeeld

Hoofdstuk 1; Productie en productiefactoren..

1.1 Waarom productie?

Mensen kopen goederen om in hun behoeften te voorzien.
• Primaire behoeften: Basisbehoeften
• Secundaire behoeften: Dat wat het leven aangenaam maakt.

Goederen.
• Vrije goederen: Lucht enz. Kost niets.
• Economische goederen:
- Individuele goederen: Alles wat je koopt.
- Collectieve goederen: Alles van de overheid dat gratis is.

- Quasi-collectieve goederen: Alles van de overheid waar we voor betalen (onderwijs, wegen) als we er gebruik van willen maken.

1.2 Wat is productie?
Productiefactoren/productiemiddelen: Middelen die nodig zijn voor de productie:
• Arbeiders (Betaald of juist niet- eigenaar)
• Kapitaal (Geld of machines en gebouwen)
• Natuur (Alles in de natuur, ook grond, pacht betalen)
• Ondernemersactiviteit (Ondernemer combineert arbeiders, kapitaal en natuur: winst of verlies, is een risico)

Produceren: Het combineren van productiefactoren met het doel waarde toe te voegen.

Toegevoegde waarde = omzet – onderlinge leveringen = beloning productiefactoren.

Nationaal product: De som van de in een land gedurende een jaar toegevoegde waarde.
Nationaal inkomen: De som van de in een land gedurende een jaar aan de productiefactoren uitkerende beloningen.


BBP: Bruto binnenlands product, geld voor:
• Productie of toegevoegde waarde binnen de grenzen van een land.
• Ook dingen die vervangbaar zijn, bijv. vrachtwagens in een bedrijf.

Netto binnenlands product Nederland ’02 €386,7 miljard
Vervangingsinvestering in ’02 € 67,8 miljard
Bruto binnenlandsproduct in Nederland ’02 €454,5 miljard

1.3 Productie en welvaart
Welvaart: Mate waarin in de behoeften is voorzien.
Schaarste: Spanning tussen de behoeften en de middelen om die behoeften te bevredigen.

De welvaart blijft hetzelfde als de behoeften toenemen met de productie.

Neveneffecten van productie/externe effecten: Het naar de welvaart streven van de één oefent onbedoelde invloed uit op de welvaart van een ander.
• Positief: Mooie gebouwen, leuke invloed op de omgeving.

• Negatief: Vervuiling van bijvoorbeeld fabrieken.

Welvaart in enge zin: Alleen naar de productie zelf kijken.
Welvaart in ruime zin: Productie + behoeften + externe effecten

De negatieve externe effecten nemen tegenwoordig alleen maar toe, we worden hier alleen maar armer van, dit is juist een reden om minder te gaan produceren.

1.4 De productiefactoren
• Arbeid
Vrijwilligerswerk valt buiten nationaal product.

Beroepsgeschikte bevolking: 15-64 jarigen
Beroepsbevolking: 15-64 jarigen die beschikbaar zijn voor betaald werk (12 uur per week, ook werklozen die 12 uur per week willen werken)

Participatiegraad: beroepsbevolking / 15-64 jarigen x 100%

• Kapitaal
Kapitaal staat voor geld of kapitaalgoederen, het verschil is niet zo groot, want met geld koop je kapitaalgoederen.

Kapitaalgoederen: Goederen die niet zijn oor consumptief verbruik, maar om andere goederen te produceren.

- Vast kapitaal: Gaan meer dan 1 productieproces mee.
- Vlottend kapitaal: Grondstoffen, halffabrikaten en eindproducten.

Investeren: Aanschaffen van kapitaalgoederen.
Kapitaalintensiteit: Hoeveelheid kapitaalgoederen per eenheid arbeid.
Breedte-investering: Kapitaalintensiteit veranderd niet (evenveel mensen als machines erbij).
Diepte-investering: Kapitaalintensiteit neemt toe (minder mensen dan machines).
Afschrijvingen geven de in geld uitgedrukte waardedalingen van kapitaalgoederen weer. Bedoeld om vervangingsinvesteringen te doen.

• Natuur
- Stuk grond van een bedrijf
- Ligging van een land of regio
- Klimaat
- ‘milieufactoren’

Negatieve externe affecten brengen grote schade toe aan de productiefactor natuur. Daarom is er duurzame ontwikkeling ontstaan, zo zuinig mogelijk met grondstoffen omgaan.

• Ondernemersactiviteit

Bedrijf: Verschillende productiefactoren brengen samen een eindproduct voort.
Onderneming: Bedrijf dat eigendom is van particulieren die het risico lopen dat de ondernemen verlies loopt of zelfs failliet gaat.

Bij een onderneming is er een groot verschil tussen wie er zorgt voor de juiste productiefactoren en wie er financieel risico loopt.

Hoofdstuk 2; Ondernemen in Nederland..

2.1 Hoe kunnen bedrijven worden ingedeeld?
Bedrijven onderscheiden in
• Rechtsvorm/ondernemingsvorm: De juridische vorm die aan een onderneming wordt gegeven.

Wel rechtspersoonlijkheid: Er zijn aandeelhouders, een scheiding tussen de onderneming en privé eigendommen.
Geen rechtspersoonlijkheid: Geen scheiding tussen privé eigendommen en de onderneming. Gaat de onderneming failliet, kun je je huis uitgezet worden.

- Eenmanszaak: 1 Persoon verantwoordelijk voor alles.

- Vennootschap onder firma: Meerdere personen verantwoordelijk voor alles,
firmanten of vennoten.
- Naamloze vennootschap: Aandeelhouders bezitten stukjes bedrijf, de leiding
van het bedrijf ligt bij de managers. Aandelen vrij verhandelbaar. Duidelijke
scheiding tussen privé en zakelijk vermogen.
- Besloten vennootschap: Aandeelhouders zijn maar een beperkte groep. De
aandelen zijn niet vrij verhandelbaar en de namen van de aandeelhouders
zijn opgetekend in een aandelenregister.

• Omvang: Aantal werknemers, grootte omzet en gezamenlijke beurswaarde van de uitstaande aandelen.

• Economische activiteit: Naar het eindproduct in te delen
Economische Activiteit

Marktsector Quartaire sector
- Primaire sector (Landbouw, visserij) (Maatschappelijke dienst-
- Secundaire sector (Industrie, nutsbedrijven) verlening zonder winst)
- Tertiaire sector (Commerciële dienstverlening: banken, horeca)

2.2 De productiestructuur: bedrijfstakken en bedrijfskolommen
Bedrijfskolom: Opeenvolging van economische activiteiten de nodig zijn om een bepaald product te maken. Van de oerproducent naar de eindproducent. Tussen de verschillende fasen zitten ‘markten’. Bijv. een markt van ruwe wol.

Bedrijfstak: Alle bedrijven die zich in dezelfde fase in de bedrijfstak bevinden.


Veranderingen in de productiestructuur:
• Verticale bewegingen: Binnen 1 bedrijfskolom, integratie en differentiatie.
• Horizontale bewegingen: Van de ene bedrijfskolom naar de andere, parallellisatie en specialisatie.

- Integratie: Samenvoegen van 2 of meer opvolgende fasen in de bedrijfskolom.
- Differentiatie: Tegenovergestelde van integratie.
- Parallellisatie: Een bedrijf neemt producenten uit andere bedrijfskolommen in zijn assortiment op, bijv een kledingwinkel gaat ook schoenen verkopen.
- Specialisatie: Tegenovergestelde van parallellisatie.
Branchevervaging: Parallellisatie die té ver gaat.

2.3 Economische macht en schaalvergroting
Concentratie: Een steeds kleiner aantal bedrijven neemt de beslissingen over goederen.

• Fusie: Twee gelijke partners besluiten op te gaan in een nieuwe rechtspersoon.
• Overname: Één onderneming verkrijgt de meerderheid van de aandelen van de andere onderneming, met instemming of gedwongen.
Hierdoor kan er een concern ontstaan: Holding company-structuur. De holding company bezit meer dan 50% van de aandelen van het andere bedrijf. Moeder/dochter/kleindochter kan de dienst uitmaken.
• Motieven schaalvergroting (op grotere schaal produceren):
- Kostenvoordelen (Diensten samenvoegen, functies opheffen)
- Risicospreiding (Nieuw bedrijf minder afhankelijk van de grillen vd markt)
- Toelevering (Van producten door de afzet beter gegarandeerd)
- Toegang tot de vermogensmarkt (Bij banken makkelijker lenen)
- Research (Meer geld vrij)
• Multinationale onderneming: In verschillende landen gevestigd. Vooral hele grote bedrijven/ondernemingen, motieven:
- Lage lonen in het buitenland.

- Lage belastingdruk.
- Lage transportkosten als het bedrijf zich dicht bij de grondstoffen vestigt.
- Het omzeilen van protectionistische maatregelen van een regering.
Sommige multinationals krijgen teveel invloed in bijv. ontwikkelingslanden.
• Samenwerking
Kartel: Samenwerking tussen juridische zelfstandige ondernemingen om concurrentie te beperken.
Prijskartel: Afspraken over de prijzen van producten.
Productiekartel: Afspraken over de hoeveelheid productie.
Rayonkartel: Afzet geografisch verdelen.
Voorwaardenkartel: Afspraken over kortingen/garantie/betalingsvoorwaarden.
De Nederlandse Mededingingsautoriteit verbiedt het bestaan van kartels en andere vormen van misbruik van economische machtsposities. Hier zorgt de NMA voor. Mededinging = concurrentie, NMA bevordert concurrentie dus. Dit doet de Europese commissie ook.


2.4 Externe verslaggeving
Bedrijven doen verplicht verslag van de jaarrekening.
• Balans: Overzicht van bezittingen, schulden en eigen vermogen van een bedrijf op een bepaald tijdstip.
• Resultatenrekening: Overzicht opbrengsten en kosten en de daaruit vloeiende winst (of verlies) over een bepaalde periode.

Balans
Activa Balans per 1 januari (x €1 miljoen) Passiva
Vaste activa Eigen vermogen
Gebouwen 40 Aandelen vermogen 30
Machines 10 Reserves 10
Vlottende activa Langlopende schulden 35
Voorraden 20 Kortlopende schulden
Debiteuren 15 Belastingschuld 10
Liquide middelen 15 Crediteuren 15
Totaal 100 Totaal 100
Dit zijn voorraadgrootheden, ze zijn op een bepaald tijdstip te meten.

Vaste activa: Kunnen langer dan een jaar gebruikt worden.

Vlottende activa: Binnen een jaar in geld omgezet, Debiteuren: Vorderingen op een klant dat deze binnen een bepaalde tijd moet betalen.
Liquide middelen: Betalingsmiddelen.
Eigen vermogen: Aandelenvermogen (aandeelhouders zijn eigenaars) + reserves: Winst die apart wordt gehouden voor als het bedrijf bijv. verlies lijdt.
Lang lopende schulden: Lening, hypotheek, hoeven pas binnen enkele jaren worden afgelost.
Kort lopende schulden: Belastingschuld enz. Moeten binnen een jaar worden afgelost. Crediteuren. (Wat bij het ene bedrijf onder ‘crediteuren’ valt, valt bij het andere bedrijf onder ‘debiteuren’.

Activa en passiva zijn gelijk aan elkaar, Dit zorgt voor het eigen vermogen, bezittingen – schulden.

Solvabiliteit: Verhoudingen tussen het eigen vermogen en het totale vermogen.
Liquiditeit: Verhouding tussen het vlottende activa en de kortlopende schulden. Zegt iets over of de korte termijn schulden betaald kunnen worden.

Resultatenrekening

Kosten Resultatenrekening over 2003 (x 1 miljoen) Opbrengsten
Inkopen 150 Omzet 500
Kosten productiefactoren 300
Winstsaldo 50
Totaal 500 Totaal 500
Dit zijn stroomgrootheden, ze zijn namelijk alleen in een periode te meten.

Omzet €500 miljoen
Inkopen €150 miljoen
Overige kosten €300 miljoen
€450 miljoen
Winstsaldo € 50 miljoen

Toegevoegde waarde= omzet – onderlinge leveringen
€500 miljoen - €150 miljoen = €350 miljoen

Hoofdstuk 3; Een model van een bedrijf..

3.1 Het begrip model

Model: Gestileerde weergave van een deel van de werkelijkheid.

Gestileerd: Ontdaan van overbodige details.
4 elementen van het standaardbedrijf:
• Opbrengsten
• Kosten
• Doelstellingen
• Winst

3.2 Opbrengsten
TO = pq
TO: Totale opbrengst p: Prijs eindproduct q: Verkochte hoeveelheid
En hier gaan we er vanuit dat de prijs gelijk blijft gedurende de gehele productie.

3.3 Kosten
Kosten: Allen waar een bedrijf voor betaald (arbeid, diensten van een ander bedrijf enz).
• Constante kosten: Kosten die op korte termijn vastliggen en onafhankelijk zijn van de geproduceerde hoeveelheid. Korte termijn= tijd waarbinnen de voorraad vaste kapitaalgoederen niet kan worden uitgebreid. (Huur, verzekeringspremies, loon enz)
• Variabele kosten: Kosten die op de korte termijn aan verandering onderhevig zijn en afhankelijk zijn van de geproduceerde hoeveelheid. (Grondstoffen, onderdelen, bepaalde energiekosten)

Als de variabele kosten per stuk constant zijn, bijv 10 miljoen, ook al maak je er 100, ze blijven 10 miljoen per stuk, de grafiek gaat door de oorsprong en is lineair. Als er meer geproduceerd moeten worden zullen de constante kosten toe nemen doordat er meer machines bijkomen.

TK = TVK + TCK
TK: Totale kosten TVK: Totale variabele kosten TCK: Totale constante kosten
TK = aq + TCK
Want a: variabele kosten per stuk (bijv. €30.000) q: aantal stuks

Als TCK= €10.000.000
TK= 30.000q + 10.000.000

q: - Afzet én geproduceerde hoeveelheid, alleen aan elkaar gelijk als de voorraad gelijk . blijft.
- Productie staat voor het aantal vervaardigde eenheden.

3.4 De kosten nader beschouwd
Gemiddelde kosten: Kosten per eenheid eindproduct.
GCK= gem. constante kosten= TCK/q
GVK= gem. variabele kosten= TVK/q
GTK= gem. totale kosten= TK/q

GTK= GVK + GCK

3.5 De doelstellingen maximale winst en kostendekking
Maximale winst

TW= TO-TK TO = pq TK= aq + TCK
TW= pq –aq – TCK

Kostendekking: Geen winst, dus TO = TK TW = TO – TK = 0
BEP: Break-evenpunt, punt waarop kostendekking plaatsvindt. (In de grafiek snijden de lijnen TK en TO.)

3.6 Andere doelstellingen: Maximaal marktaandeel en continuïteit
Maximaal marktaandeel:
Omzet van het betreffende bedrijf
Omzet op de totale markt x 100% = het marktaandeel

Continuïteit: Afzien van maximale winst of maximaal marktaandeel en kiezen voor een bescheiden winst, uitsluitend met het doel het bedrijf en daarmee verbonden de werkgelegenheid en het ondernemersinkomen te laten voortbestaan. (bijv. ziekenhuizen  Belangrijke bijdrage aan het voorzieningsniveau in een bepaalde regio)

3.7 Spanningen tussen doelstellingen
Bedrijven kunnen doelstellingen hebben die in overeenstemming zijn met de doelstellingen van andere groepen, en zich dan bijv. vestigen in een gebied met veel werkloosheid, maar het kan ook niet in overeenstemming zijn door bijvoorbeeld veel winst te willen hebben en daarom diepte-investeringen te doen, terwijl er veel werkloosheid is.


Hoofdstuk 4; Productie door de overheid..

4.1 De sector ‘overheid’
Collectieve sector
Overheid Sociale verzekeringsfondsen
Rijk Lagere overheden Volksverzekeringen Werknemersverz.
Gefinancierd uit de schatkist. Gefinancierd door middel van premieheffing.

Schatkist:
- Belastinginkomsten
- Niet-belastingontvangsten
- Leningen

Volksverzekeringen: Zijn voor iedereen.
Werknemersverzekeringen: Voor mensen in loondienst.

Collectievelastendruk: Het totaal aan ontvangsten van de collectieve sector uitgedrukt in procenten van het bruto binnenlands product. (De lasten van de burgers zijn ontvangen voor de collectie sector.) totale ontvangsten collectieve sector
Collectievelastendruk= Bruto binnenlands product x 100%

totale uitgaven collectieve sector
Collectieveuitgavenquote= bruto binnenlands product x 100%

4.2 De uitgaven van de rijksoverheid
De waarde van de overheidsproductie bestaat uit de ambtenaren salarissen.
Indeling naar economische categorieën:
Collectieve uitgaven
Overheidsuitgaven Inkomensoverdrachten via de socialeverzekerings-
fondsen
Overheidsbestedingen Overdrachts-
uitgaven
Overheidsconsumptie Overheids-
investeringen Inkomens-
Overdrachten via de overheid
Ambtenaren-
salarissen Materiële
overheids-
consumptie

Ambtenarensalarissen: Loon ambtenaren & semi-ambtenaren
Materiële overheidsconsumptie: Meubels, computers, uniformen
Overheidsinvesteringen: Aanleggen + onderhoud wegen, dijken, havens

Inkomensoverdrachten via de overheid: Bijstand, huursubsidie, studiefinanciering (schatkist)
Inkomensoverdrachten via socialenverzekeringsfondsen: volks- en werknemersverzekeringen
Met overheidsconsumptie en overheidsinvesteringen legt de overheid beslag op de productiefactoren die in een land ter beschikking zijn.

Ministeries/departementen: Economische zaken zoals de landbouw, financiën enz.

4.3 De inkomsten van de rijksoverheid
Belastingen: Gedwongen afdrachten aan de overheid zonder individuele tegenprestatie.
• Directe belastingen: Hier rust de druk en de betalingsplicht op dezelfde persoon. Ieder krijgt een bedrag dat hij verplicht moet betalen.
• Indirecte belastingen: De druk rust op de consument, maar de aanbieder draagt de belasting af aan de overheid.

Directe belastingen:

Loon- en inkomstenbelasting: Iedereen die inkomsten heeft betaald dit.
Loonheffing: Inhouden van het berekende bedrag voor premies dat de werknemer moet betalen. Dit kan te weinig zijn of een overschot hebben Bijbetalen over terugkrijgen.
Progressieve belasting: Met ’t stijgen van het inkomen stijgt belasting die betaald moet worden.

Om te bepalen hoeveel inkomstenbelasting er betaald moet worden wordt het inkomen ingedeeld in 3 boxen:
• BOX 1: Inkomen uit werk en woning. Loon + eigen woningenforfait: Bepaald percentage van de waarde van je huis.
Schijventarief: 1e + 2e schijf: Belasting + premie volksverzekering.
3e + 4e schijf: Belasting geheven
Heffingskorting: Korting op de te betalen belasting. (Algemene heffingskorting, kinderkorting)
Progressie heeft 2 oorzaken: Schijventarief + heffingskorting (gelijk voor iedereen)
Gemiddelde belastingdruk: Totaal te betalen belasting, uitgedrukt in een percentage van het inkomen.
Marginale belastingdruk: Geeft aan welk percentage over elke extra verdiende euro aan de fiscus betaald moet worden. (Top van de schijf)

• BOX 2: Inkomen uit aanmerkelijk belang.
Als je ten minste 5% aandelen bezit betaald je 25% belasting.
• BOX 3: Inkomen uit sparen en beleggen.
Berekend uit het vermogen: Waarde bezittingen – schulden.

Vennootschapsbelasting: Belasting voor NV’s en BV’s.

Indirecte belastingen:
Omzetbelasting of BTW: De klant betaalt BTW over elk product. De ondernemer kan de betaalde BTW die hij betaalt aan de leverancier terugvorderen.
Accijnzen: belasting op middelen om het gebruik ervan te ontmoedigen.
Invoerrechten: Heffing aan de grens bij de invoer van bepaalde artikelen.
Afwenteling:
In de miljoenennota: Directe belastingen  Belastingen op inkomen en winst.
Indirecte belastingen  Kostprijsverhogende belastingen.

Deze begrippen zijn neutralen qua op wie uiteindelijk de belastingdruk rust.

De niet-belastingontvangsten:
Alle overheidsinkomens die niet onder directe en indirecte belasting vallen.
Retributies: Betalingen aan de overheid voor een aanwijsbare tegenprestatie. Ook aardgas, aandelen, opbrengst staatsloterij enz.

Beginselen van de belastingheffing:
• Draagkrachtbeginsel: Sterkste schouders dragen de zwaarste lasten.
• Profijtbeginsel: Burgers betalen meer zodra ze meer profijt hebben van de overheid.

4.4 Tekort, overschot en staatsschuld
Begrotingstekort: Tekort van de overheid: lenen
Financieringsbehoefte: Bedrag dat de overheid moet lenen
Financieringstekort: Bedrag waarmee de staatsschuld toeneemt
Begrotingssaldo: Verschil tussen overheidsuitgaven en totale overheidsinkomsten

Financieringssaldo: Het begrotingstekort verminderd met de aflossing op de staatsschuld
Begrotingsoverschot: Overheidsinkomsten groter dan de uitgaven
EMU-saldo: Worden overheidssaldo, lagere overheden en verzekeringsfondsen meegeteld. Breder dan het financieringstekort.
Staatsschuldquote: Staatsschuld in percentage van het bruto binnenlandsproduct: staatsschuld/BBP x100%

Gevolgen van een te hoge staatsschuldquote:
• Rente kan te hoog worden
• Als de overheid veel geld leent kan de rente stijgen, nadelig voor gezinnen.
• Hogere rente  hogere kosten bedrijven  hogere prijzen

Regels tekorten/overschotten bij de overheid:
• Tot 1900: Tekorten niet toegestaan
• 1900-1950: Guldenfinancieringsregel; voor investeringen mocht geld geleend worden.
• 1950-1960: Anticyclisch begrotingsbeleid; conjunctuurcyclus. In slechte tijden een flink tekort maar in goede tijden een overschot.
• 1960-1980: Structureel begrotingsbeleid; uitgaven worden voor een langere periode vastgelegd, stegen.

• 1980-1994: Bezuinigingsbeleid; financieringstekort veel te hoog, op alles werd bezuinigd.
• Vanaf 1994: Het trendmatige begrotingsbeleid; uitgaven werden 4 jaar vastgelegd, inkomsten schommelden. Ongeveer structureel begrotingsbeleid.
4.5 Terugtocht van de overheid?
• Tot 1975/1980: overeenstemming toenemende macht overheid
• Vanaf 1975/1980: gedachte dat veel maatschappelijke problemen door de collectieve sector werden veroorzaakt.
Wig: Verschil loonkosten werkgever en nettoloon werknemer.
Loonkosten - nettoloon/loonkosten x100%

Te hoge collectieve lasten kunnen om verschillende redenen een probleem zijn:
• Nettoloon vaak lager dan een uitkering
• Werksgevers zijn geneigd arbeid te vervangen voor kapitaal
• Hoge arbeidskosten moeten afnemen, maar als de prijzen sneller stijgen neemt de klandizie af.

Als de belastingtarieven te hoog worden:

• Ontwijking; bedrijven vestigen zich in een ander land, zelf alles doen.
• Ontduiking; hoge belastingen vermijden, zwartwerkers.
• Afwenteling; werknemers vragen hoger brutoloon, bedrijven komen in problemen.
• Demotivatie; hoge belastingen stimuleren arbeidsparticipatie niet.

Daarom nam de overheid de volgende maatregelen:
• Bezuinigingen op de collectieve uitgaven
• Deregulering; minder regels voor bijv. ontslag, langer winkels open.
• Privatisering; overheid heeft haar belang in het aandelenbezit van een aantal bedrijven verminderd.

Hoofdstuk 5; Productie over de grenzen: internationale handel..

5.1 Wat is er zo bijzonder aan internationale handel?

Redenen om de internationale handel aan een aparte bestudering te onderwerpen:
• Wisselkoersen; prijs die we voor vreemd geld betalen.

• Economische politiek; een land kan bepaalde producten weren.
Belastingpolitiek; lonen bijv. hoger of lager, dit heeft invloed op de prijs van het product.
• Immobiliteit van de productiefactor arbeid; taal- en cultuurverschillen.

Internationale handel kan alleen buiten landsgrenzen, dit verandert als landsgrenzen uiteenvallen of juist integreren.

5.2 Waarom is er internationale handel?
Verschillende antwoorden:
• Goederen of diensten zijn in eigen land niet te verkrijgen.
• Voorkeur voor buitenlandse goederen (Klinkt chiquer)
• Politieke overwegingen spelen een rol; de EU wil bijv. zelfvoorzienend zijn.
• Buitenlandse producten zijn goedkoper dan vergelijkbare binnenlandse goederen.
- Absolute kostenverschillen; in hoeveelheid arbeidsuren gemaakt.
- Relatieve of comperatieve kostenverschillen; een land gaat dát product maken waarin het relatief kostenvoordeel heeft. Dit heeft te maken met de onderlinge ruilverhouding. Bijv. 3 graaneenheden voor 1 auto of 2,5 graaneenheid voor een auto.

Autarkisch: Een land dat zelf alles produceert.

Vrijhandel: Als de overheid de internationale goederen- en dienstenstromen niet in de weg legt.
Allocatie: Aanwending van de productiefactoren.

5.3 De internationale concurrentiepositie
Internationale concurrentiepositie: De mate waarin een land in staat is goederen te exporteren.

Factoren die van belang zijn voor de internationale concurrentiepositie:
• De relatieve schaarste van productiefactoren.
• De beschikbaarheid van technisch hoogwaardige kapitaalgoeden.
- Mechanisering
- Automatisering
• De scholing van de beroepsbevolking; human capital voor productie van kennisintensieve goederen.
• Het bestaan voor schaalvoordelen; kostenvoordelen als er op grotere school geproduceerd gaat worden.
• Het bestaan van arbeidsrust; geen stakingen enz.
• De aanwezigheid van een goede infrastructuur.

• Een stabiele wisselkoers.

De ruilvoet drukt de internationale concurrentiepositie uit.
Prijsindexcijfer uitvoer
Ruilvoet= prijsindexcijfer invoer x 100% (boven 100% is positief)

Arbeidsproductiviteit: De (waarde van de) geproduceerde hoeveelheid goederen (per arbeidsuur).
Waarde van de geproduceerde hoeveelheid goederen
Arbeidsproductiviteit= benodigde hoeveelheid arbeidsuren

5.4 Vrijhandel of protectie?
Vrijhandel: Overheden leggen niets in de weg.
Protectie: De bescherming van een bedrijfstak of een gehele economie tegen buitenlandse concurrentie.
Argumenten voor protectie:
• Het lagelonenargument; oneerlijke concurrentie.
• Het antidumpingargument; onder de kostprijs verkopen, na uitschakeling van de concurrentie gaan de prijzen weer omhoog.

• Het opvoedingsargument; ontwikkeling nieuwe bedrijfstak.
• Het zelfvoorzieningsargument; niet te afhankelijk willen zijn als land.
• Retorsie; Nadat 1 land begint aan protectie volgen er meer.

Handelspolitiek: Ingrijpen door de overheden in het internationale goederen- en dienstenverkeer.
Handelspolitieke maatregelen
Tarifair (Invoerrecht/uitvoerrecht) Non-tarifair
Contin-genteringen Administratieve beperkingen Handels-verdragen Subsidies
Maximum hoeveelheid die invoerbaar is. Doane-, fiscale-, gezondheids-, milieueisen. Landen garanderen elkaar vrije toegang tot elkaars markt. Productie subsidiëren, zo kunnen landen makkelijker concurreren.
Exportsubsidies worden gegeven als een product wordt uitgevoerd.
Als de Tarifair hoog genoeg is is er bijna geen invoer, dit heet prohibitief.

5.5 Internationale handel in de praktijk
Autarkie: Land zonder economisch contact met andere landen.
Invoerquote: Waarde van de goederen- en diensteninvoer als een percentage van het nationaal product.
Uitvoerquote: Waarde van de goederen- en dienstenuitvoer als een percentage van het nationaal product.
Open economie: Relatief hoge in- en uitvoerquote.

Voor Nederland is de geografische spreiding en de samenstellen van het im- en exportpakket van belang. We voeren weinig producten uit waarbij vooral ‘human capital’ nodig is (waar we juist sterk in zijn). Daarom moeten we innovatiever zijn.

De Europese Unie tekent voor ongeveer de helft van de wereldhandel.

Overschotlanden: Landen die een overschot in het internationale goederen- en dienstenverkeer hebben.
Tekortlanden: Landen met een tekort.

Hoofdstuk 6; Productie in beweging: groei en conjunctuur..

6.1 Soorten bewegingen
Nationaal product:
• Trendbeweging; algemene richting, afgelopen eeuwen voortdurende groei, dus een groeitrend. Trendbreuk: Als de trend ruw wordt onderbroken.
• Conjunctuurbeweging; feitelijke groeicijfers van het nationaal product rond de groeitrend. Vaak terugkomende cyclus: conjunctuurcyclus.
• Seizoensbeweging; pieken in verschillende jaargetijden in verschillende bedrijfstakken.
• Incidentele beweging; door bijvoorbeeld een oorlog wordt het nationaal product sterk beïnvloed.

6.2 De productiecapaciteit
Productiecapaciteit: Maximale hoeveelheid goederen en diensten die een land op korte termijn kan voortbrengen.

Vaak is 1 van de productiefactoren de knelpuntfactor.

Model van de productiecapaciteit:
AA= arbeidsaanbod/beroepsbevolking (6,5 miljoen)
K = kapitaalgoederenvoorraad, waarde (in geld) van de kapitaalgoederen (900 miljard)
a = de gemiddelde arbeidsproductiviteit
k = de gemiddelde kapitaalproductiviteit

De gemiddelde arbeidsproductiviteit is de waarde van de productie per hoeveelheid arbeid in euro’s. (50.000)

Maximale productie Volgens Arbeid= AA x a = 6,5 miljoen x 50.000 = 325 miljard.

De gemiddelde kapitaalproductiviteit is de waarde van de productie per hoeveelheid kapitaal (1/3).

Maximale productie Volgens kapitaal= K x k = 900 miljard x 1/3 = 300 miljard
Kapitaal is dus de knelpuntfactor  kapitaalschaarste (er kan ook sprake zijn van arbeidsschaarste)


Theoretische productiecapaciteit: De maximale productie die behaald kan worden als de aanwezige productiemiddelen zo volledig mogelijk benut worden.
Door allerlei regels kan de productiecapaciteit worden gebaseerd op normale bezetting van de kapitaalgoederenvoorraad.

Arbeidscoëfficiënt: Hoeveel eenheden arbeid nodig zijn om 1 euro eindproduct te maken. Hoeveelheid arbeid/ productiewaarde = 1/50.000
Kapitaalcoëfficiënt: Hoeveel eenheden kapitaal nodig zijn om 1 euro eindproduct te maken. Hoeveelheid kapitaal/productiewaarde = 1/ (1/4) = 4

Toename van de productiecapaciteit:
• Arbeid;
- Toename of afname van de bevolking.
- Toename of afname van de participatiegraad.
- Kwaliteit verandert door scholing  human capital.
- Arbeidsverdeling (specialisatie) kan de productiviteit van arbeid verhogen.
• Kapitaal;
- Gunstiger investeringsklimaat bevordert de investeringen en daarmee de productiecapaciteit.
- Kwaliteit van de factor kapitaal gaat vooral omhoog door de mechanisering en de automatisering. Om de factor beter te benutten zou er meer gewerkt moeten worden. Dan gaan de constante kosten per eenheid product ook omlaag.
• Natuur;

- Door inpoldering meer grond.
- D.m.v. drainage of diepteontwatering kan de kwaliteit ook verbeterd worden.
• Ondernemersactiviteit; ondernemer kan veel doen; fusie met ander bedrijf, door ploegendiensten de kapitaalgoederenvoorraad beter benutten, voor motivatie de arbeidsverdeling doorvoeren of terugdraaien.

Innovatie: Introductie van een nieuwe vinding in het productieproces.
Basisinnovatie: Roepen andere innovaties op en zijn veel van belang.

6.3 De effectieve vraag
Bezettingsgraad: Mate waarin de productiecapaciteit wordt benut.
Effectieve vraag: Totale vraag, die hangt af van de:
• Gezinsconsumptie; uitgaven afhankelijk van:
- Inkomen
- Rentestand (van leningen)
- Verwachtingen
• Bedrijfsinvesteringen;
- Verwachte rendement
- Rentestand (hoge rente ontmoedigd een investering)
- Verwachte economische groei
- Bezettingsgraad van de kapitaalgoederenvoorraad
• Overheidsbestedingen;

Worden door het parlement en het kabinet samengesteld, de begroting van het vorige jaar speelt samen met de mening van de politieke partijen een grote rol.
• Het saldo van export en import;
Export is afhankelijk van: Import afhankelijk van:
- Inkomen in het buitenland - ons nationaal inkomen
- prijsverschillen - prijsverschillen
- verkeur voor onze producten - voorkeur voor buitenlandse producten
- hoogte wisselkoers - hoogte wisselkoers

6.4 Economische groei
Inflatie: Een stijging van het algemeen prijspeil.
Consumentenprijsindex: De index die is samengesteld uit prijzen van een pakket consumptiegoederen.

Reëel nationaal inkomen: Het voor inflatie gecorrigeerde nationaal inkomen.
Nationaal inkomen: Inkomen in euro’s van een bepaald jaar.

Economische groei: Toename van het reëel nationaal inkomen.
Indexcijfer nominaal inkomen
Indexcijfer reëel inkomen= indexcijfer algemeen prijspeil x 100%

Ook de bevolkingsgroei speelt een rol (inkomen per hoofd van de bevolking verandert).
Er zijn ook grenzen aan de groei. Er blijft niet genoeg voedsel voor al die mensen. En we moeten ook rekening blijven houden met het milieu.

6.5 De conjunctuurbeweging
Hausse: omhooggaande beweging van de conjunctuur.
Overbesteding: te hoge effectieve vraag, hoogconjunctuur.
Recessie: twee kwartalen negatieve groeicijfers.
Depressie: recessie die te lang aanhoudt, de bevolking neemt teveel toe.
Onderbesteding: de effectieve vraag komt onder de normaal bezette productiecapaciteit.
Conjunctuurindicatoren: Een mix van een aantal economische variabelen waarmee de conjunctuurbeweging kan worden bepaald.

Verklaringen van de conjunctuurbeweging:

• Altijd wel een golfbeweging, alleen deze hoeft niet regelmatig te zijn.
• Wel regelmatig als er veel wordt verkocht en daardoor wordt er weer teveel ingekocht waardoor de effectieve vraag daalt.

Conjunctuurpolitiek:
• Bij laagconjunctuur moet de overheid projecten starten of de belastingen omlaag brengen.
• Bij hoogconjunctuur andersom.

Anticyclische begrotingspolitiek: Overheid probeert de effectieve vraag te beïnvloeden. Deze politiek is geen succes geworden door:
• De openheid van de Nederlandse economie.
• Problemen van timing.
• Opwaartse druk op de overheidsuitgaven.

Hoofdstuk 7; Markten en prijzen..

7.1 Het keuzeprobleem

Consumenten: Mensen die goederen kopen, problemen zijn dat het inkomen beperkt is en dat je moet kiezen uit veel verschillende goederen

Schaars goed: Kapitaal, arbeid, grond en ondernemersactiviteit voor nodig.
Alternatief aanwendbaar: Een product dat voor meerdere doeleinden gebruikt kan worden, maar zodra het aangewend is is het niet meer voor een ander doel aanwendbaar (aardolie).

7.2 Markten
Markt: Het geheel van vraag en aanbod

• Concrete markten: waar mensen samenkomen om te kopen en te verkopen.
- Winkels - Filiaalbedrijven ( groot winkelbedrijven AH)
- Vrijwillige filiaalbedrijven (grossier  koopt bij
verschillende producenten in.
- Warenhuizen (uiteenlopend assortiment)
- Kraampjesmarkt
- Veilingen (vaak 1 aanbieder en vele kopers)
- Veilen bij afslag: met een klok, degene die het eerst afmijnt
krijgt de partij. Doorgedraaid: voorbij het minimum
- Veilen bij opbod: Degene die het hoogst biedt krijgt de partij.

Bij veilingen zie je snel wat het totale aanbod + vraag is, je krijgt inzicht in de prijzen die betaald willen worden en doordraaiprijzen geven informatie over de minimum prijzen.

• Abstracte markten: Alles wat bepalend is voor de prijs van een goed. Dit is meestal de vraag en het aanbod.

De rol van prijzen; de prijs is de in geld uitgedrukte waarde van een goed. Dit is meestal de vraag en het aanbod.

Behoeften - Vraag

Schaarste - Prijs

Productiemiddelen - Aanbod

Het prijsmechanisme is een informatiesysteem dat vrager en aanbieder informeert over de consequenties van hun handelen.

De beloning voor de productiefactoren is voor bedrijven en gezinnen van belang.
• gezinnen: Loon (arbeid), rente of interest (kapitaal), winst (beide productiefactoren en de ondernemersactiviteit).
• Voor bedrijven de beloning van de productiefactoren, ze verdienen de productie terug.
Hoge prijzen kunnen ertoe leiden dat een gezin meer productiefactoren gaat aanbieder.


7.3 Marktvormen
Marktvorm: Het geheel van prijsbepalende factoren voor een bepaald goed.
De aard van de marktvorm wordt bepaald door:
• Aantal vragers + aanbieders
• De aard van het goed
• De doorzichtigheid van de markt
• De hoogte van de toetredingsbarrières

Aantal vragen en aanbieders
• 1 aanbieder: Stelt de prijs vast.
• Weinig aanbieders: Als aanbieders met hun handelen rekening houden met de reacties van concurrenten.
• Veel aanbieders: Een individuele aanbieder oefent geen invloed uit op de prijs.

Aard van het goed
• Homogene goederen: Op gelijke wijze wordt in een bepaalde behoefte voorzien.
• Heterogene goederen: Voorzien in dezelfde behoeften, maar door productdifferentiatie verschillen ze toch in de ogen van de consumenten.


Doorzichtigheid van de markt
• Als alle aanbieders en vragers op de hoogte zijn van alles wat er op de markt gebeurd (geen prijsverschillen).
• Door productdifferentiatie zijn markten ondoorzichtig geworden.

Hoogte van de toetredingsbarrières
• Vrije toetreding: Iedereen die het product wil aanbieden mag dat.
• Toetreding kan belemmerd worden door eisen (huisarts opleiding is 8 jaar), of door de aard van het product (productie kan heel duur zijn).

Indeling marktvormen
• Monopolie: 1 aanbieder, homogeen goed
• Homogeen oligopolie: weinig aanbieders, homogeen goed
• Heterogeen oligopolie: weinig aanbieders, heterogeen goed (auto’s)

• Volkomen concurrentie: veel aanbieder, homogeen goed (tarwe, maïs)
• Monopolistische concurrentie: veel aanbieders, heterogeen goed

7.4 Marktgedrag
Hoeveelheidaanpassing en prijszetting
• Hoeveelheidaanpassing: Individuele producent heeft geen invloed op de marktprijs. Hogere marktprijs: grotere productie. Lagere marktprijs: Beperking van de productie.
• Prijszetting: Individuele producenten heeft wél invloed op de prijs (monopolie, oligopolie, monopolistische concurrentie).

Marktvorm en marktgedrag
Marktgedrag: Handelen van producenten om bepaalde doeleinden te bereiken. Bij een oligopolie werken aanbieders samen om de heterogeniteit van producenten te versterken.
Reclame kan bij monopolistische concurrentie wel tot uiting komen, bij volkomen concurrentie niet.


Marktresultaat
Het marktresultaat is de uitkomst van het marktproces (prijzen, hoeveelheid)
Samenwerking kan leiden tot een grotere macht, dit tot hogere prijzen en dit kan er voor zorgen dat consumenten minder kunnen kopen.

Hoofdstuk 8; De consument..

8.1 De vraag naar goederen
Consumptie: Aanschaf van goederen door gezinnen ter wille van de behoeftebevrediging.
Bedrijven investeren i.p.v. consumeren en de overheid consumeert wel.

De totale vraag wordt bepaald door:
• De behoeften
Ofwel preferenties, worden beïnvloed door reclame en gezinssamenstelling enz.
• De financiële middelen
Het inkomen uit werk, subsidies en rente is belangrijk ( en eventueel krediet als er geleend wordt). Belastingen en sociale premies moeten wel betaald worden en dit gaat af van het inkomen. Het modale inkomen is het meest voorkomende inkomen.
• De prijzen

Substitutiegoederen kunnen elkaar vervangen en daardoor is de concurrentie ervan duidelijk. Complementaire goederen zijn goederen die een aanvullende functie hebben. Er is dus minder concurrentie tussen omdat ze toch wel gekocht worden.
• Het aantal consumenten
Hoe meer koopkrachtige vragen, hoe groter de totale vraag. Vergrijzing heeft invloed op bijv. de woningmarkt. Het kopen van eengezinswoningen.

8.2 Het verband tussen de gevraagde hoeveelheid en de prijs
Ceteris-paribus-voorwaarde: Op welke manier de gevaagde hoeveelheid afhankelijk is van de prijs van het product terwijl je geen rekening houdt met andere factoren.

Algemene gedaante van de vraagvergelijking:
qv = ap + b
De grafiek hiervan is de vraaglijn of vraagcurve.
Individuele vraagvergelijking: Geldt voor 1 consument.
Collectieve vraagvergelijking: Alle consumenten tezamen.

Een verschuiving langs de vraagcurve: Als de prijs verandert.
Een verschuiving van de vraagcurve: Als we bijv. meer verdienen en meer van het product willen kopen ook al blijft de prijs gelijk.

8.3 Prijselasticiteit van de gevraagde hoeveelheid
De Prijselasticiteit van de gevraagde hoeveelheid geeft aan in welke mate de gevraagde hoeveelheid reageert op een prijshoeveelheid.

Prijselasticiteit:
Ev = Verandering van de gevraagde hoeveelheid in % / Verandering van de prijs in %
Verandering van de gevraagde hoeveelheid in % = nieuw – oud / oud x 100%
Verandering van de prijs in % = nieuw – oud / oud x 100%
De Ev laat zien met hoeveel de gevraagde hoeveelheid zal toenemen als de prijs met 1% daalt.
∆q q1
Ev = ∆p x p1

Elastische vraag: Als de procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid groter is dan die van de prijs. Ev = kleiner dan -1
Inelastische vraag: Als de procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid kleiner is dan die van de prijs. Ev = tussen -1 en 0.
Als de vraag volkomen inelastisch is, dan geldt: Ev = 0. (Hoe noodzakelijker een goed, des te inelastischer is de vraag)

Puntelasticiteit:

De elasticiteit berekenen als je prijs weet op een bepaald punt. De prijs vul je in in de formule. Dan weet je qv. Die vermenigvuldig je met p/q. Deze heb je net uitgerekend.

Een elasticiteit is vaak niet op heel de vraagcurve gelijk.

Bij een relatief elastische vraag leidt prijsverlaging tot een toename van de omzet.
Bij een relatief inelastische vraag leidt een prijsverlaging tot een afname van de omzet.

8.4 De kruislingse prijselasticiteit
De kruislingse elasticiteit (Ek) van de gevraagde hoeveelheid geeft de mate weer waarin de gevraagde hoeveelheid van goed A invloed heeft op een prijsverandering van goed B.

• Bij substitutiegoederen (kun je makkelijk door elkaar vervangen):
de relatieve verandering van de gevraagde hoeveelheid van goed A

Ek = de relatieve verandering van de prijs van goed B
(In procenten!!!)
De kruislingse elasticiteit is bij substitutiegoederen altijd positief!

• Bij complementaire goederen (moeten samen worden gebruikt):
de relatieve verandering van de gevraagde hoeveelheid van goed A
Ek = de relatieve verandering van de prijs van goed B

De kruislingse elasticiteit bij complementaire goederen is altijd negatief!

Puntelasticiteit:
In de kruislingse prijselasticiteit krijg je te maken met puntelasticiteit. Dit doe je op dezelfde manier als de gewone puntelasticiteit. Dus:
dqr pv
Ek = dpvx qr dqr/dpv is de afgeleide.

Hoofdstuk 9; Het perfect werkend prijsmechanisme..

9.1 Prijsvorming bij volledige mededinging
Hoeveelheidaanpassing: Veel aanbieders, dus het enige dat je als aanbieder van het product kunt doen is je hoeveelheid aanpassen. Je hebt geen invloed op de prijs.


De algemene gedaante van de aanbodvergelijking:
qa = cp + d
Als het over alle aanbieders van de markt gaat: collectie aanbodvergelijking.

Evenwichtsprijs: De aangeboden hoeveelheid is gelijk aan de gevraagde hoeveelheid.
Evenwichtsprijs berekenen: qa = qv. Evenwichtsprijs en evenwichtshoeveelheid geef je aan met een streep boven de p en q.
Als de vraag verandert schuift de vraagvergelijking naar rechts of naar links. Als het aanbod verandert schuift de aanbodvergelijking naar boven of beneden.

9.2 Marktprijs en aanbod
TK = 500q + 1000
GTK = 500 + 1000/q
GVK = 500
GCK = 1000/q

TW = (GO-GTK) x q

Een maginaal bedrijf is een bedrijf dat tegen de hoogste gemiddelde totale kosten produceert.


9.3 Een ingewikkelder kostenverloop
Variabele kosten kunnen
• degressief zijn: Steeds minder snel stijgend
• progressief zijn: Steeds sneller stijgend

Marginale kosten: De extra kosten bij een uitbreiding van de productie met 1 eenheid.
MK = dTK/dq  de eerste afgeleide van de totale kosten!
Als de totale kosten degressief zijn dan nemen de marginale kosten af. Zijn ze progressief dan nemen te marginale kosten toe.
MK bij een 2e graadsvergelijking is ook de afgeleide.

9.4 Maximale winst bij niet-proportionele variabele kosten
Marginale opbrengst: De extra opbrengt als de afzet met 1 eenheid wordt uitgebreid.
Marginale winst: De extra winst als de afzet met 1 eenheid wordt uitgebreid.

De marginale opbrengst is bij de marktvorm volledige mededingen constant en gelijk aan de marktprijs.

MO = dTO/dq dTW/dq = dTO/dq - dTK/dq
MK = dTK/dq MW = MO - MK
MW = dTW/dq
De winst is maximaal als MW = 0. (Klopt, afgeleide = 0) Hierbij stel je dus: MO = MK

TO = q x GO (TO in een grafiek dus onder de GO-lijn)
TK = q x GTK
TW = TO – TK = q x (GO – GTK)

Hoofdstuk 10; Niet perfect werkende markten..

10.1 Inleiding
Prijszetting: de aanbieder bepaalt zelf binnen bepaalde grenzen tegen welke prijs zijn product wordt verkocht.

10.2 Monopolie
• Wettelijke monopolie: Verboden voor particuliere bedrijven.
• Natuurlijk monopolie: Maar 1 bedrijf heeft de kennis of de technische infrastructuur.
• Collectief monopolie: Kartelafspraken.

Bij een monopolie is de vraagvergelijking gelijk aan de opbrengstvergelijking.

TO = p x q (Als je dus de prijs-afzetvergelijking hebt kun je die invullen in de formule)
GO = TO/q
MO = dTO/dq

De MO-lijn in een grafiek loopt altijd twee keer zo snel als de GO-lijn.
MO = 0, dan zijn de opbrengsten maximaal.
Met de vergelijkingen van TK en TO kun je ook maximale winst uitrekenen. Van elkaar aftrekken en de afgeleide 0 stellen.

Marktsegment: Een groep die op gelijke wijze reageert op een prijsverandering.
Prijsdiscriminatie: Als een aanbieder voor hetzelfde product verschillende prijzen vraagt aan verschillende vragers.
Prijsdifferentiatie: Het prijsverschil komt tot stand door prijsverschil in kosten.


Doelstellingen:
• Maximale winst: MO = MK
• Maximale omzet: Versterkt de positie van het bedrijf.
• Kostendekking: Bijv. openbare nutsbedrijven.

10.3 Oligopolie
• Productdifferentiatie: goederen worden heterogeen.
• Als de één vernieuwingen heeft zal de ander niet lang achterblijven.

Heterogeen duopolie:
q1 = -5p1 + 3p2 + 34
q2 = -5p2 + 4p1 + 30

2 bedrijven die in hetzelfde goed voorzien, productdifferentiatie, en de afzet van de één is afhankelijk van de afzet van de ander. Je ziet ook welke verandering er meer invloed heeft aan de reactiecoëfficiënten. Als een stijging van p2 leidt tot een stijging van q1 dan zijn het substitutiegoederen.

Prijsbeleid

• Prijsconcurrentie: Door prijsverlagingen proberen het marktaandeel te vergroten. Er kan hier een cut throat competition uit ontstaan.
• Prijsleiderschap: Geeft een zekere stabiliteit aan de prijsvorming. Kleinere ondernemen volgen de grotere.
• Prijsstarheid: Omdat anderen ook hun prijzen gaan verlagen de prijs vasthouden.

10.4 Monopolistische concurrentie
• Zeer veel aanbieders die heterogene producten aanbieden.
• Monopolistisch gedrag door productdifferentiatie.
• De markt wordt ondoorzichtiger  prijsverschillen blijven langer bestaan.
• Door concurrentie probeert iedereen een vaste klantenkring op te bouwen.
• De pijsafzetlijn is vrij elastisch, want als het prijsverschil te groot wordt kunnen de consument juist makkelijk overstappen.
• Als er grote winsten worden behaald zullen er veel toetreders zijn en zullen de winsten weer dalen.

Hoofdstuk 11; Overheidsingrijpen op de markt..

11.1 Waarom grijpt de overheid in?
• Bescherming van de producenten en consumenten: Maximum en minimumprijs

• Externe effecten: Negatieve externe kunnen, zoals milieuvervuiling kunnen bestreden worden met accijns of wetten. Positieve externe effecten kunnen gestimuleerd worden d.m.v. subsidies.
• Collectieve goederen: Goederen waar we belasting voor betalen en die de overheid wel laat bouwen. Quasi-collectieve goederen zijn goederen waarvan wij gebruik mogen maken.

11.2 Maatregelen die de marktprijs beïnvloeden
• Minimumprijzen: Deze prijzen worden ingevoerd voor bescherming van de producent. Dit kan leiden tot een overschot. De overheid koopt dit op tegen de minimumprijs, ook wel interventieprijs genoemd dan. Dit probleem kan opgelost worden door de burger de kosten van het opslaan van dit product te laten betalen of een minimumprijs tot stand brengen die hoger is dan de eventuele evenwichtsprijs.
Op een veiling worden de doordraaiprijzen nu ophoudprijzen genoemd. Als het niet gekocht wordt krijgt de aanbieder de minimumprijs.
• Maximumprijzen: Deze prijzen worden ingevoerd om de consument te beschermen. Er kan wel een tekort optreden. Op de zwarte markt kun je door boven de maximale prijs te betalen toch krijgen wat je wilt.
• Subsidies: Om producenten meer te laten aanbieden en vragers minder te laten betalen worden er subsidies uitgereikt. Consumentprijs: marktprijs. Producentprijs: marktprijs + subsidie.

• Kostprijsverhogende belastingen: Door het instellen hiervan schuift de aanbodlijn omhoog. Hiermee probeert de overheid het produceren en het consumeren te verminderen. Accijns zijn hier een voorbeeld van. Accijns is een belasting die wordt geheven op sommige producten. De aanbodlijn verschuift met dit bedrag omhoog.
Van (belasting) afwenteling is sprake, wanneer degene die een bepaalde belasting moet betalen, deze belasting geheel of gedeeltelijk aan en ander weet door te berekenen. (bijv. een winkeleigenaar die zijn klanten de belasting laat betalen)

11.3 Maatregelen die de concurrentie beïnvloeden
• Multinationale ondernemingen: Bevorderen de concurrentie in het buitenland.
• Machtsconcentraties: Zo neemt de concurrentie af, kleinere bedrijven geven het op.
• Nederlandse Mededingingsautoriteit: Verbiedt kartelvorming.
• Europees mededingingsbeleid: Zorgt ervoor dat er in Europa weinig kartels zijn. Dit moet dan wel invloed hebben op meer dan 5% van Europa.

Hoofdstuk 12; Sturing door de overheid..

12.1 De organisatie van de rijksoverheid
Collectieve sector

Rijk Overige publiekrechtelijke lichamen Sociale
Verzekeringsinstellingen


Provincies Gemeenten Waterschappen

Troonrede: De regering geeft hier in aan welk beleid ze willen gaan voren in het komende begrotingsjaar.
Miljoenennota (Nota over de toestand van ’s Rijks financiën):
• Informatie over de financiële en economische situatie van ons land.
• Financiële consequenties van de troonrede
• Samenvatting van de begrote ontvangsten en de begrote uitgaven van het komende jaar.

Het Centraal Planbureau zorgt voor de Macro Economische Verkenning waarin de verwachtingen staat voor de inflatie, werkloosheid enz. Dit is informatie waarop de miljoenennota wordt bepaald.

De leden uit de Sociaal Economische Raad worden benoemd door:
• De verenigingen van werknemers

• De verenigingen van werkgevers
• De Kroon (onder wie de voorzitter)

Een belangrijke bron voor de beleidsvoornemens zijn de statistische gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek.

12.2 Functies van de rijksoverheid in de Nederlandse economie
• Allocatiefunctie: De verdeling van de productiefactoren over de productiemogelijkheden. (Welke goederen in welke hoeveelheden?)
• Stabilisatiefunctie: Als de vraag niet groot genoeg is voor de volledige bezetting van de productiecapaciteit moet de overheid haar bestedingen vergroten of de belasting verlagen.
• Herverdelingsfunctie: Heffing van inkomstenbelasting zorgt ervoor dat de secundaire inkomens dichter bij elkaar liggen dan de primaire inkomens. Zo is de ongelijkheid een end weg uit het land.

12.3 Doelstellingen van de economische politiek
Economische politiek: Alle dingen die de overheid doet om het economisch proces zo te laten verlopen zoals zij wil.


De doelstellingen hiervan zijn:
• Evenwichtige economische groei: De welvaart moet blijven toenemen. Tegenwoordig wordt wel rekening gehouden met het milieu. De economie moet blijven groeien omdat er anders straks meer werknemers zijn dan werk.
• Volledige werkgelegenheid: Inkomstbron en bron voor sociale contacten voor mensen.
• Stabiel prijspeil: Inflatie kan uitlopen tot hyperinflatie, dan wordt het geld minder waard. Deflatie is ook niet de bedoeling, dan denken de mensen dat het nog goedkopen wordt en houden het geld op zak.
• Evenwichtige betalingsbalans: Tekorten komen door: Toename binnenlandse vraag of afname van de wereldhandel.
• Aanvaardbare inkomensverdeling: De inkomens moeten niet teveel verschillen binnen een land.

EMU-doelstellingen:
Het financieringstekort mag niet hogen zijn in een land dan 3% van het BBP.
De staatsschuld mag niet hoger zijn dan 60% van het BBP.

Sommige doelstellingen werken elkaar tegen (meer productie - negatieve externe effecten)

12.4 Instrumenten van de economische politiek
• Conjunctuurbeleid: De conjunctuur is de schommelende beweging van de feitelijke groei rond de groeitrend. De overheid kan haar uitgaven aanpassen of de hoogte van de belastingen.

• Structuurbeleid: Uitbreiden infrastructuur, ondernemingen bevorderen om onderzoek te doen, scholing beroepsbevolking en de participatie van vrouwen te bevorderen.
• Marktbeleid: Er zijn maatregelen genomen om de markt ruimte te geven zoals:
- Privatisering: Particuliere bedrijven nemen taken van de overheid over.
- Deregulering: Minder regels voor ondernemers.
- Tegengaan van machtsvorming: kartelvorming wordt moeilijker gemaakt door de
Mededingingswet.

REACTIES

R.

R.

"Collectievelastendruk= Bruto binnenlands product x 100%
totale uitgaven collectieve sector
Collectieveuitgavenquote= bruto binnenlands product x 100%"
klopt niet

15 jaar geleden

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.