ADVERTENTIE
Sleepover afzeggen?

Je zou gaan logeren bij je beste vriendin, maar haar moeder is positief getest. Zij wil de afspraak door laten gaan. Wat zou jij doen?


Bekijk de video

Samenvatting economie:



Hoofdstuk 1 produceren en inkomen in Nederland.



1.2



Welvaart kun je verdelen in 2 soorten namelijk:

- welvaart in enge zin: is het inkomen per hoofd van de bevolking, waarbij rekening word gehouden met de koopkracht.

- Welvaart in ruime zin: is een breder begrip. Hieronder vallen ook immateriële behoeften. (zoals vrije tijd, arbeidsomstandigheden, gezondheidszorg, milieu enz.)



De Nederlandse economie is verdeeld in 4 sectoren:



- de primaire sector (=agrarische sector): landbouw, visserij en delfstofwinning

- de secundaire sector (= industriesector) : industrie, bouwnijverheid en openbare nutsbedrijven

- de tertiaire sector (= dienstensector, doel is maken van winst): commerciële dienstverlening. Zoals reclamebureaus, transportbedrijven, banken, verzekeringsmaatschappijen

- De quartaire sector (= dienstensector, zonder winst): niet-commerciële dienstverlening. Deze sector word vaak betaald door de regering. V.b. scholen en ziekenhuizen.



De waarde van alle 4 sectoren samen heet het nationaal inkomen. dit bedrag geeft dus aan hoeveel we verdienen. Het is dan ook wel gelijk aan het nationaal inkomen.



Privatisering: overheidsbedrijven worden overgenomen door particuliere bedrijven. Voorbeelden: NS, KPN, energiebedrijven



1.3



Productie: betekend in het algemeen het geschikt maken van goederen en diensten voor het gebruik.



Productiefactoren: om te kunnen produceren zijn er productiefactoren nodig:

- arbeid: alle geestelijke en lichamelijke inspanningen van mensen



- kapitaal (= goederen): bijvoorbeeld grondstoffen, machines, transportmiddelen. Kapitaal is dus niet het zelfde als een som geld. Als bedrijven kapitaal inkopen heet dat investeren.

- Natuur of natuurlijke hulpstoffen: grond, mineralen, klimaat, maar ook de geografische ligging en de aanwezigheid van waterwegen.

- Ondernemingschap: het risico dat een ondernemen neem door het bezit van een eigen zaak.



Bedrijfskolom: een schematische weergave van alle schakels die er in een productieproces zitten vanaf de grondstof t/m het eindproduct.

-> bedrijfskolom (brood)

graan – fabriek – bakker – brood

Toegevoegde waarde: de waarde die een volgende schakel in een bedrijfskolom er aan toevoegt.



Toegevoegde waarde van bedrijven berekenen: omzet – ingekochte goederen en hulpstoffen.



Toegevoegde waarde van de overheid: de som van alle ambtenarensalarissen.



Bruto nationaal product (BNP) : de toegevoegde waarde van alle bedrijven en overheid.



Bruto binnenlands product: zelfde als BNP alleen is hier al het geld dat naar het buitenland gaat er de afgehaald.



Afschrijven: de economische term voor waardevermindering



Vervangingsinvesteringen: geld op zij leggen voor investeringen.



Netto nationaal product (NNP): dit is BNP alleen zonder alle afschrijvingen.



NNP = BNP – afschrijvingen van alle bedrijven en de overheid.



Kapitaalintensief: er wordt per werknemer veel gebruik gemaakt van machines



Arbeidsproductiviteit: de productie per werknemer per tijdseenheid. Afhankelijk van kwaliteit, kapitaalgoed (opleidingsniveau, arbeidsomstandigheden, arbeidsspecialisatie).



1.4



reële inkomen: wat je aan producten meer kunt kopen



nominale inkomen: gewoon wat je verdient berekenen: reële inkomen – prijsinflatie

procentuele veranderingen van het reële inkomen kun je berekenen met behulp van indexcijfers. (zie wiskundeblok op blz. 16 – 17)

het reële inkomensindexcijfer (RIC) bereken je als volgt:

RIC : NIC / PIC x 100 %



RIC: Reëel inkomensindexcijfer, deze indexcijfer geeft aan hoeveel je meer kunt kopen aan producten.

NIC: indexcijfer nominaal inkomen, dus dit is het indexcijfer die aangeeft hoeveel je verdient een bepaald jaar.

PIC: indexcijfer prijspeil, dus dit is het indexcijfer die aangeeft hoeveel de prijzen stijgen



consumentenprijsindex (CPI): Dit getal geeft aan hoeveel het leven duurder is geworden voor de gemiddelde Nederlander.



1.5



Prijsinflatie: het gemiddelde prijspeil ten opzichte van vorig jaar. Oftewel de kosten van het levensonderhoud nemen toe.



Prijspeiling*: kijken of de gemiddelde prijs van goederen en diensten zijn gestegen.



Wegingsfactoren: geven aan welk deel van de totale uitgaven naar een specifieke artikelgroep gaat.



Budgetonderzoek: dit is een onderzoek naar de bestedingsgewoonten van mensen.



Indexcijfer nationaal inkomen per inwoner:

indexcijfer nominaal inkomen / indexcijfer bevolkingsomvang x 100



consumentenprijsindexcijfer (CPI): geeft aan met hoeveel procent de kosten van het levensonderhoud stijgen ten opzichte van een basisjaar. Dat wordt als volgt berekend:



som van

(wegingsfactoren x prijsindexcijfers)

= CPI

som van de wegingsfactoren



prijscompensatie: dat je loonsverhoging krijgt omdat anders je koopkracht daalt omdat de prijzen stijgen.



1.6



personele inkomensverschillen: de manier waarop de inkomens van mensen zijn verdeeld.

Nivelleren: inkomensverschillen worden kleiner

Denivelleren: inkomensverschillen worden in verhouding groter.

Lorenzkromme of lorenzcurve: toont het verschil tussen arm en rijk



Een paar belangrijke begrippen die niet in het boek staan:

Omzet: afzet x prijs

Winst: omzet – kosten

Toegevoegde waarde: omzet – ingekochte goederen en diensten van derden. De productie kosten betekend het zelfde als toegevoegde waarde.

Voorbeeldsom met betrekking tot PIC, RIC, NIC.

a. Bereken hoeveel het inkomen ervoor op vooruit gaan!

b. Het prijsindexcijfer is 105.6 bereken hoeveel het nominaal indexcijfer (nic)

Antwoord:

2000 2001

10.000 euro 12.000 euro nic: 120

100 % 105.6% pic: 105.6

nic 120

ric: x 100% = x 100 % = 113.6

pic 105.6

een andere handige berekening is:

wat je hebt?

Wat zou je moeten hebben?



=

120

105.6



conclusie: het nominaal inkomen gaat er met 13.6% op vooruit



Hoofdstuk 2:



Rechtsvormen: de wet die ondernemers verschillende mogelijkheden biedt om hun bedrijf te voeren en risico’s ervan te beperken.



Als Privé en zakelijk niet gescheiden dan kan het privé vermogen ook gebruikt worden om de schuld terug te betalen aan de schuldeiser, als een bedrijf failliet gaat.



Eenmanszaak: iemand die zelfstandig iets onderneemt waarmee hij of zij inkomsten verkrijgt. In een eenmanszaak is de eigenaar de baas en loopt ook alle risico’s. als het goed gaat is alle winst voor hem. Gaat het slecht dan draagt hij ook alle verliezen. Oftewel privé en zakelijk zijn niet gescheiden.



Vennootschap onder firma (VOF): lijkt op een eenmanszaak maar nu is eigendom en risico’s over meerdere personen verdeeld. Maar elke eigenaar is afzonderlijk aansprakelijk voor alle schulden.



Firmanten: vennoten



Stille vennoten: mensen die geld in een bedrijf steken maar zich verder niet met het bedrijf bemoeit. Als bedrijf failliet gaat is de stille vennoot alleen zijn ingebrachte geld kwijt.



Commanditaire vennootschap (CV): dit is een bedrijf met allerlei stille vennoten en word daarom geen VOF meer genoemd maar een commanditaire vennootschap.



Besloten vennootschap: bij een besloten vennootschap is privé en zakelijk gescheiden omdat privé BV een rechtspersoon is. Een rechtspersoon is een organisatie die zelf verplichtingen kan aangaan en rechten heeft. Een BV is eigendom van weinig aandeelhouders. De directie is aangesteld door de aandeelhouders. De oprichting vindt plaats door een aandelenregister bij een notaris vast te leggen en kost ongeveer 20.000 euro. Een aandelenregister is oprichtingsakte en een zijn eigendomsverhoudingen



Aandeelhouders: een aantal mensen die geld in een bedrijf leggen om zo winst te maken.



Naamloze vennootschap (NV): is een BV een rechtspersoon met aandeelhouders. De aandelen van een NV staan echter niet op naam maar zijn daarom vrij verhandelbaar op de effectenbeurs. Deze aandeelhouders of beleggers hebben niet echt belang bij het bedrijf maar meer voor de winst. De eerste uitgifte van aandelen gebeurt vaak via een bank en heet emissie. Daarna zijn ze vrij verhandelbaar en kom de prijs (de aandeelkoers) tot stand door de vraag en het aanbod op de beurs. Alle aandeelhouders zijn mede eigenaren van de NV en hebben recht op dividend. Dat is een deel van de winst.



Raad van Commissarissen (RvC): dit is een raad die de professionele managers controleert, deze raad word aangesteld door de aandeelhouders.



Jaarrekening: dit is een rekening wat een commerciële onderneming dient heeft. Alle organisatie moet via zijn rechtspersonen deze jaarrekening deponeren bij de Kamer van Koophandel. Of het nou commerciële ondernemingen zijn, een overheidsbedrijf, een vereniging of een stichting. Grote bedrijven moeten bovendien ook een jaarverslag publiceren waarin de directie de jaarrekening toelicht. Een jaar rekening bestaat behalve uit een balans uit en resultatenrekening die ook wel de winst-en-verlies-rekening word genoemd. Dit is een overzicht van de opbrengsten en kosten van een bedrijf in een bepaalde periode.

Het financiële gedeelte moet worden goedgekeurd door een officieel geregistreerde accountant, dit is een externe verslaglegging.



balans: een balans is een overzicht van de bezittingen, het eigenvermogen en het vreemd vermogen (de schulden) van een bedrijf op een bepaald tijdstip. Aan de debetzijde zit de activa oftewel de bezittingen van het bedrijf op het tijdstip van meten.



Aan de rechterzijde van de balans oftewel aan de creditzijde zit de passiva. Oftewel het vreemd vermogen (VV) en het eigen vermogen (EV) van het bedrijf op een bepaald tijdstip. Oftewel aan deze kant staat hoe heeft het bedrijf zijn geld verkregen.



Vreemd vermogen: (de schulden) is onder te verdelen in langlopende schulden en kortlopende schulden. Langlopende schulden bv. lening bank en kort lopende schulden bv. belastingschuld en rekeningen van leveranciers (dit zijn schuldeisers ook wel crediteuren).



Voorraadcijfers: als ware een foto van de bezittingen en schulden op 1 januari en 31 december.



Resultatenrekening: overzicht van de opbrengsten en kosten van een bedrijf in een bepaalde periode.



Stroomgegevens: de cijfers in een resultatenrekening over een heel jaar



Productiecapaciteit: wat een bedrijf kan maken aan producten met een bepaald aantal mensen. Dat is gewoon wat ze kunnen maken en meer niet.



Bezettingsgraad: of alle machines werken en dat overal in het bedrijf word gewerkt. Dus eigenlijk als de hele productiecapaciteit word benut



Marketingmix: plaats, prijs, product, promotie



Bedrijfskolom: een schematische weergave van alle schakels die er in een productieproces zitten vanaf de grondstof t/m het eindproduct.

-> bedrijfskolom (brood)

graan – fabriek – bakker – brood



bedrijfstakken: schakels in een bedrijfskolom.



Een bedrijf ‘bewegingen’ maken in een bedrijfskolom dit kunnen verticale en horizontale ‘bewegingen’ zijn.



Er is sprake van specialisatie als een onderneming zich gaat toeleggen op de productie van slechts een onderdeel van het oorspronkelijke assortiment. Voorbeeld: een boekwinkel gaat zich beperken tot de verkoop van kinderboeken



Parallellisatie oftewel branchevervaging is het tegengestelde van specialisatie. Parallellisatie wil zeggen dat een onderneming ook producten gaat leveren uit een andere bedrijfskolom. Voorbeeld: een spaarbank geeft haar cliënten de mogelijkheid een betaalrekening te openen of een hypotheek af te sluiten.



Integratie betekend dat twee of meer geledingen uit dezelfde bedrijfskolom worden samengevoegd. Er verdwijnt dus een geleding uit de bedrijfskolom.

Intergratie kan voorwaarts of achterwaarts plaatsvinden. Voorbeelden:

- een koffiebrander koopt koffieplant op (achterwaartse intergratie)

- een koffiehandelaar koopt een winkelketen op (voorwaartse intergratie)



differentiatie, tegengestelde van integratie, betekend dat binnen een bedrijfskolom een productiefase word opgesplitst in twee of meer productiefasen. Er komt dus een geleding bij. Voorbeeld: een oliemaatschappij stoot het transport van benzine naar de tankstation af.

Fusie: 2 bedrijven gaan samenwerken en worden 1 bedrijf



Overname: het ene bedrijf neemt het andere bedrijf over.



Hoofdstuk 3:



Miljoenennota: dit geeft de financiële gevolgen weer door het gekozen beleid van de regering.



Collectieve goederen: dit zijn bijvoorbeeld dijken en lantarenpalen. Het zijn goederen die door de overheid word geleverd omdat commerciële bedrijven dit niet kunnen doen. Een particulier bedrijf dat dijken wil gaan aanleggen, krijgt problemen met de betaling want wie moet de kosten betalen. Daarom betaald de overheid dit.



Quasi-collectieve goederen: dit zijn goederen die wel spitsbaar zijn in individueel te leveren eenheden en daarom zouden ze door commerciële bedrijven geleverd worden. Maar de overheid levert deze goederen en daarom heten het quasi-collectieve goederen. Voorbeelden: drinkwater, energie, openbaar vervoer.



Individuele goederen: goederen die zonder overheidsbemoeienis door het bedrijfsleven worden geleverd. (de meeste goederen)



Een aantal motieven waarom de overheid quasi-collectieve goederen levert:

- de goederen moeten aangeschaft kunnen worden door mensen met lage inkomens

- de overheid kan zo de kwaliteit van het goed controleren

- omdat anders het innen van de betaling voor commerciële bedrijven te veel kosten. Voorbeelden: als alle wegen door particulieren aangelegd zou zijn, dan zouden alle wegen tolwegen zijn.

- De overheid wil graag dat de goederen een positief effect hebben voor de mens en/of maatschappij. voorbeelden: openbaar vervoer heeft als voordeel dat het minder milieuvervuilend i dan particulier autobezit. Bibliotheekbezoek draag bij aan de ontwikkeling van de mens. Dat is de reden waarom de overheid deze goederen gratis maakt of zorgt dat ze goedkoop zijn. Goederen die om deze reden door de overheid worden verschaft noemen we ook wel bemoeigoederen of merit goods.



Demerit goods: als de overheid juist wil dat ze minder worden gebruikt. Ze doen er dan extra veel belasting op of maken de wetten anders. Voorbeelden: drugs, alcohol, sigaretten, benzine enz.



Overdrachtsuitgaven: goederen die de overheid uitdeelt zonder tegen prestatie bijvoorbeeld: bijstanduitkeringen en subsidies.



Overheidsbestedingen: hier bij moet de ontvanger een tegenprestatie leveren voor het geld. Dat kan in vorm van arbeid, goederen, diensten. Overheidsbestedingen aan gebouwen en infrastructuur (wegen, spoorlijnen) worden overheidsinvesteringen genoemd.

Overheidsconsumptie: ambtenarensalarissen en alle materialen die ze gebruiken (computers en koffie) en militair materieel valt onder overheidsconsumptie.



Privatisering: overheidsbedrijven worden overgenomen door particuliere bedrijven. Voorbeelden: NS, KPN, energiebedrijven



Draagkrachtbeginsel: laat de rijke burger verhoudingsgewijs meer bijdragen dan de arme.



Progressieve belasting: Meer verdienen betekend naar verhouding meer bijdragen. Het belastingpercentage stijgt als het inkomen stijgt.



Proportioneel belastingtarief: Het belastingbedrag stijgt als het inkomen stijgt, maar het belastingpercentage blijft gelijk



Het profijtbeginsel houd geen rekening met de draagkracht van de burger, maar gaat uit van het gebruik. Hoe meer een burger profiteert van een overheidsvoorziening, hoe meer hij bijdraagt. Bijvoorbeeld parkeergeld, hoe langer je hem laat staan hoe meer je moet betalen.



Belastingen: verplichte aanbetalingen van de overheid.



Niet-belasting inkomsten: de ontvangsten uit de verkoop van aardgas, winsten van overheidsbedrijven. Hieronder vallen ook de retributies. Dat zijn de betalingen aan de overheid waarvoor de burger wel een direct aanwijsbare tegenprestatie voor krijgt. Voorbeeld: schoolgeld, paspoort.



De vele soorten belasting:



- Loonbelasting: word door de werkgever ingehouden over het verdiende loon

- Dividendbelasting: word geheven over de winst uit aandelen

- Vennootschapbelasting: wordt geheven over de winst van BV’s en NV’s

- Accijns is een belasting op goederen waardoor die goederen duurder worden (bijvoorbeeld: alcoholische dranken, benzine, sigaretten)

- Verbruiksbelasting op milieuslag zijn allerlei heffingen die tot doel hebben dat personen bewuster met het milieu omgaan (bijvoorbeeld: ecotax, grondwaterbelasting enz.)



Directe belastingen: hierbij draagt de burger een deel van zijn inkomen of vermogen rechtstreeks af aan de overheid.



Indirecte belastingen: deze belastingen betaal je niet direct aan de overheid maar indirect via een tussenpersoon (meestal een bedrijf) voorbeelden zijn BTW (belasting toegevoegde waarde) en de accijnzen die in de prijs van producten die je koopt zijn verwerkt.

Gelet moet worden op het onderscheid tussen accijnzen en BTW. Accijnzen zijn vaste bedragen per eenheid product.



Het gemiddelde belastingtarief is het percentage dat een burger gemiddeld aan belasting betaalt over zijn totale inkomen



Het marginale belastingtarief is het percentage dat een burger betaalt over zijn inkomen dat in de hoogste inkomensschijf valt.



Brutoloon: is het bedrag dat de werknemer verdient met zijn arbeid in loondienst



Aftrekposten: hypotheekrente



Belastbaar inkomen: brutoloon – aftrekposten



Heffingskorting: Een korting op het vastgestelde belastingbedrag



Laffercurve: Parabool die aangeeft dat een hoger belastingtarief slechts tot een bepaald punt ook grotere belastingopbrengsten genereert, maar dat deze na dat punt alleen maar dalen.



Belasting ontduiken: belasting niet betalen of zwartwerken



Ontvluchten: naar een ander land verhuizen waar de belastingklimaat minder is.



Ontwijken: Het op een legale manier niet betalen van belasting (bijvoorbeeld via handige belastingconstructies)



Hoofdstuk 4



Importquote: De waarde van de geïmporteerde goederen en diensten afgezet tegen de waarde van de totale binnenlandse productie, quote is een deel van het geheel en niet uit gedrukt in procenten.



Exportquote: De waarde van de geëxporteerde goederen en diensten afgezet tegen de waarde van de totale binnenlandse productie



Handelsquote: De export- en de importquote samen



Autarkisch: helemaal zelfvoorzienend, het land handelt niet met andere landen.



Internationale handel leidt tot arbeidsverdeling. Hierdoor stijgt de welvaart.



Loonkosten per product: De export- en de importquote samen



Importheffing / invoertarief: een vorm van protectionisme waarbij je geld moet betalen als je goederen in een land wil voeren.



Exportsubsidie: Vorm van protectionisme: subsidie die bedrijven ontvangen wanneer ze producten buiten de eigen regio afzetten waarvan de prijs boven de wereldmarktprijs ligt



Contigent / quotum: staat voor een maximaal toe te laten hoeveelheid. Contigent / quotum zijn voorbeelden van non-tarifaire maatregelen. Vorm van protectionisme: omslachtige procedures of (onredelijke) kwaliteitseisen vertragen en bemoeilijken de import van producten.



Protectionisme is het beschermen van de eigen markt door importheffingen, exportsubsidies, contingenten of non-tarifaire maatregelen.



Vormen van economische integratie:

- Vrijhandelszone: de deelnemers handelen zonder handelsbelemmeringen met elkaar

- Douane-unie: vrijhandelszone plus een gemeenschappelijk buitentarief.

- Economische unie: douane-unie plus vrij verkeer arbeid en kapitaal, een gemeenschappelijk economisch beleid en gemeenschappelijke instellingen.

- Economische en Monetaire Unie (EMU): economische unie plus een munt en een centrale bank die de waarde van die munt bewaakt.


REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

M.

M.

Echt heel erg bedankt dat je deze samenvatting online hebt gezet!

9 jaar geleden

C.

C.

Heb je toevallig ook niet een samenvating van het boek Index (Economie voor de tweede fase) Markten en welvaart?

9 jaar geleden

B.

B.

Van die oefenopdracht van RIC = NIC / PIC klopt weinig? Je krijgt geen gegevens?

8 jaar geleden

B.

B.

Oja, er staan een boel spelfouten in.

8 jaar geleden

L.

L.

so naar jou

3 jaar geleden