Reacties op de examens, het laatste examennieuws, je voorlopige cijfer berekenen en de antwoorden.

 


Alles over de eindexamens Alles over het CSE


Domein A Markt

Prijzen worden bepaald door vraag en aanbod.

Individuele vraag:
het verband tussen het aantal producten dat je voor een bepaalde prijs wilt kopen en de prijs van een product. Als de prijs daalt, stijgt de gevraagde hoeveelheid.

Betalingsbereidheid:
de maximale prijs die een consument voor een product wilt betalen.

De individuele vraag wordt beïnvloed door deze factoren:

  1. Individuele voorkeuren, ofwel de behoefte.
  2. Beschikbaar budget/koopkracht. De koopkracht geeft aan hoeveel goederen je kunt kopen met je besteedbare inkomen.
  3. Aanwezigheid en prijs van substitueerbare producten. Producten die dezelfde behoefte kunnen bevredigen. Bij honger is zowel een appel als een burger honger stillend.
  4. Aanwezigheid en prijs van complementaire producten. Producten die elkaar in het gebruik aanvullen, zoals een Playstation en Playstation games.
  5. Exogene factoren. Omstandigheden waar je geen invloed op hebt, zoals het weer.

Elastische vraag (elasticiteit is kleiner dan -1):
de procentuele verandering van de vraag is meer dan de procentuele verandering van de prijs.

Inelastische vraag (elasticiteit zit tussen de -1 en 0):
de procentuele verandering van de vraag is minder dan de procentuele verandering van de prijs. Een voorbeeld hiervan zijn noodzakelijke goederen, zoals brood. Men kan niet zonder, dus zal dit altijd blijven kopen hoe hoog de prijs ook is.

Kruislingse elasticiteit:
geeft aan hoe sterk de vraag naar een product reageert bij een prijsverandering van een ander product. Als de benzine prijs stijgt, zal de vraag naar benzineauto’s dalen.

Substitueerbare goederen:
als de prijs van treinkaartjes stijgt, zullen mensen eerder de auto nemen in plaats van de trein.

Aan de hand van de inkomenselasticiteit kunnen we 3 soorten goederen onderscheiden:

  1. Inferieur goed: als het inkomen stijgt, daalt de vraag. De inkomenselasticiteit is negatief
  2. Noodzakelijk goed: de gevraagde hoeveelheid stijgt met een kleiner percentage dan het inkomen (energie of voedsel). De inkomenselasticiteit ligt tussen 0 en 1.
  3. Luxe goed: de gevraagde hoeveelheid stijgt met een hoger percentage dan dat het inkomen stijgt (auto’s of vakanties). De inkomenselasticiteit is groter dan 1.

Maximale winst wordt behaald bij MO=MK. Wanneer de MO groter is dan de MK, zal de producent meer produceren. Elk product dat de producent extra produceert levert hem meer op dan dat het hem kost.

De omzet is maximaal bij MO=0. Het laatste product levert dan immers geen extra omzet meer op, dus zit je op de maximale omzet. TO= maximaal bij MO=0.

Break-evenafzet:
een bedrijf maakt geen winst, maar draait ook geen verlies. TO=TK of GO=GTK.

Op een markt komen vraag en aanbod samen. Er zijn twee soorten markten:

  • Concrete markt: een plaats waar vrager en aanbieder elkaar fysiek ontmoeten, dus in het echt (bijvoorbeeld een bloemenveiling).
  • Abstracte markt: dit is geen echte plaats waar je naartoe kunt gaan (bijvoorbeeld de huizenmarkt of de arbeidsmarkt)

Marktevenwicht:
vraag en aanbod zijn hier gelijk aan elkaar. Hier zijn geen productieoverschotten of productietekorten.

Bij een aanbodoverschot wordt er voor gekozen om een lagere prijs te hanteren zodat de producten toch verkocht worden.

Er kan ook een vraagoverschot zijn. Producenten verhogen dan vaak hun prijs.

Marktvorm

Volkomen concurrentie

Monopolistische concurrentie

Oligopolie

Monopolie

Aantal aanbieders

Veel

Veel

Weinig

1

Aantal vragers

Veel

Veel

Veel

Veel

Soort product

Homogeen

Heterogeen

Homogeen + heterogeen

Homogeen

Doorzichtigheid markt (transparantie)

Goed

Slecht

Slecht

Slecht

Mogelijkheid tot toetreding

Makkelijk

Makkelijk

Moeilijk

Moeilijk

Invloed aanbieder op prijs

Geen

Prijszetter

Prijszetter

Prijszetter

Prijsdifferentiatie:
verschillende prijzen voor vergelijkbare, maar toch verschillende producten. Een voorbeeld hiervan is het uitbrengen van een agenda met een hardcover en een paperback. Een bepaalde groep zal de luxere versie willen, wat zorgt voor meer winst voor de producent.

Marktaandeel:
de omzet van dat bedrijf uitgedrukt in een percentage van de totale marktomzet.

Consumentensurplus:
het verschil tussen de werkelijke prijs van een product en de maximale prijs die iemand bereid is voor het product te betalen.

Producentensurplus:
het verschil tussen de marktprijs en de prijs die een aanbieder voor zijn product wilt ontvangen. Het is het verschil tussen de marktprijs en de prijs waartegen alle producenten bereid zijn om aan te bieden.

Totale surplus:
de optelsom van het consumentensurplus en het producenten surplus. Het totale surplus noemen we ook wel de maatschappelijke welvaart.

Domein C: samenwerken en onderhandelen

Externe effecten:
onbedoelde gevolgen van consumptie en productie. Ze worden niet in de prijs opgenomen en kunnen positief of negatief zijn.

Positieve externe effecten:
een bedrijf vestigt zich ergens en zorgt voor een verbeterde infrastructuur.

Negatieve externe effecten:
het uitputten van grondstoffen zoals aardolie of milieuvervuiling door consumenten.

Collectieve goederen:
niemand kan van het gebruik worden uitgesloten. Het gebruik van collectieve goederen door de ene burger gaat niet ten koste van het gebruik van deze goederen voor een andere burger. Voorbeelden hiervan zijn politie, straatverlichting of dijken.

Meeliftgedrag:
mensen betalen niet, maar ze profiteren wel van het gebruik van een object. Dit is een gevolg van positieve externe effecten.

Verzonken kosten:
kosten die vooraf voldaan moeten worden en die niet meer teruggedraaid kunnen worden vanwege het specifieke karakter van de investering. Denk hierbij aan het decor en de kostuums voor een bepaald toneelstuk. Vooraf is nog niet bekend hoe goed het toneelstuk zal gaan lopen, maar het decor en de kostuums moeten wel al worden gemaakt.

Domein D: risico en informatie

Risico:
de kans op een gebeurtenis met een negatieve (financiële) impact.

Vrijwillige risico’s:
deze neem je bewust, zoals het beklimmen van een steile berg.

Onvrijwillige risico’s:
deze zijn niet te vermijden, zoals ziekte.

Risico-aversie:
het mijden van risico’s.

Om minder risico te lopen kan men zich verzekeren. Er bestaan twee soorten verzekeringen.

Sociale verzekeringen:
hier moet iedereen in de samenleving aan mee doen, zoals de zorgverzekering.

Individuele verzekeringen:
hier mag je zelf kiezen, zoals voor bijvoorbeeld een aanvullende tandartsverzekering.

Informatie asymmetrie:
de informatieachterstand of informatievoorsprong van de ene transactiepartij ten opzichte van de andere partij.

Problemen die zich voordoen door informatie asymmetrie zijn:

  • averechtse selectie: alleen mensen die van zichzelf weten dat ze slordig zijn, sluiten een verzekering af. Als je heel netjes bent zal je minder snel een dure verzekering afsluiten. De premies van verzekeraars zullen hierdoor stijgen.
  • Moral hazard: gedrag dat mensen vaak vertonen als zij een verzekering hebben afgesloten. Ze gaan minder zorgvuldig met hun spullen om, omdat zij toch verzekerd zijn. Het risico neemt toe en de premies dus ook.

Oplossingen voor averechtse selectie en risico op moreel wangedrag:

  1. Door informatie te verzamelen kan asymmetrische informatie worden tegengegaan.
  2. Risico op averechtse selectie kan worden tegengegaan door premiedifferentiatie: verschillende premies rekenen voor verschillende doelgroepen.
  3. Het risico op moreel wangedrag kan worden beperkt door het bonus-malussysteem. Voorzichtige verzekeraars worden beloond door hun premie omlaag te doen.
  4. Het risico op moreel wangedrag kan ook worden beperkt door een eigen risico in te voeren.

Agent-principaal probleem:
hierbij schakelt een organisatie (de principaal) een ander (de agent) in om een bepaalde taak uit te voeren. Er is hier sprake van asymmetrische informatie, omdat de agent meer informatie heeft dan de principaal.

Bij dit probleem wordt verondersteld dat de principaal andere belangen heeft dan de agent. Er is dus een belangentegenstelling.

De informatie van de agent is groot en dit kan leiden tot moreel wangedrag. In de relatie werkgever-werknemer kan de werkgever nooit 100% contoleren wat de werknemer uitvoert. De werknemer kan hier voordeel uit halen door zijn eigen belangen na te streven. Dit kan tegengegaan worden door het inzetten van (financiële) prikkels om de agent te stimuleren een goed resultaat te leveren.

Risico’s die we kunnen verhandelen worden effecten genoemd. De belangrijkste effecten zijn:

  • Aandelen. Hierbij krijg je een deel van de winst van het bedrijf.
  • Bedrijfsobligaties. Een schuldbewijs voor een lening in een onderneming.
  • Een schuldbewijs voor een lening aan de overheid.

De invloed van rente en inflatie op effecten:

  • Als de rente in een land stijgt dan daalt de koers van een aandeel.
    Rente stijgt --> investeringen worden duurder --> minder investeringen --> de productie daalt --> minder omzet en dus minder winst --> koers daalt
  • Bij hoge inflatie kan er minder worden gekocht voor hetzelfde geld.
    Hoge inflatie --> afname bestedingen --> minder winst --> lagere aandelenkoers

Domein E: welvaart en groei

Reële kringloop:
geeft de totale stroom van goederen en diensten in een land aan.

In de economische kringloop zijn er 4 economische sectoren:

  • Bedrijven: verkopen producten aan consumenten, de overheid en het buitenland. Het totaal aan geld naar de bedrijven = C+I+O+E.
  • In de economische kringloop moeten de ingaande geldstromen altijd gelijk zijn aan de uitgaande geldstromen. Y= C+I+O+(E-M)
  • Gezinnen: geven hun inkomen uit door 1. Het kopen van consumptiegoederen, 2. het als spaargeld op de bank te zetten, of 3. Belasting te betalen. Y=C+B+S
  • Overheid: overheidsbestedingen (O) en het ontvangen van geld aan belasting (B).
  • Buitenland: binnenlandse goederen kopen (E) en goederen verkopen aan het binnenland (M).

Dit kan ook worden samengevat in de formule: (S-I) + (B-O) = (E-M)

Macro-economie:
kijkt naar de totale productie of de totale werkgelegenheid van een land, ofwel de geaggregeerde grootheden.

De macro-economie maakt onderscheid in productiefactoren. Dit zijn alle factoren die van invloed zijn op de productie in een land. Dit zijn Kapitaal, Arbeid, Natuur en Ondernemerschap.

  • Kapitaal – Huur
  • Arbeid – Loon
  • Natuur – Pacht
  • Ondernemerschap – Rente

BBP is de belangrijkste grootheid van de macro-economie. Het is de waarde van alle geproduceerde goederen en diensten van een land in een jaar.

Manieren om het BBP te berekenen:

  • Vanuit de productie; het BBP is gelijk aan de toegevoegde waarde van alle bedrijven in het land, ofwel de gehele productie.
  • Vanuit de inkomensvorming; door alle primaire inkomens op te tellen. Dit bestaat uit loon, pacht, huur, winst en rente.

Het BBP is echter geen goede maatstaf voor de welvaart in het land, omdat er geen rekening wordt gehouden met de volgende zaken:

  • Het prijspeil, de koopkracht en de inflatie
  • Inkomensongelijkheid
  • De informele sector
  • Onbetaalde arbeid (vrijwilligerswerk)

Welvaart in enge zin:
het gaat hier om de materiële welvaart; de hoeveelheid goederen die je kunt kopen. Dit hangt af van je koopkracht en je inkomen.

Welvaart in ruime zin:
zowel materiële als niet-materiële zaken worden hier meegenomen. Zoals de veiligheid op straat en de kwaliteit van het milieu.

Betalingsbalans:
een overzicht van alle transacties tussen een land en het buitenland.

De betalingsbalans is verdeeld in twee deelrekeningen.

Lopende rekening;

  • Goederenrekening: betalingen van import en export van goederen. Import staat aan de uitgavenkant en export aan de inkomstenkant
  • Dienstenrekening: aan de uitgavenkant het geld dat een Nederlander als toerist uitgeeft in het buitenland en andersom.
  • Primaire-inkomensrekening: internationale beloningen voor het beschikbaar stellen van productiefactoren. Nederlanders die loon verdienen in het buitenland komen op de inkomstenkant en rentebetalingen aan buitenlandse banken op de uitgavenkant.
  • Inkomensoverdrachtrekening: geld dat binnenkomt van over de grens en waar geen prestatie tegenover staat.

Kapitaalrekening:
hierop staan alle in een jaar ontvangen en verstrekte kredieten, zoals leningen, beleggingen en investeringen.

Lorenz-curve:
een lijn die de verdeling weergeeft van het bbp over de inwoners van een land. Het cumulatie percentage van de bevolkingsomvang op de verticale as en het cumulatieve percentage van de inkomens in die zelfde groep. Hoe groter de buik van de Lorenz-curve, hoe schever de inkomensverdeling van de groep.

Gini-coëfficiënt:
een maatstaf om de mate van inkomensgelijkheid in een land te meten. Het is een getal tussen 0 en 1. 0 is een situatie van complete inkomensgelijkheid: iedereen in het land verdient even veel. 1 is complete ongelijkheid: er is 1 persoon in het land die al het inkomen verdient en de rest verdient helemaal niets.

Belastingstelsel:

  • Progressief: met een hoger inkomen betaal je procentueel steeds meer belasting
  • Degressief: met een hoger inkomen betaal je procentueel steeds minder belasting
  • Proportioneel (vlaktaks): iedereen betaalt procentueel evenveel belasting.

Nivellering:
de inkomensverschillen tussen arm en rijk worden kleiner. Dit hoort bij een progressief belastingstelsel.

Denivellering:
de inkomensverschillen tussen arm en rijk worden groter. Dit hoort bij een degressief belastingstelsel.

Landen die de handel in eigen land willen beschermen voeren protectionistische maatregelen in. Voorbeelden hiervan zijn:

  • Invoerrechten; belasting op producten vanuit het buitenland
  • Contingentering; het vaststellen van een maximale hoeveelheid van een bepaald product dat tijdens een bepaalde periode mag worden ingevoerd, ofwel het quotum.
  • Exportsubsidies
  • Kwaliteitseisen

Domein F: goede tijden, slechte tijden

Collectieve vraag:
de totale vraag naar één product in een land

Geaggregeerde vraag:
de totale vraag naar alle producten op alle markten in een land samen
De geaggregeerde vraag is als volgt te berekenen: C + I + O + (E – M)

Geaggregeerde aanbod:
het totale aanbod van goederen en diensten in een land

Rigide prijzen:
de prijzen zijn op korte termijn constant.

Loonstarheid:
de lonen zijn op korte termijn niet flexibel. Ze zijn vastgelegd in cao’s.

Verkeersvergelijking van Fisher:
legt een verband tussen de handel in goederen en diensten en de geldstroom in de economie:
M x V = P x T
M is hierbij de maatschappelijke geldhoeveelheid
V is de omloopsnelheid van geld
P is het prijsniveau van goederen en diensten
T is het aantal transacties in een bepaalde periode

Inflatie:
de stijging van het algemeen prijspeil. Mensen kunnen dan voor hetzelfde geld minder kopen. De koopkracht daalt.

Deflatie:
het tegenovergestelde van inflatie. De prijzen dalen en de koopkracht stijgt.

Hyperinflatie:
het geld wordt bijna niets meer waard.

Verschillende soorten inflatie:

  • Bestedingsinflatie: de vraag is zo hoog dat de productie niet meer kan stijgen. Producenten verhogen hun prijzen.
  • Kosteninflatie: hogere kosten (denk aan loonsverhoging) wordt door berekend in de prijzen.
  • Winstinflatie: als een producent de markt gunstig vindt, kan hij besluiten om zijn prijzen te verhogen.
  • Geïmporteerde kosteninflatie: inflatie die wordt veroorzaakt doordat producten uit een ander land worden geïmporteerd waar er sprake is van inflatie, of doordat de wisselkoers verandert.

Philipscurve:
geeft het verband op korte termijn aan tussen de inflatie en de werkloosheid. Als de inflatie laag is, dan is het werkloosheidspercentage hoog. Andersom kan lage werkloosheid alleen bereikt worden met hoge inflatie.

Werkloosheid heeft twee gevolgen voor de overheid:

  1. Zij moeten meer uitkeringen gaan betalen, omdat er meer mensen zonder werk en dus zonder inkomen zijn.
  2. Er zijn minder mensen die nog aan het werk zijn en dus komt er minder loonbelasting binnen.

De overheidsuitgaven worden groter, maar de overheidsinkomsten kleiner.

Waardevaste uitkeringen:
als de uitkeringen minimaal stijgen met hetzelfde percentage als de inflatie. De koopkracht blijft dan gelijk, ondanks de inflatie.

Welvaartsvaste uitkeringen:
als de uitkeringen stijgen met minimaal hetzelfde percentage als waarmee de lonen stijgen.

Reële economische groei:
de procentuele verandering van het reële bbp van jaar tot jaar.

Wisselkoers:
de prijs van de ene munt uitgedrukt in de andere munt

Zwevende wisselkoers:
er bestaan geen grenzen waar de wisselkoers zich binnen moet bewegen. Deze zwevende wisselkoers ontstaat als gevolg van vraag en aanbod en de centrale bank hoeft hier dus niet in te springen. Zwevende wisselkoersen brengen de betalingsbalans in evenwicht.

Positief saldo op de betalingsbalans --> wisselkoers stijgt --> export daalt --> betalingsbalans komt in evenwicht.

Negatief saldo op de betalingsbalans --> wisselkoers daalt --> export stijgt --> betalingsbalans komt in evenwicht.

Beperkt zwevende wisselkoers:
hier mag de wisselkoers zweven tussen een afgesproken onder- en bovengrens. Komt de wisselkoers hier onder of boven dan grijpt de centrale bank in (met de rente of het verkopen en aankopen van de eigen valuta).

Verband tussen de inflatie, de concurrentiepositie en de wisselkoers:

Hoge inflatie --> concurrentiepositie t.o.v. buitenland omlaag --> export omlaag --> vraag naar valuta omlaag --> wisselkoers omlaag.
Hoge inflatie --> concurrentiepositie t.o.v. buitenland omlaag --> import omhoog --> aanbod van valuta omhoog --> wisselkoers omlaag

Verband tussen de wisselkoers, de concurrentiepositie en de werkgelegenheid:

Als de euro meer waard wordt t.o.v andere landen dan stijgt de wisselkoers --> De concurrentiepositie t.o.v het buiteland wordt slechter. Wij worden duurder voor het buitenland --> De export daalt, want wij zijn duur, maar de import stijgt, want alles is goedkoop voor ons --> De productie daalt, want wij exporteren minder en exporteren meer --> Werkgelegenheid daalt doordat er minder productie is.

Procyclisch conjunctuurbeleid:
versterkt de huidige conjunctuurcyclus. Als er bijvoorbeeld sprake is van laagconjunctuur en de overheid gaat vervolgens bezuinigen, dan is dat procyclisch.

Anticyclisch conjunctuurbeleid:
het overheidsbeleid gaat hier recht tegen de conjunctuur in.
Bij laagconjunctuur verhoogt de overheid de bestedingen (bijvoorbeeld investeringen in de infrastructuur) en/of verlaagt ze de belastingen.
Bij hoogconjunctuur is dit andersom en worden belastingen verhoogd en de bestedingen verlaagd.

Manieren om de internationale concurrentiepositie te versterken:

  • Loonmatiging: verlagen van productiekosten en personeelskosten per product door het instellen van een max loonstijging of het verlagen van loonbelasting. Producten worden goedkoper en aantrekkelijker voor het buitenland.
  • Verhoging arbeidsproductiviteit: hoe hoger de gemiddelde arbeidsproductiviteit, hoe lager de loonkosten per product.
  • Beteugeling van de inflatie: de inflatie in de hand houden. Dit gebeurt door de ECB, die als doelstelling heeft om de inflatie in de eurozone te beperken tot een bovengrens van 2% per jaar.

Automatische conjunctuurstabilisatoren:
werken anticyclisch.

  1. Sociale uitkeringen. Bij mensen die werkloos zijn geworden valt het inkomen weg. Sociale uitkeringen vangen deze inkomensterugval gedeeltelijk op.
  2. Progressieve belastingen. Ten tijde van hoogconjunctuur zien we over het algemeen een stijging van de lonen. Men gaat hierdoor meer belasting betalen.

De ECB kan rente verhogen of verlagen.

  • Bij het verlagen van rente ten tijde van laagconjunctuur wordt de vraag gestimuleerd. Het wordt dan minder aantrekkelijk om te sparen en aantrekkelijker om te lenen.
  • Bij hoogconjunctuur verhogen ze de rente. Dit doen ze om de vraag af te remmen. Ook wordt het nu aantrekkelijker om te sparen en wordt er minder geleend.

Liquiditeitsval:
het geld dat extra uitgegeven wordt gaan sparen i.p.v gaan uitgeven, waar het eigenlijk voor bedoeld was.

Formules

Inflatie = verandering algemeen prijspeil / oorspronkelijk prijspeil x 100%

CPI = optelsom van (bestedingsaandelen x prijsindexcijfers) / optelsom van de bestedingsaandelen

RIC = NIC / PIC x 100%

NIC = (RIC x PIC) / 100%

PIC = NIC / RIC x 100%

Rendement= investeringsopbrengst / investering x 100 %

Loonquote= loon / nationaal inkomen x 100%

Quote overig inkomen = (winstquote + pachtquote + rentequote) / nationaal inkomen

Arbeidsinkomen= looninkomen + toegerekend loon zelfstandigen

Arbeidsinkomensquote = arbeidsinkomen / nationaal inkomen x 100%

Prijselasticiteit van de vraag = procentuele verandering van de vraag / procentuele verandering van de prijs

Kruislingse elasticiteit = procentuele verandering van de vraag product 1 / procentuele verandering van de prijs product 2

Inkomenselasticiteit van de vraag = procentuele verandering gevraagde hoeveelheid / procentuele verandering van het inkomen

Gemiddelde totale kosten = totale kosten / afzet

Gemiddelde constante kosten = totale constante kosten / afzet

Gemiddelde variabele kosten = totale variabele kosten / afzet

Gemiddelde opbrengst = totale opbrengt / afzet

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.