VMBO'ERS GEZOCHT!

5 euro verdienen? Doe mee aan het Nationale Scholierenonderzoek. Vul de vragenlijst in over jouw toekomstplannen (ongeveer 10 min) en je krijgt 5 euro op je rekening (binnen 5 werkdagen). 

 


Naar de vragenlijst


ADVERTENTIE
Hou jij van plannen, regelen en organiseren? Misschien is een opleiding van Schoevers iets voor jou! Daar leer je plannen, regelen en organiseren op hoog niveau, zodat jij daar later je beroep van kunt maken. Tijdens onze Open Dag op 1 februari in Amsterdam of 8 februari in Utrecht vertellen we alles over de opleiding én over hoe het is om bij Schoevers te studeren.

Meer info!
Samenvatting Hoofdstuk 1 paragraaf 2
Je kunt het begrip welvaart op 2 manieren definiëren. Welvaart in enge zin en welvaart in ruime zin. Welvaart in enge zin is het inkomen per hoofd van de bevolking, waarbij rekening is gehouden met de koopkracht. Welvaart in ruime zin is een breder begrip, hieronder vallen ook immateriële behoeften zoals: tijd en ontspanning. Welvaart in ruime zin is moeilijk te meten want de één heeft liever meer geld en de ander juist meer vrije tijd.
Steeds meer industriële productie verdwijnt naar het buitenland omdat daar de loonkosten veel lager liggen. Voor makkelijke arbeidsintensieve productie is Nederland te duur. Ons land heeft op andere terreinen voorsprong door de hooggeschoolde beroepsbevolking. Door de internationale arbeidsverdeling zijn handel en transport belangrijke pijlers voor onze economie geworden.

Vier sectoren:
1.Primaire sector: landbouw, visserij en delfstoffenwinning
2.Secundaire sector: Industrie en bouwnijverheid
3.Tertiaire sector: Commerciële dienstverlening
4.Quartaire sector: Niet commerciële dienstverlening
Van deze sectoren is de primaire het meest kwetsbaarst omdat het aandeel boeren in de productie en werkgelegenheid terug loopt. De tertiaire sector gaat uitstekend. Deze sector verdient steeds meer van ons nationaal inkomen. De quartaire wordt voornamelijk betaald door overheid, die betalen hun door belastingopbrengsten. Indirect betalen burgers dus de productie van quartaire sector.
Privatisering is dat bedrijven van niet commerciële dienstverlening naar commerciële dienstverlening gaat.
Het nationaal product is gelijk aan nationaal inkomen, het is beiden het geldbedrag dat aangeeft hoeveel we hebben geproduceerd en dus verdienen. Eigenlijk is dit niet helemaal correct want niet alle productie staat geregistreerd. Denk maar aan zwart werken. Productie die niet gemeten wordt vindt plaats in het informele circuit.
Samenvatting Hoofdstuk 1 paragraaf 3
Productie betekend in het algemeen het geschikt maken van goederen en diensten voor gebruik.
Om te kunnen produceren zijn er 4 productiefactoren:
1.Kapitaal(goederen): vb. grondstoffen, machines, transportmiddelen
2.Arbeid: geestelijke en lichamelijke inspanning van mensen
3.Natuur of natuurlijke hulpbronnen: grond, klimaat, geografische ligging
4.Ondernemerschap: het risico dat ondernemer neemt met eigen zaak
Elk productiefactor heeft zijn eigen beloning. Kapitaal heeft als beloning rente, arbeid heeft loon, natuur heeft pacht, ondernemerschap heeft winst. Dit heet ook wel primaire inkomens.
Bij productie van bedrijven geldt:
Toegevoegde waarde = omzet – inkoopprijs
Bij de productie van de overheid geldt:
Toegevoegde waarde= de som van alle ambtenarensalarissen
De toegevoegde waarde van alle bedrijven en overheid samen is het BNP. Verschil tussen BNP en BBP is dat bij BNP ook nog de primaire inkomens zitten die over de grens gaan.
Afschrijven is de economische term van waardevermindering. Vaak leggen bedrijven jaarlijks geld opzij: dat heet vervangingsinvesteringen.
Als je het bedrag voor afschrijvingen aftrekt van BNP krijg je het Netto Nationaal Product.
NNP= BNP – afschrijvingen van overheid en bedrijven
Kapitaalintensief betekent per werknemer veel machines
Arbeidsintensief betekent per werknemer weinig machines
Arbeidsproductiviteit hangt af van: scholing werknemers, arbeidsomstandigheden, kwaliteit kapitaal goederen.
Arbeidsproductiviteit= de productie per werknemer per tijdseenheid
Samenvatting Hoofdstuk 1 paragraaf 4
Een andere benaming voor de koopkracht van het inkomen is het reële inkomen.
Dit is afhankelijk van wat er gebeurd met het nominale inkomen of met hoeveel procent het gemiddelde prijspeil is gestegen.
Nominale inkomen is het inkomen in euro’s dat nog niet gecorrigeerd is voor de gevolgen van de prijsinflatie.
NIC = Nominaal Inkomensindexcijfer
RIC= Reëel Inkomensindexcijfer
PIC= Prijspeil Inkomensindexcijfer
RIC= NIC/ PIC x 100%
Indexcijfers moet je bereken door het basisjaar op 100% te stellen.
Voorbeeld: 
1994 320 
1995 375
1996 420
1997 480
Stel 1995 is het basisjaar. Bereken het indexcijfer voor 1994, 1996 en 1997.
Deel gedeeld door geheel keer 100%
* 1994= 320/375 x 100% = 85,3 %
*1997= 420/375 x 100% = 112%
*1998= 480/375 x 100% = 128%
Samenvatting Hoofdstuk 1 paragraaf 5
Als iemands inkomen harder stijgt dan het gemiddelde prijspeil dan neemt de koopkracht toe.
Prijsinflatie wil zeggen dat het gemiddelde prijspeil stijgt ten opzichte van het vorige jaar.
Wegingsfactoren geven aan welk deel van de totale uitgaven naar een specifieke artikelgroep gaat. Dit word onderzocht door een budgetonderzoek, dat houd in dat er onderzoek naar wordt gedaan naar de bestedingsgewoonten van mensen. Als blijkt dat mensen meer geld besteden aan wonen dan aan concertkaartjes moeten ze de huur meer verhogen in plaats van de concertkaartjes.
Het CBS berekent het consumentenprijsindexcijfer CPI.
Het CPI geeft aan met hoeveel procent de kosten van het levensonderhoud stijgen ten opzichte van het basisjaar. Dat word zo berekend:
Som van (wegingsfactor x prijsindex) / som van de wegingsfactoren = CPI
Samenvatting Hoofdstuk 1 paragraaf 6
In deze paragraaf krijg je een kijk op de personele inkomensverdeling. Ondanks in de VS het reële inkomen per hoofd van de bevolking hoger ligt dan in Nederland kan je niet zeggen dat elke Amerikaan rijker is dan een Hollander. Het is een gemiddelde dus het kan variëren.
Nivelleren= inkomensverschillen worden in verhouding kleiner
Denivelleren= inkomensverschillen worden in verhouding groter
De Lorenzcurve toont verschillen tussen arm en rijk in de personele inkomensverdeling. Hoe dichter de lijnen bij elkaar hoe minder groot het verschil is. Er kan nooit een lijn rechts van de gelijke lijn staan, alleen links.
Om te zien welke invloed de overheid heeft op de inkomensverdeling maken we een onderscheid tussen primaire en secundaire personele inkomensverdeling.
Bij primaire personele inkomensverdeling kijken we naar de verdeling van bruto-inkomens, verdiend door productie te leveren. Het gaat dus alleen om primaire inkomens zoals: loon, winst, rente en pacht.
Bij secundaire inkomens betreft het de besteedbare inkomens, dus na herverdeling van de overheid. Dan word er dus rekening gehouden met de gevolgen van belasting en premieheffing en met sociale uitkeringen.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.