Ben jij weleens opgelicht?

Wij doen onderzoek naar online oplichting onder jongeren. Vul de vragenlijst in (ca 5 min) en maak kans op een Bol.com bon van 25 euro (echt waar!)

Consument en producent

Beoordeling 6.4
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas havo | 2707 woorden
  • 21 januari 2009
  • 5 keer beoordeeld
Cijfer 6.4
5 keer beoordeeld

Consument en Producent Samenvatting.


Makkelijk: *

Te doen: **

Moeilijk: ***


Hoofdstuk 1.


1.1

Marktaandeel *:


Afzet bedrijf

--------------- x 100%

Totale afzet bedrijf


Of


Omzet bedrijf

----------------- x100%

Tot. Omzet bedrijf



1.2 vraaglijn *:


Na een markt onderzoek kan je een tabel maken met verband


Van prijs en de vraag bij die prijs


Prijs 0,50 0,60 0,70 0,80 0,90 1,00 1,10 1,30
Vraag 40 39 37 35 30 25 19 5



Dit is de vraag naar frisdrank.

Deze vraag kun je weergeven in een grafiek.

De lijn in de grafiek noem je een vraaglijn, die in het algemeen dalend is.

Hoe lager de prijs hoe hoger de vraag en dat is ook logisch!


Niet alleen de prijs van het product is belangrijk ook:

Het inkomen
Behoeftes en voorkeuren
De prijzen van andere producten (concurrenten) en aantal vragers

Als voorkeur toeneemt verschuift de vraaglijn in de grafiek naar rechts!


Er zijn een aantal redens voor het verschuiven van de vraaglijn:

aantal vragers veranderd!
Prijzen van andere producten(concurrenten) veranderen
Inkomen van kopers (consument) veranderd ze kunnen ineens minder of meer
De behoefte en voorkeuren van de consumenten veranderen


1.3 Elasticiteiten **:


Voorbeeld:

Overheid prijs tabak verhogen om mensen roken te verminderen

Is een Oorzaken gevolgen verband.


Een oorzaken gevolgen verband noemen ze in de economie een Elasticiteit.

Een elasticiteit kan je uitdrukken in getal:


% verandering gevolg

------------------------- = Elasticiteit

% Verandering oorzaak


Een soort elasticiteit is: Prijselasticiteit van het aanbod: geeft aan hoe de aanbod van iets veranderd ten opzichte van prijs


Je hebt ook de : Prijselasticiteit van de vraag (ook wel EV in korte letters)

Deze reken je uit.


EV= % verandering gevraagde hoeveelheid

----------------------------------------------


% verandering prijs


Je moet dus voor boven en onder eerst de percentage berekenen

Door


Nieuw – Oud

--------------- x 100%

Oud


De prijs en gevraagde hoeveelheid veranderen meestal tegenovergestelde van elkaar.

Als de prijs stijgt zal de gevraagde hoeveelheid ervan dalen.


Als de prijs in verhouding veel invloed heeft op de vraag dan is de vraag prijselastisch


Als e prijs in verhouding weinig of niet zoveel invloed heeft op de vraag dan is die prijsinelastisch.


1.4 Elasticiteit en omzet**:


2 manieren om verkoop te meten:

1. hoeveelheden (aantallen,stuks,kilos,liters, je weet het wel) = AFZET

2. Waarde van hun verkopen (hoeveelheid x prijs per eenheid) = OMZET



Als de vraag inelastisch is dan stijgt de omzet als de prijs stijgt omdat de prijsstijging in de verhouding groter is dan de daling van de gevraagde hoeveelheid.


Als de prijselasticiteit van de vraag elastisch is gebeurt het omgekeerde als de prijs stijgt word er in verhouding minder van het product gekocht. Een stijging van de prijs met bijvoorbeeld 5 % leidt dan tot een procentueel grotere daling van de afzet met bijvoorbeeld 10% de omzet zal dan dalen



De vraagfunctie***:

De gegevens vraag en prijs kunnen ook in wiskundige gegevens worden opgeschreven.

Zo een vergelijking heet een vraag functie.


Als dit daarna in een grafiek word getekend krijg je de bekende vraaglijn (zie 1.2)


In zo een vergelijking (vraagfunctie) is:


Qv= de gevraagde hoeveelheid

P= prijs



Qv= -2.5 p + 10


Als p= 2 dan is Qv= -2.5 x 2= -5 + 10 = 10



De Gevolgen voor andere *.

Consumenten houden niet alleen rekening met hun eigen behoeftes als ze iets kopen. Ze zijn niet altijd opzoek naar het goedkoopst.

Denk aan eten dat duurder is maar dat goed is voor derde wereld



Soms hebben mensen last van iemand anders rook walm of vliegtuigen die over je huis vliegen dit heet een negatief extern effect.


Zowel bij productie als bij consumptie komt dit voor.


Externe negatieven effecten zijn effecten van productie en consumptie waar je niet voor betaald.


Je hebt ook positieve externe effecten:


Voorbeeld,

als de bloemen uitkomen in Nederland hebben we meer toerisme door die toerisme zijn de horeca gelegenheden drukker waardoor de horeca extra geld verdiend dat is positief voor hun.
als je houdt van de pijp tabak lucht van andere
of de lucht van iemands broodje


tegenwoordig zijn we er ook een stuk zuiniger in.

Hoofdstuk 2.


2.1 het aanbod **:


Alles verschilt per land denk maar aan olie.

Koeweit slechts enkele dollars

VS 10 dollar of soms meer


Bij een lage olieprijs is het in veel landen niet aantrekkelijk om olie te winnen.

In noord zee gebieden olie prijs 14 dollar

Dus gaan ze niet winnen dat zal nooit winstgevend zijn bij een lage olie prijs, maar zodra het wel stijgt (de olie prijs) dan is er ook meer aanbod van olie


Aangeboden hoeveelheid is groot bij een hoge prijs en klein bij een lage prijs.


Prijs en aanbod reageren in de zelfde richting hoogà groot - laagß klein.


Dit heet een positief verband.


Maar die van vraag is negatief ( zie 1.2)


Ook de aanbod lijn kan verschuiven!

Bij elke prijs word dan meer aangeboden door producenten


Redenen voor verschuiven van de aanbodslijn:

de productie kosten van het product veranderen.
door natuurlijke omstandigheden
door verandering van het aantal aanbieders

2.2 Break-Evenanalyse ***:


Doel van ondernemingen is winst maken.

Dus zijn bedrijven ook geïnteresseerd in de hoeveelheid ze moeten afzetten zonder verlies te maken dit heet de break even afzet


Voordat een bedrijf iets uitbrengt doen ze een break- even analyse verwachte opbrengsten worden dan bedacht en de kosten en dan tegenover elkaar gezet.

Dan kijken ze of de opbrengsten groot genoeg zijn om de kosten te bedekken.


En dan nog winst zonder de winst is het dus de break even afzet.


Bij een break-evenanalyse zijn er een aantal vooronderstellingen:


er wordt er van uitgegaan dat alle geproduceerde eenheden verkocht worden
er wordt er van uitgegaan dat alle eenheden voor dezelfde prijs verkocht worden.

Bij zo een analyse worden de kosten onderscheid in 2 dingen:

constante kosten:
Kosten die niet afhangen van de productie omvang, de kosten die er dus sowieso al zijn zonder dat er ook een product is.


Machines enz.


2.Variabele kosten

Kosten die wel afhangen van productie omvang, als er meer geproduceerd wordt stijgen deze kosten.


Grondstofkosten.

Meer produceert meer grondstoffen meer geld variabele kosten dus.


Q=Productie omvang


TCK=totale constante kosten

+


TVK=totale variabele kosten

=

TK= Totale kosten


Je kan de kosten mooi in een grafiek zetten.


Naast de totale kosten en con/var zijn de kosten per product ook belangrijk


Kosten pp= gemiddelde kosten


Gemiddelde= totaal/aantal

Totaal= gemiddeld x aantal


Bij een gemiddelde constante kosten (GCK) leidt dit steeds tot een maar afnemend getal naarmate de hoeveelheid toeneemt want je deelt een vast bedrag door een steeds maar toenemende hoeveelheid


GCK = TCK

-----

Q




Voorbeeld:


TCK bedrijf= 500,000

Q= 2,000


GCK= 500,000

----------- = 250.

2,000


Het gekke is!


Als Q= 5000 wordt. Daalt het GCK



GCK= 500,000

------------ = 100

5,000

Bij de Variabel kosten is het precies andersom,


GVK= TVK

------

Q



Voorbeeld


Q= 10,000


En het bedrag aan grondstoffen nodig heeft van


TVK= 200,000


Dan is GVK


200,000

----------- = 20

10,000


Maar als dit bedrijf maar


Q=5,000 maakt


Dan is


TVK= 100,000


Dus

GVK= 100,000

----------- = 20

5,000


Dit heette proportioneel variabele kosten. De variabele kosten per product blijven gelijk als de productie omvang kleiner of groter word.

Vergeet niet het Break-evenanalyse:


Na de kosten komen de opbrengsten. Totale opbrengst heet omzet.


TO= Afzet x Verkoopprijs of te wel Q x p



Voorbeeld:


Q bij bedrijf = 20,000 (mobieltjes verkocht)

P= 60 (per mobiel)


Dan is de TO= 20,000 x 60 = 1,200,000


GTO (gemiddelde opbrengst)= TO of te wel Q x p

----- -------

Q Q

Korten samenvatting van de samenvatting van Break-even Analyse: /=delen


TCK totale constante kosten GCK x q
TVK totale variabele kosten GVK x q
TK Totale kosten TVK + TCK
GCK Gemiddelde constante kosten TCK/q
GVK Gemiddelde variabele kosten TVK/q
GTK Gemiddelde totale kosten TK /q
P Verkoop prijs
GO Gemiddelde opbrengst TO/q
TO Totale opbrengst(omzet) Q x p



Winst**:

Elk bedrijf streeft naar winst.


Belangrijk over winst:


Het uitkeren van winst als inkomen aan de aandeelhouders/eigenaren
Het verkrijgen van geldmiddelen om investeringen te financieren

Hier gebruiken we weer de afkortingen van net en een paar nieuwe


TO= Q x p

TK= GVK x q + TCK

TW= TO – TK

Hoofdstuk 3


De concurrentie*:

De machtspositie van een bedrijf op een markt is afhankelijk van de concurrentie op de markt.

Hoe meer concurrentie hoe beperkter de macht van een enkel bedrijf is.


Voor de consument is het gunstig als er veel bedrijven zijn die hetzelfde product aanbieden de bedrijven moeten dan met elkaar concurreren. Dan kan de consument een beter product krijgen voor een lagere prijs. Daarom stimuleert de overheid nieuwe bedrijven die op de markt komen.


Het is ook belangrijk om naar de behoefte te kijken voorbeeld:


Als we kijken naar hoe mensen zich verplaatsen dan zijn trein bus fiets auto concurrenten. Dan moet de ns dus rekening houden met autofabrikanten

Maar kijken we alleen naar mensen die de trein nemen dan heeft NS volle macht.


Concurrentie tussen bedrijven is “regionaal beperkt” dit houdt in dat twee supermarkten in dezelfde wijk echt concurrenten zijn maar een supermarkt in bijvoorbeeld Hilversum en een supermarkt in zeeland zijn dit niet van elkaar.


Maar wat voor supermarkten geldt, geldt weer niet voor een ander soort bedrijf die wel regionaal concurreren.


De markt*:


Bedrijven bieden hun producten op een bepaalde markt aan, andere bedrijven of gewoon consumenten vragen dit product.


Vraag en aanbod


Concrete markt: letterlijk bij elkaar komen

Abstract: een markt gewoon bijvoorbeeld DE markt voor fietsbellen


Er zijn een aantal functies van een markt:


1. vragers en aanbieders komen bij elkaar zaken worden gedaan.

2. Er komt een prijs tot stand


3. meestal ruimen markten, dit is dat alle aanbieders hun spullen kunnen verkopen en alle vragers in spullen kunnen kopen. Vraag en aanbod zijn dus gelijk. Als een markt niet ruimt veranderd de prijs. Dus als de vraag niet hoog genoeg is vergeleken met het aanbod dan zal het aanbod veranderen in prijs. Denk aan het einde van een markt middag.

Marktvormen**:


Doorzichtig= als de belangrijke gegevens van een markt helder en duidelijk te verkrijgen zijn.


Ondoorzichtig= als je niet goed kan zien wat er allemaal gebeurd op een markt



Er zijn 4 soorten marktvormen maar eerst moet je weten waar je naar kijkt bij zo een markt vorm je kijkt naar.


Aantal aanbieders.
Het soort product… is die homogene of heterogene? Het product is identiek met homogene en anders met heterogene dan is een zelfde product toch anders

Marktvorm 1:

Volkomen Concurrentie:


Kenmerken:


- Veel vragers

- Veel aanbieders

- Een homogene goed(product)


VC komt bijna nooit voor omdat:


er is alleen sprake van VC als de individuele aanbieder geen enkele invloed heeft op de prijs van zijn goed. In alle markten zijn er wel aanbieders die invloed hebben op de prijs dus komt het bijna nooit voor.
er zijn bijna nooit echt identieke producten


hij kan dus niet de prijs aanpassen alleen zijn hoeveelheid


Marktvorm 2:

Monopolistische Concurrentie:


Kenmerken:


Veel vragers
Veel aanbieders
Heterogeen product

Deze marktvorm komt veel voor!


Goed voorbeeld horeca:


Eetcafés met hetzelfde op de kaart maar met andere inrichting toch verschillen in de ogen van de mensen.


Bedrijven hebben dus ook een beperkte invloed op de prijs oftewel in beperkte mate kunnen zij zelf de prijs aanpassen. Er moet ook veel rekening worden gehouden met wat hun concurrenten doen.

Marktvorm 3:

Oligopolie



Kenmerken:


veel vragers
slechts enkele aanbieders
homogene/heterogene

komt redelijk veel voor.

Computer aanbieders niet heel veel aanbieders wel veel vraag.

Enige invloed op prijs alleen moet nog wel rekening gehouden worden met die paar concurrenten. Soms is er 1 bedrijf die iets hoger staat en dus in feite de prijzen bepaald de andere volgen dan.

Homogene voorbeeld: benzine


Marktvorm 4:

Monopolie


Kenmerken:


Veelvragers
Maar 1 aanbieder

Met een monopolie is er 1 aanbieder dus ook gelijk een prijs zetter denk maar aan de NS


De Marktenmix *:

In de concurrentie strijd gebruiken bedrijven verschillende wapens wat in economische termen heet:

De marketingmix

We spreken van een mix omdat de verschillende instrumenten(dingen) voor concurrentie samen worden gebruikt.

Marketing instrumenten 4 P’s:


de prijs: door producten goedkoper te leveren dan concurrenten met een lagere prijs probeert een bedrijf een groter markt aandeel te veroveren
Het productbeleid: aantrekkelijker dan die van concurrenten goede kwaliteit door speciale eigenschappen. Service en garantie horen hier ook bij. Ze komen steeds met nieuwe producten, en innovatie speelt een belangrijke rol. Producten worden aangepast op de verschillende wensen aan doelgroepen ook wel productie differentie.
promotiebeleid: de aandacht op de product te krijgen, reclame. Verkoop acties

Plaatsbeleid: producten moeten immers ook bij de klant komen. Beslissingen over de manier waarop de producten bij de klant komen, internet mail.

Consument en markt *:


De macht van een bedrijf op een markt hangt onder meer af van de marktvorm. Tot jaren 50 was de macht van de consument op de markt maar beperkt. Er zijn nu organisaties om die macht te versterken.


Hoofdstuk 4

Prijsvorming bij volkomen concurrentie **:

(Even overtyp werk want snap het zelf niet)


Bij een varkens prijs van 125 en bij een prijs van 200 zijn de gevraagde hoeveelheid en de aangeboden hoeveelheid niet aan elkaar gelijk. Economisch gezegd : De markt is niet in evenwicht ofwel de markt ruimt niet.


Bij een prijs van 125 is de gevraagde hoeveelheid groter dan het aanbod. Dat is een vraagoverschot dan gaat de prijs dus stijgen. Door de prijs stijging neemt de vraag af en het aanbod toe. Het proces topt bij 150 bij een prijs van 150 zijn de vraag en aanbod aan elkaar gelijk. 150 is dus de evenwichtsprijs.


In dit voorbeeld is de evenwichtshoeveelheid 35,000



Dit hele systeem heet een marktmechanisme.


Evenwichtsprijs kan veranderen door veranderingen in de vraag en/of in het aanbod.


Stel dus dat in het voorbeeld hierboven in ene varkenspest uitbreekt!

Bij dezelfde prijs zal het aanbod dalen


Met vergelijkingen (wiskundige formules) kan je bepalen wat de evenwichtsprijs en de evenwichtshoeveelheid is.


(zie 1.5 vraagfuncties)


Nog een voorbeeld van een vraagfunctie:


Qv= -8P + 20,000


Net als de vraag kunnen we dit doen met het aanbod,


Qa= 10P – 40,000


Een aanbodsvergelijking legt het verband tussen de prijs en de aangeboden hoeveelheid van een product (Qa).


Voorbeeld som als je de evenwichts prijs en hoeveelheid wil weten.

Gegeven is:

Qv= - 8p + 40,000

Qa= 12p – 20.000


Algemene regel :


Qa = Qv dus…



12p – 20,000 = - 8p + 40,000


Dan breng je de -8p naar de andere kant van het = teken


+ - = + dus


12p + 8p = 40,000 + 20,000


Dan reken je de 2 kanten uit


12+8= 20p 40,000+20,000= 60,000


20p= 60,000


60,000

-------- = 3,000 = evenwichts prijs

20


Evenwichts hoeveelheid:


Dan vul je de evenwichts prijs in bij p


Qv= - 8p + 40,000 dus -8 x 3000 + 40,000 = 16000 varkens


Qa= 12P – 20,000 dus 12 x 3000 – 20,000 = 16000 varkens


De evenwichtshoeveelheid is 16,000 varkens!


Het maakt niet uit of je de vraag of aanbod pakt ze zijn toch gelijk.

Evenwicht kan ook in een grafiek worden bepaald, je kan evenwichtsprijs en hoeveelheid vinden door de snijpunt van de 2 grafieken.


prijsvorming bij onvolkomen concurrentie:

op de meeste markten is er geen volkome concurrentie, op sommige markten is er monopolie maar vooral oligopolie en monopolistische concurrentie komen veel voor. Markten met monopolie oligopolie en monopolistische concurrentie noemen we ook wel onvolkomen concurrentie.

Dit ontstaat omdat er weinig vraag of aanbod is of er is sprake van een heterogene product.


Monopolie:


Een monopolist is een alleenheerser, denk maar aan het spel monopoly je probeert alleenheerser te worden.


Een monopolist kan in principe zelf de prijs bepalen maar hij moet natuurlijk wel rekening houden met de vraag anders verkoop je natuurlijk niks. Ook moet er rekening gehouden worden met een substitutiegoed deze kan een vervanging worden denk aan bus met trein NS bedrijf.


Oligopolie:


Zij moeten oppassen op hun concurrenten als een oligopolie zijn prijs verhoogd is er het risico dat de concurrenten niet volgen en zij zichzelf uit de markt concurreren. Als ze de prijs verlagen worden ze bijna zeker wel gevolgd door de concurrenten. Het is een zogenaamde prijzen oorlog. Oligopolisten kunnen afspraken maken om de concurrentie te verminderen. Zo een afspraak heet ook wel een kartel. Als er afspraken onderling worden gemaakt over prijzen noemen we het prijskartel. En deze afspraak gaat samen met een productie kartel afspraken over de hoeveelheid productie.



Zo heb je de OPEC die van olie.


Voor OPEC bestond waren de vragers de baas. Olie exporterende landen kregen weinig geld voor hun olie. Als olie duurder werd gingen ze gewoon naar een ander land om te kopen. De macht van de olie exporterende landen was niet hoog. Door de OPEC kregen de landen steeds meer macht. Wanneer ze de prijs laag vonden verminderde ze gewoon de productie waardoor de prijs weer steeg.


Soms met bijvoorbeeld koffie word er zoveel geproduceerd dat de prijzen te laag worden dan koopt het grondstoffenbureau ook een soort kartel de koffie en slaan ze het op voor een keer dat de productie minder is. Dit heet buffervoorraad.


Met dit mechanisme blijven de prijzen binnen een bepaalde groep (marge)

Monopolistische concurrentie


Lopen altijd risico dat hun consumenten naar de concurrenten overstappen, daarom moeten ze de prijzen niet te erg verhogen maar ook niet verlagen want ze moeten wel winst blijven behouden.



Hoofdstuk 5


5.1 Vuile lucht:


Om het milieu en gezondheid op peil te houden zijn BTW en accijns op sommige dingen toegevoegd (sigaretten benzine alcohol).


Behalve via belastingen, heffingen en subsidies kan de overheid ook op andere manieren consumenten en producenten bedrag aanpassen.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.