Jongens gezocht!
We zoeken nog een aantal examenkandidaten die (voor moneys) hun frustraties, verdriet, of blijdschap willen uiten na afloop van de examens. Solliciteer voor 3 maart als eindexamenvlogger!

Meedoen

Economie II

Beoordeling 4.7
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • Klas onbekend | 1415 woorden
  • 1 februari 1999
  • 64 keer beoordeeld
Cijfer 4.7
64 keer beoordeeld

ADVERTENTIE
Overweeg jij een maatschappelijke studie?

Misschien is een studie Sociologie of Antropologie dan wel iets voor jou! Bij beide opleidingen ga je aan de slag gaat met maatschappelijke vraagstukken. Wil jij erachter komen welke bachelor bij jou past? Kom in maart proefstuderen aan de VU.

Meer informatie
Eco2 Samenvatting SO 1 theorie Samenvatting van Moderne bedrijfseconomie voor het HAVO / VWO door J.C. Hogenbrink
Deel 1 H 1, 16, 17
Deel 2 H 18, 19
Deel 3 H 10, 11, 12, 13
Deel 4 H 6, 7
Gebruikt voor tentamen theorie aan VWO 6. Deel 1 H 1 De onderneming Onderneming : bedrijf dat winst wil maken / organisatie van kapitaal en arbeid. 5 soorten: - agrarisch - extractie - industrieel - handel - dienstverlenend Massa productie: fabrikant richt zich op wens consument / voorraad aanhouden / zelfde product
Serie massa productie: fabrikant bepaalt type + max. productie / voorraad aanhouden / zelfde product Stuk productie: richt zich tot bijzondere behoefte consument / geen voorraad / 1 product Serie stuk productie: richt zich tot bijzondere behoefte consument / geen voorraad / enkele producten Productie huishouding: in het huishouden worden producten vervaardigd voor loon. Markt: totaal van vraag en aanbod Abstracte markt: vraag en aanbod naar een bepaald product of dienst Concrete markt: vraag en aanbod op een vaste plaats. Deel 1 H 16 Ondernemingsvormen Tot stand komen van een bepaalde rechtsvorm: 1. vermogensbehoefte: Hoeveelheid vermogen nodig om te bestaan
2. leiding: De behoefte aan 1 of meer leiders
3.
aansprakelijkheid: volledig aan sprakelijk of gedeeltelijk
4. continuïteit: Kan de onderneming blijven bestaan wanneer leider wegvalt? Vermogensbehoefte Leiding Aansprakelijkheid Continuïteit Eenmanszaak Klein 1 Volledig Klein VOF Redelijk 2/3 Volledig Klein NV Groot Meer Bepaald bedrag Groot BV Groot Meer Bepaald bedrag Groot Eenmanszaak Voordelen: snelle beslissingen, want 1 leider
eigenaar ontvangt volledige winst Nadelen: voortbestaan onderneming afhankelijk van de eigenaar
weinig vermogen, zodat er moeilijk uitgebreid kan worden
eigenaar met zijn volledige vermogen aansprakelijk Vennootschap onder firma Voordelen: groter vermogen

arbeidsverdeling Nadelen: eigenaren zijn volledig aansprakelijk
expansie mogelijkheden beperkt door vermogen van de eigenaren
er kan onenigheid ontstaan
voortbestaan in geding bij wegvallen van een vennoot Naamloze vennootschap en besloten vennootschap Voordelen: mogelijkheden tot expansie groot door het grote vermogen
bekwame mensen
voortbestaan niet afhankelijk van eigenaren
beperkte aansprakelijkheid Nadelen: weinig betrokkenheid bij bedrijf
te makkelijk worden riskante projecten getart door directie
minder krediet waardig Meer uittreksel in papieren vorm De samenvatting van H17 is op genomen in H6 deel 4. Deel 2 H 18 Verzekering Tegen onvoorziene gebeurtenissen kan men zich verzekeren, of zelf een bepaald bedrag reserveren. (Assurantie) Verzekering: Overeenkomst waarbij de verzekeraar de verzekerde moet schadeloosstellen.
Wet van grote de aantallen: alleen dingen waar bij duidelijk is te bepalen wat de waarde kunnen verzekerd worden. Voordelen: een ramp hoeft niet einde van bedrijf te betekenen
kosten premie staan vast
deskundigen zullen bedrijf helpen beveiligen Soorten verzekering: 1) Brandverzekering 2) Transportverzekering: lading(averij grosse: schade geleden om meer schade te verkomen / casco / vrachtkosten
3) Bedrijfsschadenverzekering: Als bedrijf een bepaalde tijd niet kan produceren wordt er uitbetaald door de verzekering. 4) Kredietverzekering: schadeloos stellen wanneer een krediet niet wordt afbetaald. (politiek of commercieel) Over verzekeren of dubbel verzekeren heeft geen nut. Solvabiliteitsverzekering: als verzekeraar A niet kan betalen betaalt BP
Deel 2 H 19 Inkoopbeleid Bij inkopen moet rekening gehouden worden met een aantal dingen: kwaliteit, prijs, hoeveelheid, levertijd, ed. Om duidelijk te maken wie de beste leverancier is kan je gebruik maken van Vendor-rating, hierbij werk je met wegingsfactoren. Inkoopmethoden: Offerte: kijken naar aanbiedingen veiling: bij opbod aanbesteding: factuur naar aanleiding van eerder gemaakte tekeningen inschrijving: schriftelijk bod beurscontract: contract catalogi: bestelling plaatsen aan de hand van een catalogus Deel 3 H 10 Prijs(4p) Kartels: Overeenkomst tussen bedrijven uit dezelfde bedrijfstak om onderlinge concurrentie te verminderen. Kartels van lagere orde: Voorwaarden –of conditiekartel: leveringsvoorwaarden Rayonkartel: toewijzing afzet gebied
Prijskartel: min. / max. prijzen Productie –of afzetkartel: minimum / maximum afzet
Kartels van hoge orde
Syndicaat
Winstverdelingskartel Wet economische mededinging: EZ mag een kartel ontbinden. Price-lining: assortiment met ongeveer gelijke prijs Full-line-pricing: stimulatie van een reeks producten. Vb: kopieerapparaat goedkoop, papier duur. BEP: TO=TK of TCK/((verkoopprijs - variabele kosten) per eenheid) Prijsdifferentiatie: voor een product een andere prijs berekenen, bijvoorbeeld in een ander seizoen Prijsdiscriminatie: voor bepaalde personen een andere prijs berekenen (65+)
Deel 3 H 11 Het product Product Materiele eigenschappen: vorm, gewicht, merk, garantie Immateriële eigenschappen: status, imago Zie: schrift, voor 11.2 11.3 11.4 11.5 11.6 11.7 Hier onder worden de belangrijkste aspecten genoemd. Groepsmerk: verschillende producten onder een naam Individueel merk: per product 1 merk Fabrikanten merk: fabrikant is bekent(detaillist minder kosten, garantie door fabrikant, merk geeft detaillist een goede naam) Soortnaam: merknaam is product naam geworden Eigenmerk: Winkel heeft verscheiden producten onder het eigenmerk (klanten binding, grotere winstmarge, minder concurrentie, reclame) Convenience goods: consumptie, vaak aangeschaft, supermarkt in de buurt
Shopping goods: om te winkelen, bij elkaar te vinden Specialty goods: zelden aangekocht, aankoop gebaseerd op merk want te weinig kennis. Trading-up: duurder product toevoegen Trading-down: goedkoper product toevoegen Deel 3 H 12 Promotie Onbelangrijk hoofdstuk, zie: schrift. Salespromotion (verkoop verbeteren) PR (bedrijf beter voor laten komen) Reclame (product bij het grote publiek bekent maken) Reclamebudget (percentage omzet, doel- en taakmethode, misbaar bedrag, concurrentie methode) Reclameplan (doel, vroegere resultaten, thema, tempo) Keuze media (prijs, aard product, bereik(doelgroep, hoeveelheid) Persoonlijke verkoop (onderhouden van contacten, informatie verstrekken, service)
Deel 3 H 13 Distributie (plaats) Tussenschakels zijn bijv. importeurs Directe distributie: producent à afnemer Indirecte distributie: producent à 1 of meer tussenschakels à afnemer(consument) Het is moeilijk om een tussenschakel te overtuigen het product op te nemen in zijn assortiment. kredietverlening
bijzondere aanbiedingen
cadeaus
rabatten
snelle levering
reclame maken
Push-distributie: fabrikant probeert het de detaillist op te dringen Pull-ditributie: fabrikant maakt reclame en door de vraag van consument zal ook de detaillist vraag uitoefenen. Keuzebeleid hangt af van: 1. afnemers
2. producten (prijs, bederfelijkheid) 3. concurrentie
4. tussenpersonen(inzet van de tussenhandel) 5. eigen onderneming (zelf producten verkopen) 6. overheid (wetten en regels) Intensief: veel verkooppunten
Selectief: uitgezochte verkooppunten (redelijk groot aantal) Exclusief: klein aantal geselecteerde verkooppunten Zie voor meer uitgebreide uitleg en samenvatting het schrift of boek. Del 4 H 6 Vergroting onderneming Groei op eigen kracht: door vergroting van bestaande capaciteit, veel kapitaal nodig. Overnemen van andere onderneming: Aandelen van een onderneming verwerven. Redenen: snellere groei, kennis vergaring, gezamenlijke inkoop, gebied van vestiging Fusie: twee ondernemingen van gelijke grote gaan samen. Reden: 1) verzekeren van aanvoer grondstoffen en afname
2) kostenbesparing
3) risicospreiding
4) sterk tegen concurrentie Concern: ondernemingen die een ander product op de markt brengen gaan samen om risico te spreiden.
Holding Company: 1 bedrijf macht over meerdere bedrijven, door aankoop aandelen. Die bedrijven blijven wel bestaan. C.B.S.: verzameld gegevens en verwerkt die tot statistieken. K.v.K.: bevorderen van de economische belangen van handel en industrie in hun gebied. Taken: 1) beheren instellingen
2) verlenen subsidies aan instellingen
3) beëdigen personen
4) verzamelen gegevens
5) handels en verenigingsregister
6) certificaten uitgeven Inkomsten: 1) verplichte bijdrage
2) retributies
3) subsidies
4) opbrengsten EV
Gegevens in handelsregister zijn om derden informatie te geven over bedrijven. Bedrijfskolom: 1. integratie: samenvoegen van opeen volgende fasen van het productieproces (verticaal verkleinen) reden: kostenvoordeel voor fabrikant
2.
differentiatie: een afzonderlijke onderneming toevoegen in het productieproces (verticaal vergroten) reden: een grossier kan goedkoper werkendoor grote hoeveelheden en kortingen. 3. parallellisatie: een onderneming in de bedrijfskolom gaat zich op meer producten toeleggen (horizontaal vergroten) reden: Er kan uit een groter assortiment meer verkocht worden en een groter publiek aangesproken worden. Fabrikanten kunnen hierdoor de kosten verlagen, meer producten verkopen, maar niet meer personeel aannemen. 4. specialisatie: Een onderneming legt zich alleen nog toe tot een product. (verkleining horizontaal) reden: de ondernemer kan zich richten op een kleiner publiek, of er kan grootschaliger geproduceerd worden (goedkoper) Handelsagent: tussenpersoon (commissionair) (bemiddelaar) Agentuurovereenkomst: rayon, opdrachten voor derden, beloning Deel 4 H 7 Omgevingsfactoren Koopgedrag van consumenten is afhankelijk van de koopkracht (loon, vermogen, leningen). Gebonden koopkracht: voorzien in eerste levensbehoefte Vrije koopkracht: overblijfsel nadat voldaan is aan de voorwaarden van een 'menswaardig' bestaan Vraag naar een product: prijs (elasticiteit) prijs andere goederen (gaat rpijs omlaag, blijft er meer geld over om andere dingen te kopen) inkomen (bij hoger inkomen zal er meer kwaliteit gekocht worden (de inferieure producten niet)) voorkeur (eigen mening consument of mode) grootte bevolking ( meer mensen, meer afzet mogelijkheden (buitenland exporteren)
Fysieke behoefte: heeft de consument nodig Psychische behoefte: extra producten en diensten (o.a. bepaald door de geografische omgeving en welvaart) Basis behoefte: bevrediging zintuigen, geldingsdrang (onnodige aankopen), zekerheid (verzekering), gemak
Inkoopgedrag van ondernemingen veel rationeler, omdat zij de kosten als uitgangspunt nemen en wat er nodig is, dit betekent dat als er een tijdelijke aanbieding is van een duurzaam product, dat die niet direct wordt gekocht. Marktsegmentatie: onderverdeling van de markt, ondernemer richt zich tot de behoefte van de consument Ongedifferentieerde marketing: massaproductie (vooral in introductie fase) Gedifferentieerde marketing: massa serie productie (en verschillende varianten) brengt hoge kosten met zich mee. Geconcentreerde marketing: ondernemer richt zich op een deelmarkt Ansoffmatrix Markten / Producten Bestaande producten Nieuwe producten Bestaande markten Marktpenetratie (1) Productontwikkeling (3) Nieuwe markten Marktontwikkeling (2) Diversificatie (4) 1) omzet vergroting door marktverdieping(huidige klanten meer laten kopen) en marktverbreding(meer consumenten aanspreken) 2) vinden van nieuwe markten voor bestaande producten (buitenland, nieuwe doelgroep) 3) nieuw / verbeterd product op bestaande markt brengen
4) nieuw product op een nieuwe markt brengen

REACTIES

V.

V.

lieve Jurrit
ik vind je verslag erg mooi en ik kon hem erg goed gebruiken.

21 jaar geleden

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.