Reacties op de examens, het laatste examennieuws, je voorlopige cijfer berekenen en de antwoorden.

 


Alles over de eindexamens Alles over het CSE




Beeldende aspecten zijn:
- punt
- lijn
- vorm
- kleur
- licht
- ruimte
- textuur
- compositie

beeldende middelen zijn beweringen over de beeldende verschijnselen die je bij een bepaald kunstwerk ziet.
Beeldende middelen hebben betrekking op beeldende aspecten, materiaal-aspecten en techniek aspecten.

1. punt
puntstructuur: vele zwarte punten bij elkaar op een witte ondergrond, als de punten klein genoeg zijn, krijg je een optische grijstint. Het lijkt grijs maar is het niet.

Raster: een glasplaat of folie met een daarop aangebrachte, regelmatige zwarte structuur. Gedrukte versies noemen we een raster.

Puntraster is en een raster dat bestaat uit punten.

2. lijn

contour: omtrek, meestal word een lijn gebruikt om er de contour van een vorm mee aan te geven. In werkelijkheid bestaan omtreklijnen niet.
Buitencontouren: beschrijven de buitenste omtrek van een vorm.
Binnencontouren: beschrijven de omtrek van details binnen een vorm.

Optische lijnen zijn denkbeeldige lijnen.

Lijnrichting: diagonaal, schuin, verticaal,horizontaal.

Lijnstructuur is het zelfde als een puntstructuur alleen dan met lijnen.

Arcering is een lijnstructuur die bestaat uit evenwijdige lijntjes. Meervoudige of kruisarcering zijn meerdere lagen.

Lijnraster zelfde als puntraster alleen dan met lijnen.

Lineair: een tekening die hoofdzakelijk uit lijnen bestaat noemen we lineair. Een tekening waarin toon de hoofdrol speelt noemen we tonaal.

Lijnen kunnen plasticiteit suggereren als ze:
- aanzwellen en weer dunner worden.
- Met de kromming van de vorm meelopen.
- Dicht bij elkaar zijn gezet, zo krijg je optische grijstint.
- Lichter en donkerder worden.

Lijncontrast is het verschil dat bestaat tussen verschillende soorten lijnen.

3. vorm

beeldvlak is het vlak waarin een tweedimensionaal beeld zich bevindt

grondvorm van een voorwerp os de vereenvoudigde vorm van het voorwerp, meestal is die geometrisch (= meetkundig)

massieve vorm is een vorm die er niet hol uitziet.

Restvorm is de vorm die overblijft tussen of achter het voorwerp.

Vervorming als de vormgeving van een voorwerp of mens afwijkt van de werkelijkheid noemen we het vervorming.

Vormrijm: dit is de herhaling van de vormkarakteristiek.

Vormsoort en vormkarakter:
- gesloten vorm ( vormen zonder gaten en uitsteeksels)
- open vorm ( vormen met veel gaten en uitsteeksels)
- asymmetrisch
- symmetrisch
- dynamische vorm ( beweeglijke vorm)
- statische vorm ( rustig)
- meetkundige vormen of geometrische vormen (vormen die je ook gebruikt bij meetkunde)
- organische vormen ( vormen die ontleent zijn op planten, dieren en mensen )

vormabstractie is het niet realistisch weergeven. Vaak komt abstraheren neer op vereenvoudiging, het weglaten van details.

Vormcontrast is het verschil dat er bestaat tussen verschillende soorten vormen. Zoals groot-klein, open- gesloten.

4. kleur

kleursoort is de naam van de kleur.
Kleurzuiverheid is de mate waarin de kleur zuiver of onzuiver is.
Kleurhelderheid is de mate van licht en donker zijn van de kleur. Hierbij speelt de hoeveelheid terugkaatsend licht een belangrijke rol.

Kleuren kunnen zuiver zijn, dan zijn ze op volle kleursterkte (en worden niet afgezwakt door wit, zwart, grijs, een complementaire kleur of door een derde primaire kleur.
Zuivere kleur = verzadigde kleur.
Kenmerken:
- Het zijn primaire of secundaire kleuren of ze zijn gemengd uit één of twee primaire kleuren.
- Ze liggen op de kleurencirkel.
- Ze contrasteren goed met onzuivere kleuren.

Kleuren kunnen ook onzuiver zijn, manieren om ze onzuiver te krijgen:
- Door een zuivere kleur te mengen met wit, grijs of zwart.
- Door een zuivere kleur te mengen met een complementaire kleur.
- Door drie primaire kleuren met elkaar te mengen.
- Door twee of meer onzuivere kleuren samen te mengen.

Kenmerken onzuivere kleuren:
- Ze zijn gemengd met grijs zwart of wit of met een complementaire kleur.
- Ze liggen niet in de kleurencirkel
- Ze contrasteren goed met zuivere kleuren.

Tertiaire kleuren zijn samengesteld uit drie primaire kleuren.

Complementaire kleuren zijn kleuren die tegenover elkaar in de kleurencirkel staan, ze steken goed bij elkaar af en versterken elkaars werking.

De 7 kleurcontrasten:
- complementair contrast ( de kleuren die tegenover elkaar in de kleurencirkel liggen)
- kleur-kleur contrast ( de tegenstelling die wordt ervaren tussen verzadigde kleuren van verschillende kleursoort als zij direct naast elkaar zijn gezet.)
- kleurzuiverheidscontrast ( de tegenstelling van meer of minder verzadigd zijn van kleuren)
- warm- koud contrast (de tegenstelling die wordt ervaren tussen warme en koude kleuren)
- kwantiteitscontrast ( de tegenstelling de wordt ervaren tussen kleuren die een oppervlakte van verschillende grote beslaat.
- Licht-donker contrast ( tegenstelling die wordt ervaren tussen kleuren van verschillende helderheid.
- Simultaan contrast ( de verandering van een waargenomen kleur, grijs binnen zwart is lichter dan hetzelfde grijs binnen wit.)

5. licht

lichtbron: voorwerp dat licht uitstraalt
lichtsoort: er bestaat kunstmatig en natuurlijk licht.
Lichtkleur: dat is de kleur van licht.

Licht:
- meelicht
- tegenlicht
- zijlicht

direct licht: licht dat direct op et voorwerp valt.
Indirect licht: licht dat niet direct op het voorwerp valt ( bijv reflectie.)

Gevolgen van lichtval:
- eigenschaduw
- slagschaduw
- gebroken slagschaduw
- meervoudige slagschaduw
- kernschaduw

plasticiteit: de plastiek van een vorm is de ruimtelijkheid, veroorzaakt door licht-schaduwwerking.

6. ruimte

dimensie:
- tweedimensionaal
- driedimensionaal
- diepte
- ruimtelijk.

Ruimtesuggesties:
- overlapping
- verkleining
- verkorting
- kleurperspectief
- vervaging
- afsnijding
- plasticiteit
- geleidelijke licht-donker overgang
- herhaling
- lijnperspectief ( horizon, wijkende lijnen, vluchtlijn, vluchtpunt, horizonhoogte, ooghoogte, beschouwer)

perspectieven:
- normaal standpunt
- vogelvlucht perspectief
- hoog standpunt
- laag standpunt
- kikvors perspectief

coulissenperspectief: ordening van de ruimte als op een toneel: met zetstukken.
Ordening in plans: ordening van ruimte d.m.v. achter elkaar gelegen stroken

Repoussoir : grote, meestal donkere vorm op de voorgrond in een tweedimensionale voorstelling.
Deze vorm schept ruimte omdat hij:
- resoluut wordt afgesneden door de rand
- donker afsteekt tegen de lichte achtergrond
- de achtergrond gedeeltelijk overlapt.







Voorgrond en achtergrond contrast deze contrasten volgen uit ruimte suggestie

Voorgrond Achtergrond
Vormen staan laag in de afbeelding Vormen staan hoog in de afbeelding
Vormen zijn groter Vormen zijn kleiner
Vormen zijn scherper Vormen zijn vager
Vormen hebben veel details Vormen hebben weinig details
Vormen overlappen de achtergrond Vormen worden overlapt door de voorgrond
Tonen zijn donkerder Tonen zijn lichter
Kleuren zijn feller, zuiverder Kleuren zijn onzuiverder
Kleuren zijn warmer Kleuren zijn kouder
Texturen zijn duidelijker Texturen zijn vager
Meer contrastwerking Minder contrastwerking

7. textuur

stofuitdrukking: nagemaakte dus gesuggereerde textuur.
Textuur: de zichtbare en voelbare aard van het oppervlak van een ding
Textuurcontrast: de tegenstelling die er bestaat tussen verschillende texturen.

8. compositie

compositie betekend ordening van delen tot een geheel.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

T.

T.

ik mis vlak! maar verder is het goed

3 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

J.

J.

Goede samenvatting, ik mis alleen 'vlak' nog!

8 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

G.

G.

Goed stuk van de beeldende aspecten zeg

dank je wel

15 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

K.

K.

nou bedankt Katie voor je werkstuk, want dat is iets wat ik net zocht voor het vak CKV

mail me.

16 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast