3e Naamval Duits
De 3e naamval wordt gebruikt voor het meewerkend voorwerp en bij bepaalde voorzetsels. Je vindt het meewerkend voorwerp wanneer je ‘aan’ of ‘voor’ het woord kan zetten, of weglaten!
z. B.: ik geef (aan) jou een tien / ik breng (voor) jou een cadeautje mee
De voorzetsels
Mannelijk Vrouwelijk Onzijdig Meervoud
1e naamval Der Die Das Die
2e naamval - - - -
3e naamval Dem Der Dem Den + n *
4e naamval Den Die Das die
*de extra –n komt achter het zelfstandig naamwoord te staan, tenzij dat zelfstandig naamwoord in het meervoud eindigt op een –S of op een –N
z.B.: ich gebe den Kindern / Babys / Mädchen eine Zehn
Mannelijk Vrouwelijk Onzijdig Meervoud
1e naamval Ein Eine Ein Meine
2e naamval - - - -
3e naamval Einem Einer Einem Meinen + n *
4e naamval Einen Eine Ein Meine
Persoonlijk voornaamwoord
1e nv. Ich Du Er Sie Es Wir Ihr Sie Sie
2e nv. - - - - - - - - -
3e nv. Mir Dir Ihm Ihr ** Ihm Uns Euch ihnen Ihnen
4e nv. Mich Dich Ihn Sie Es Uns Euch Sie Sie
** ihr: 1. Persoonlijk voornaamwoord 1e naamval = Jullie
Persoonlijk voornaamwoord 3e naamval = (aan) Haar
2. Bezittelijk voornaamwoord = haar (verbuigen)
Bezittelijk voornaamwoord = haar (verbuigen)
Voorzetsels + 3e naamval.
mit - met *** entgegen staat achter het woord
nach - na, naar z.B.: sie kommt mir entgegen
bei - bij
seit - sinds
von - van
zu - naar, bij, te, tot, tegen **** gegenüber mag voor of achter het
entgegen*** - tegemoet woord komen te staan.
auβer - behalve z.B.: sie wohnt gegenüber der Schule
aus - uit sie wohnt der Schule gegenüber
gegenüber**** - tegenover
Extra:
Bij: - Personen - Rust  bei  ich bin bei dir
- Beweging  zu  ich komme zu dir
- Dingen - Rust  bei  ich bin bei dem Fenster
Bei & dem  beim
von & dem  vom
zu & dem  zum
zu & der  zur
in & das  ins

Tegen: - zu +3  praten/spreken/zeggen tegen  sie sagte zu mir
- gegen + 4  in alle andere gevallen

Naar - zu +3  1. Bij personen/persoonsnamen
z.B.: sie kommt zu dir, Matthijs, dem Bäcker
2. Bij zelfstandige naamwoorden met Bestimmwort (der/ein + bez vnw.)
z.B.: Nina geht zur Schule
- nach + 3  als er geen Bestimmwort is:
z.B.: nach; Hause, links, rechts, Oerle, Deutschland
- ins + 4  in die:
z.B: in die Oper gehen
in die Küche gehen
in die Kirche gehen (zur)
in die Schule gehen (zur)
in die Schweiz/Niederlande/Türkei gehen
in das: in & das  ins
z.B.: ins Ausland
Ins Büro
ins Bett
ins Geschäft
ins Kino
ins Konzert
ins Theater

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

J.

J.

lekker

2 jaar geleden

Antwoorden

K.

K.

zeker weten

2 jaar geleden

gast

gast