Hoofdstuk 1 (productie) en 2 (bedrijven)

Beoordeling 4.7
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 2240 woorden
  • 2 februari 2009
  • 6 keer beoordeeld
  • Cijfer 4.7
  • 6 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Studententijd zomerspecial

Heb jij de Zomerspecial van Studententijd de podcast al geluisterd? Joes, Steie, Dienke en Pleun nemen je mee in hun zomer vol festivals, vakanties en liefde. En kijken ook alvast vooruit naar de introductietijd van het nieuwe collegejaar. Luister lekker mee vanaf je strandbedje, de camping of onderweg. 

Luister nu!
Hoofdstuk 1
1.1 waarom productie
■De behoeften van een mens bestaan uit alles wat de mens wil of nodig heeft.
■Goederen zijn alle middelen waarmee in de behoeften van de mens kan worden voorzien.
Nut: de eigenschap van goederen om in een bepaalde behoefte te kunne voorzien.
Vrije goederen: waarvoor niemand wil betalen
Economische goederen: waarvoor betaald wordt.
* ■individuele goederen goederen die splitsbaar zijn in eenheden die aan
individuele personen worden verkocht.

- worden door particuliere bedrijven aangeboden
- degene die betaalt, dezelfde is als degene die van het betreffende
goed geniet
* ■collectieve goederen zijn goederen die niet splitsbaar zijn in eenheden die
aan individuele personen worden verkocht.
- als de overheid deze goederen niet laat maken, komen ze helemaal
niet tot stand.
- goederen waarvan niemand van het gebruik kan worden uigesloten.
- het gebruik van een collectief goed gaat niet ten koste van het
gebruik door een ander.
*■Quasi-collectieve goederen zijn individuele goederen die door overheid worden aangeboden
- aan de individuele gebruiker van deze goederen kunnen de kosten in
rekening worden gebracht.

- soms zijn de inningskosten echter zo hoog, dat de kosten beter uit de
belasting kunnen worden betaald.
- als de overheid wil dat zoveel mogelijk mensen ergens van gebruik
maken, biedt de overheid het voor een lage prijs aan.
1.2 wat is productie?
■produceren is het combineren van productiefactoren met het doel waarde toe te voegen.
Toegevoegde waarde is de verkoopwaarde van een product – de waarde van de verbruikte grond- en hulpstoffen – de waarde van de ingekochte diensten van 3de.
(zie § 1.4) ■productiefactoren zijn middelen die nodig zijn bij de productie (voegen waarde toe)
* arbeid loon, of geen loon
* kapitaal rente, interest en kapitaalgoederen
* natuur de grond als vestigingsplaats, alles wat de natuur levert zonder
ingrijpen. (ligging, natuurlijke hulpbronnen, en het klimaat)
en natuurlijk ook de pacht die betaald wordt over stuk grond
* ondernemersactiviteit de 3 productiefactoren met elkaar
combineren. Hij loopt risico. Is het een succes: winst, anders verlies.
■ winst is het positieve verschil tussen de totale opbrengst en de totale kosten van een bedrijf.
De totale opbrengst is gelijk aan de hoeveelheid producten die in een bepaalde periode is verkocht vermenigvuldigd met de prijs van de productiefactoren.
( de toegevoegde waarde is gelijk aan arbeid+kapitaal+natuur+ ondernemersactiviteit (winst).
■ het nationaal product bestaat uit de som van de toegevoegde waarde van alle bedrijven en de overheid in een land in een jaar.
■ het nationaal inkomen bestaat uit de som van de beloningen van de productiefactoren in een land in een jaar.
(het nationaal product is in de vorm van loon, pacht, interest en winst uitgekeerd als beloningen voor de productiefactoren. Dit bij elkaar is het nationaal inkomen)
■ het nationaal product is gelijk aan het nationaal inkomen.
1.3 productie en welvaart
■ welvaart is de mate waarin de bewoners van een land in hun behoeften kunnen voorzien.
Schaarste: de spanning tussen de behoeften en die middelen om die behoeften te bevredigen.
Meer producten, meer welvaart? NEE: de gestegen productie kan bijvoorbeeld leiden tot lucht- en waterverontreiniging. De negatieve effecten van de productiegroei kunnen zó hoog zijn, dat per saldo de welvaart gelijk blijft of zelf daalt!
Met het streven naar welvaart kunnen problemen ontstaan:
de welvaart neemt niet toe als,
- de behoeften toenemen met de productie (de auto is geen luxe meer)
Positieve en negatieve welvaartseffecten
als andere onbedoeld te maken krijgen met de gevolgen van productie of consumptie, dit zijn externe effecten.
■ externe effecten doen zich voor als het streven naar welvaart van de één onbedoeld invloed uitoefent op de welvaart van een ander.
Betrek je de behoeften en de externe effecten in de beschouwing, dan gaat het om welvaart. Doe je dat niet, dan gaat het alleen om de productie.
1.4 de productiefactoren
Arbeid.
- er vindt geen registratie plaats van onbetaald werk.
- beroepsgeschikte bevolking (hieruit komt de productiefactor arbeid): de groep van 15 tot en met 64 jarigen.
- ■ beroepsbevolking bestaat uit alle personen van 15 tot en met 64 jaar die
beschikbaar zijn om betaald werk te doen.
* Alleen mensen met een baan van ten minste 12 uur worden
Meegerekend.
* ook de mensen die willen werken maar geen baan kunnen vinden,
de werklozen dus, horen ook bij de beroepsbevolking. (zoek baan van
ten minste 12 uur)
■ Participatiegraad: de beroepsbevolking in procenten van de beroepsgeschikte bevolking.
Berekening: (beroepsbevolking/beroepsgeschikte bevolking) x 100%
Kapitaal
1) geldkapitaal of vermogen
2) kapitaalgoederen, zoals machines en gebouwen
*de prijs voor de productiefactor ‘kapitaal’ is de interest.(bijv. lening voor
gebouw, maar ook als het gebouw uit eigen middelen wordt gekocht,
dat geld had je ook kunnen investeren in iets anders.
■ Kapitaalgoederen zijn goederen die niet bestemd zijn voor consumptief gebruik, maar om andere goederen te produceren.
* vaste kapitaalgoederen zijn goederen die meer dan één
productieproces meegaan.
* vlottende kapitaalgoederen goederen die slecht één productieproces worden gebruikt. (voorraden grondstoffen, en voorraden eindproduct)
■ Investeren is het aanschaffen van kapitaalgoederen.
(door investeringen veranderen hoeveelheid en/of kwaliteit van de kapitaalgoederen waarover het bedrijfsleven beschikt.)
* diepte investeringen:
Wanneer een kapitaalgoed wordt aangeschaft dat met eenzelfde hoeveelheid arbeid een grotere hoeveelheid product kan voortbrengen.
- leidt tot een stijging van de ■ arbeidsproductiviteit: de waarde van de hoeveelheidgeproduceerde goederen per arbeidsuur.
■ is een investering waarbij de kapitaalintensiteit toeneemt
■ Arbeidsproductiviteit= waarde van de geproduceerde goederen/benodigde hoeveelheid arbeidsuren.
* Breedte-investeringen
De productiecapaciteit wordt groter maar tegelijkertijd ook de arbeid(evenredig). Dus de verhouding kapitaal en arbeid veranderen niet!
■is een investering waarbij de kapitaalintensiteit net verandert.
■ kapitaalintensiteit de hoeveelheid kapitaalgoederen per eenheid arbeid.
De gestegen prijs van arbeid is in laatste instantie dus de oorzaak van de toename van de kapitaalintensiteit (diepte-investering)

■ afschrijvingen geven de waardedaling van kapitaalgoederen weer.
(via de verkoopprijs moeten de afschrijvingen worden terugverdiend, de terugverdiende afschrijvingsbedragen moeten groot genoeg zijn voor vervanging)
Natuur
■ Onder de productiefactor natuur of grond verstaan we de grond als vestigingsplaats voor ieder bedrijf en verder alles wat de natuur zonder menselijk ingrijpen levert.
- het gaat bij deze productiefactor om:
1) de geografische ligging van een land of regio
2) natuurlijke hulpbronnen
3) het klimaat
4) milieufactoren
Duurzame ontwikkeling: een manier van produceren die de natuurlijke omgeving zo veel mogelijk onaangetast laat en die de onaangename kanten van onze manier van produceren niet naar de toekomst verschuift.
Ondernemersactiviteit
■ de productie factor ondernemersactiviteit is de eigenschap van ondernemers om productiefactoren zó te combineren dat die combinatie winst oplever.
■ innovatie is de ontwikkeling van een succesvolle introductie van nieuwe of verbeterde goederen, diensten, productie- of distributieprocessen

Hoofdstuk 2
2.1 indeling van bedrijven
■ bedrijf: een zelfstandige organisatie waarin de productiefactoren zijn samengevoegd met als doel het leveren van goederen en diensten aan derden.
Bedrijven worden ingedeeld naar:
- econonomische activiteit
-rechtsvorm
Economische activiteit
1) primaire sector
2) secundaire sector
3) tertiaire sector
4) quartaire sector
Primaire sector
Agrarische sector, de bosbouw en de visserij. (eenmansbedrijven)
Secundaire sector
De delftstoffenwinning, de industrie, energie- en waterleidingsbedrijven en de bouwnijverheid. (de productie is in hoofdzaak kapitaalintensief: er worden veel kapitaalgoederen gebruikt)
Tertiaire sector
De commerciële dienstverlening. Winkels, vervoersbedrijven, notarissen, accountants, banken, verzekeringsmaatschappijen en reparatiebedrijven.
(dienstverlening is arbeidsintensief: veel arbeiders in dienst)
Quartaire sector
Niet-commerciële dienstverlening. De overheid en alle bedrijven die door de overheid worden gefinancierd, zoals ziekenhuizen en bibliotheken.
■ rechtsvorm de juridische vorm waaronder een bedrijf aan het economisch verkeer deelneemt.
De keuze voor een rechtsvorm
* Economische overwegingen: vragen: wie draagt (dragen) de risico’s van het ondernemerschap, op welke manier kunnen de middelen van het bedrijf worden uitgebreid?
* Juridische overwegingen: hangen samen met de aansprakelijkheid voor de verplichtingen die door het bedrijf zijn aangegaan
Rechtsvormen:
-bedrijven zonder rechtspersoonlijkheid. De eigenaars zijn met hun gehele privé-vermogen aansprakelijk voor de schulden.
-bedrijven met rechtspersoonlijkheid. Er is een strikte scheiding tussen het privé-vermogen van de eigenaars en de zaak.

■ Eenmanszaak een bedrijf met één eigenaar, die óók met zijn privé-bezittingen aansprakelijk is voor alle verplichtingen die namens het bedrijf zijn aangegaan.
■ vennootschap onder de firma is een onderneming waarbij twee of meer mensen onder een gemeenschappelijke naam een bedrijf uitoefenen.
(iedere firmant is afzonderlijk met zijn privé vermogen aansprakelijk hoofdelijke aansprakelijkheid)
■ rechtspersoon is een organisatie die zelfstandig rechten en verplichtingen kan hebben. (nv, bv)
Naamloze vennootschap de gezamenlijke aandeelhouders zijn eigenaar van het bedrijf. Er is een strikte scheiding tussen de privé-bezittingen van de aandeelhouders en het bedrijf. Leiding: managers in loondienst. Aandeelhouders kunnen wel stem laten horen in algemene vergadering van aandeelhouder. Aandeel kan verkocht worden op effectenbeurs.
Besloten vennootschap het grote verschil met nv: de aandelen van een nv kunnen vrij verhandeld worden, die van een bv niet!
Kent slechts beperkt aantal aandeelhouders: gesloten groep(bijv. fam)
Overdracht aandelen is doorgaans alleen mogelijk aan familieleden of ander aandeelhouders.
2.2 bedrijfskolommen en bedrijfstakken
Bedrijfskolom: alle opeenvolgende productieprocessen- vanaf de winning van de oorspronkelijke grondstof tot en met de winkel waarin het eindproduct wordt verkocht.
Productiefase: bewerking die een product ondergaat.
■bedrijfskolom: een schematisch overzicht van de belangrijkste productiefasen die een product doorloopt.
■ bedrijfstak: omvat alle bedrijven die eenzelfde soort product voortbrengen of een gelijke productieve handeling verrichten
Markten tussen verschillen de fasen van bedrijfskolommen.(tussen cacaoplantages en exporteurs een markt van grondsof cacao)
Bewegingen in productiestructuur
1) verticale bewegingen binnen één bedrijfskolom
2) horizontale bewegingen beweging van de ene bedrijfskolom naar de andere.
■ Integratie het samenvoegen van twee of meer opeenvolgende fasen van de bedrijfskolom in één bedrijf. Uitschakelingstendens
■ differentiatie het afstoten van een bepaalde activiteit naar een voorgaande of een volgende fase in de bedrijfskolom. Inschakelingstendens
■ Parallellisatie het verschijnsel dat een bedrijf producten uit andere bedrijfskolommen die in hetzelfde stadium van verwerking verkeren, in zijn assortiment opneemt.
(voordeel, doordat hij zijn inkomen uit meer goederen haalt, de producent spreidt daardoor zijn risico’s)uitschakelingstendens
Gaat de parallellisatie erg ver, dan spreken we van branchevervaging.
(een fotozaak die ook tv’s gaat verkopen)
■ specialisatie een bedrijf gaat zich toeleggen op de productie van één of enkele producten in een bedrijfstak. Inschakelingstendens
(het product kan kwalitatief worden verbeterd, de kosten kunnen lager liggen.
2.3 Economische macht en schaalvergroting
■ Concentratie het verschijnsel dat beslissingen over de productie van goederen en diensten door steeds minder bedrijven worden genomen.
Concentratie wordt veroorzaakt doordat:
1) grote bedrijven worden nog groter en kleine bedrijven geven de strijd op.
Grote bedrijven hebben meer mogelijkheden om te investeren, onderzoek
te doen en dergelijke)
2) zelfstandige bedrijven gaan op in een nieuwe grotere onderneming. Dat
kan door middel van fusies en/of overnames.
3) zelfstandige bedrijven gaan samenwerken zonder hun zelfstandigheid te
verliezen. Een kartel
■ Fusie als twee min of meer gelijkwaardige partners besluiten op te gaan in
een nieuwe rechtspersoon.
(grootte gevolgen voor personeel, sommigen worden overbodig, anderen
moeten worden omgeschoold en weer anderen overgeplaatst.
Fusieregels (in belang van personeel)
- een fusie moet worden aangemeld
- er moeten waarborgen worden geschapen voor de belangen van de
werknemers.
-de vakbonden moeten tijdig worden ingelicht
■ overname als een bedrijf de eigendom van een ander bedrijf verwerft.
Motieven voor schaalvergroting (door fusies en overnames)
1) kostenvoordelen
2) risicospreiding (bedrijven overnemen van geheel verschillende producten)
3) bij integratie kan de toelevering beter kunnen worden gegarandeerd.
4) de toegang tot de vermogensmarkt is gemakkelijker. Spaarders en
Financiële instellingen hebben vaak meer vertrouwen in grote bedrijven.
Dus kunnen makkelijker leningen krijgen.
5) grote bedrijven kunnen meer geld vrijmaken voor research. (je moet de
Producten steeds blijven verbeteren)
6) tegen de achtergrond van de Europese eenwording is de schaalvergroting
Dringend geworden.
Multinationale ondernemingen: oefenen hun activiteiten in veel verschillende landen uit.
Motieven om naar het buitenland te gaan;
- profiteren van lage lonen
- profiteren van lage belastingdruk
-profiteren van lage transportkosten door dicht bij de afzetmarkt of de grondstoffen te gaan zitten;
- omzeilen van protectionistische maatregelen door de regering van het land van vestiging. Land is bijv. tegen import van jou producten maar vindt het
Niet erg als je je daar vestigt.
(soms kunnen ze politieke invloed uitoefenen, omdat ze zo belangrijk zijn geworden (bijv. in ontwikkelingsland voor de werkgelegenheid)
■ Kartel een afspraak tussen onafhankelijke ondernemingen om de
Onderlinge concurrentie te beperken.
Prijskartel afspraken over de verkoopprijs.
Productiekartel afspreken niet meer dan een bepaalde hoeveelheid te
produceren. Doel: prijs hooghouden door beperkt aanbod.
Rayonkartel verdeelt de markt geografisch, om ervoor te zorgen dat men
elkaar niet voor de voeten loopt.
Voorwaardenkartel afspraken over uniforme leverings- en
Betalingsvoorwaarden. (afspreken hoeveel korting ze bij contante betaling geven, welke de garantietermijn is en of afleveringskosten voor rekening van de koper dan wel van de verkoper zijn.
Nadelen kartels:
- de afnemers moeten vaak een hogere prijs betalen dan zonder
Kartelafspraken.
- de flexibiliteit van de marktwerking wordt door kartels aangetast.
de mededingingswet verbiedt kartels. Bedrijven die gaan fuseren, moeten dit voorleggen aan de Nederlandse mededingingsautoriteit, die de fusie beoordeelt op onder meer de gevolgen voor de concurrentieverhoudingen in Nederland.
2.4 Externe verslaggeving
Jaarrekening:
- de balans
- de resultatenrekening
- een toelichting op beide.
■ balans een overzicht van bezittingen, schulden en eigen vermogen van een bedrijf op een bepaald tijdstip.
Links: actiefzijde (waarde van de bezittingen)
Rechts: passiefzijde (schulden en eigen vermogen)
Links vaste activa kunnen langer dan een jaar worden gebruikt. (Gebouwen en machines)
Links vlottende activa kunnen doorgaans binnen een jaar in geld worden omgezet (voorraden eindproduct, voorraden grondstof,.)
Debiteuren zijn vorderingen op afnemers (als een bedrijf goederen verkoopt, hoeft meestal niet direct betaald t worden). Bedrijf heeft vordering op de klant.
Liquide middelen zijn belastingsmiddelen die onmiddellijk gebruikt kunnen
Worden (bank en kas)
Rechts eigen vermogen (nv,bv) geplaatst aandelenvermogen. Lijdt een bedrijf in een bepaald jaar verlies, dan kan dat met het eigen vermogen worden opgevangen.
Rechts langlopende schulden schulden die niet binnen een jaar hoeven te worden terugbetaald. (hypothecaire lening,)
Rechts kortlopende schulden moeten binnen een jaar worden terugbetaald. (belastingschulden en crediteuren: als een bedrijf goederen inkoopt, hoeft het meestal niet direct te betalen.)
Solvabiliteit hoe de verhouding tussen het eigen vermogen en het totale
vermogen is.
Liquiditeit de verhouding tussen de vlottende activa en de kortlopende
schulden
■ resultatenrekening een overzicht van opbrengsten en kosten en de daaruit voortvloeiende winst over een bepaalde periode.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.