De NPO is bezig met een nieuwe interactieve videoserie voor scholieren, over persoonlijke dilemma's. Om de serie zo herkenbaar mogelijk te maken, hebben ze jouw hulp nodig. Ben je tussen de 15-18 jaar en wil jij meedenken? Vul de vragenlijst in (5 a 10 minuutjes) en maak kans op een Bol.com bon van 10 euro.

 


Meedoen


 

Samenvatting ‘’Schaarste en Ruilen’’

 

1

Productiefactoren:

Factoren die nodig zijn om goederen te produceren

 

-Natuur (water lucht enz.)

-Arbeid (werknemers enz.)

-Kapitaalgoederen (goederen die bij productie nodig zijn zoals machines enz.) bedrijven/overheid

-Kapitaal (goederen die nodig zijn bij de productie, zoals machines enz.) Particulier gebruik

-Ondernemerschap (eigenaar van bedrijf die productiefactoren combineert om goederen te maken)

 

 

Schaars goed:

Er zijn productiefactoren nodig om ze te produceren (vrachtwagen, gebouwen etc.)

 

Vrij goed:

Er zijn geen productiefactoren voor nodig om het te produceren. (regenbui etc.)

 

Middelen:

Dit heb je nodig om je behoeften te bevredigen (inkomen etc.)

 

Jezelf van je behoeften voorzien:

-Zelfvoorziening

-je koopt goederen/diensten, bij dit ben je een consument en je koopt consumptiegoederen

 

 

2

 

Alternatieve aanwendbaarheid:

Het op verschillende manieren kunnen inzetten van middelen

 

Begroting (budgetplan):

-vaste lasten

-incidentele uitgaven

-Dagelijkse uitgaven (benzine, eten etc.)

 

 

3

 

Directe ruil:

Product tegen product ruilen

1: kost veel tijd en moeite

2: er is weinig arbeidsverdeling (adviesbanen kunnen haast niet bestaan)

3: schaalvergroting blijft beperkt (het heeft geen zin om groter te gaan produceren)

 

Indirecte ruil:          

ruilen met geld

1: er kwam specialisatie (bakker hoeft geen varkens meer te houden)

2: schaalvergroting wordt gestimuleerd

3: de arbeidsproductiviteit stijgt (productie per persoon stijgt)

 

Winst:

Inkomen bij verkopen van producten (na aftrek aanschafkosten etc.)

 

4

 

De waarde van geld:

 

Intrinsieke waarde: materiaalwaarde van het geld (mag niet hoger zijn dan nominale waarde)

Nominale waarde: waarde die gedrukt staat op de munt/het biljet

 

Interne waarde: de hoeveelheid die je in je eigen land voor een euro kunt kopen

Externe waarde: de hoeveelheid buitenlands geld, die je met een euro kunt kopen

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

Fiduciair geld:

Waarde van geld, gebaseerd op het vertrouwen van de consument (Geen vertrouwen->directe ruil)

 

Functies van geld:

-ruilfunctie (producten ruilen voor geld, en andersom)

-rekenfunctie (waarde, uitgedrukt in geld, vergelijken met andere producten)

-oppotfunctie (sparen)

 

Soorten geld:

-Giraal (geld op bankrekening etc.)

-Chartaal (het ‘’zichtbare’’ geld)

 

Beschikken over giraal geld:

Pinpas, overschrijvingskaart, acceptgiro, creditcard, internetbankieren of telefonisch overmaken.

 

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Bonko

Bonko

Top,,

1 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast