Eindexamen 2004 lesboek

Beoordeling 7.8
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas havo | 6614 woorden
  • 31 mei 2004
  • 27 keer beoordeeld
Cijfer 7.8
27 keer beoordeeld

1. Economie: Productie Hoofdstuk 1 PRODUCTIE EN PRODUCTIEFACTOREN Produceren = toevoegen van waarde. Onderlinge leveringen = inkopen bij andere bedrijven of diensten van derden. Toegevoegde waarde = verkoopwaarde productie – onderlinge leveringen. Bruto toegevoegde waarde - afschrijvingen
netto toegevoegde waarde
Winst = Toegevoegde waarde – kosten van productiefactoren
Winst 2 = Totale opbrengst – Totale kosten

Totale opbrengst = Prijs product x Verkochte hoeveelheid
Totale kosten = Prijs aangeschafte productiefactoren x hoeveelheid productiefactoren
Productiefactoren = middelen die nodig zijn bij de productie, arbeid / kapitaal / grond / ondernemingsactiviteit. Arbeid = alle menselijke handelingen bij de productie om een inkomen te krijgen. Produceren = combineren van productiefactoren met het doel waarde toe te voegen. Nationaal product = som van toegevoegde waarde van alle bedrijven en de overheid in een land in een jaar. Nationaal inkomen = som van beloningen van de productiefactoren in een land in een jaar. Welvaart = mate waarin de bewoners van een land in hun behoeften kunnen voorzien. Schaarste = spanning tussen de behoefte die bevredigd moet worden en de middelen die daarvoor kunnen zorgen. Externe effecten = doen zich voor als het streven naar welvaart van de een onbedoeld invloed uitoefent op de welvaart van de ander. Welvaart in enge zin = kijkend naar de productie
Welvaart in ruime zin = kijkend naar de behoefte, externe effecten en productie (schoon milieu, stilte). Beroepsgeschikte bevolking = groep mensen van 15 tot 64 jarigen. Beroepsbevolking = bestaat uit alle personen van 15 tot en met 64 jaar die beschikbaar zijn om betaald werk te doen. Participatiegraad = beroepsbevolking x 100% Beroepsgeschikte bevolking
Kapitaalgoederen = goederen die niet bestemd zijn voor consumptief gebruik, maar om daarmee andere goederen te produceren of een inkomen te verdienen. Vaste kapitaal goederen = goederen die meer dan 1 productieproces mee gaan ( gebouwen, machines, transportmiddelen, wegen, havens, auteursrechten, octrooien). Vlottende kapitaal goederen = goederen die slechts 1 productieproces mee gaan ( voorraden, grondstoffen). Investeren = het aanschaffen van kapitaalgoederen
Arbeidsproductiviteit = waarde van de geproduceerde goederen Benodigde hoeveelheid arbeidsuren
Arbeidsproductiviteit 2 = toegevoegde waarde werknemers
Kapitaalintensiteit = hoeveelheid kapitaalgoederen per eenheid arbeid. Breedte – investering = een investering waarbij de kapitaalintensiteit niet verandert. Diepte – investering = een investering waarbij de kapitaalintensiteit toeneemt. Arbeidsbesparende investeringen = arbeid wordt vervangen door kapitaal, arbeid is te duur. Afschrijvingen = geven de in geld uitgedrukte waardedaling van kapitaalgoederen weer. Productiefactor Natuur / Grond = · Geografische ligging → is belangrijk voor een bedrijf voor het handelen. · Natuurlijke bronnen → zijn nodig voor het productieproces. · Klimaat → sommige producten kunnen niet overal geproduceerd worden. · Milieufactoren → frisse lucht, schoon water, rust en stilte, landschapsschoon en
beschermende ozonlaag. Duurzame ontwikkeling = een manier van produceren die de natuurlijke omgeving zo veel mogelijk onaangetast laat en de onaangename kanten van onze manier van produceren niet naar de toekomst verschuift. Innovatie = de ontwikkeling en succesvolle introductie van nieuwe of verbeterde goederen, diensten, productieprocessen en distributieprocessen.
Hoofdstuk 2 ONDERNEMEN IN NEDERLAND Rechtsvorm = ondernemingsvorm, de juridische vorm waaronder een onderneming aan het economische verkeer deelneemt. Waarom kiezen voor een bepaalde rechtsvorm = · Economische overwegingen = op welke manier kan het eigen vermogen worden uitgebreid. · Juridische overwegingen = aansprakelijkheid en verplichtingen die door de onderneming zijn aangegaan. · Fiscale overwegingen = belastingdruk. Eenmanszaak = bedrijf met 1 eigenaar, die tevens aansprakelijk is voor alle verplichtingen die namens het bedrijf zijn aangegaan. Voordelen Eenmanszaak = # winst komt volledig toe aan eigenaar, # leiding is alleen in handen van eigenaar. Nadelen Eenmanszaak = #continuïteit is volledig afhankelijk van eigenaar, #eigenaar is vaak niet kapitaalkrachtig genoeg om met eigen financiële middelen de uitbreiding te financieren, #vermogen van de zaak en privé zijn niet gescheiden. Vennootschap Onder Firma = ondernemingsvorm waarbij twee of meer mensen onder een gemeenschappelijke naam een bedrijf uitoefenen. Er kan sprake zijn van een arbeidsverdeling maar dat hoeft niet. Hoofdzakelijke aansprakelijkheid → alle firmanten mogen worden aangesproken op privé vermogen als dat van de firma niet toereikend is. Rechtspersoon = een organisatie die zelfstandig rechten en verplichtingen kan hebben. Naamloze Vennootschap = rechtspersoon, eigen vermogen staat los van vreemd vermogen, aandeelhouders inleg is eigen vermogen NV, eigen vermogen = inleg aandeelhouders, zelf aansprakelijk, directie/aandeelhouders kunnen alleen worden aangesproken bij onrechtmatige behandeling, aandeelhouders kunnen leiding hebben, maar hoeft niet. Besloten Vennootschap = BV is een rechtspersoon, BV heeft een eigen vermogen, aandeelhouders’ inleg = eigen vermogen van de BV, eigen vermogen = inleg aandeelhouders, zelf aansprakelijk, directie/aandeelhouders kunnen alleen worden aangesproken bij onrechtmatige behandeling, aandeelhouders kunnen leiding hebben, maar hoeft niet. Productiefase = een bewerking die een product ondergaat
Bedrijfskolom = een schematisch overzicht van de belangrijkste productiefasen die een product doorloopt. Bedrijfstak = omvat alle bedrijven die een zelfde soort product voortbrengen, of een gelijke productieve handeling verrichten. Jaarrekening = verslag door bedrijf elk jaar gepresenteerd met o.a. balans, resultatenrekening en toelichting op beide. Balans = overzicht van bezittingen, schulden en eigen vermogen van een bedrijf op een bepaald tijdstip. Activa = wat je bezit. Passiva = hoe je je bezittingen hebt betaald. Crediteur = die krijgen nog geld van je. Debiteur = je krijgt nog geld van hen. Vaste Activa = kunnen langer dan 1 jaar worden gebruikt, gebouwen. Vlottende Activa = kunnen doorgaans binnen 1 jaar in geld worden omgezet, voorraden. Eigen vermogen = bij BV en NV is dat ook aandelen vermogen, verlies kan ervoor zorgen dat het EV minder wordt. Langlopende schulden = schulden die niet binnen een jaar betaalt hoeven te worden, lening. Kortlopende schulden = moeten binnen een jaar worden terugbetaald, belastingschulden. Solvabiliteit = mate waarin een bedrijf – desnoods na liquidatie – alle schulden kan terugbetalen, Totale Eigen Vermogen x 100% Totale Vermogen
Liquiditeit = Vlottende Activa Kortlopende Schulden
Resultatenrekening = winst / verlies rekening, overzicht van opbrengsten en kosten en de daaruit voortvloeiende winst (of het verlies) over een bepaalde periode. Aandelenkapitaal = geld wat je oorspronkelijk geïnd hebt en wat je gestoken hebt in bezit. Hoofdstuk 3 KOSTEN EN OPBRENGSTEN VAN EEN BEDRIJF Kosten = vormen de geldswaarde van de opgeofferde productiefactoren. Constante kosten = kosten die op korte termijn vastliggen en onafhankelijk zijn van de productieomvang. GCK = gemiddelde constante kosten → Totale Constante Kosten Q = hoeveelheid
Variabele kosten = kosten die veranderen met de grootte van de productie. Proportionele variabele kosten = kosten die recht evenredig toenemen met de grootte van de productie. GVK = gemiddelde variabele kosten → Totale Variabele Kosten Q = hoeveelheid
Totale Productiekosten (TK) = gelijk aan de som van de variabele en constante kosten. TK = aq + TCK

GTK = GCK + GVK
Totale Opbrengst (TO) = p (prijs) x q (hoeveelheid) Omzet - onderlinge leveringen
toegevoegde waarde - kosten productiefactoren
winst
Totale Winst (TW) = TO – TK
TO = p x q
TK = aq + TCK
TW = pq – aq – TCK
TW = TO – TK = 0
Break – evenafzet = afzet waarbij kostendekking plaatsvindt, de winst is dan gelijk aan 0 Hoofdstuk 4 GOEDERENVOORZIENING DOOR DE OVERHEID Collectieve lastendruk = belasting + sociale premies + niet belasting ontvangsten x 100% Nationaal inkomen
Belastingdruk = belastingontvangsten + niet belastingontvangsten x 100% Nationaal inkomen
Premiedruk = Sociale premies x 100% Nationaal inkomen

Collectieve – uitgaven quote = totale uitgaven collectieve sector x 100% Nationaal inkomen
De waarde van de overheidsproductie bestaat uit de ambtenaren salarissen. Collectieve uitgaven → Overheidsuitgaven en Uitgaven sociale zekerheid
Overheidsuitgaven → Inkomensoverdrachten en Overheidsbestedingen
Overheidsbestedingen → Overheidsinvesteringen en Overheidsconsumptie
Overheidsconsumptie → Materiaal en Ambtenaren salarissen
Belastingen = gedwongen betalingen aan de overheid waar geen rechtstreekse individuele tegenprestatie van de overheid tegenoverstaat. Direct belasting = afdracht inkomsten belasting → staat, loonbelasting en inkomstenbelasting. Indirecte belasting = prijs artikel (+BTW) door consument → afdracht BTW door winkelier → staat. Loonheffing = bedrag dat wordt ingehouden van loon voor belasting en sociale premies

Progressief = meer belasting naarmate inkomen stijgt. Boxen = Box 1 → loon en inkomstenbelasting → schijventarief · Voor iedereen die arbeid verricht Box 2 → aanmerkelijk belang → DGA (directeur grootaandeelhouder) · Voor mensen met een eigen bedrijf en groot belang in het bedrijf Box 3 → sparen, beleggen en bezittingen (oude vermogensbelasting) → forfaitair rendement 4% over 30% belasting betalen 0.3x0.04= 0.012=1.2% · Voor groot deel van de mensen
Algemeen: ~ heffingskortingen (vervanging belastingvrije som) ~ aftrekposten · Beroepskosten · Vergoedingen en verstrekkingen · Persoonsgebonden aftrek · Alimentatie · Giften · Kinderopvang · Monumenten · Samenwonenden
Marginale belastingdruk = extra belasting die iemand moet betalen als deze persoon meer gaat verdienen. Niet belasting ontvangsten = alle ontvangsten van de overheid die niet onder de belastingen vallen, voorbeeld is retributies. Retributies = betalingen aan de overheid voor een duidelijk aanwijsbare tegenprestatie. Staatsschuld = door middel van obligatie verplicht tot interestpercentage te betalen. Begrotingstekort = verschil tussen totale overheidsinkomsten en totale overheidsuitgaven (ook aflossingen op staatsschuld). Financieringsbehoefte = bedrag dat overheid leent. Financieringstekort = begrotingstekort vermindert met aflossing op de staatsschuld. Staatsschuld quote = staatsschuld als percentage van het nationaal inkomen. Convergentie criteria = landen groeien naar elkaar toe, spreken af staatsschuld quote maximaal 60% van het nationaal product. Wig = totale loonkosten
Netto bedrag Hoofdstuk 5 PRODUCTIE OVER DE GRENZEN; INTERNATIONALE HANDEL Import = aankopen in het buitenland, invoer. Export = verkoop aan het buitenland, uitvoer. Internationale handel = invoer en uitvoer van goederen
Internationale concurrentiepositie = · relatieve schaarste aan productiefactoren · beschikbaarheid van technisch hoogwaardige kapitaalgoederen · mate van scholing van de beroepsbevolking · arbeidsrust · goede infrastructuur
Mechanisering = machines nemen handeling van mensen over. Automatisering = machines nemen besturing van productieproces over. Arbeidsproductiviteit = waarde van geproduceerde hoeveelheid goederen, benodigde hoeveelheid arbeidsuren. Vrijhandel = geen belemmering van internationale handel. Protectie = bescherming van eigen bedrijvigheid tegen de concurrentie uit het buitenland. Dumping = exporteren van goederen tegen lagere prijs van productiekosten, afzetmarkt vergroten. Antidumpingmaatregelen = bedrijfsleven tegen dumping beschermen. Retorsie = wanneer een land de importen beperkt als vergelding voor importbewerkingen door andere landen. Handelspolitiek = ingrijpen door een of meer overheden in internationale goederen en diensten verkeer. Tarifaire belemmeringen = invoerrecht betalen, grensheffing

Prohibitieve invoerrechten = prijs zo hoog → geen concurreren. Non – tarifaire belemmeringen = · contingenteringen (kwantitatieve beperkingen, restricties) · subsidies · handelsverdragen · aankoopbeperking van buitenlands geld · overige non – tarifaire belemmeringen
Exportsubsidie = subsidie op exportproducten waardoor een product binnen EU – marktprijs kan aanbieden. Autarkie = land dat zelf in staat is in alle behoeften te voorzien. Invoerquote = waarde van goederen en diensteninvoer in procenten van nationaal product. Uitvoerquote = waarde van goederen en diensteninvoer in procenten van nationaal product. Open economie = hoge invoer en uitvoerquotes
Gesloten economie = lage invoer en uitvoer quotes
Overschotlanden = overschot in internationale goederen en diensten verkeer
Tekortlanden = tekort in internationale goederen en diensten verkeer Hoofdstuk 6 HET NATIONAAL INKOMEN: GROEI EN CONJUCTUUR Nationaal inkomen over welvaart; · internationale vergelijkingen · de informele economie · productiegroei en welvaart · externe effecten · de inkomensverdeling
Informele economie = legaal (wit) werk OF illegaal (zwart) werk. Welvaart = de mate waarin de bewoners van een land in hun behoeften kunnen voorzien. Welvaart in enge zin = economische groei is dan toename van de productie
Welvaart in ruime zin = economische groei is dan toename van de welvaart

Ongeprijsde schaarste = goederen die geen prijs hebben maar wel waardevol kunnen zijn (stilte). Factoren die de ontwikkeling van het nationaal inkomen in de loop van de tijd bepalen; · Trendmatige ontwikkelingen · Conjunctuurbewegingen · Seizoenbewegingen · Toevallige (incidentele) bewegingen
Trend = trendmatige groei, gemiddelde groei over langere tijd. Trendbreuk = de groei wordt tijdelijk onderbroken
Conjunctuurbeweging = de schommeling in de groei van het nationaal product die wordt veroorzaakt door verandering in de vraag. Conjunctuurcyclus = conjunctuurgolf, de schommelingen rond een trend nemen een soort patroon aan. Hoogconjunctuur = gaat de overheid geld uitgeven doordat ze daar geld voor hebben, veel vacatures, veel vraag naar producten en diensten die worden daardoor duurder → schaarste → inflatie groter → hoge rente, bedrijfsinvesteringen hoger, hoge werkgelegenheid. Laagconjunctuur = de overheid moet bezuinigen dus geen geld uitgeven, weinig vacatures, niet veel vraag, te veel producten en diensten, overvloed, deflatie, lage rente, veel werkelozen, lage werkgelegenheid. Afgeleide vraag = niet directe vraag naar arbeid
Productiecapaciteit = de maximale hoeveelheid goederen en diensten die een land op korte termijn kan voortbrengen. Arbeid, Kapitaal, Natuur, Ondernemingsactiviteit → Productieproces → Productie
Consumentenprijsindex = indexcijfer van het algemeen prijspeil samengesteld uit prijzen van een pakket consumptiegoederen
Nominaal = werkelijk
Nominaal nationaal inkomen = het nationaal inkomen in euro’s van een bepaald jaar. Indexcijfer van 135 betekend → 1,35 keer basisjaar, 35% keer basisjaar. Reële nationaal inkomen = het voor inflatie gecorrigeerde nationaal inkomen. Indexcijfer reële nationaal inkomen = indexcijfer nominaal nationaal inkomen x 100% Prijsindexcijfer
Reëel nationaal inkomen per hoofd van de bevolking = reële nationaal inkomen Bevolkingsomvang
Economische groei = toename van het reëel nationaal inkomen per hoofd van de bevolking over langere tijd. Effectieve vraag = is een gevolg van conjunctuur → # rente, # inflatie, # werkgelegenheid, # Bedrijfsinvesteringen. Hoogconjunctuur = Hausse, groei van het nationaal product, sterker dan gemiddelde, productie nadert grenzen van capaciteit, hoge werkgelegenheid, prijzen hoger, winsten hoger. Kenmerken van overbesteding = · Lange levertijden, bedrijven die het werk niet aankunnen · Grote bereidheid om te investeren. · Stijgende rente, veel geld nodig voor investeringen · Dalend overheidstekort, door toenemende belastingontvangsten en kleiner beroep op werkeloosheidsvoorzieningen. · Gespannen arbeidsmarkt, toenemende werkgelegenheid → aantal vacatures omhoog → tekort aan arbeid · Flinke prijsstijgingen (inflatie) Recessie = stijgingstempo van het nationaal product neemt af. Depressie = productiegroei neemt af. Onderbesteding = situatie waarin de vraag niet groot genoeg is om voor volledige benutting van de productiecapaciteit te zorgen. Kenmerken onderbesteding = · Conjuncturele werkeloosheid · Bedrijven kunnen hun goederen niet afzetten en blijven met onverkochte voorraden zitten · Weinig investeringslust, omdat bedrijven al met overcapaciteit zitten · Dalende rente door minder vraag naar leningen voor investeringen · Deflatie (een algemene prijsdaling), door het wegvallen van de druk op prijzen · Stijgend overheidstekort door minder belastingontvangsten en een groter beroep op werkeloosheidsvoorzieningen
2. Economie: Markten Hoofdstuk 7 HET PRIJSMECHANISME Redenen waarom er gekozen moet worden = - in welke behoefte wordt het eerste voorzien? - Met welke goederen voorzien we in bepaalde behoefte? - Welke kwaliteit goederen schaffen we aan en in welke hoeveelheid? - Waar worden de goederen gekocht? Schaarste = spanning tussen behoefte en middelen, doet zich voor als niet alle behoefte met bestaande goederen bevredigd kunnen worden. Alternatief aanwendbaar goed = is dat goederen op verschillende manieren gebruikt kunnen worden (grond, kapitaal). Markt = geheel van vraag en aanbod van bepaald product. Concrete markt = plaats waar vragers en aanbieders komen om te kopen en verkopen (winkel, weekmarkt, veiling). Veiling bij opbod = gebeurd door afroepen van steeds hogere prijzen door veilingmeester. Abstracte markt = wanneer ze niet op bepaalde plaats te vinden zijn. Vrijwillig filiaal bedrijf = aantal zelfstandige sluit zich aan bij grote organisatie (koopt centraal in), maken dezelfde reclame en hanteren dezelfde winkelformule. Marktmechanisme = informatiesysteem waarbij markt info verschaft door middel van prijzen aan kopers en verkopers. Prijsmechanisme = informatiesysteem dat vrager en aanbieder informeert over der consequenties van hun handelen. Keuzeprobleem in de economie = komt doordat er in vergelijking tot de behoefte te weinig goederen zijn. Behoefte →→→→→→→→→ vraag ←←←←←← ↓  Schaarste →→→ prijs  ↓ Productiemiddelen →→→→ aanbod ←←←←←← Perfect werkende markten = veel vragers en veel aanbieders, prijs wordt door iedereen geaccepteerd zoals die is (volledige mededinging / volkomen concurrentie). Markt bepaald de prijs (prijsmechanisme), qa = qv, Voorbeeld → Qv = -p +150 Evenwichtprijs → -p +150 = 1,5p – 75 Qa = 1,5p – 75 -2,5p = -225
Qv = Qa p = 90
Hoeveelheid = Qv = -90 +150 Qa = 1,5 x 90 - 75 Qv = 60 Qa = 60
Concurrentiemechanisme werkt optimaal doordat er geen markt concentraties bestaan. Hoeveelheid is het enige wat prijs kan beïnvloeden (hoeveelheidaanpassing). Niet Perfect werkende markten = te weinig aanbieders individuele producent kan invloed uitoefenen op prijs (prijszetting). Monopolie = markt van 1 aanbieder, komt niet vaak voor (paspoorten, bouwvergunningen), concurrentie is geheel uitgeschakeld. Wettelijk of natuurlijk. Monopolist kan doen aan prijszetting, de monopolist kan zelf bepalen wat de prijs is ten opzichte van markt van volledige mededinging. Oligopolie = markt van enkele aanbieders, komt vaker voor dan monopolie: product wordt slechts door een paar aanbieders verkocht (wasmiddelen, consumentenelektronica, medicijnen, bankdiensten), concurrentie is gedeeltelijk uitgeschakeld. Heterogeen of Homogeen.
Hoofdstuk 8 DE CONSUMENT Consumeren = aanschaf van goederen door gezinnen ter wille van de behoeftebevrediging. Consumentenprijsindex = laat zien met welk percentage de kosten van levensonderhoud zijn veranderd in vergelijking tot het basisjaar. Totale vraag = behoeften, prijsproduct, prijs andere producten, inkomen, aantal consumenten. Preferenties (behoeften) = bepalen of iemand een product wil kopen, dit wordt bepaald door reclame, opleiding, gezinssamenstelling, sociale druk, klimaat en woonomgeving. Primaire behoeften = betrekking op goederen die onmisbaar worden geacht in het dagelijks leven (voeding, kleding, onderdak). Secundaire behoeften = alles wat het leven aangenamer maakt (mooie kleding, lekker broodbeleg, ontspanning). Collectieve vraagvergelijking = verband tussen prijs en gevraagde hoeveelheid. Individuele vraagvergelijking = vraagvergelijking van 1 consument. Prijs ↓ gevraagde hoeveelheid  prijs = P
Prijs  gevraagde hoeveelheid ↓ gevraagde hoeveelheid = Qv
Vraagvergelijking = geeft verband weer tussen prijs van goederen en gevraagde hoeveelheid goederen. Δ q = q2 – q1 Δ p = p2 – p1
Procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid = Δ q / q1 x 100% Procentuele verandering van prijs = Δ p / p1 x 100% EV = Δ q / q1 x 100% OF Δq x p1 OF Δq x p1 Δp / p1 x 100% q1 x Δp Δp x q1
Relatief elastische vraag = gevraagde hoeveelheid reageert relatief sterk op prijsverandering > - 1 of ₪ → -1
Relatief inelastische vraag = gevraagde hoeveelheid reageert relatief zwak op prijsverandering < -1 of –1 → 0
Volkomen inelastisch = wanneer gevraagde hoeveelheid niet reageert op prijsverandering
Ev = 0

Prijselasticiteit van gevraagde hoeveelheid = geeft weer hoe de gevraagde hoeveelheid reageert op de prijsverandering. Ev = procentuele gevraagde hoeveelheidverandering
Procentuele prijs verandering
Uitkomst Ev = - 0.75 dan bij prijsdaling van 10% zal gevraagde hoeveelheid stijgen met (-0.75 x 10%) = 7.5 % Weinig elasticiteit = als prijs stijgt, weinig verandering in vraag, dus basisbehoefte niet elastisch en luxe behoefte elastisch (met uitzondering van olie, benzine). > -1 elastisch ₪ → -1 < -1 inelastisch -1 → 0
Consumentenbond = doet in haar blad De Consumentengids, verslag van vergelijkend warenonderzoek en de aangesloten leden kan adviseren bij hun aankopen. Hoofdstuk 9 HET MARKTMECHANISME; PERFECT EN MINDER PERFECT WERKENDE MARKTEN Collectieve aanbodcurve = aanbodlijn, geeft aan hoeveel er aangeboden wordt en hoeveel het kost per aangeboden hoeveelheid. Vraagcurve = vraaglijn, geeft aan hoeveel vraag er is naar een bepaald product. Verschuivingen in de vraag of aanbodlijn = geven aan dat er veranderingen optreden in de gevraagde hoeveelheid, prijs, of aanbod van een product. Marktmodel = een model van de sterk vereenvoudigde weergave van de werkelijke markt. 3 vergelijkingen op een markt = · Vraagvergelijking = Qv · Aanbodvergelijking = Qa · Evenwichtsvoorwaarde = Qv = Qa

Evenwichtsprijs = de prijs waarbij de gevraagde hoeveelheid en de aangeboden hoeveelheid aan elkaar gelijk zijn. ‾q = evenwichtshoeveelheid ‾p = evenwichtsprijs
TW = TO – TK
TO = p x q OF Gemiddelde Opbrengst x q
TK = TCK + TVK OF GTK x q
GVK = Gemiddelde Variabele Kosten
GCK = Gemiddelde Constante Kosten
GTK = Gemiddelde Totale Kosten
Break – evenproductie (BEP) = totale winst is gelijk aan 0
Monopolie = marktvorm waarbij slechts een aanbieder de voorziening van een bepaald goed verzorgt. Wettelijke monopolie = als productie door particuliere bedrijven verboden is. Natuurlijke monopolie = wanneer een bedrijf als enige over de technische kennis beschikt om een bepaald product voort te brengen. Collectief monopolie = als gezamenlijke (maar weinig talrijke) aanbieders van een bepaald product optreden alsof er slechts een aanbieder is. Kartel = afspraak tussen onafhankelijke ondernemingen om de onderlinge concurrentie te beperken. Prijskartel = Afspraken over verkoopprijs. Productiekartel = Afspraken over hoeveelheid goederen. Prijszetting = Monopolist stelt zelf een prijs vast voor een product. Break–evenpunt = wanneer er noch winst nog verlies wordt gedraaid. Doelstellingen van monopolist = · Maximale winst · Maximale omzet · Kostendekking
Voordelen monopolie = veel macht, zelf prijs bepalen, hoge winst, steeds nieuwe innovaties. Nadelen monopolie = er moet een zekerheid voor de consument zijn dat het product constant leverbaar is. Marktaandeel = het deel van de totale omzet op een markt dat door een bedrijf wordt verzorgd, omzet van het bedrijf x 100% Totale marktomzet

Marketing = alle activiteiten die gericht zijn op het bevredigen van de behoeften van de klant. Marketinginstrumenten = # Productbeleid, # Promotiebeleid, # Prijsbeleid, # Plaatsbeleid. Productbeleid = merk, kwaliteit, service, verpakking. Promotiebeleid = persoonlijke communicatie ( verkoper in winkel), massacommunicatie (reclame). Public relations = streven naar een goede naam, goede contacten opbouwen. Prijsbeleid = prijsdiscriminatie en prijsdifferentiatie. Prijsdifferentiatie = kleine verandering in product aanbrengen en daar een andere prijs voor vragen. Prijsdiscriminatie = prijs wordt bevoordeeld per groep (NS → kortingskaart) Plaatsbeleid = directe of indirecte distributie, intensieve of selectieve of exclusieve distributie, winkelformule. Directe distributie = product gaat rechtstreeks van de fabrikant naar de consument. Indirecte distributie = product gaat van fabrikant eerst naar tussenhandelaar en daarna naar de consument. Hoofdstuk 10 DE OVERHEID GRIJPT IN Gemengde economie = economisch stelsel waarbij de overheid de resultaten van het marktmechanisme aanvult en corrigeert om bepaalde doeleinden te bereiken. Collectieve sector = Rijk, Overige publiekrechtelijke lichamen, Socialen verzekeringsinstellingen. Overige publiekrechtelijke lichamen = Provincies, Gemeenten, Waterschappen. Kabinet = bestaat uit ministers, staan aan het hoofd van een ministerie, geven les aan ambtenaren. Ambtenaren = voorstellen worden voorbereid en vervolgens aan het parlement voorgesteld, ambtenaren zorgen ook voor de uitvoering. Parlement = Eerste en Tweede Kamer. CPB = Centraal Plan Bureau, wetenschappelijke onderbouwing van het toekomstbeeld wordt door hen gemaakt. SER = Sociaal Economische Raad, 45 leden en een voorzitter, zorgen voor sociaal – economische beleid. CBS = Centraal Bureau voor de Statistiek, verzamelen statistische gegevens. Redenen waarom de overheid ingrijpt = · De producent moet worden beschermd → artikel kan een te lage prijs krijgen waardoor er problemen ontstaan met de productie ervan. · De consument moet beschermd worden → als de prijzen te hoog zijn, kunnen de producten niet meer gekocht worden door de consument. · Er zijn externe effecten → deze kunnen positief of negatief zijn voor de productie van goederen en diensten. · Het is noodzakelijk collectieve goederen aan te bieden → verkeersveiligheid en dijken moeten door de overheid verzorgd worden. · De overheid wil het gebruik van bepaalde goederen stimuleren en dat van andere afremmen → roken afremmen door het te verbieden, andere goederen subsidie geven. · Machtsvorming op markten moet soms worden bestreden → sommige kartels zijn niet goed voor de rest van het land, zoals een te hoge prijs voor goederen of diensten. · De bestaande inkomensverdeling is onrechtvaardig → werkelozen zonder verzekering zouden dan terugvallen op een inkomen van 0, zo ook de gehandicapten, en arbeidsongeschikten. Minimumprijs = een prijs wordt vastgesteld op 100 euro, de vraag is minder dan het aanbod, waardoor er een overschot ontstaat. Maximumprijs = een prijs wordt vastgesteld op 80 euro, de vraag is groter dan het aanbod, waardoor er een tekort ontstaat en men gaat zwart werken. Interventieprijzen = minimum en maximum prijzen. Ophoudprijs = doordraaiprijs, een prijs die door de veilingbestuur is geplaatst. Producentenfonds = de aanbieder ontvangt een minimumprijs uit dit fonds, dat wordt gevoed doordat elke transactie een percentage voor dit veilingfonds wordt geheven. Grondstoffenovereenkomsten = afspraken over regelmatige aanvoer van grondstoffen tegen stabiele prijzen. Mededingingswet = optreden tegen kartels
Andere instrumenten voor de overheid = · Kostprijsverhogende belastingen · (kostprijsverlagende) subsidies, waaronder ook huursubsidies · verbodswetgeving · het stellen van kwaliteitseisen aan producten en productieprocessen · het maken van afspraken met het bedrijfsleven (convenanten; overheid maakt afspraken met producenten op basis van vrijwilligheid) · voorlichting
BTW = Belasting Toegevoegde Waarde, omzetbelasting. Ook accijnzen worden gebruikt om belasting te innen. Afwenteling = kostprijsverhogende belastingen moeten door de aanbieder aan de belasting dienst worden afgedragen, die heffingen moet hij doorrekenen aan de klant. 3. Economie : Geld- en bankwezen Hoofdstuk 11 GELD Arbeidsproductiviteit = de productie per arbeidskracht per tijdseenheid. Arbeidsverdeling = specialisatie, verschillende werkzaamheden bij de productie worden verdeeld over verschillende mensen. Ruil = het wisselen van goederen tussen eigenaren. Directe ruil = men ruilt goederen tegen goederen. Ruilmiddel = bijvoorbeeld geld. Indirecte ruil = ruilen met behulp van een ruilmiddel. Geld = alles wat in een samenleving algemeen als ruilmiddel aanvaard wordt. Voorwaarden voor een ruilmiddel = · Moet algemeen aanvaard worden, iedereen moet het accepteren. · Moet grote waarde in klein bestek bezitten, een kleine hoeveelheid moet een grote waarde kunnen vertegenwoordigen. · Moet gemakkelijk deelbaar zijn, het moet geschikt zijn voor grote en kleine transacties. · Moet waardevast zijn, anders zou de eigenaar meer of minder hebben naarmate hij het ruilmiddel langer in bezit heeft. Functies van geld = # ruilmiddel, # rekeneenheid, # oppotmiddel en spaarmiddel
Verschijningsvormen = 1. Chartaal geld → munten en biljetten, door Muntwet in omloop gebracht, wettig betaalmiddel. 2. Giraal geld → direct opeisbaar tegoed bij een bank waarover een persoon of een organisatie kan beschikken door middel van overschrijving, cheques en giromaatpassen. Rekening – courant = girorekening, of bankgirorekening, waar je giraal vermogen op staat. Soorten financiële instellingen = # algemene banken, # specifieke banken, # overige financiële instellingen. Algemene banken = banken die een breed pakket aan financiële diensten aanbieden; bankgirorekeningen, spaarrekeningen, diverse soorten leningen, beheer van beleggingen, handel in effecten, verzekeringen (RABO – bank, ING – bank, ABN – AMRO – bank). Specifieke banken = hebben zich gespecialiseerd in een beperkt dienstenpakket. Overige financiële instellingen = instellingen die vooral vermogens beheren, zoals levensverzekeringenmaatschappijen, pensioenfondsen en beleggingsinstellingen. ABP = Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds, voor ambtenaren. PGGM = Pensioenfonds voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke Belangen, voor werknemers in instellingen die diensten verlenen in de vorm van lichamelijke, geestelijke of sociale zorg of hulp. Beleggingsinstellingen = beleggen de ingelegde spaargelden in aandelen, obligaties en onroerende zaken. Branchevervaging = wanneer onderscheid tussen soorten financiële instellingen minder duidelijk is, het assortiment van diensten wordt groter / breder. Fusies zorgen voor schaalvergroting / concentratie. Functies van financiële instellingen = · Verzorging van betalingsverkeer → op gang brengen en in stand houden van chartale en girale betalingsverkeer. · Kredietverlening → door spaargelden van particulieren aan te trekken beschikken banken over de middelen om bedrijven, gezinnen en de overheid de gewenste leningen te verstrekken. · Vermogensbeheer → door ontvangen premies zorgvuldig te beleggen zorgen ze ervoor dat de klanten in de toekomst zeker zijn van een (pensioen) uitkering. Taken van De Nederlandse Bank = · Circulatiebank → in omloop brengen en produceren van chartaal geld. · Bank van banken → De Nederlandse Bank beheert het kasreserve, via dit kasreserve verloopt het betalingsverkeer tussen de banken. · Monetair toezicht → controle over de omvang van kredietverlening van andere banken. Maatschappelijke geldhoeveelheid = totale hoeveelheid geld die er in een land in omloop is. Geldschepping = handeling waarbij de maatschappelijke geldhoeveelheid wordt vergroot. Geldvernietiging = handeling waarbij de maatschappelijke geldhoeveelheid wordt verkleind. Primaire banken = in staat om geldhoeveelheid te vergroten, geldscheppende banken, zijn algemene banken die giraal geld kunnen scheppen door het uit te lenen. Secundaire banken = doorgeefluik van vermogen. Institutionele beleggers = die in het kader van hun functie regelmatig grote vermogens hebben te beleggen. De Nederlandse Staat = heeft als enige de bevoegdheid om chartaal geld in circulatie te brengen en te produceren.
Hoofdstuk 12 INFLATIE Inflatie = een aanhoudende stijging van het algemeen prijspeil. Hyperinflatie = als de geldontwaarding zo snel gaat dat ze doorwerkt in heel veel prijzen van goederen en diensten. Deflatie = de prijzen dalen aanhoudend. Indexcijfers = geven een beeld weer van de prijsontwikkelingen, laat zien met welk percentage de kosten van levensonderhoud in vergelijking tot het basisjaar zijn veranderd. Budgetonderzoek = een enquête van het CBS naar de uitgaven van een gemiddeld gezin van een bepaalde samenstelling en in een bepaalde inkomensklasse. Nominale inkomensstijging = stijging uitgedrukt in geld. Reële inkomensstijging = dan kan de ontvanger van het inkomen meer goederen kopen. Prijscompensatie = dat de lonen meestijgen met de stijging van de consumentenprijsindex. Reële inkomen = Nominaal inkomen / Inflatiepercentage
Overbesteding = als de vraag groter is dan het beschikbare aanbod zullen de vragers tegen elkaar opbieden en stijgen de prijzen, dit leidt tot bestedingsinflatie. Kosteninflatie = wordt veroorzaakt door gestegen productiekosten. Loonkosten per eenheid product = Uurloon per arbeider / Arbeidsproductiviteit per arbeider. Winstinflatie = de producenten zien mogelijkheid hun winstmarges te verhogen en daardoor drijven ze de prijzen op, dit kan alleen als er een gelijkblijvende internationale concurrentieverhouding is. Importinflatie = internationale prijsstijgingen die ervoor zorgen dat we meer moeten gaan betalen voor de importgoederen. Wisselkoers = de koers van de Euro ten opzichte van de Dollar. Inflatie en inflatieverwachtingen hebben invloed op = · De koopkracht van de euro → de koopkracht van een bepaalde hoeveelheid geld neemt af. · Het spaargedrag → sparen is minder aantrekkelijk. · Het bestedingsgedrag → neiging om te besteden is groot als de inflatie sterk is · De inkomensverhoudingen → de prijzen stijgen wel maar de lonen stijgen mee met de kosten van levensonderhoud, dus blijft de koopkracht van lonen gelijk, bron van sociale onrust. · De vermogensverhoudingen · De internationale concurrentiepositie → als er inflatie is in ons land, zullen goederen in andere landen relatief goedkoper worden, dus zullen ze minder met ons willen handelen. Nominale rentevoet = rentepercentage dat wordt overeengekomen als de te betalen rentevergoeding. Reële rentevoet = gelijk aan de nominale rentevoet – inflatiepercentage. Inflatiespiraal = inflatieverwachting → hogere bestedingen → prijsstijgingen → inflatieverwachtingen → hogere bestedingen → enz. Hoofdstuk 13 INTERNATIONALE GELDSTROMEN Goederenverkeer, dienstenverkeer, inkomensverkeer en financiële transacties zijn de voornaamste oorzaken van internationale geldstromen. Betalingsbalans = overzicht van alle in en uitgaande geldstromen uit economische transacties met het buitenland in een periode. 1. lopende rekening = goederenverkeer, diensten verkeer, inkomensverkeer (grenspendel → loon van buitenlanders in Nederlandse dienst) 2. Financiële rekening = # verandering van officiële reserves, # financieel verkeer excl. Verandering monetaire reserves (voorraad vreemd geld bij DNB, goudvoorraad, vorderingen op internationale instellingen). Voorbeeld; directe investeringen → kapitaalverschaffer wil productie + diensten in ander land beïnvloeden, effectentransacties → aankoop en verkoop van Nederlandse effecten aan het buitenland en anders om. 3. Vermogensoverdrachten = # schenking van investeringsgoederen, # kwijtschelding van schuld van buitenland, # octrooien en royalty’s, # licenties (rechten) 4. Statistische verschillen = altijd blijvende verschillen tussen invoer en uitvoer. Actieve betalingsbalans = overschot op de balans, in is meer dan uit, meer geldwissel, meer geld in omloop, in eigen land besteden, daardoor prijsstijging (inflatie). Passieve betalingsbalans = tekort op balans, meer uit dan in, nationale verarming, export niet genoeg om import te financieren, deviezenvoorraad omlaag. Materieel betalingsbalansevenwicht = saldo lopende rekening is in evenwicht met financiële rekening, alleen als totale officiële reserves geen verandering heeft. Formeel betalingsbalansevenwicht = verandering officiële reserves telt mee bij optelling balans. Onevenwichtige betalingsbalans = landen willen geen balans met blijvend (structureel) overschot noch te kort, evenwicht is gewenst. Valuta = eigen muntsoort van een land, vreemde valuta zijn goederen. Wisselkoers = prijs vreemde valuta in eigen munteenheid
Biedkoers = inkoopprijs
Laatkoers = verkoopprijs
Vreemd geld = Nederlands bedrag x 100 Koers vreemde valuta
Vraag vreemde valuta = * goederen importeren, * diensten kopen, * beleggen in effecten. Aanbod vreemde valuta = * export goederen, * diensten verkopen, * beleggen in buitenland. Valutamarkt = geheel van vraag en aanbod van vreemde valuta’s wereldwijd, bestaat uit deelmarkten. Evenwichtskoers = alleen als vraag en aanbodcurve schuiven, naar rechts → meer vraag dan aanbod, naar links → meer aanbod dan vraag. Ontstaat door: rentestijging (beleggers in buitenland beleggen in dat land), prijs (stijgt de prijs, dan is er export naar dat land), winstverwachtingen (verwacht winstgevendheid, dan meer beleggen), verandering in voorkeur ( voorkeur voor product in buitenland). Appreciatie = waardestijging van valuta ten opzichte van andere valuta
Depreciatie = waardedaling van valuta ten opzichte van andere valuta

Renteniveau = maakt beleggen voor buitenland op NL markt meer/minder leuk. 4. Economie: Arbeid Hoofdstuk 14 DE ARBEIDSMARKT Arbeidsmarkt = geheel van aanbod van en vraag naar arbeid. Werkgelegenheid = de vraag naar arbeid. Arbeidsjaar = aantal uren dat een voltijdwerker onder normale omstandigheden in een jaar werkt. Beroepsbevolking = de groep mensen van 15 tot 64 jaar die minstens 12 uur per week werkt of zou willen werken, Potentiële beroepsbevolking = beroepsgeschikte bevolking, deel van de bevolking tussen de 15 en 64 jaar. Participatiegraad = het deel van de beroepsgeschikte bevolking dat tot de beroepsbevolking behoort. Factoren die invloed hebben op participatiegraad = · Wetgeving → leerplicht duurt in Nederland 11 jaar, pensioensrechtelijke leeftijd van 65 jaar, VUT – regelingen (Vrijwillig vervroegde uittreding), hoogte van belasting tarieven, gunstige regelingen op gebied van arbeidsongeschiktheid. · Maatschappelijke opvattingen → gehuwde vrouwen deden geen betaald werk. · De organisatie van het arbeidsproces → hoe flexibeler de werkgever is, hoe hoger het arbeidsaanbod zal zijn. · Hoogte van het loon → een vrouw die alleen onbetaald (huiselijk) werk doet, al zich eerder op de arbeidsmarkt melden naarmate het daar te verdienen loon hoger is. Aantal banen hangt af van volgende factoren = · Vraag naar goederen en diensten → Effectieve vraag → Bezettingsgraad productiecapaciteit → Werkgelegenheid · Arbeidskosten → Grotere wig = nettoloon – loonkosten · Arbeidsproductiviteit → productie per werknemer per tijdseenheid, Loonkosten per eenheid product = Loonkosten per periode / Productie per periode, Loonkosten per periode = Gemiddeld loon x Aantal werknemers
Productie per periode = Arbeidsproductiviteit x Aantal werknemers · Arbeidsduur → Verkorting van werkweek = werkweek van 40 uur werd werkweek van 36 uur, Meer vrije dagen = vakantiedagen zijn toegenomen, Vormen van vervroegde uittreding = niemand moet meer tot zijn 65ste werken. · Bedrijfstijd → als de fabriek behalve door de week ook toch op zaterdag doorwerkt. Verborgen werkgelegenheid = zwart werk en niet – gemelde vacatures. Factoren die arbeidsproductiviteit beïnvloeden = · introductie van technische vindingen in het productieproces · een efficiëntere organisatie van het arbeidsproces · een grotere inspanning van werknemers · betere scholing van de werknemers · een betere werksfeer Hoofdstuk 15 WERKELOOSHEID Geregistreerde werkeloosheid = officiële werkeloosheidscijfer. Een werkeloze moet = ingeschreven staan bij een Arbeidsbureau, tegenwoordig Arbeidsvoorziening, niet in loondienst zijn ( of werk hebben van minder dan 12 uur per week), beschikbaar zijn voor een baan van minstens 12 uur per week, direct beschikbaar zijn. Werkeloosheidspercentage = geregistreerde werkeloosheid x 100% Beroepsbevolking
Werkeloze beroepsbevolking = werkelozen en alle mensen die niet staan ingeschreven bij een arbeidsbureau. Bestandvervuiling = doordat veel ingeschreven mensen inmiddels al weer een baan hebben. Ontmoedigingseffect = mensen die ten gevolge van een grote werkeloosheid zich niet meer inschrijven. Aanvullingseffect = wanneer een lid van het gezin werkeloos wordt en er een ander werk gaat zoeken. Verborgen werkeloosheid = neemt toe als werkzoekende zich niet inschrijven bij een arbeidsbureau. Structurele werkeloosheid = innovatie, veroorzaakt door veranderingen in de productiestructuur. Conjuncturele werkeloosheid = werkeloosheid die het gevolg is van het tekortschieten van de effectieve vraag naar goederen en diensten bij een gegeven productiecapaciteit. Kwantitatieve structurele werkeloosheid = aantal arbeidsplaatsen is niet groot genoeg om de gehele beroepsbevolking werk te bieden, tekort aan arbeidsplaatsen. Kwalitatieve structurele werkeloosheid = wanneer er tegelijkertijd werkelozen zijn en onvervulbare vacatures. Vacatures = openstaande arbeidsplaatsen bij particuliere bedrijven of de overheid. Gebrek aan scholing = het opleidingsniveau, kennis en vaardigheden van mensen sluit niet aan bij wat men zoekt in een nieuwe werknemer. Gebrek aan regionale mobiliteit = de werkgelegenheid is niet goed verdeeld over het land. Gebrekkige arbeidsbemiddeling = betere arbeidsbemiddeling kan werklozen sneller aan een baan helpen. Frictiewerkloosheid = werkloosheid die ontstaat door de duur van de sollicitatieprocedures en / of duur van de arbeidsbemiddeling. Seizoenswerkloosheid = veroorzaakt door seizoensmatige schommelingen in de bedrijvigheid. Individuele gevolgen = koopkracht verminderd. Maatschappelijke gevolgen = solidariteit van werkende en niet – werkende kan afnemen doordat kleine groep werkende de lasten moet dragen van een grote groep werklozen, sociale spanningen, maatschappelijke tegenstellingen. Maatregelen die geschikt zijn om werkloosheid van het ene type te bestrijden, kunnen verkeerd uitpakken wanneer de werkloosheid van een ander type betreft, iedere soort werkloosheid vereist een eigen aanpak. Bestrijden van kwantitatieve structurele werkloosheid = · beheersing van de arbeidskosten → werknemers en werkgevers spraken af dat de loonstijgingen beperkt zouden blijven · Stimulering van innovaties → geven van subsidies aan technisch onderzoek. · Arbeidstijdverkorting → leidt tot een grotere vraag naar arbeid. · Bedrijfstijdverlenging → kapitaalgoederen worden langer gebruikt, waardoor de constante kosten per stuk omlaag gaan. · Vervroegde uittreding → er kunnen meer mensen aan het werk. Bestrijding van kwalitatieve structurele werkloosheid = · Geografische mobiliteit → kan worden bevorderd met verhuispremies of reiskostenvergoeding, daling kosten openbaar vervoer zou ook helpen. · Mobiliteit tussen de verschillende beroepsgroepen → kan bevorderd worden door om en bijscholingsprogramma’s. · Mobiliteit tussen werkende en niet – werkenden → voor werklozen en extra kwetsbare werklozen. Bestrijden van frictiewerkloosheid = verbetering van arbeidsbemiddeling, inrichting van vacaturebanken, snellere en zo recent mogelijke informatie over beschikbare werknemers dan wel over beschikbare functies, het organiseren van banenmarkten. Bestrijding van seizoenswerkloosheid = seizoenen te verlengen door middel van doorwerkprojecten. Maatregelen voor tekort aan tijdelijke arbeid = · Overwerk · Buitenlandse werknemers aantrekken · Bestedingen afremmen bij hoogconjunctuur, bestedingen stimuleren bij laagconjunctuur. Maatregelen voor tekort aan langdurige arbeid = · Arbeidsbesparende innovatie, robotisering van productieproces. · Flexibele pensionering, mensen worden gestimuleerd langer door te werken. · Kinderopvang, arbeidsaanbod van gehuwde vrouwen kan toenemen. · Immigratie, niet in vorm van pendelarbeid van buitenlandse werknemers, maar blijvende vestiging in ons land. · Meer deeltijdwerk.
Hoofdstuk 16 DE LOONVORMING Arbeidsovereenkomst = een afspraak waarbij de werknemer zich verplicht om gedurende een bepaalde tijd in dienst van de werkgever tegen een van tevoren afgesproken loon arbeid te verrichten. Primaire arbeidsvoorwaarden = betreffen onder meer de hoogte van het loon, de aard van het werk en de werktijden. Secundaire arbeidsvoorwaarden = aantal vakantiedagen, omstandigheden waaronder het werk verricht moet worden, voorwaarden waaraan men moet voldoen om promotie te willen maken. Collectieve arbeidsovereenkomst = CAO, moet voldoen aan de voorwaarden die in de wet worden vastgesteld. Individuele arbeidsovereenkomst = die moet binnen de bepalingen van de CAO blijven. Prijscompensatie = als de prijzen stijgen krijgen de werknemers meer geld. Initiële loonstijging = als het goed gaat met een bedrijf proberen de vakbonden loonstijging te verkrijgen voor werknemers. Incidentele loonstijgingen = bij promotie of door leeftijd in hogere loonschaal terecht komen. Index reëel loon = index nominaal loon x 100 Consumentenprijsindex
CAO = een raamwerk van afspraken en dat zijn de minimale eisen waaraan een individuele arbeidsovereenkomst moet voldoen. 5. Economie: Inkomen en inkomensverdeling Hoofdstuk 17 DE INKOMENSVERDELING Primaire inkomens = beloning voor het ter beschikking stellen van productiefactoren. Primaire inkomensverdeling = verdeling van inkomens over de inkomenstrekkers. Secundaire inkomen = ontstaat door vermindering van het primaire inkomen met de loonbelasting en inkomstenbelasting en de sociale premies en door vermeerdering met de inkomensoverdrachten. Vrij besteedbare inkomen = secundaire inkomen
Modale inkomen = inkomen dat het meest voorkomt, is een statistisch begrip. Personele inkomensverdeling = geeft de verdeling van de inkomens aan over de individuele inkomensontvangers of over de huishoudens. Lorenz – curve = 1. Rangschik alle inkomensontvangers van laag naar hoog. 2. Verdeel de totale groep inkomensontvangers in tien porties met evenveel mensen. ( in decielen → 10%) 3. Bereken het totale inkomen in een deciel, de inkomens van alle tien decielen vormen samen het nationaal inkomen. 4. Druk het totale inkomen in een deciel uit in een percentage van het nationaal inkomen. 5. Tel de aandelen van de verschillende decielen bij elkaar op. De uitkomst daarvan geeft de gecumuleerde inkomensaandelen. Oorzaken inkomensverschillen = · Productiviteitsverschillen, sommige mensen dragen meer bij aan het nationaal product dan andere en krijgen daar een hogere beloning voor. · Opleiding, een opleiding is meestal noodzakelijk voor het verkrijgen van een baan. · Schaarsteverschillen, er zijn weinig topvoetballers dus daarom verdienen die veel. · Machtsverschillen, hoe meer macht hoe meer je verdient. · Inspanningsverschillen, soms krijg je per prestatie betaald. · Verschillen in verantwoordelijkheid, directeur heeft meer verantwoordelijkheid dan administratie dus verdient hij ook meer. · Vermogensverschillen, mensen met grotere vermogens kunnen geld beleggen waardoor interest wordt verkregen. Inkomensverschillen = zorgen voor een prikkel tot prestaties en een prikkel tot mobiliteit. Inkomensnivellering = vermindering van inkomensverschillen

Inkomensdenivellering = vermeerdering van inkomensverschillen. Nivellering oorzaken = scholing, regionale inkomensverdeling, overheidsingrijpen. Nivellering gevolgen voor omvang nationaal product = toename van collectieve lastendruk ( te hoge loonkosten voor werkgever en aantasting van concurrentiepositie), relatieve toename van de consumptie bestedingen ( mensen krijgen in verhouding minder geld dus consumeren ze minde). Nivellering gevolgen voor de arbeidsmarkt = geringe mobiliteit (prikkel tot verhuizen naar plaats met werk is klein), negatieve gevolgen voor de participatiegraad ( waarom zou je gaan werken als je een goede uitkering kan krijgen), grotere wig ( arbeid wordt vervangen door kapitaal). Hoofdstuk 18 DE SOCIALE ZEKERHEID Verzorgingsstaat = garandeert zijn inwoners een redelijk bestaan (bestaanszekerheid), de samenleving houdt een vangnet voor de slachtoffers van de marktsector. Sociale zekerheid = een verzamelterm voor een groot aantal regelingen die uiteenvallen in 2 grote groepen → sociale voorzieningen en sociale verzekeringen. Sociale voorziening = uitkeringen die door de overheid ter beschikking worden gesteld zonder dat daarvoor een tegenprestatie wordt gevraagd. Sociale verzekering = betaalt uit premieopbrengsten, opgebracht door werknemers in het bedrijfsleven en bij de overheid, en voor een deel door de werkgevers. Sociale zekerheid = Sociale verzekeringen + Sociale voorzieningen
Sociale verzekering = Werknemersverzekering + Volksverzekering
Werknemersverzekeringen = · Werkeloosheidswet (WW) → als iemand onvrijwillig zijn baan verliest, 70% van zijn laatst verdiende loon. · Wet uitbreiding loondoorbetaling bij ziekte (Wulbz) → 70% van het loon van de zieke. · Ziekenfondswet (ZFW) → kosten van geneeskundige verzorging voor iedereen die in loondienst werkzaam is en een inkomen verdient beneden de loongrens. Volksverzekeringen = · Algemene Ouderdomswet (AOW) → is een verplichte verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom, iedereen die 65 jaar of ouder is krijgt overheidswege een basispensioen. · Algemene Nabestaandenwet (ANW) → voorziet in een uitkering aan de achterblijvende gezinsleden wanneer de kostwinner overlijdt. · Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandige (Waz) → voorziet in een uitkering aan zelfstandige die wegens arbeidsongeschiktheid niet in hun levensonderhoud kunnen voorzien. · Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) → op grond van deze wet is de hele bevolking verzekerd tegen bijzondere ziektekosten, geneeskundige risico’s die niet via het ziekenfonds zijn gedekt. Sociale Voorzieningen = · Algemene Bijstandswet (ABW) → wordt bijstand verstrekt aan iedereen die in Nederland woont en niet over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien. · Individuele huursubsidie → kan worden toegekend aan iemand die in een huurhuis woont, een bepaald bedrag aan huur betaalt en minder dan een bepaald inkomen verdient. · Studiefinanciering → bedoelt voor iedereen van 18 jaar en ouder die een voltijdstudie aan het middelbaar of hoger beroepsonderwijs of aan de universiteit volgt. · Algemene Kinderbijslagwet (AKW) → komt iedereen die in Nederland woont en kinderen heeft. Kosten van sociale zekerheid worden gedragen door = · Werknemers → betalen het leeuwendeel van de sociale verzekeringen. · Werkgevers → betalen een deel van sociale verzekeringspremies. · Overheid → betaalt (uit schatkist) in de eerste plaats alle sociale voorzieningen. Ziektekostenverzekeringen = via verplichte ziekenfonds of via particuliere verzekeringsmaatschappij. Pensioenvoorziening = basispensioen (collectief geregeld AOW), een aanvullend pensioen. Waarde vast pensioen = pensioenuitkering wordt jaarlijks verhoogd met de stijging van de kotsen van levensonderhoud in het afgelopen jaar. Kapitaaldekking = elke werknemer betaalt terwijl deze werkzaam is een pensioenpremie waarmee hij zijn eigen pensioen opbouwt. Omslagstelsel = elke werknemer betaalt terwijl deze werkzaam is een pensioenpremie voor de vorige generatie werknemers. Sociale – zekerheidsuitgaven = bevat uitgaven aan de sociale verzekingen en de uitgaven aan de sociale voorzieningen. Zorguitgaven = zijn de uitgaven aan de volksgezondheid, waaronder gezinsverzorging en voorzieningen voor ouderen en gehandicapten. Nadelen sociale zekerheid = · Belastingen en premies worden afgewenteld → werknemers eisen hogere lonen, daardoor hogere kosten voor bedrijven, gaan de prijzen dan niet omhoog dan gaat dat ten koste van de winst. · Belasting en premiedruk wordt ontweken → Gezinnen en bedrijven kunnen hoge belastingen ontwijken door zich in het buitenland te vestigen. · Er ontstaan een zwart circuit → hoge belastingen en premies worden ontdoken. Privatisering van sociale zekerheid = marktwerking wordt meer. Voordelen meer marktwerking = # markt werkt goedkoper, # marktwerking stimuleert eigen verantwoordelijkheid, # marktwerking zorgt voor lagere collectieve lasten. Fraudebestrijding = gepaard met hogere boetes kan misbruik binnen de perken houden. Participatie bevorderen = · Wanneer er voldoende kinderopvang is, kunne bijvoorbeeld alleenstaande moeders die van een bijstandsuitkering leven, wellicht door middel van een (deeltijd) baan geheel of gedeeltelijk voor zichzelf zorgen. · Het begrip ‘passende arbeid’ kan worden verruimd. · Omscholing kan verplicht worden gesteld. · Werkgevers kunnen subsidie krijgen bij het in dienst nemen van langdurig werklozen. · Arbeidsbureaus (de arbeidsvoorziening) moeten meer maatwerk leveren en voor elke werkloze ‘de boer op gaan’.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.