Heb jij stress over je studiekeuze? Of ben je er nog niet zo mee bezig? Laat het ons weten in het studiekeuze-onderzoek. Wij zijn benieuwd hoe we jou beter kunnen helpen!

 

Naar de vragenlijst

ADVERTENTIE
Open Avond = online ontdekken en ontmoeten

Bezoek onze Online Open Avond op woensdag 9 december dit jaar vanaf je bank! Ontdek bijzondere verhalen van onze studenten en docenten. Stel al je vragen én luister naar onze gezellige radioshow! Klaar voor een toekomst als student in het hbo?

Meld je dan nu aan!

samenvatting Economie Hoofdstuk 1 (deel 2) de kern van de economie.
In de macro economie scheidt men 5 sectoren:
1. consumptiehuishoudingen: groepen personen in hun rol van consument.
2. ondernemingen: die met behulp van de productiefactoren goederen en diensten voortbrengen.
3. de collectieve sector (overheid, provincies, instellingen die de sociale wetgeving uitvoeren)
4. financiële instellingen: pensioenfondsen, banken
5. buitenland


nummer 2 + 4 worden ook wel bedrijven genoemd.
Gesloten economie zonder overheid: macro economie zonder de sectoren overheid en buitenland.

1.2 toegevoegde waarde
toegevoegde waarde: is gelijk aan het verschil tussen de marktwaarde van de productie en de gebruikte grond -en hulpstoffen en diensten van derden.
Formule : marktwaarde – verbruik = toegevoegde waarde
Afschrijving: waardeverlies van de vaste kapitaalgoederen tijdens de productie
BTW en NTW: bruto toegevoegde waarde – afschrijvingen = netto toegevoegde waarde
Toegevoegde waarde tegen marktprijzen: als je de toegevoegde waarde berekent door uit te gaan van verkoopprijzen van de goederen.
Toegevoegde waarde tegen factorkosten: als je de kostprijsverhogende belastingen en de prijsverlagende subsidies weglaten uit de marktprijzen.
(bruto/netto) toegevoegde waarde tegen marktprijzen – belastingen + subsidies = (bruto/netto) toegevoegde waarde tegen factorkosten.



1.3 BBP en Nationaal inkomen
BBP = bruto binnenlands product à is gelijk aan de totale bruto toegevoegde waarde van de sectoren ondernemingen, financiële instellingen en overheid.
Formule:
Netto binnenlands product in factorkosten – primaire inkomens betaald aan buitenlanders + primaire inkomens van Nederlanders ontvangen uit het buitenland = nationaal inkomen/NNP
Nationaal inkomen = netto nationaal product
Netto nationaal product: wordt gevormd door Nederlandse productiefactoren die in Nederland actief zijn.
Netto binnenlands product: wordt gevormd door productiefactoren die in Nederland actief zijn.

1.4 categoriale inkomensverdeling en arbeidsinkomensquote
categoriale inkomensverdeling: gaat het om de verdeling van het nationaal inkomen over loon, pacht, huur, interest, winst.
loonquote = de totale loonsom: nationaal inkomen
arbeidsinkomensquote = loonsom in de ondernemingen en financiële instellingen + toegerekend arbeidsinkomen zelfstandigen = netto toegevoegde waarde van ondernemingen en financiële instellingen

1.6 de samenstelling van de investeringen
consumptieve bestedingen: aankopen van consumenten
kapitaalgoederen: goederen die aanwezig zijn bij de ondernemingen.
Vlottende kapitaalgoederen: voorraden van grondstoffen of eindproducten
Vaste kapitaalgoederen: de aanwezige machines en gebouwen.
Vaste kapitaalgoederen à 2 soorten investeringen
1. uitbreidingsinvestering
2. vervangingsinvestering: deze zijn gelijk aan de afschrijvingen;
als vervangingsinvestering niet meegeteld wordt, spreken we van netto –investeringen
voorraad mutatie: de voorraden van de vlottende kapitaalgoederen worden groter.
à zie schema in je boek, blz. 162

1.7 nationale rekeningen en identiteiten
identiteit: een noodzakelijke gelijkheid (voorbeeld: het aantal jongens en meisjes in een klas moeten gelijk zijn aan het totaal aantal leerlingen in een klas)
symbolen:
y = nationaal inkomen
c = consumptieve bestedingen van de consumenten
s = besparingen van de consumenten
i = netto investeringen van de ondernemingen
identiteiten: (zonder overheid)
1. Y = C + S
2. Y = C + I
3. I = S

1.8 berekening van het nationaal inkomen
3 manieren om het nationaal inkomen te berekenen:
1. subjectieve methode: door de burgers verdiende primaire inkomens bij elkaar op te tellen. 2. objectieve methode: door de netto toegevoegde waarde van de overheid, die gelijk wordt gesteld aan het bedrag van de ambtenarensalarissen, bij de subjectieve methode optellen
3.bestedingenmethode: kijken naar de batenkant van de rekening ondernemingen, waar de bestedingen van de consumenten en de ondernemingen bij de ondernemingen zijn vermeld. In feite maken we gebruik van Y = C + I
nominaal nationaal inkomen: het geldbedrag van het nationaal inkomen
reëel nationaal inkomen: geeft de koopkracht van het nationaal inkomen weer. Het geeft antwoord op de vraag welke hoeveelheid goederen met het bedrag kan worden gekocht.

1.9 indeling van overheidsuitgaven
collectieve sector:
1. overheidsuitgaven
2. overheidsbestedingen
overheidsbestedingen verdelen we in:
- overheidsconsumptie ( bestaat uit materiele overheidsconsumptie, zoals verwarming van overheidsgebouwen en de ambtenarensalarissen)
- overheidsinvesteringen (aanleg van wegen, verbeteren infrastructuur)

1.10 middelen en bestedingen
extra symbolen:
E = uitvoer
M = invoer
Identiteit:
Y + M = C + I + O + E
Als je uitgaat van de bestedingen à nationaal inkomen is gelijk aan de totale bestedingen, min de invoer.
Y = C + I + O + E - M
In 1.7 hadden we S = Y – C. toen hadden we geen rekening gehouden met overheid. Nu is dat wel gedaan en moeten we dus rekening houden met belastingen.
S = Y – B – C ( B = belasting)
Deze identiteit wordt ook wel zo geschreven:
Y = C + S + B
C + S + B = C + I + O + E + M
Vereenvoudigen:
S + B = I + O + E – M
Identiteit:
(S – I ) + ( B – O ) = ( E – M )
(S – I ) = saldo van de particuliere sector
(B - O) = het saldo van de overheidssector
( E – M ) = saldo van de sector buitenland
( S – I ) + ( B – O ) wordt het nationale spaaroverschot genoemd


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.