Hoofdstuk 1 (Inkomen)

Beoordeling 7.8
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 504 woorden
  • 27 januari 2004
  • 17 keer beoordeeld
Cijfer 7.8
17 keer beoordeeld

Hfst 1: De vorming van inkomen Microniveau: productie van één bedrijf of het inkomen van één huishouden. Macroniveau: productie en het inkomen van een heel land. Arbeidsverdeling: zich specialiseren in een bepaalde productie. Ruil van goederen tegen goederen noemen directe ruil of ruil in natura. Geld is een algemeen aanvaard ruilmiddel. Handel drijven mbv een algemeen aanvaard ruilmiddel is indirecte ruil. Mechanisering: het gebruik van –steeds beters- machines. Primair inkomen: het inkomen dat je verdient door mee te helpen produceren. Verschillende soorten primair inkomen: • Loon/salaris: krijg je in ruil voor het leveren van arbeid. • Rente: deel van je inkomen dat je spaart. Kopen van kapitaalgoederen ? investeren. Kapitaalgoederen: machines, transportmiddelen, gebouwen, eindproducten. • Huur: vergoeding voor kapitaal. (gebouwen verhuren) • Pacht: een stuk natuur ter beschikking stellen van producenten. • Winst: de beloning voor ondernemersactiviteit (opzetten en runnen van een bedrijf). Productiefactoren Beloning - Arbeid - loon - Kapitaal - rente/huur - Natuur - pacht - Ondernemerschap - winst Primair inkomen is het inkomen dat verdiend wordt in het productieproces. Het inkomen dat je overhoudt na betaling van belasting en sociale premies is het netto-inkomen. Sociale uitkering = overdrachtsinkomens. Looninkomen, winst, vermogen (huur, pacht, rente) ? inkomens die je verdiend door bijdrage te leveren aan productie. Overdrachtsinkomens: geen bijdrage te leveren. Omzet: toegevoegde waarde (productiewaarde) + waarde van de ingekochte grond-en hulpstoffen. Waarde van productie is gelijk aan de inkomens die ontstaan in een bedrijf. Belangrijkste onderdelen van de administratie: de balans en de resultatenrekening. Balans: momentopname van de bezittingen van een bedrijf en de vermogensbronnen. Links op de balans zitten de bezittingen of de activa. Verschillende soorten bezittingen: - Vaste kapitaalgoederen (vaste activa): de grond, gebouwen, machines. Kunnen meerdere keren worden gebruikt - Vlottende kapitaalgoederen (vlottende activa): voorraden en de vorderingen van de afnemers, debiteurs. Ze gaan slechts één productieproces mee. - Liquide middelen (liquide activa): geld in de kas of op een lopende rekening op de bank. Betaalmiddelen die direct kunnen worden gebruikt om iets te kopen. Rechts op de balans zit het vermogen of de passiva: je kunt zien waar de middelen vandaan komen, waarmee de bezittingen worden betaald. - Eigen vermogen: dat door de eigenaar in het bedrijf is gestopt en waar je blijvend over kunt beschikken. - Overig vermogen (vreemd vermogen): schulden, over dit vermogen kan een bedrijf tijdelijk beschikken. Leningen die pas na jaren hoeven worden afgelost noemen we lang vreemd vermogen. Geleend geld dat binnen één jaar terugbetaald moet worden is kort vreemd vermogen. Schuldeisers = crediteuren. Via een resultatenrekening kun je zien of een bedrijf winst of verlies heeft gemaakt. Saldo: verschil tussen de opbrengsten en de kosten. Nadat er van de winst belastingen zijn betaald dan blijft het besteedbaar inkomen over. De totale productie van een bedrijfskolom kun je vinden door de productiewaarde van afzonderlijke bedrijven op te tellen. Nationaal product: de toegevoegde waarde van alle bedrijven in een land en die van de overheid bij elkaar op te tellen krijg je de productie van een heel land. Nationaal inkomen: de primaire inkomens van alle gezinnen in een land in een jaar.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.