Economie integraal hfd 15

Beoordeling 0
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 1043 woorden
  • 21 juni 2022
  • nog niet beoordeeld
  • Cijfer
  • nog niet beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Help nu jouw favoriete goede doel door jouw mening te geven!

Hoe? Heel simpel. Geef je op voor het panel van Young Impact en geef jouw mening over diverse onderwerpen zoals gelijke kansen, diversiteit of het klimaat. Voor iedere ingevulde vragenlijst (+/- 1 per maand) ontvang je een bedrag dat je direct mag doneren aan een goed doel naar keuze. Goed doen was nog nooit zo easy!

Meld je aan!

Hoofdstuk 15


Paragraaf 1


De geregistreerde beroepsbevolking van Nederland bestaat uit alle personen tussen 15 en 75 jaar die tenminste 1 uur per week betaald werk verrichten óf betaald werk zoeken in de formele sector (bedrijven en overheid) en daarvoor direct beschikbaar zijn. De Nederlandse beroepsbevolking is als gevolg van de geboortegolf na de Tweede Wereldoorlog, de groei van de allochtone bevolking en de emancipatie op de arbeidsmarkt toegenomen. De beroepsbevolking hangt echter ook af van de pensioengerechtigde leeftijd en de leeftijd tot welke leerlingen leerplichtig zijn. Door de ontgroening en vergrijzing neemt de beroepsbevolking in de komende jaren af. Het grootste deel van de beroepsbevolking werkt of zoekt werk in de dienstensector en het kleinste deel in de landbouw en visserij. De participatiegraad of het deelnemingspercentage van mannen neemt langzaam af. Het deelnemingspercentage van vrouwen is sterk toegenomen. Dit komt onder andere doordat vrouwen minder kinderen krijgen en hoger zijn opgeleid dan vroeger. Ook de verbeterde kinderopvang en minder duurzame relaties hebben geleid tot extra aanbod van vrouwen. De werkgelegenheid omvat het werkende deel van de beroepsbevolking. Het aantal deeltijdwerkers en flexibele werknemers (‘flexwerkers’) neemt de laatste jaren naar verhouding toe, het aantal voltijd werknemers neemt naar verhouding af. De werkzame beroepsbevolking van Nederland bestaat uit alle personen tussen 15 en 75 jaar die tenminste 1 uur per week werken in de formele sector.


formules: bruto participatiegraad = werkzame + werkloze beroepsbevolking /                       beroepsgeschikte bevolking x 100%


Netto participatiegraad = werkzame beroepsbevolking / 


beroepsgeschikte bevolking x 100 %


I/A ratio is de verhouding tussen het aantal inactieve uitkeringsgerechtigden en het aantal actieven.


formule:


inactieve / 


actieve 


→ hoe hoger hoe meer mensen moeten worden onderhouden door de werkende 



Paragraaf 2


Door van de totale beroepsbevolking de werkzame beroepsbevolking af te trekken bereken je de werkloze beroepsbevolking. Tot de officiële werkloze beroepsbevolking behoren alle personen die: 



  1.  minimaal 15 jaar oud zijn en jonger dan 75 jaar; 

  2. 2 een baan zoeken van minimaal 1 uur per week; 

  3. 3 daarvoor onmiddellijk beschikbaar zijn; 

  4. 4 nu niet of minder dan 1 uur per week werken. 



Het werkloosheidspercentage geeft aan hoeveel procent van de beroepsbevolking werkloos is. Het werkloosheidspercentage onder bijvoorbeeld werkloze allochtonen, laagopgeleiden en vrouwen is hoger dan dat van autochtonen, hoger opgeleiden en mannen. Het aantal geregistreerde werklozen is in de winter hoger dan in de zomer. Het CBS publiceert daarom ook werkloosheidscijfers gecorrigeerd voor seizoeninvloeden. Verborgen werkloosheid is alle niet geregistreerde werkloosheid.



Persoonlijke nadelen van werkloosheid zijn: inkomensverlies, gemis van sociale contacten, gevoel van nutteloosheid, verveling. Maatschappelijke nadelen zijn maatschappelijke onrust, protestacties, demonstraties, vandalisme en stakingen. Economische gevolgen zijn: 



  1. Werklozen hebben minder te besteden. 

  2. Bedrijven krimpen hun productie in. 

  3. De overheid ontvangt minder belastingen en sociale premies en vertrekt meer sociale uitkeringen.



Paragraaf 3


Conjuncturele werkloosheid wordt veroorzaakt door (tijdelijk) afnemende bestedingen waardoor de productiecapaciteit niet helemaal wordt benut. Er is dan sprake van onderbesteding of van laagconjunctuur. In dat geval zijn er minder arbeidskrachten nodig. Door afnemende bestedingen neemt de werkgelegenheid af en de werkloosheid toe. 


Structurele werkloosheid wordt veroorzaakt door veranderingen in het productieproces. 



Kwantitatieve structurele werkloosheid bestaat als de productiecapaciteit in de bedrijven en bij de overheid te klein is om de hele beroepsbevolking in te schakelen. Oorzaken hiervan kunnen zijn: 



  1.  Afname van de investeringen door stijgende loonkosten, dalende winstverwachtingen en een stijging van de leenrente. 

  2.  Vervanging van arbeid door kapitaal bij mechanisatie, automatisering en robotisering.

  3. Toename van de (internationale) concurrentiestrijd. 

  4.  Fusies, overnames en samenwerking tussen bedrijven. 

  5.  Verplaatsing van bedrijfsactiviteiten naar lagelonenlanden. 

  6.  Verzadiging van de marktvraag.



Van kwalitatieve structurele werkloosheid is sprake als de opleidingen, vaardigheden en eisen van de werkzoekenden niet aansluiten bij de vraag van de werkgevers. Mogelijke oorzaken: 



  1.  De scholing van de beroepsbevolking sluit niet aan bij de vraag van de werkgevers. 

  2. Beperkte mobiliteit van de arbeid. 

  3. Discriminatie op de arbeidsmarkt. 

  4. De armoedeval. 


Seizoenwerkloosheid treedt op, doordat sommige werkzaamheden aan bepaalde seizoenen zijn gebonden. Frictie- of wrijving werkloosheid is tijdelijke werkloosheid die ontstaat als mensen van baan veranderen of net van school komen en nog bezig zijn een baan te zoeken.



Paragraaf 4


De conjuncturele werkloosheid kan afnemen door: 



  1. Het verlagen van de belastingen en sociale premies. ( als gezinnen minder belastingen en premies moeten betalen kunnen ze meer geld uitgeven, waardoor er meer vraag komt en er dus meer banen beschikbaar komen)

  2. Het verhogen van de uitgaven van de overheid. (nieuwe scholen of wegen bouwen. leidt tot meer vraag aan werknemers van bedrijven)

  3. Daling van de rente. (er wordt minder gespaard en meer uitgegeven, dus meer vraag en dus meer banen beschikbaar)


De structurele werkloosheid kan afnemen door: 



  1.  Daling van de loonkosten voor bedrijven (zoals verlaging loonbelasting en sociale premies, verhoging van loonkostensubsidies en verlaging van het minimumloon). 

  2. Daling van de rente. (als leenrente daalt wordt investeren goedkoper, dus hogere productiecapaciteit, dus meer beschikbare banen)

  3.  Verlenging van de bedrijfstijd. (als er langer mag worden geproduceerd leidt dit tot vraag naar meer arbeidskrachten)

  4.  Om-, her- of bijscholing en inburgeringscursussen. (mensen kunnen hun kansen op de arbeidsmarkt vergroten)

  5.  Betere kinderopvang. (een werkloze ouder accepteert eerder een baan als er gezorgd wordt voor kinderopvang)

  6. Investeringssubsidies en belastingvoordelen. (hierdoor kan er geïnvesteerd worden en dit leidt tot meer vraag naar arbeidskrachten)

  7.  een betere werking van het UWV werkbedrijf, de Wet Gelijke Behandeling en wetgeving ter bevordering van de arbeidsmobiliteit.(door een beter overzicht kunnen werkzoekende en werknemers beter in contact komen)



Paragraaf 5


Een gespannen of krappe arbeidsmarkt is er wanneer de vraag van werkgevers groter is dan het beschikbare aanbod van arbeidskrachten. 



Gevolgen van een krappe arbeidsmarkt zijn: 



  1.  Toenemende loonstijgingen; 

  2.  Daling van de winst; 

  3.  Toenemende inflatie; 

  4.  Loon-prijsspiraal; 

  5.  Verslechtering van de internationale concurrentiepositie; 

  6.  Snelle procesinnovatie. 



Oorzaken van een krappe arbeidsmarkt zijn: 



  1.  Daling van de omvang van de beroepsbevolking door vergrijzing en daling van het aantal schoolverlaters 

  2. Toename van de vraag naar arbeidskrachten in een opgaande hoogconjunctuur 

  3.  Onjuiste scholing of de geringe mobiliteit van arbeidskrachten. 



Bestrijding van een gespannen arbeidsmarkt is mogelijk door: 



  1.  Beleid gericht op het laten toenemen van het arbeidsaanbod (zoals verlenging van de officiële werkweek, verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd, verlagen van de leerplichtleeftijd, belastingmaatregelen ten gunste van werkenden, tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang, soepeler toelatingsbeleid voor buitenlandse werknemers). 

  2.  Beleid gericht op de toename van de arbeidsproductiviteit (zoals innovatiesubsidies en verbetering van het onderwijs). 

  3.  Beleid gericht op een betere afstemming van de kwaliteit van arbeid op de eisen in het bedrijfsleven (zoals om-, her- en bijscholing, inburgeringscursussen).



Een ruime arbeidsmarkt is wanneer de vraag van werkgevers kleiner is dan het beschikbare aanbod van arbeidskrachten

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.