Gezocht: VWO'ers uit de 4e/5e met N&T of interesse in techniek. Doe mee aan een online community over een nieuwe studie en verdien een cadeaubon van 50 euro!

Meedoen

wat je moet weten voor proefexamen 3

Beoordeling 6.3
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vmbo | 2430 woorden
  • 12 februari 2010
  • 5 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.3
  • 5 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor je werkstuk, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Gooi jij een week lang zo min mogelijk weg of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie! 

Check alle challenges!
Kse 3 wat ik moet weten

Voedsel
- De kandidaat kan drie verschillende soorten/functies voedingsstoffen noemen en beschrijven, waaronder bouwstoffen, energierijke stoffen / brandstoffen, beschermende stoffen.
- De kandidaat kan de zes groepen voedingsstoffen benoemen en beschrijven; eiwitten, koolhydraten, vetten, water, mineralen en vitamines.
- De kandidaat kan de voedingswijzer beschrijven.
- De kandidaat kan het proces van verteren beschrijven.
- De kandidaat kan de volgende onderdelen aanwijzen bij het verteringsstelsel: mondholte, speekselklieren, slokdarm, maag, lever, dikke darm, dunne darm, twaalfvingerige darm, endeldarm en anus.Verbranding en ademhaling.

- De kandidaat kan het proces van verbranding beschrijven.
- De kandidaat kan uitleg geven over de verbrandingstoffen koolstofdioxide en water.- De kandidaat kan het ademhalingsproces beschrijven.
- De kandidaat kan de volgende onderdelen aanwijzen bij het ademhalingsstelsel: neusholte, keelholte, luchtpijp, long, bronchie/luchtpijptak, longblaasje en neusslijmvlies.
- De kandidaat kan de werking van de neusharen en het neusslijmvlies beschrijven.
Bloedsomloop
- De kandidaat kent de drie soorten bloedvaten: slagaders, haarvaten en aders.
- De kandidaat kent de functie van het bloedplasma en de rode bloedcellen.
- De kandidaat kan de kleine en grote bloedsomloop beschrijven.
- De kandidaat kan de volgende onderdelen aanwijzen bij de bloedsomloop: aorta, hart, holle ader,nierader, nierslagader, haarvaten van de nieren, beenslagader, beenader, longslagader en longader.
Voortplanting
- De kandidaat kan een beschrijving geven en voorbeelden noemen van de primaire en secundaire geslachtskenmerken.

- De kandidaat kan de volgende onderdelen aanwijzen bij het voortplantingsstelsel van de man: zaadblaasje, zwellichamen, bijbal, zaadbal/teelbal, urinebuis, penis, balzak en eikel.
- De kandidaat kan het proces beschrijven wat er gebeurt bij een man bij het vrijen.
- De kandidaat kan de volgende onderdelen aanwijzen bij het voortplantingsstelsel van de vrouw: eierstokken, eileiders, baarmoeder, vagina, schaamlippen, clitoris, urineblaas en urinebuis.
- De kandidaat kan het proces beschrijven wat er gebeurt bij een vrouw bij het vrijen.
- De kandidaat kent de menstruatiecyclus.
- De kandidaat kan mogelijkheden beschrijven om zwangerschap te voorkomen waaronder de pil en het condoom.
- De kandidaat kan uitleggen hoe bevruchting gaat.
- De kandidaat kan de volgende onderdelen aanwijzen: bloedvaten van de moeder, bloedvaten van het embryo, embryo, navelstreng, spierlaag, vruchtwater en placenta/moederkoek.
Milieu
- De kandidaat kan de functies van het milieu beschrijven: zuurstof, water, voedsel, energie, grondstoffen en recreatie.
- De kandidaat kan voorbeelden noemen van milieuproblemen.
- De kandidaat kan de twee belangrijkste oorzaken noemen van de milieuproblemen.
- De kandidaat kan gevolgen noemen voor het milieu.
- De kandidaat weet hoe zure regen ontstaat.
- De kandidaat kent de oorzaken van het ontstaan van zure regen.
- De kandidaat kent de gevolgen van zure regen.
- De kandidaat kan het begrip broeikaseffect uitleggen.
- De kandidaat kent de oorzaken van het ontstaan van het broeikaseffect.
- De kandidaat kent de gevolgen van het broeikaseffect.
- De kandidaat kan maatregelen beschrijven die ervoor zorgen dat er minder broeikasgassen komen.
- De kandidaat kan maatregelen beschrijven die ervoor zorgen dat mensen minder energie verbruiken.
- De kandidaat kan alternatieve energiebronnen beschrijven waaronder wind, zon en biogas.
- De kandidaat kan de nadelen noemen van chemische bestrijdingsmiddelen.
- De kandidaat kan een beschrijving geven van biologische bestrijding.
Voedingsmiddelen: Alles wat je eet & drinkt

Zuivelproducten: Gemaakt van melk ; boter, kaas, yoghurt..
Voedingsmiddelen bevatten allerlei voedingsstoffen.
Voedingsstoffen: De bruikbare bestanddelen van voedingsmiddelen.
Voedingvezels: Verzamelnaam van alle onverteerbare stoffen in plantaardig voedsel.De voedingsstoffen in groepen en functies.
Bouwstoffen:Groei & ontwikkeling. bv als je gevallen bent nieuw weefsel maken
Brandstoffen: Energie en groei en op peil houden van je lichaamstemperatuur
Reservestoffen: Worden op geslagen in bepaalde delen van je lichaam.
Beschermende stoffen: Vitamines en mineralen beschermen tegen tekort en ziek worden
Er zijn 6 groepen voedingsstoffen :
1 Eiwitten
2 Koolhydraten
3 Vetten
4 Water
5 Vitamines
6 Mineralen (zouten)
Plantaardige voedingsmiddelen bevatten voedingsvezels. Je lichaam zelf kan voedingsvezels niet verteren. Toch zijn de vezels goed het bevordert de stoelgang.
Eiwitten: Bouwstoffen, brandstoffen. . Eiwitten worden gebruikt voor cytoplasma. VB: kaas, eieren, vlees, pindakaas, yoghurt
Koolhydraten: Bouwstoffen, Brandstoffen, Reservestoffen. Behoren o/a glucose, suiker,zetmeel. VB: aardappelen, jam, suiker, brood, spaghetti, rijst
Vetten: Bouwstoffen Brandstoffen of Reservestoffen VB: chips, boter, friet, mayonaise, slagroom.
Water: Bouwstoffen. Meloen, komkommer, tomaat, (fruit / groente), limonade, karnemelk
Mineralen (Zouten): Bouwstoffen of Beschermende stoffenVB: vis, kaas, prei, vlees
Vitamines: Bouwstoffen of Beschermende stoffen VB: (fruit, groente), sla, wortelen, kiwi, Blue band, paprika’s
Bs 2 Variatie: Afwisseling= gezonde voeding. De 4 groepen van de voedingswijzer.
Groep 1: Brood en aardappels. Zetmeel, plantaardige eiwitten, vitamines, mineralen en voedingsvezels
Groep 2 Groente en fruit. Vitamine C en Voedingsvezels
Groep 3 (Melk)producten, kaas en vlees. Dierlijke eiwitten, Vitamines, Mineralen, mineralen.
Groep 4 Margarine, halvarine of olie.Vetten en vitaminesBs 3.
De hoeveelheid aanbevolen voedsel verschilt van persoon tot persoon. Energie van persoon ligt aan: je gewicht, lengte, leeftijd en geslacht en de inspanning.
Kilojoule : De hoeveelheid energie is Bs 4.
Indicator: Aantoonstof. Een stof om te kijken of er een bepaalde stof ergens in zit.Zetmeel > jodium.Bs 5.
Ondervoeding: Te weinig eten door dat er geen eten is of te weinig. Vooral afrika.
Fao: De voedsel en landbouworganisatie.
Who: Wereldgezondheidsorganisatie 
Eiwitten tekort: Krijgen kinderen opgezwollen buikjes. Groei & ontwikkeling gaat ervan achteruit. Hersenen beschadigd
Overvoeding: Te veel en te vet eten en slaat mensen te veel vet op als reserve stof
Overgewicht: Sneller ziek, meer kans op hart/vaat ziekten.
Feit: Vaststaand gegeven. gebeurtenis die is gebeurt. Hetzelfde
Mening: hoe je denkt, wat je vind. Verschillen
Bs 6.Verteringsstelsel: bestaat voor een groot gedeelte uit het Darmkanaal dit loopt van de mond tot de anus.
Verteren: het omzetten van voedingsstoffen die niet door de darmwand heen in het bloed kunnen worden opgenomen. In producten die wel kunnen worden opgenomen in’t bloed. In het verteringsstelsel kunnen voedingsstoffen worden op genomen in het bloed.
Glucose mineralen vitamines en water: kunnen zonder verteerd te worden opgenomen worden in ’t bloed. Andere stoffen moeten eerst verteerd worden.Bij vertering word je lichaam geholpen door verteringssappen zoals : Speeksel en Maagsap.
maagsap : Water, Zoutzuur en een soort enzym. Verteringssappen bevatten enzymen en worden gemaakt in verteringsklieren.
Verteringsklieren in het lichaam zijn :
- Alvleesklier
- speekselklieren
- maagsapklieren
- lever
- darmsapklieren.
Kringspieren en lengte spieren: Zit in de wand van het hele darmkanaal
Peristaltische bewegingen: het afwisselende samentrekken v kring en lengte spieren.
Damperialistiek: de kringspieren en de lengte spieren.
Bs 8Gebit: Voedsel kauwen in kleine stukjes, om beter te kunnen slikken.
Kauwen: oppervlak v voedsel vergroot. Enzymen kunnen dan beter inwerken en zijn de voedingstoffen beter voor ze te bereiken.
Gebitselementen: tanden en kiezen, zitten met wortels in de kaken.
Kroon: Het bovenste van een tand/kies
Tandbeen: grootste deel v tand/kies.
Glazuur: bedekt het tandbeen
Cement: bedekt het tandbeen van de wortels.
Tandholte: liggen de bloedvaten en zenuwen
Wortelvlies: Zorgt voor bevestiging v tand/kies.
Tandvlees: Bedekt de kaak.
Snijtanden/hoektanden: Stukken voedsel mee afbijten.
Kiezen: Voedsel fijnmalen.
Tandformule: Samenstelling v gebit.
Bovenkaak: rechts > 5. 1. 2. | 2. 1. 5. < links 5 kiezen 1 hoektand 2 snijtanden. Onderkaak rechts > 5. 1. 2. | 2. 1. 5. < links.
Tandplak: Dun laagje aanslag op je tanden/kiezen. Bestaat uit: bacteriën, speeksel, etensresten
Tandvleesontsteking: Bacterien in tandplak. Tandvlees rood + bloed.
Gezond tandvlees: strak om de kiezen/tanden heen.
Tandsteen: Verkalkte tandsteen. Heel hard , niet wegpoetsen. Tandarts/mondhygieniste verwijderd het.
Gebitscorrectie: BeugelBs 8.
Middenrif: Scheidt de romp in buik en borstholte.
Vertering : Eerst komt het voedsel in je Mondholte dan glijd het door de slokdarm. Van de slokdarm naar de maag. Van de maag naar de 12 vingerigedarm dan naar de dunne darm hierna door de dikke darm en dan via de endeldarm naar de Anus.
Slijm: verhoogt de glijbaarheid van voedsel.
Enzym: verteert speeksel in zetmeel.
Huig: sluit de neusholte.
Strotklepje: sluit luchtpijp af.
Maag: constant in beweging.
Maagportier : Aan het einde van de maag zit een kringspier genaamd. Het maagportier laat steeds wat voedsel door naar de 12 vingerige darm.Hierdoor heeft de maag een functie als : opslagplaats.
Maagsap : Water, Zoutzuur en een soort enzym. Vet mengt zich niet met water. Gal ( geproduceerd door de lever ) emulgeert vet. Het maakt van grote druppels kleine druppels zo word het oppervlakte groter en kunnen enzymen er beter bij.
Galblaas: word het vet in opgeslagen. Alvleessap ( geproduceerd door de alvleesklier ) helpt bij de vertering van : eiwitten , koolhydraten en vetten.
Dikke darm: is ongeveer anderhalve 1.5 meter lang. Het water wordt uit het voedsel onttrokken en wordt opgenomen in het bloed. De brij van onverteerde voedselresten wordt daardoor gedikt.
Dunne darm: is ongeveer 8 meter lang. In de wand liggen darmsapklieren de darmsap produceren dit sap maakt de vertering van : Eiwitten en koolhydraten af.
Darmvlokken: Uitstulpingen in de darmplooien. Aan het einde van de dunne darm zit de blinde darm hier onder komt de appendix oftewel wormvormig aanhangsel.
Blindedarm ontsteking: het wormvormig aanhangsel is ontstoken. Wormvormig aanhangsel = appendix
Diaree: Wordt in de dunne en dikke darm is onvoldoende water in het bloed opgenomen. Bacteriën produceren enzym voor de vertering v cellulose in celwanden v plantaardige voedingsresten.
Glucose: Ontstaat door ’t verteren van cellulose. Wordt opgenomen in dikke darm in bloed. Van de dikke darm gaat het voedsel naar de endeldarm en dan naar de anus.
Ontlasting: Het ontspannen van de anus en wordt de endeldarm geleegd.
De zes dingen waarbij de mens afhankelijk is van het milieu:
- Het milieu levert voedsel. Door fotosynthese in planten komt er steeds nieuw voedsel.
- Het milieu levert zuurstof. Bij fotosynthese in planten ontstaat er zuurstof.
- Het milieu levert water.
- Het milieu levert energie.
- Het milieu levert grondstoffen. Bijv. aardolie als grondstaf voor plastic of andere kunststoffen.
Delen van planten en dieren als grondstoffen voor o.a. kleding, papier en medicijnen.
- Het milieu geeft plaats voor recreatie.Oorzaken en gevolgen van milieuproblemen
- Oorzaken van de milieuproblemen.
De enorme bevolkingtoename.
De veranderde manier van leven: er is nu veel (chemische) industrie, er zijn veel machines en apparaten en er komt steeds meer landbouw grond.
- Gevolgen van de milieuproblemen.
Door veel energieverbruik raken de energievoorraden uitgeput.
Door afvalstoffen wordt het milieu vervuild.
Doordat er steeds meer landbouwgrond komt, verdwijnen grote stukken natuur.
Veel soorten planten en dieren zijn uitgestorven. Veel soorten planten en dieren worden met uitsterven bedreigd.
Manieren waardoor er meer voedsel kan worden gekweekt.
- Door bemesten van de bodem met stalmest of kunstmest. Door het oogsten van voedingsgewassen verdwijnen er voedingsstoffen uit de bodem. Door te bemesten, worden weer voedingsstoffen toegevoegd aan de bodem. Stalmest bestaat uit uitwerpselen en urine van dieren. Bacteriën en schimmels breken de mest af. Hierbij komen voedingstoffen vrij voor de planten, in de bodem. Kunstmest bestaat uit alle voedingsstoffen die de planten nodig hebben.
- Door bewerken van de bodem (bijv. ploegen). Plantenwortels kunnen beter in de bodem doordringen. Door ploegen wordt de bodem luchtiger. Bacteriën en schimmels kunnen de stalmest zo sneller afbreken.
- Door beschermen van voedingsgewassen tegen ziekten en plagen met chemische bestrijdingsmiddelen.
- Door de veeteelt te voeren met krachtvoer. Krachtvoer bevat precies alle voedingmiddelen die dieren nodig hebben.
- Door veredeling: het verbeteren van de eigenschappen van de voedingsgewassen of landbouwhuisdieren door selectie en kruising.
Selectie: planten of dieren met de beste eigenschappen uitgekozen om verder te kweken
Kruising: men laat twee organismen met verschillende gunstige eigenschappen zich voortplanten. Hierdoor kunnen de nakomelingen de gunstige eigenschappen van beide ouders krijgen.
De kenmerken en voor en nadelen van de landbouw in Nederland.
- Kenmerken van akkerbouw.
Grote bedrijven met heel veel grond.
De voedingsgewassen verbouwd in monoculturen.
Monocultuur: een grote akker waarop maar een soort gewas op wordt verbouwd.
- Voordelen van monoculturen.
Er kunnen grotere machines worden gebruikt om de bodem te bewerken en te oogsten: hierdoor kunnen de gewassen goedkoop worden verbouwd.
- Nadelen van monoculturen.
Er is veel kans op insectenplagen en op ziekten van gewassen. Hiertegen worden chemische bestrijdingsmiddelen gebruikt. Chemische bestrijdingsmiddelen doden ook vaak nuttige organismen. Chemische bestrijdingsmiddelen zijn giftig en doden dus ook de schadelijke organismen. Er is een kans dat de bestrijdingsmiddelen in ons drinkwater terechtkomen. De bodem raakt snel uitgeput. Daarom wordt veel kunstmest gebruikt. Ook kunstmest is schadelijk en kan in ons drinkwater terechtkomen.
- Kenmerken van intensive veehouderij (bio-industrie).
Bedrijven met veel landbouwhuisdieren maar weinig grond.
Veevoer wordt niet zelf verbouwd, maar gekocht (70% van de grondstoffen voor het veevoer komt uit het buitenland)
- Voordelen van bio-industrie.
De bedrijven leveren veel meer op (vlees, melk of eieren).
- Nadelen van bio-industrie.
De dieren hebben vaak geen prettig leven (bijv. kippen in een legbatterij).
Mestoverschot.
Gassen uit de mest zorgen voor verzuring van het milieu en voor toename van het broeikaseffect.
- Kenmerken van de tuinbouw.
Veel tuinbouw vindt plaats in kassen (glastuinbouw). In plaats van op de open grond.
In de kassen zijn gunstige omstandigheden: de gewassen krijgen precies op tijd water, voedingsstoffen, warmte en licht.
- Voordelen van de glastuinbouw.
De gewassen brengen zoveel mogelijk op. Gewassen kunnen het hele jaar door worden verbouwd.
- Nadelen van glastuinbouw.
Het verbouwen van de producten kost veel energie.
Het koolstofdioxide dat ontstaat bij de verbranding van het aardgas zorgt voor toename van het broeikaseffect.
Er worden veel chemische bestrijdingsmiddelen gebruikt.
De oorzaken van zure regen.
- Zure regen is een verzamelnaam voor verschillende vormen van verzuring in het milieu (bijv. verzuring van de bodem).
- Oorzaken van de zure regen.
De bio-industrie: uit de mest komt ammoniakgas vrij. In de lucht ontstaat hieruit een stof die vooral met de regen in de bodem komt. In de bodem zorgt deze voor verzuring.
Het verkeer, de industrie en elektriciteitscentrales: bij verbranding van steenkool, aardolie of benzine komen afvalgassen vrij. Uit sommige van deze afvalgassen ontstaan in de luchtzure stoffen die o.a. met de regen naar beneden komen.
- Gevolgen van zure regen.
Wortelharen worden beschadigd, waardoor planten minder goed kunnen opnemen.
De fotosynthese wordt geremd: planten groeien minder goed.
Planten verzwakken: waardoor ze erg vatbaar worden voor ziekteverwekkers (bacteriën en schimmels).
Vooral naaldbomen zijn gevoelig voor zure regen. In bossen zijn bomen vaak ziek.
Veel waterdieren gaan dood (veel vennen zijn verzuurd).
Gebouwen en beeldhouwwerken worden aangetast.
Oorzaken en gevolgen van het broeikaseffect.
- Broeikaseffect: een deel van de warmte-uitstraling van de aarde wordt tegengehouden door gassen in de dampkring (atmosfeer).
Zonder dit broeikaseffect zou de temperatuur op aarde 30 graden Celsius lager zijn.
De belangrijkste zijn koolstofdioxide en waterdamp.
- Versterkt broeikaseffect: doordat er meer broeikasgassen aan de dampkring worden gegeven, wordt het broeikaseffect groter.
- Oorzaken van het versterkte broeikaseffect.
Door toenemend energieverbruik worden steeds meer steenkool, aardolie, benzine en aardgas verbrand. Daardoor komt er steeds meer koolstofdioxide in de lucht.
De bio-industrie: uit de mest komt methaangas vrij dat de in de dampkring werkt als broeikasgas.
- Gevolgen van het versterkte broeikaseffect.Klimaatverandering: stijging van de gemiddelde temperatuur op aarde.
Stijging van de zeespiegel, doordat het zeewater uitzet door opwarming en doordat een deel van het poolijs en het ijs op gletsjers zal smelten: laaggelegen gebieden kunnen overstromen.
Door droogte zullen woestijnen groter worden.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

G.

G.

WAUW!

9 jaar geleden