samenvatting Economie Hoofdstuk 1 (deel 2) de kern van de economie.
In de macro economie scheidt men 5 sectoren:
1. consumptiehuishoudingen: groepen personen in hun rol van consument.
2. ondernemingen: die met behulp van de productiefactoren goederen en diensten voortbrengen.
3. de collectieve sector (overheid, provincies, instellingen die de sociale wetgeving uitvoeren)
4. financiële instellingen: pensioenfondsen, banken
5. buitenland


nummer 2 + 4 worden ook wel bedrijven genoemd.
Gesloten economie zonder overheid: macro economie zonder de sectoren overheid en buitenland.
1.2 toegevoegde waarde
toegevoegde waarde: is gelijk aan het verschil tussen de marktwaarde van de productie en de gebruikte grond -en hulpstoffen en diensten van derden.
Formule : marktwaarde – verbruik = toegevoegde waarde
Afschrijving: waardeverlies van de vaste kapitaalgoederen tijdens de productie
BTW en NTW: bruto toegevoegde waarde – afschrijvingen = netto toegevoegde waarde
Toegevoegde waarde tegen marktprijzen: als je de toegevoegde waarde berekent door uit te gaan van verkoopprijzen van de goederen.
Toegevoegde waarde tegen factorkosten: als je de kostprijsverhogende belastingen en de prijsverlagende subsidies weglaten uit de marktprijzen.
(bruto/netto) toegevoegde waarde tegen marktprijzen – belastingen + subsidies = (bruto/netto) toegevoegde waarde tegen factorkosten.


1.3 BBP en Nationaal inkomen
BBP = bruto binnenlands product à is gelijk aan de totale bruto toegevoegde waarde van de sectoren ondernemingen, financiële instellingen en overheid.
Formule:
Netto binnenlands product in factorkosten – primaire inkomens betaald aan buitenlanders + primaire inkomens van Nederlanders ontvangen uit het buitenland = nationaal inkomen/NNP
Nationaal inkomen = netto nationaal product
Netto nationaal product: wordt gevormd door Nederlandse productiefactoren die in Nederland actief zijn.
Netto binnenlands product: wordt gevormd door productiefactoren die in Nederland actief zijn.
1.4 categoriale inkomensverdeling en arbeidsinkomensquote
categoriale inkomensverdeling: gaat het om de verdeling van het nationaal inkomen over loon, pacht, huur, interest, winst.
loonquote = de totale loonsom: nationaal inkomen
arbeidsinkomensquote = loonsom in de ondernemingen en financiële instellingen + toegerekend arbeidsinkomen zelfstandigen = netto toegevoegde waarde van ondernemingen en financiële instellingen
1.6 de samenstelling van de investeringen
consumptieve bestedingen: aankopen van consumenten
kapitaalgoederen: goederen die aanwezig zijn bij de ondernemingen.
Vlottende kapitaalgoederen: voorraden van grondstoffen of eindproducten
Vaste kapitaalgoederen: de aanwezige machines en gebouwen.
Vaste kapitaalgoederen à 2 soorten investeringen
1. uitbreidingsinvestering
2. vervangingsinvestering: deze zijn gelijk aan de afschrijvingen;
als vervangingsinvestering niet meegeteld wordt, spreken we van netto –investeringen
voorraad mutatie: de voorraden van de vlottende kapitaalgoederen worden groter.
à zie schema in je boek, blz. 162
1.7 nationale rekeningen en identiteiten
identiteit: een noodzakelijke gelijkheid (voorbeeld: het aantal jongens en meisjes in een klas moeten gelijk zijn aan het totaal aantal leerlingen in een klas)
symbolen:
y = nationaal inkomen
c = consumptieve bestedingen van de consumenten
s = besparingen van de consumenten
i = netto investeringen van de ondernemingen
identiteiten: (zonder overheid)
1. Y = C + S
2. Y = C + I
3. I = S
1.8 berekening van het nationaal inkomen
3 manieren om het nationaal inkomen te berekenen:
1. subjectieve methode: door de burgers verdiende primaire inkomens bij elkaar op te tellen. 2. objectieve methode: door de netto toegevoegde waarde van de overheid, die gelijk wordt gesteld aan het bedrag van de ambtenarensalarissen, bij de subjectieve methode optellen
3.bestedingenmethode: kijken naar de batenkant van de rekening ondernemingen, waar de bestedingen van de consumenten en de ondernemingen bij de ondernemingen zijn vermeld. In feite maken we gebruik van Y = C + I
nominaal nationaal inkomen: het geldbedrag van het nationaal inkomen
reëel nationaal inkomen: geeft de koopkracht van het nationaal inkomen weer. Het geeft antwoord op de vraag welke hoeveelheid goederen met het bedrag kan worden gekocht.
1.9 indeling van overheidsuitgaven
collectieve sector:
1. overheidsuitgaven
2. overheidsbestedingen
overheidsbestedingen verdelen we in:
- overheidsconsumptie ( bestaat uit materiele overheidsconsumptie, zoals verwarming van overheidsgebouwen en de ambtenarensalarissen)
- overheidsinvesteringen (aanleg van wegen, verbeteren infrastructuur)
1.10 middelen en bestedingen
extra symbolen:
E = uitvoer
M = invoer
Identiteit:
Y + M = C + I + O + E
Als je uitgaat van de bestedingen à nationaal inkomen is gelijk aan de totale bestedingen, min de invoer.
Y = C + I + O + E - M
In 1.7 hadden we S = Y – C. toen hadden we geen rekening gehouden met overheid. Nu is dat wel gedaan en moeten we dus rekening houden met belastingen.
S = Y – B – C ( B = belasting)
Deze identiteit wordt ook wel zo geschreven:
Y = C + S + B
C + S + B = C + I + O + E + M
Vereenvoudigen:
S + B = I + O + E – M
Identiteit:
(S – I ) + ( B – O ) = ( E – M )
(S – I ) = saldo van de particuliere sector
(B - O) = het saldo van de overheidssector
( E – M ) = saldo van de sector buitenland
( S – I ) + ( B – O ) wordt het nationale spaaroverschot genoemd


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.