H1: Beschrijvende economie

Beoordeling 6
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 1462 woorden
  • 11 mei 2003
  • 10 keer beoordeeld
  • Cijfer 6
  • 10 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Studententijd zomerspecial

Heb jij de Zomerspecial van Studententijd de podcast al geluisterd? Joes, Steie, Dienke en Pleun nemen je mee in hun zomer vol festivals, vakanties en liefde. En kijken ook alvast vooruit naar de introductietijd van het nieuwe collegejaar. Luister lekker mee vanaf je strandbedje, de camping of onderweg. 

Luister nu!
ECONOMIE HOOFSTUK 1: BESCHRIJVENDE ECONOMIE

1.1 Economie is overal

Privatisering: afstoten taken door de overheid
Infrastructuur: Verbeteren van de bereikbaarheid van de steden door bv nieuwe wegen aan te laten leggen.
Beschrijvende economie -> beschrijving van personen en organisaties die in het economisch leven een rol spelen.
Theoretische economie -> de nadruk ligt op het bestuderen van oorzaken en gevolgen van verschijnselen, zoals bijv: werkloosheid.

1.2 Consumenten en hun organisaties
Consumptiegoederen: de goederen die consumenten kopen. Je hebt er drie:

-stoffelijke (cola, fiets), onstoffelijke -> diensten (tandarts bioscoop)
-primaire ( voedsel, kleding), luxe goederen (vakanties)
-duurzame en niet-duurzame goederen

Consumentisme -> het organiseren van de consumenten vanwege de ongelijke strijd tussen machtige ondernemingen en individuele kopers.
Consumentenbond -> 1953
Vergelijkend warenonderzoek -> producten worden vergeleken op grond van prijs-kwaliteit verhouding
Productinformatie -> ondernemingen zijn ertoe verplicht om informatie over hun product, op het product zelf te vermelden.

1.3 Regelingen om de consument te beschermen

De overheid verschermt de consument:
1. Dwingend rechtelijke regeling algemene voorwaarden
2. De regeling consumentenkoop
3. Productaansprakelijkheid

4. De Warenwet
5. De Colportagewet
6. Het Burgerlijk Wetboek
7. De positie van de consument is versterkt

Merit-goederen -> goederen waarvan de overheid het gebruik stimuleert (bibliotheken, musea en natuurgebieden)
Demerit-goederen -> goeder waarvan de overheid het gebruik wil ontmoedigen (sigaretten en alcohol). De overheid heft op deze goederen hoge accijnzen.

Als je ergens niet mee eens bent over bv schadevergoeding kun je naar een geschillencommissie gaan.

1.4 Ondernemingen

Productie -> het geschikter maken van goederen voor het gebruik.
Productiefactoren: natuur, arbeid en kapitaal.
Natuur -> grond, delfstoffen en bossen en ondernemersschap

Arbeid -> alles wat mensen met lichamelijke of geestelijke inspanning kunnen verrichten.
Kapitaal goederen -> bestaan uit natuur en arbeid (bv machines)
Specialisatie -> zich toeleggen op de productie van een of slechts enkele soorten goederen.
Ambachtsbedrijf -> als de productie voornamelijk uit handwerk bestaat.
Afzetgebied -> gebied waar je het product kan verkopen wordt steeds groot door transport.

1.5 Geld

Geld -> elk algemeen aanvaard ruilmiddel
Je hebt 2 soorten geld:
-chartale geld
-girale geld, rekening-couranttegoeden.

Je hebt 3 soorten functies van geld:
1. Ruilmiddelfunctie: geld zorgt voor een soepel verloop van het ruilverkeer
2. Rekeneenheid: je rekent met geld
3. Oppotmiddel: met dat geld kun je voorraden koopkracht aanhouden.

Fiduciair geld -> iedereen vertrouwt erop dat je het kan gebruiken als ruilmiddel (bv bankbiljetten)
Nominale -> op het bankbiljet staat hoeveel het waard is.
Stoffelijke waarde -> dat is bv een briefje van duizend maar dan gekeken naar puur het briefje zelf dat niet veel waar is.

1.6 Banken

In Nederland heb je een heel aantal banken bv: ABN, Rabobank, ING postbank en VSB.
In Nederland is het woord bank beschermd, de DNB houdt daar toezicht op.

1.7 De Nederlandse Bank

DND is opgericht in 1814 door Willem I en heeft het monopolie (het alleenrecht), op de bankbiljettenuitgifte.
De taken die DNB op grond van de Bankwet (1948) had,zijn de volgende:
1. de waarde van de gulden stabiliseren
2. bankbiljetten uitgeven
3. het girale geldverkeer en het geldverkeer met het buitenland bevorderen.
4. toezicht uitoefenen op alle in Nederland gevestigde banken
5. optreden als bankier van de staat
6. optreden als bankier van de particuliere banken.

Interne waarde -> de koopkracht van de gulden in Nederland.
Externe waarde -> de waardeverhouding tussen twee valuta’s.
1.Circulatie bank -> een bank heeft het alleenrecht om bankbiljetten in omloop te brengen in Nederland is het de DNB.
2. De DNB is ook de bank der banken, omdat alle banken bij haar een rekening aanhouden en in geval van nood een beroep op haar kunnen doen.
3. Staatsbank -> het rijk een rekening bij haar heeft.

1.8 De overheid
overheid in enge zin -> centrale overheid in Den Haag
overheid in ruime zin -> overheid in Den Haag, lagere overheden (zoals provincies en gemeenten.)
collectieve sector (publieke sector) -> de overheid in ruime zin plus de instellingen die onze sociale wetten uitvoeren.
Particuliere sector -> het bedrijfsleven en de consumptiehuishoudingen.
Bruto binnenlands product -> de productie van alle Nederlanders bij elkaar opgeteld (60%.)
Miljoenennota -> de begroting van de regering voor het volgende jaar.

1.9 Centraal Planbureau en Centraal Bureau voor de Statistiek.
Wat doet het CBS?
-Jaarlijks publiceert het CPB zijn voorspellingen. Daar gaat het over hoe de economie zich ontwikkelt, mede tegen de achtergrond van het voorgenomen beleid van de overheid.
1. Macro-economische verkenning (MCV) -> een voorspelling voor het volgende kalenderjaar, waarin de gegevens staan die nodig zijn om het vastgestelde beleid van e overheid te kunnen beoordelen.
2. Miljoenennota
-Centraal Economisch plan -> verschijnt in het voorjaar, hierin doet de CPB een veel uitgebreidere voorspelling voor het lopende kalenderjaar dan in de MCV.
-Ze registeren de ontwikkeling van de Nederlandse economie achteraf
-ze publiceren een aantal dingen:
1. Statistisch jaarboek
-De cijfermatige gegevens van de Nederlandse economie van het afgelopen jaar.
-Het Nationaal Product -> wat alle Nederlanders produceren in een jaar.
-Het bruto binnenlands product -> wat er binnen de Nederlandse grenzen geproduceerd wordt in een jaar.
2. Nationale rekeningen
-een cijfermatige weergave van de betalingen in een land in een jaar (bijv: betalingen
tussen consumenten en ondernemingen.)

1.10 Internationale handel.
Ieder land verdiend zijn inkomen aan het voeren van internationale handel, door deze handel kunnen landen zich specialiseren op de productie van die goederen, waar zij het best in zijn.
Vrijhandel -> de in- en uitvoer van producten zonder enige belemmering.
Protectie (bescherming) -> landen proberen op allerlei manieren import vanuit het buitenland te weren.
Protectie kan op 3 manieren:
1. invoertarieven -> de overheid heft belasting op de invoer van een product.
2. quotering -> dit kan een land instellen, waardoor maar een beperkte hoeveelheid van dat product het land in mag.
3. non-tarifaire belemmeringen -> bijv: extreem hoge kwaliteitseisen.

Je hebt drie grote handels blokken in de wereld:
1. VS, Canada en Mexico
2. EU
3. Japan.
Deze bepalen de wereldeconomie.
G7 (grootste industriële landen in de wereld) -> VS, Duitsland, Japan, GB, Frankrijk, Italië en Canada. Ter verbetering van het internationale handels- en betalingsverkeer bestaat een aantal internationale organisaties: IMF, de Wereldbank, de WTO, de UNCTAD en de OESO.

1.11 Samenwerking tussen landen
Economische intergratie -> economische samenwerking tussen landen:
1. vrijhandelsgebied -> de aangesloten landen hebben onderlinge handelsbelemmeringen afgeschaft, maar ten op zich van andere landen handhaven zij hun eigen invoertarieven.
-Nafta en EVA zijn 2 vrijhandelsgebieden.
2. douane-unie -> de lidstaten kennen niet alleen onderling vrijhandel, maar ook ten opzicht van derde landen een gemeenschappelijke handelspolitiek voeren.
Gemeenschappelijk buitentarief -> dezelfde invoerrechten naar buiten hanteren.
3. gemeenschappelijk markt -> als in een douane-unie niet alleen vrij verkeer van goederen, maar ook vrij verkeer van personen en geldkapitaal is toegestaan. (Europese Unie.)
4. economische unie -> de gemeenschappelijke markt wordt aangevuld met een gemeenschappelijke economische politiek
5. economische en monetaire unie:
-de lidstaten gebruiken dan ook nog een gemeenschappelijk geldsoort.
-als de wisselkoersen volledig vast zijn.

1.12 Ontwikkelingslanden.
Kenmerken:
1. een laag inkomen per hoofd van de bevolking
2. weinig industrialisatie
3. geringe economische groei
4. de exportopbrengsten worden verkregen met de uitvoer van een of slechts een beperkt aantal grondstoffen (monocultuur)
5. achterstand op het gebied van onderwijs en kennis.
Er bestaan grote verschillen tussen ontwikkelingslanden:
New Industrializing Countries (NICS) -> Thailand en Korea, vertonen a geruime tijd een forse economische groei.
Oeganda heel arm
Aantal factoren dat sommige landen arm zijn:
Veel kinderen, schuldenlast, ongelijke inkomensverdeling etc.

1.13 Ontwikkelingssamenwerking

1. financiële hulp -> schenkingen van geld of leningen tegen zachte voorwaarden. Dit zijn leningen met lage rente en een langere looptijd dan gewoonlijk.
2. technische hulp -> het zenden of opleiden van deskundigen.
3. voedselhulp -> in noodsituaties verlenen rijke landen voedsel, maar daarmee nemen zij de oorzaken van de onderontwikkeling niet weg.
Er zijn twee wegen waarlangs de ontwikkelingshulp de arme landen kan bereiken:
1. multilaterale hulp ->verloopt via internationale organisaties zoals de VN.
2. bilaterale hulp -> rechtstreeks van land tot land verleend.
-gebonden hulp -> het gevende land de hulp onder voorwaarden verstrekt, het ontvangen land wordt daarbij verplicht de financiële hulp in het land van schenking te besteden.
Programmalanden -> hulp op enkele landen richten.
Economische ontwikkeling in de derde-wereldlanden:
1. investering in mensen door de nadruk op scholing en gezondheidszorg
2. een ondernemersvriendelijk economisch klimaat op basis van een goed werkend prijsmechanisme.
3. een betere plek in de wereldeconomie door een vrij verkeer van goederen, kapitaal, mensen en kennis.

1.14 Economische kringloop

Je hebt verschillende sectoren van de economie (consumenten, ondernemingen etc.)
Kringloopschema -> door middel van pijlen wordt er weergegeven hoe de geld- en goederenstromen zich tussen de sectoren bewegen.
Francois Quensnay (1694-1774.) -> bedacht kringloop.
(zie blz 31, 1.2)

5 Prijsvorming op markten
Concrete markt -> de markt in een dorp waar groente wordt verkocht.
Abstracte markten -> markt voor wasmiddelen, e graanmarkt, de arbeidsmarkt en de kapitaalmarkt.
Markt -> het geheel van de vraag naar en het aanbod van een goed of dienst.
De prijs op markten ontstaat dus door middel van vraag en aanbod. De productie kosten zijn voor de hoogte van de prijs natuurlijk erg belangrijk.
Evenwichtsprijs -> als de gevraagde en de aangeboden hoeveelheid van een goed aan elkaar gelijk zijn bij dezelfde prijs.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.