ADVERTENTIE
Red het frikandelbroodje Wist je dat heel veel van jouw lievelingsproducten zomaar kunnen verdwijnen als de bij zou uitsterven? Denk bijvoorbeeld aan je glaasje melk in de ochtend, maar ook je frikandelbroodje in de pauze en je banaan bij het leren. Hoe komt dit en belangrijker, hoe voorkomen we dit? Dat weten ze bij de opleiding Diermanagement. Meer weten over deze en andere studies van Van Hall Larenstein?

Check alle video's!
Economie
Hoofdstuk 1 de arbeidsmarkt op


De belangrijkste markt in Nederland is de arbeidsmarkt.
Net als op elke markt, zijn ook op de arbeidsmarkt vragers en aanbieders.
Op de arbeidsmarkt zijn dat de werkgevers en de werknemers.

1.2 het aanbod van arbeid.

Het aanbod van arbeid bestaat uit alle mensen tussen de 15 en 65 die willen, kunnen en mogen werken. Een ander woord voor het aanbod van arbeid is beroepsbevolking. Het aanbod van arbeid omvat niet alleen de mensen die op zoek zijn naar een baan, dus werklozen voor zover zij officieel staan geregistreerd, maar ook de mensen die al een baan hebben: de werknemers, en de mensen met een eigen bedrijf: de zelfstandigen. Bij de zelfstandigen horen ook de meewerkende gezinsleden. Je bent pas officieel werkloos als je ingeschreven staat bij het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI).
De bevolking wordt onderverdeeld in beroepsbevolking en niet-beroepsbevolking. De beroepsbevolking wordt weer onderverdeeld in werkzame beroepsbevolking (de zelfstandigen en de werknemers) en de werkloze beroepsbevolking (geregistreerde werklozen). Bij de niet-beroepsbevolking horen de mensen die wel tussen de 15 en 65 jaar oud zijn, maar die en niet werken en niet op zoek zijn naar werk.
Beroepsbevolking en niet-beroepsbevolking is bij elkaar opgeteld beroepsgeschikte bevolking, dat is ook wel potentiële beroepsbevolking.

totale bevolking

1 jonger dan 15 jaar 2 beroepsgeschikte 3 65+ -ers
bevolking 15-65jaar

2.1 beroepsbevolking 2.1 niet-beroepsbevolking

2.1.2werkzame beroepsbevolking 2.1.2 werkloze beroepsbevolking

2.1.2.3 zelfstandigen 2.1.2.3 werknemers

Het deelnemingspercentage, ook wel participatiegraad, is het aantal in % wat tot de beroepsbevolking hoort.
het deelnemingspercentage bereken je als volgt:

deelnemingspercentage= beroepsbevolking
beroepsgeschikte bevolking x100%

De beroepsbevolking groeit ieder jaar, de oorzaak is de demografische groei. Er zijn steeds meer mensen in Nederland. Een andere demografische factor is de bevolkingssamenstelling.
Naast de demografische factoren spelen maatschappelijke opvattingen ook een rol. Een belangrijke verklaring voor de groei van de beroepsbevolking in Nederland is de grotere deelname van vrouwen in het arbeidsproces.
Als het goed gaat met de economie zullen vele mensen zich aanbieden op de arbeidsmarkt. Sommige daarvan krijgen direct een baan en andere schrijven zich in bij het CWI, dit is het aanzuigeffect.
Ook de wetgeving beïnvloedt het arbeidsaanbod=> leerplicht/ pensioenleeftijd. En je hebt ook nog de organisatie van het arbeidsproces. Door betere kinderopvang en betere mogelijkheden voor deeltijdwerk is het beter te combineren.

1.3 de vraag naar arbeid.

Als je op zoek gaat naar een beroep word je aangeraden om niet alleen te kijken naar je kwaliteiten en voorkeuren maar ook welke kansen je in dat beroep hebt later. De kansen die je maakt als jij je aanbiedt op de arbeidsmarkt hebben te maken met de andere kant van de arbeidsmarkt: de vraagzijde. De vraag naar arbeid wordt uitgeoefend door bedrijven, de overheid en de werkgevers. De totale vraag naar arbeid bestaat uit werknemers, de zelfstandigen en de openstaande vacatures.
Een stijging van de bestedingen leidt zodoende tot een stijging van de vraag naar arbeid. Omgekeerd wordt op korte termijn de vraag naar arbeid negatief beïnvloed als het niet goed gaat met de economie.
De vraag naar arbeid wordt daarnaast beïnvloed door de stand van techniek. De technische ontwikkelingen van arbeid vervangen door machines (daling van arbeid) en nieuwe goederen en diensten (stijging).

1.4 de arbeidsmarkt.

Op de banenmarkt kunnen werkgevers en mensen die willen werken elkaar ontmoeten. De werkgevers (de vragers) zijn op zoek naar werknemers die bij hen willen komen werken.
Een banenmarkt is een voorbeeld van een concrete markt. Een concrete markt is een plek waar vragers naar en aanbieders van een bepaald product elkaar ontmoeten.
De arbeidsmarkt is een voorbeeld van een abstracte markt.
Een abstracte markt omvat het geheel van vraag en aanbod zonder dat er een plaats is waar vragers (kopers) en aanbieders (verkopers) elkaar ontmoeten. De vraag en aanbod bepalen de prijs.
Op de arbeidsmarkt komen vraag naar arbeid en aanbod samen.
Hierdoor wordt bepaald hoeveel mensen daadwerkelijk arbeid verrichten. Dit aantal wordt de werkgelegenheid genoemd.
De werkgelegenheid bestaat uit werknemers en zelfstandigen.
Arbeidsjaren zijn het aantal uren wat je per week werkt. Volledige banen zijn nu 38uur per week.
De prijs van de arbeid is het loon.
De hoogste van het loon is onder andere afhankelijk van de mate waarin vraag en aanbod op elkaar aansluiten.
Als de vraag naar arbeid groter is dan het aanbod spreken we van krappe arbeidsmarkt. Loon zal stijgen. Wanneer de vraag kleiner is dan het aanbod spreken we van ruime arbeidsmarkt. Het loon zal dalen.
Er is niet 1 arbeidsmarkt maar verschillende deelmarkten. Deelmarkten is een markt voor onderwijzers of loodgieters enz. Dat is apart per beroep.

1.5 arbeidsmarkt in praktijk.

Naast een opleiding zijn ook andere factoren van belang bij de kans op succes op de arbeidsmarkt. Zo kan het uitmaken tot welke bevolkingsgroep je behoort. Vrouwen en allochtonen vrouwen hebben nog altijd minder kans op succes op de arbeidsmarkt dan allochtonen mannen.

Hoofdstuk 2 Loondienst of zelfstandig

2.1 de ene baas is de andere niet.

Het merendeel van de mensen die werken zijn in loondienst bij een bedrijf of bij de overheid. Het aantal werknemers loopt fors uiteen.
Het kan veel uitmaken of je bij een groot of klein bedrijf werkt. In een klein bedrijf zul je naast het werk waar je voor bent aangenomen bijvoorbeeld vaker andere werkzaamheden moeten verrichten, meer te maken hebben met de eigenaar van het bedrijf, je bent ook meer afhankelijk van de gewoonten en de sfeer op de werkvloer dan in een groot bedrijf waar zaken sneller formeel aangepakt worden. Mensen met een eigen zaak hebben het vaak erg druk. Ze werken vaker meer dan 38uur per week. In kleine bedrijven heeft het vaak te maken dat de eigenaren het liefst geen of weinig personeel aan wil nemen.
Een vereniging is een rechtsvorm. Dat wil zeggen dat een vereniging een organisatievorm is die in de wet voorkomt. Die wet stelt bepaalde eisen aan elke vereniging zoals er moet een bestuur zijn.
Als je een bedrijf wilt beginnen moet je een bepaalde ondernemingsvorm kiezen. Een ondernemingsvorm is de rechtsvorm van de onderneming. De 4 belangrijkste ondernemingsvormen zijn eenmanszaak, vennootschap onder firma (Vof), besloten vennootschap (BV) en naamloze vennootschap (NV).

eenmanszaak:
Vele kleine bedrijven zijn eenmanszaken. Het heeft 1 eigenaar.
Je moet voldoende startkapitaal hebben. Je bent aansprakelijk voor eventuele schulden: als je bedrijf bepaalde schulden niet meer kan betalen, dan kunnen de schuldeisers hun vorderingen van jou, de privé-persoon, terugeisen. Ze mogen jouw persoonlijke bezittingen verkopen.
Voordelen van de eenmanszaak zijn de eenvoudige manier waarop je kunt beginnen, het feit dat je zonder last van anderen belangrijke beslissingen kunt nemen en dat je de hele winst voor jezelf kunt houden. Daar staat tegenover dat, naast de al genoemde privé-aansprakelijkheid, het voortbestaan van de eenmanszaak in gevaar komt als de eigenaar overlijdt.

De vennootschap onder firma (VOF):
Er zijn meerdere eigenaren dus kun je het werk beter verdelen.
Je moet wel meer overleggen en je kunt ruzie krijgen.
Net als bij een eenmanszaak ben je met je privé-vermogen aansprakelijk voor schulden. De schuldeiser kan het bedrag van iedere eigenaar opeisen die een privé-vermogen heeft. De mogelijkheid om te lenen is groter dan bij een eenmanszaak.


De besloten vennootschap en de naamloze vennootschap:
Bij de besloten vennootschap (BV) en de naamloze vennootschap (NV) is er een scheiding tussen de leiding en de eigenaren. De BV en de NV zijn rechtspersonen, ze zijn juridisch zelfstandig. De eigenaren zijn niet aansprakelijk met hun privé-vermogen voor de schulden.
De aandeelhouders zijn de eigenaren van de BV en de NV. Een aandeel is een eigendomsbewijs van een bedrijf. Als aandeelhouder ontvang je een deel van de winst: het dividend.
Bij een BV staan de aandelen op naam en als aandeelhouders zijn de directeuren-grootaandeelhouders de eigenaren van de BV. Zij hebben ook de dagelijkse leiding over het bedrijf.
Als het bedrijf failliet gaat zijn ze het ingeleverde bedrag kwijt.
Bij een NV staan de aandelen niet op naam (vandaar naamloze vennootschap) en zijn ze vrij verhandelbaar. De aandeelhouders zijn de eigenaren van de NV. De directeuren zijn werknemers van het bedrijf.
Als de aandelen meer in trek raken stijgt de koers. Dit gebeurt als het goed gaat met het bedrijf en er winst wordt gemaakt of als men winst in de toekomst verwacht.

2.2 de arbeidsovereenkomst.

Werkgevers en werknemers moeten altijd een arbeidsovereenkomst opstellen. Dat is een overeenkomst tussen de werkgever en werknemer.
In zo’n arbeidsovereenkomst worden de arbeidsvoorwaarden zwart op wit vastgelegd, zodat er geen onduidelijkheden kunnen ontstaan.
In een individuele arbeidsovereenkomst worden het loon en de arbeidstijd vastgelegd. Voor het overige wordt verwezen naar de Collectieve arbeidsovereenkomst (CAO). In een CAO staan de rechten en plichten van de werkgevers en werknemers zwart op wit. Als een werkgever iemand in dienst neemt, geldt voor de werknemer de CAO.
Hierin worden zaken zoals vakantie, pensioen, overuren en data van loonsverhoging geregeld. In een CAO worden afspraken gemaakt voor groepen werknemers en werkgevers.
Een bedrijfstak omvat alle bedrijven die zich bezighouden met dezelfde soort productie, bijvoorbeeld bedrijfstak bouw: alle bouwbedrijven.
Bonden van werkgevers en werknemers onderhandelen over de CAO’s.
Namens de werknemers onderhandelen de vakbonden. Vakbonden noemen we ook wel werknemersbonden of vakverenigingen. Namens de werkgevers onderhandelen de werkgeversbonden (meer bedrijven) of het bedrijf (1bedrijf). Werknemers in een bedrijfstak kunnen lid worden van een vakbond. Ook de werkgevers zijn verenigd in bonden, de werkgeversbonden. De organisatiegraad van werknemers (het percentage van werknemers dat is aangesloten bij een erkende vakbond).
Ook profiteren werknemers die niet bij een vakbond zijn aangesloten van het werk van een vakbond. Een CAO geldt namelijk voor alle werknemers in een bedrijfstak. De werkgever moet bijvoorbeeld alle werknemers de afgesproken CAO regeling geven zoals een loonsverhoging.
De niet-georganiseerde werknemers profiteren dus mee van het werk van de vakbondsonderhandelaars, die door de vakbonden worden betaald.



Arbeidsvoorwaarden:
In een individuele arbeidsovereenkomst en in een Collectieve arbeidsovereenkomst maken werkgevers en werknemers afspraken over de arbeidsvoorwaarden. Primaire arbeidsvoorwaarden zijn het loon en de normale arbeidstijd. De arbeidstijd is tegenwoordig 38uur per week bij een volledige baan. Secundaire arbeidsvoorwaarden zijn vakantieregeling, duur middagpauze, reiskostenvergoedingen, kinderopvang, scholing en auto van de zaak.

2.3 het centraal akkoord.

De rijksbegroting is een overzicht van inkomsten en uitgaven van de overheid. Naast de rijksbegroting wordt ook de Miljoenennota gepresenteerd. De Miljoenennota is een soort samenvatting van de rijksbegroting. De plannen van de overheid hebben grote invloed op de Nederlandse economie. Als de rijksbegroting bekend is, gaan weknemers en werkgevers overleggen over de arbeidsvoorwaarden. Ze kunnen moeilijk allemaal tegelijk aan tafel zitten, ook als alle bonden er alleen zouden zitten is het nog te druk. Er zitten alleen vakcentrales en werkgeverscentrales. Zo’n werknemerscentrale (vakcentrale) is bijvoorbeeld het FNV (Federatie Nederlandse Vakverenigingen).
Andere werknemerscentrales zijn CNV (Christelijke Nationaal Vakverbond) en de MHP (Centrales voor Middelbaar en Hoger Personeel).
De werkgevers hebben 2 centrales: het VNO - NCW (vereniging van Nederlandse Ondernemers – Nationaal Christelijke Werkgeversverbond)
en het centrale MKB (Middenbedrijf en Kleinbedrijf).
De vertegenwoordigers van de vakcentrales overleggen samen in de Stichting van de Arbeid. In plaats van werkgevers en werknemers gebruiken we vaak de term sociale partners.
Als de vertegenwoordigers van werknemers en werkgevers met elkaar praten in de Stichting van de arbeid, noemen we dat ook wel een Centraal overleg.
Een CAO geldt in eerste instantie alleen voor alle bedrijven die lid zijn van de werkgeversbond die de CAO heeft afgesloten.

Hoofdstuk 3 De strijd om de poen

3.1 de strijd om de poen.

Iedereen kent dit verschijnsel: inflatie, oftewel een stijging van het algemeen prijspeil. Als het loon in euro’s gelijk blijft, terwijl de prijzen stijgen, kunnen werknemers minder kopen. De koopkracht van het inkomen is gedaald. Een loonstijging die bedoeld is om het effect van inflatie teniet te doen, noemen we prijscompensatie. Prijscompensatie is een loonstijging die procentueel gelijk is aan de inflatie.
De stijging van de gemiddelde productie per werknemer per gewerkte tijdseenheid, bijvoorbeeld per uur, noemen we de stijging van de arbeidsproductiviteit. Een eerste oorzaak is technische ontwikkeling: mechanisering en automatisering. Een tweede oorzaak is arbeidsverdeling en specialisatie. Arbeidsverdeling en specialisatie hangen samen met de derde oorzaak: scholing.
Een stijging van de arbeidsproductiviteit betekent dat een werknemer per uur meer produceert. Een loonstijging die voortvloeit uit een stijging van de arbeidsproductiviteit, noemen we initiële loonstijging.
In de praktijk wordt niet de stijging van de arbeidsproductiviteit van een bedrijf of bedrijfstak als uitgangspunt genomen, maar vooral de gemiddelde landelijke stijging van de arbeidsproductiviteit.
In de quartaire sector (de niet commerciele dienstverlening, zoals onderwijs en de zorgsector) zijn mogelijkheden om de arbeidsproductiviteit te vergroten veel kleiner dan in de primaire sector (landbouw en visserij), de secundaire sector (industrie) en tertiaire sector (commerciële dienstverlening). In deze laatste sectoren kun je gemakkelijker automatisering en mechaniseren. De quartaire sector blijft mensenwerk.
De prijscompensatie houdt de koopkracht op peil, dat is dus als een werknemer meer loon krijgt. De werknemer kan echter niet meer kopen.
Als een werknemer boven op de prijscompensatie ook een initiele loonstijging krijgt, stijgt de koopkracht. Dan kan de werknemer wel meer kopen.
Incidentele loonstijgingen zijn bijvoorbeeld loonstijgingen door promotie.
Prijscompensatie en initiële loonstijgingen worden afgesproken in een CAO. De incidentele loonstijging is niet voor iedereen gelijk, bijvoorbeeld als een werkgever besluit om een werknemer extra te belonen of door promotie. Sommige incidentele loonstijgingen staan wel vast zoals elke werknemer ieder jaar ‘periodiek’ krijgt. Als een werknemer korter gaat werken heet deze verkorting arbeidsverkorting (ATV).
Als je werkweek wordt verkort, krijg je als werknemer dus in feite loonsverhoging, ze worden alleen in vrije tijd uitbetaald.

loonstijgingen

prijscompensatie initiële loonstijging incidentele loonstijging


oorzaken gevolg

mechanisering en automatisering

arbeidsverdeling en specialisatie stijging van de arbeidsproductiviteit.

scholing

3.2 loon in de ogen van de werkgever.

De meeste kleren die je in de winkels aantreft, worden geproduceerd in lagelonenlanden. Dit zijn landen waar de lonen vele malen lager liggen dan in bijvoorbeeld West-Europa.
Omzet= afzet x verkoopprijs.
Omzet is de waarde van de verkochte goederen, Een andere term voor omzet is totale opbrengst.
afzet is de verkochte hoeveelheid
verkoopprijs is de prijs waarvoor het product verkocht wordt.

De bedrijven moeten geld betalen aan lonen, rentekosten, huurkosten, machinekosten, transportkosten, de kosten voor grondstoffen, hulpstoffen en energie. De winst is het verschil tussen omzet en de kosten. Een loonstijging kan tot problemen leiden wanneer de loonstijging groter is dan de stijging van de arbeidsproductiviteit. Dan stijgen de loonkosten per product. Een stijging van de loonkosten per product kan verschillende reacties van bedrijven uitlokken.

productie verplaatsen naar lagelonenlanden

minder uitbreiden
stijging loonkosten
De prijzen verhogen per product.

arbeidsbesparende machines inzetten.

De substitutie van arbeid door kapitaalgoederen betekent dat loonkosten per product stijgen.
Als bedrijven in Nederland hun prijzen in verhouding meer verhogen dan buitenlandse bedrijven, worden Nederlandse producten duurder. We zeggen dan: de concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven ten opzichte van het buitenland verslechtert.

3.3 loon: kosten of koopkracht.

Vakbonden komen op voor de belangen van werknemers. 1 van de eisen die vakbonden altijd stellen in CAO-onderhandelingen, is een verhoging van het loon. Behalve voor een goed loon, strijden vakbonden ook voor voldoende werkgelegenheid. Hogere lonen kunnen leiden tot lagere winsten.
Aan het loon zitten 2 kanten.
*Het is een kostenpost voor bedrijven. Hogere loonkosten per product kunnen ertoe leiden dat de werkgelegenheid daalt.
*Het kan leiden tot verplaatsing van de productie naar het buitenland.
Ook kan loonstijging leiden tot verslechtering van de concurrentiepositie tegenover het buitenland. Het kan leiden tot dalende winsten.

Lonen stijgen sneller dan de prijzen > koopkracht gezinnen^ > consumptie^ > besteding^ > productie^ > werkgelegenheid^.

3.4 loonstijging in de praktijk.

Door hogere prijzen en stijging van de arbeidsproductiviteit stijgt de omzet van een bedrijf. Hierdoor heeft het bedrijf ruimte voor loonsverhoging. Er wordt in praktijk niet de arbeidsproductiviteit van een bedrijf als uitgangspunt voor de loonsverhoging van dat bedrijf genomen, maar de gemiddelde landelijke stijging van de arbeidsproductiviteit.
Als de arbeidsproductiviteit sneller stijgt dan het loon, de loonkosten per product stijgen. Het omgekeerde geldt wanneer de arbeidsproductiviteit langzamer stijgt dan het loon.
Vakbonden kunnen kiezen voor verbetering van de secundaire arbeidsvoorwaarden in plaats van loonstijging. Dit leidt net als een loonstijging tot extra kosten voor werkgevers.

Hoofdstuk 4 Wie doet het werk?

4.2 werkgelegenheid in Nederland.

Er kan van werkgelegenheid verschoven worden door de productie en de productie per werknemer (arbeidsproductiviteit). Als de productie stijgt, word er mee geproduceerd, zijn er meer werknemers nodig.
Als de arbeidsproductiviteit stijgt, als een werknemer meer produceert per eenheidstijd, zijn er minder werknemers nodig voor hetzelfde product te maken.
Productie= werkgelegenheid x arbeidsproductiviteit
Werkgelegenheid= productie / arbeidsproductiviteit
Arbeidsproductiviteit = productie / werkgelegenheid

Door een stijging van de arbeidsproductiviteit kan dus de welvaart stijgen: met evenveel mensen kun je dus meer produceren.
Het vernieuwen van producten en productieprocessen noemen we innovatie. (De lp door de cd en een rijtuig door een auto.)

4.3 mens of machine.

Investeren is het kopen van kapitaalgoederen (machines, gebouwen, transportmiddelen, computers enzovoorts) door bedrijven. Kapitaalgoederen noemen we ook wel kortweg kapitaal. Machines, gebouwen en transportmiddelen zijn dus kapitaal.
Als een gezin goederen of diensten koopt noemen we dit consumeren.
Met gezin wordt niet alleen bedoeld man, vrouw en kinderen maar ook studenten op kamers, een alleenstaande, een ongehuwde moeder of een homoseksueel paar.
Door een analyse van de kosten van de verschillende productiemethoden, kan een bedrijf nagaan welke productiemethode de minste kosten en dus de meeste winst oplevert. Bedrijven kunnen vaak kiezen uit verschillende combinaties van machines en werknemers om een bepaalde hoeveelheid goederen te produceren. Welke keuze het bedrijf maakt hangt af van de arbeidskosten en de kosten van de kapitaalgoederen (de kapitaalkosten). Wordt bij de productie meer arbeid ten opzichte van machines ingeschakeld, dan wordt de productie arbeidsintensiever. Wordt arbeid vervangen door kapitaal noemen we deze substitutie. De producten worden dan kapitaalintensiever. Stijgende loonkosten leidden ertoe dat de ballenfabriek mensen ging vervangen door betere en modernere machines. De productie werd hierdoor kapitaalintensiever.Je spreekt van diepte-investering als een arbeidsvervangende investering tot gevolg heeft dat de arbeidsproductiviteit stijgt. Bij een diepte-investering koopt het bedrijf machines van betere kwaliteit. Koopt een bedrijf kapitaalgoederen van dezelfde kwaliteit dan noemen we dat breedte-investering. De arbeidsproductiviteit blijft in dit geval gelijk. Breedte-investering kan oude machines vervangen maar ook uitbreiden van het machinepark. De verhouding tussen machines en arbeiders blijft gelijk dus blijft het net zo kapitaalintensief en arbeidsintensief als het al was. De productiecapaciteit is de maximale hoeveelheid die geproduceerd kan worden.
Met schaalvoordelen bedoelen we dat de kosten per product dalen als de productieomvang stijgt.
4.4 hier of daar.
Er zijn 2 manieren waarop productie naar het buitenland verplaatst kan worden. De eerste manier is sluiten van een vestiging in bijvoorbeeld Nederland en gelijktijdig openen van een vergelijkbare vestiging in bijvoorbeeld Indonesië. Deze vorm van verplaatsing komt vooral voor bij multinationals. Een multinational is een onderneming met productievestigingen in diverse landen, bijvoorbeeld Philips, Coca-Cola.
Ten tweede kan het ook zijn dat de bedrijven uit bijvoorbeeld Nederland worden weggeconcurreerd door bedrijven uit lagelonenlanden.
Het verplaatsen van productie naar het buitenland hangt samen met de concurrentiepositie van een land ten opzichte van het buitenland. Onder concurrentiepositie verstaan we het vermogen om beter en/of goedkoper te kunnen produceren dan concurrenten. Het belangrijkste wapen in de concurrentiestrijd is de prijs. De prijs hangt af van de kosten. Naast de prijzen spelen concurrentiestrijd, zoals kwaliteit en infrastructuur een rol.

4.5 hoge lonen, meer besteding.

De hoeveelheid goederen die bedrijven in een land verkoopt, hangt af van de totale vraag naar goederen en diensten in een land.
De vragers van goederen en diensten zijn de gezinnen, andere bedrijven, de overheid en het buitenland. De belangrijkste vragers zijn de gezinnen.
De hoeveelheid goederen en diensten die de gezinnen vragen, hangt vooral af van het inkomen dat de gezinnen verdienen.
De consumptie stijgt als werknemers meer kunnen kopen omdat ze initiële of incidentele loonstijging hebben gehad.

Hoofdstuk 5 Werkloosheid

5.2 werkloosheid gemeten.

Werkloosheid kun je op verschillende manieren meten.
Als je de werkloosheid wilt meten, moet je precies afspreken wie je wel en wie je niet meetelt. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gebruikt de volgende definitie voor officiële (geregistreerde) werkloosheid:
werkloos zijn mensen van 16 tot en met 64 jaar,
die niet of minder dan 12 uur per week werken,
en die werk zoeken voor minstens 12 uur per week,
en die staan ingeschreven bij een Centrum voor Werk en Inkomen,
en die binnen 2 weken aan de slag kunnen als er een geschikte baan is.

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) publiceert ook cijfers over de ‘werkloze beroepsbevolking’. Onder ‘werkloze beroepsbevolking’ verstaat het CBS:
personen van 15 tot en met 64 jaar,
die verklaren tenminste 12 uur per week te willen werken,
en die daarvoor beschikbaar zijn,
en die activiteiten ontplooien om werk voor tenminste 12 uur per week te vinden.

Zo zijn er mensen die wel zouden willen werken, maar die niet staan ingeschreven bij een CWI: dat zijn de verborgen werklozen. Omdat deze mensen niet behoren tot de geregistreerde werklozen, worden zij niet meegeteld bij de officiële werkloosheid volgens het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. In een periode dat het goed gaat met de economie vermindert het aantal verborgen werklozen door het aanzuigeffect. Het aanbod van arbeid neemt toe. In een tijd van economische teruggang gebeurt het omgekeerde. Het aantal verborgen werklozen neemt toe doordat het aanbod van arbeid afneemt. We spreken dan van het ontmoedigingseffect. Naast verborgen werkloosheid kennen we ook verborgen werkgelegenheid. Dit is een werkgelegenheid die niet in de officiële cijfers tot uiting komt. Voorbeeld is zwart werk en vrijwilligerswerk.

5.3 oorzaken van werkloosheid.

Er is meer dan een oorzaak van werkloosheid aan te wijzen.
Je hebt frictiewerkloosheid, dat is werkloosheid die ontstaat omdat het tijd kost voor een werknemer om een baan te vinden meteen na de opleiding.
Seizoenswerkloosheid is dat je alleen in bepaalde seizoenen kunt werken zoals in een strandtent zomer volop werk maar in de winter niet.
Kwalitatieve structuurwerkloosheid is dat je niet de goede opleiding hebt voor die baan. Het betekent dus dat er andere soorten arbeid gevraagd worden dan dat er aangeboden wordt. Met het woord ‘kwaliteit’ wordt in dit verband bedoeld de eigenschappen die een werknemer heeft.
De arbeidsmarkt is onderverdeeld in deelmarkten zoals voor metselaars, voor loodgieters en voor leraren economie. Je hebt ook regionale oorzaken zoals een te kort aan verpleegsters in het oosten maar te veel in het westen van het land.
Kwantitatieve structuurwerkloosheid betekent dat er te weinig kapitaalgoederen zijn ten opzichte van de aangebonden hoeveelheid.
Dat heeft de volgende oorzaken:
*Er verdwijnen arbeidsplaatsen omdat werknemers worden vervangen door machines. (Diepte-investering) Lokettisten worden overbodig door geldautomaten.
*Er verdwijnen arbeidsplaatsen door reorganisatie in bedrijven die efficiënter willen werken.
*Er verdwijnen arbeidsplaatsen omdat de bedrijven hun productiecapaciteit verplaatsen naar het buitenland. Vroeger werd en veel textiel gemaakt in Nederland, nu gebeurt dat in de lagelonenlanden.
*Er verdwijnen arbeidsplaatsen omdat de winsten van bedrijven zijn ingezakt. Bedrijven hebben geen geld om uit te breiden; potentiële bedrijfsstarters zien het niet zitten met zulke lage rendementen.
*Er verdwijnen arbeidsplaatsen omdat het product niet meer verkocht wordt. Bijvoorbeeld Lp’s verdwijnen na de komst van de cd.
*Er verdwijnen arbeidsplaatsen omdat sommige producten te duur zijn, zoals je schoenen laten poetsen op straat, kledingreparaties.
Conjunctuurwerkloosheid is dat er te weinig geld te besteden is, om bijvoorbeeld naar een popconcert te gaan. Om dit te begrijpen moet je weten wat productiecapaciteit is. De productiecapaciteit is de maximaal mogelijk productie in een bepaalde periode. De productiecapaciteit geeft aan hoeveel een bedrijf of een heel land maximaal kan produceren in een bepaalde periode. De bezettinggraad bereken je als volgt:

bezettingsgraad= werkelijke productie
productiecapaciteit x 100%.

bezettingsgraad= wat het bedrijf gaat produceren aan de hand van de
productiecapaciteit.
Werkelijke productie= wat het bedrijf maximaal kan produceren.
Productiecapaciteit= het aantal producten wat ze verkopen.

Wanneer de besteding laag is in relatie tot de productiecapaciteit wordt er weinig geproduceerd en worden er mensen ontslagen. Dit noemen we dus conjuncturele werkloosheid. Economisch gezegd: conjuncturele werkloosheid wordt veroorzaakt doordat de effectieve vraag kleiner is dan de productiecapaciteit.

5.4 het bestrijden van werkloosheid.

Ten eerste betekent werkloosheid dat mensen een gebrek aan inkomen hebben. Ten tweede is werken voor veel mensen een belangrijke invulling van hun leven als het gaat om sociale contacten en erkenning krijgen voor hun capaciteiten.
Om conjunctuurwerkloosheid te bestrijden kan de overheid twee dingen doen. Ten eerste kan zijzelf meer gaan besteden, bijvoorbeeld door aanleg van wegen of door het bouwen van scholen. Ten tweede kan de overheid de belastingen verlagen of subsidies verstrekken.
Om kwalitatieve structuurwerkloosheid tegen te gaan kan de overheid subsidies verstrekken aan de bedrijven die langdurig werklozen in dienst nemen. Op deze manier kan de werkloosheid teruggedwongen worden.
Het kan ook bestreden worden door de arbeidsmobiliteit te vergroten.
De arbeidsmobiliteit wordt groter als het aanbod van arbeid (de beroepsbevolking) zich aanpast aan veranderingen in de vraag naar arbeid. Er is arbeidsmobiliteit tussen beroepen als mensen bereid zijn om zich te scholen. Door bijvoorbeeld omscholing aan te bieden kan de overheid proberen om de arbeidsmobiliteit tussen beroepen te vergroten. Een ander voorbeeld is als mensen bereid zijn een baan aan te nemen op een lager niveau. Ook is er de regionale arbeidsmobiliteit. Dat wil zeggen dat mensen bereid zijn om te reizen of te verhuizen voor een baan.
Daarnaast is er nog de arbeidsmobiliteit tussen werken en niet werken.
Deze wordt groter als de niet-werkenden op zoek gaan naar een baan.

Om kwantitatieve werkloosheid te bestrijden is het belangrijkste element, het verlagen van de loonkosten.Lagere loonkosten kunnen om verschillende redenen een positief effect op de werkgelegenheid hebben:
* Lagere loonkosten kunnen leiden tot lagere prijzen. Hierdoor verbetert de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven, de afzet neemt dan toe.
* Lagere loonkosten vergroten de winstgevendheid van de bedrijven.
De grotere winsten kunnen ertoe leiden dat bedrijven gaan uitbreiden.
* Lagere loonkosten maken het minder aantrekkelijk mensen te vervangen door machines.
* Lagere loonkosten maken het minder aantrekkelijk om productie te verplaatsen naar het buitenland.
Er zijn verschillende manieren om de loonkosten te beperken. Een mogelijkheid is het verlagen van het brutoloon. Wat wel kan is gelijktijdige verlaging van de belastingen, zodat de werknemers ondanks een verlaging van het brutoloon netto minstens evenveel overhouden. Er is een verschil tussen loonkosten die een werkgever betaalt en het nettoloon dat een werknemer ontvangt. Het verschil bestaat uit belastingen en sociale premies die deels betaald word door de werkgever, de werkgeverslasten en deels door de werknemer, de werknemerslasten. Het verschil tussen loonkosten en het nettoloon, noemen we wig. De wig geeft dus aan wat het verschil is tussen wat de werknemer kost voor de werkgever (de loonkosten) en het nettoloon dat de werknemer ontvangt. Het verschil tussen de loonkosten en het brutoloon bestaat uit de werkgeverslasten, het verschil tussen het bruto en het netto loon bestaat uit de werknemerslasten.
De overheid kan de loonkosten beïnvloeden door belastingen en sociale premies te verlagen of door subsidies aan bedrijven te geven. Een andere manier is het verschuiven van belastingen op arbeid naar belasting op kapitaal. Innovatie is het ontwikkelen van nieuwe producten en in gebruik nemen van nieuwe productieprocessen. Tenslotte is de arbeidsverkorting (ATV) een middel tegen kwantitatieve werkloosheid.
Om seizoenswerkloosheid tegen te gaan kan, als er in de zomer geen voetbal is dat word op gevuld met popconcerten. Frictiewerkloosheid kan verminderd worden door een betere arbeidsmiddeling zodat openstaande vacatures sneller gevuld worden.

5.5 Deeltijd, ATV en flexibilisering.

Een deeltijdwerker werkt een vast aantal uren per week, maar minder uren dan een werknemer met een volledige baan. De werkgelegenheid in arbeidsjaren verandert hierdoor niet, maar de werkloosheid in personen kan wel dalen.
De arbeidstijd is het aantal uren dat een werknemer met een volledige baan per week werkt. Voor veel mensen is werken belangrijk. Allereerst natuurlijk omdat je door te werken een inkomen verdient. Maar veel mensen vinden ook andere aspecten van werk belangrijk. Ook niet werken heeft zijn voordelen. Als je niet werkt, heb je veel vrije tijd. Daar staat tegenover dat je een laag, of zelfs geen inkomen ontvangt. Deeltijdwerk kan een tussenoplossing zijn. We spreken van ATV als iedereen in een bedrijf of een bedrijfstak minder gaat werken. Het verkorten van de arbeidstijd bij gelijkblijvende loon heeft een financieel nadeel voor het bedrijf: de arbeidskosten per eenheid product stijgen. De bedrijfstijdverlenging heeft een financieel voordeel: omdat machines lager draaien, dalen de machinekosten per product.
-ATV dagen=> is 1 dag die je in de week vrij heb, dat is eens in de
4 weken. Werknemers werken verder 5 dagen per week en
8 uur per dag.
-Roostervrije dagen=> dagen dat de bedrijven gesloten zijn zoals bij kerst.
De arbeidstijd per jaar wordt hierdoor verkort.
-Studieverlof=> Door het instellen van de mogelijkheid tot studieverlof,
wordt de arbeidstijd over een leven verkort.
Door ATV kan de werkgelegenheid stijgen. Immers, als de arbeidstijd wordt verkort, daalt de arbeidsproductiviteit per jaar. Er zijn dan meer werknemers nodig om dezelfde productie te bereiken. Worden voor alle uren dat het personeel minder gaat werken nieuwe mensen aangetrokken, dan is er sprake van volledige herbezetting.
De overheid schept door versoepeling van bepaalde regels mogelijkheden om de arbeidsmarkt te flexibiliseren. Door werknemers flexibel in te kunnen zetten dalen de arbeidskosten en kan de werkgelegenheid toenemen. Een voorbeeld is het versoepelen van ontslagrecht, waardoor het voor werkgevers makkelijker wordt om werknemers te ontslaan. Een ander voorbeeld is het loslaten van vaste werktijden en vaste werkdagen. Het verschil tussen deeltijdwerk en flexibel werk is dat bij flexibel werk het aantal uren dat je per week werkt niet vastligt. Een voorbeeld is een oproepkracht. Het belangrijkste doel van flexibilisering is de kosten van arbeid te laten dalen. Er zijn verschillende redenen waarom flexibilisering tot lager arbeidskosten leidt.
-werknemers in vaste dienst.
-Het aanpassen van het personeelsbestand aan de productieomvang gaat gemakkelijker.
De flexibilisering op de arbeidsmarkt heeft onder andere tot gevolg dat er een grote verscheidenheid is aan arbeidsovereenkomsten. Daarnaast kunnen we arbeidsovereenkomsten ook verdelen naar de lengte van de arbeidscontact:
-werknemers met vaste dienstverband: dit zijn de vaste banen, waarbij de arbeidsovereenkomst een heel arbeidsleven kan duren.
-werknemers met een dienstverband voor bepaalde tijd: dit zijn arbeidscontracten met een bepaalde duur, zoals 1 jaar.
-uitzendkrachten zijn werknemers die via een uitzendbureau werken: hoeveel dagen, weken of maanden de arbeidsovereenkomst duurt ligt van tevoren vaak niet vast.
Een uitzendbureau is een commerciele organisatie die bemiddelt in tijdelijk werk. Als een werknemer via een uitzendbureau bij een bedrijf gaat werken, betaalt het bedrijf het uitzendbureau een vergoeding. Het uitzendbureau betaalt de werknemer. Een CWI is niet commercieel, het is een overheidsinstantie. CWI’s bemiddelen bij het vinden van werk. Daarnaast bieden zij werkzoekenden de mogelijkheid een opleiding of cursus te volgen waardoor zijn hun kansen op de arbeidsmarkt vergroten.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

M.

M.

cool ^^ Ben dat ding kwijt, dus dit is wel handing o_o

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

H.

H.

DE 2E FASE SUCKS!

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

V.

V.

THANK U!(L) haha

11 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

J.

J.

(Y) goed gedaan ;)

11 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

W.

W.

Jij hebt echt geen leven, serieus als ik je tegen kom he... krijg je een schouderKLOPje

11 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

:.

:.

Bianca, bedankt voor je samenvatting van eco die je op scholieren.com hebt gezet.. Scheelt mij een hoop tijd ;)

14 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

A.

A.

heey bedanktvoor dit voortreffelijke werkstuk.. je bent echt een schat.. ik heb er een 9 voor gekregen lovge you

14 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

F.

F.

Je bent een engel (K)

14 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

S.

S.

wat een bal samenvatting

14 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

M.

M.

bedankt voor je leuke samenvatting

15 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

H.

H.

:-) Bedankt voor de samenvatting van de economie Lesbrief: Arbeidsmarkt, ik was namelijk mijn lesbrief kwijt en had vandaag een PTA :-/

15 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast