Zienderogen Kunst {Hoofdstuk 1, 2 en 3}

Hoofdstuk 1

Betekenis: De bedoeling, datgene wat de maker duidelijk wil maken.
Beeld: Nabootsing van een geziene of gefantaseerde werkelijkheid.
Een foto heeft twee maten of dimensies: breedte en lengte. Hij is vlak.
Tweedimensionaal: Met twee maten: breedte en lengte en daarom plat of vlak (bijvoorbeeld een tekening, schilderij, foto, film, video).
In werkelijkheid kan een beeld ruimtelijk zijn.
Je kunt er omheen lopen. Het heeft diepte en dus ruimte nodig.


Ruimtelijk: Alles wat plaats inneemt.
Driedimensionaal: Met drie maten: breedte, hoogte en diepte, en daarom ruimtelijk (zie hier boven). Bijvoorbeeld een stoel, vaas, huis, monument.
Symbool: Door een concrete voorstelling wordt iets algemeens of iets met diepere betekenis aangeduid.
Afbeelden: In beeld brengen, zichtbaar maken. Bijvoorbeeld door tekenen, fotograferen, beeldhouwen.
Vliegen spreekt tot de verbeelding van de mens. ‘Vrij als een vogel in de lucht’, zeggen we. Mensen zitten aan de aardbol gebonden, en daarom betekenen vogels vaak vrijheid. Los van de aarde.

Verbeelden
: In beeld brengen, zichtbaar maken. Bijvoorbeeld door tekenen, fotograferen, beeldhouwen.


Slagschaduw: De schaduw van een voorwerp op de grond of op een ander voorwerp.

Hoofdstuk 2


Werken in het platte vlak
: Tekenen en schilderen.
Werken tot het ruimtelijk: Boetseren en beeldhouwen.
De wijze waarop het de materialen en de gereedschappen gebruikt worden. Speelt daarbij een belangrijke rol. Dat noemen we hanteringswijze.
Hanteringswijze: De manier waarop materiaal en gereedschap zijn gebruikt.
Volume: Alles wat ruimte inneemt, heeft volume; op die plaats kan niets anders zijn. Volume is een driedimensionale maat.

Arceren
: Techniek bij het tekenen: een toon maken door vele min of meer evenwijdige lijnen naast elkaar te zetten
Door de lijnen overal niet even dik te zetten, wordt de ruimtelijke vorm versterkt en krijgt de tekening bovendien een grote levendigheid.

Schilderen
: Techniek waarbij men met verf door middel en vlakken een voorstelling maakt.
Toets: Vlek die ontstaat door met een kwast of penseel korte vegen te maken.
Plasticiteit: De ruimtesuggestie van het oppervlak van een voorwerp, dat je als het ware kunt voelen. In een ruimtelijk beeld: de tastbare ruimtelijke aard van het oppervlak.
Boetseren: Door materiaal, bijvoorbeeld klei, toe te voegen of te verplaatsen.
Modelleren: Een vorm in model brengen (zie boetseren) ^
Beeldhouwen: Door materiaal weg te halen, uit bijvoorbeeld steen of hout, een vorm in model brengen.
Wanneer het oppervlak van een beeld laat zien hoe het aan zal voelen, bijvoorbeeld hol of bol, hard of zacht, dan spreek je van plasticiteit.

Hoofdstuk 3


Functie van een gebouw
: Het maken van een binnenruimte die van de buitenwereld is afgesloten.
Functie: doel of werking.
De architect ontwerpt het gebouw en houdt toezicht op de totstandkoming ervan. Onder architectuur of bouwkunst verstaan we alles wat gebouwd is.

Ontwerpen
: Het schetsen/tekenen, bedenken en bespreken van een idee, bijvoorbeeld een schilderij, gebouw, toegepaste werkvorm, industrieel product. Het ontwerpen gaat aan de eigenlijke uitvoering
Architectuur: Naam voor alles wat gebouwd is. Ook wel: bouwkunst.
Industriële voorgeving: Vormgeving van gebruiksvoorwerpen die met een machine in grote hoeveelheden worden gemaakt (massaproducten), bijvoorbeeld auto’s, scheerapparaten en serviesgoed. Bij de productie zijn onder andere van invloed: functie, grondstof, prijs, smaak en techniek.

Eisen:

• Functie van het product.
• Het uiterlijk
• De prijs

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

A.

A.

Dankje wel het is er handig :D

6 jaar geleden