ADVERTENTIE
Open Avond = online ontdekken en ontmoeten

Bezoek onze Online Open Avond op woensdag 9 december dit jaar vanaf je bank! Ontdek bijzondere verhalen van onze studenten en docenten. Stel al je vragen én luister naar onze gezellige radioshow! Klaar voor een toekomst als student in het hbo?

Meld je dan nu aan!

Wat is biologie?
• Alle organismen ingedeeld in groepen. Groep = taxon. Taxonomie houdt zich bezig met regels van het ordenen, Systematiek houdt zich bezig met indelen volgens taxonomie
• Kenmerken waarop wordt ingedeeld = indelingscriteria
•2 rijken systeem = dieren; planten
• morfologisch kenmerk = vorm, anatomisch kenmerk= de opbouw
• 4 rijken systeem = bacteriën; schimmels; planten; dieren (virussen buiten deze ordening)
•criteria: aantal cellen, celgrootte, organellen, voedingswijze, bezit celwand


•prokaryoot = geen celkern; eukaryoot = wel celkern
•organische stof = C-H-O-(N-P-S) bevattend (koolhydraat, eiwit, vet)
• autotroof: uit anorganische stof een organische maken
• heterotroof: uit organisch een organische stof maken
• indeling in : afdeling(phylum); klasse; orde; familie; geslacht(genus); soort (species)
• soort = tot dezelfde soort als ze kunnen voortplanten en vruchtbare nakomelingen maken
• populatie: groep individuen zelfde soort, levend in bepaald gebied, die samen leven en een voortplantingsgemeenschap vormen
• recombinatie: uitwisseling van genen
• binaire naamgeving: geslachtsnaam; soortaanduiding; L. (linnaeus)
•microbiologie: houdt zich bezig bestuderen bacteriën


• lineair dna: begin en eind ; circulair dna: (loopt rond; bij bacterie)
• bacteriën: plasmiden (kleinere circulaire chromosomen) en 2 dna chromosomen
• bacteriën voortplanting door deling
• panthogene bacterie: ziekteverwekkend; overleven in endospore (dna met beetje cytoplasma in een beschermend kapsel: cyste)
• cyanobacterie: chorofyl en blauw pigment; land en water
• eencellige schimmels: vb gisten; ongesl. voortplanten met knopvorming
• veelcellige schimmels opgebouwd uit hyfen/schimmeldraden. Netwerk hyfen = mycelium
|> voortplanten via sporen vaak; spore groeit tot hyfe, hyfe tot mycelium, aan uiteinde hyfe ontstaan sporen. Voortplanting geslachtelijk of ongeslachtelijk( sporen schimmel haploïd)
• geslachtelijk paddestoel(veelcellige schimmel): uiteinde mycelia raken, kern van de ene bij de andere, ontstaat cel 2 kernen, hieruit veel cellen 2 kernen= nieuwe paddestoel, onder hoed paddestoel versmelten kernen->diploïde zygote, meiose-> haploïde sporen.
• penicilline: versoort vorming celwanden door bacterie
• planten : celullose, chloroplasten (bevatten chlorofyl)
• indeling planten: wieren; mossen; paardenstaarten; varens; zaadplanten
• enkel zaadplanten niet voortplanting met sporen, andere samen = sporenplanten
•paardenstaart, varen, zaadplant: hout- en bastvaten. Deze samen = vaatplanten
•plankton: verzamelnaam micro-organismen; plantaardig: fytoplankton; dierlijk: zoöplankton
•zaadplanten: bedekt-(in vruchten; gras en loofbomen etc.) en naaktzadigen(tussen schubben; naaldbomen)
•dieren: vb bilateraal (tweezijdig) symmetrisch, radiaal(straalsgewijs) en assymetrisch
• exoskelet(buitenkant lichaam) en endoskelet (binnen lichaam) of geen skelet
•eencellige dieren kloppende vacuole(opslag opgenome water door osmose); delen zich
• amoebe maakt schijnvoetjes voor beweging; fagocytose voor voeden
• pantoffeldiertje trilhaartjes; oogdiertje zweephaar;
•weekdieren: tweekleppigen(schelp 2 delen) slakken gedraaid huisje; naaktslakken ooit huisje; inktvis inwendige schelp.
•geleedpotigen: duizendpoten(geheel segmenten); kreeftachtigen(deels segmenten); spinachtigen (geen segmenten); insecten (kop,borststuk,achterlijf) -> groei tijdens vervelling
• metamorfose (vb larve -> pop -> imago = volwassen insect)
• gewervelden: vissen; amfibieën; reptielen; vogels; zoogdieren
♦ evolutie= ontstaan en verandering levensvormen in de loop van zeer lange tijd op aarde
♦ Jean de Lamarck: theorie over evolutie; geleidelijke verandering soort-> verandering tijdens leven geef je door aan nakomelingen.
♦ Charles Darwin’s idee in huidige evolutietheorie = neodarwinisme: diversiteit in genotypen; natuurlijke selectie; soortvorming door reproductieve isolatie.
♦ mutaties: ‘fout’ in natuur + recombinatie= grote diversiteit genotypen-> ook veel fenotypen
♦ natuurlijke selectie: organisme met de beste aanpassing overleven ‘survival of the fittest’
♦ selectiedruk: bepaalt wat er gebeurt met genotypen en fenotypen binnen populatie. Druk= laag-> veel verschillen; druk=hoog-> weinig verschillende, enkel die met voordeel(vb kleur)
|♦ nieuwe soorten door reproductieve isolatie = enkel voortplanting binnen 1 populatie.
♦ fossielen: versteende overblijfselen organismen of afdruk ervanßonderzoek=paleontologie
♦ ouderdom fossielen met radio-isotopen (halfwaarde tijd)
♦ gesteente met fossielen (soort over groot gebied) ongeveer gelijke ouderdom-> gidsfosielen
♦ homologe organen: organen met zelfde bouwplan(vb vin v. vis; arm v. mens)
♦ analoge organen = organen die toevallige zelfde functie hebben, niet dezelfde grondvormen
♦ rudimentaire organen/rudimenten: ‘resten’ organen. Geen functie meer(vb. heupen slang)
♦ overlevingskans(bepaald genotype> minder/meer overlevingskans); mutaties (idem)
♦ micro-evolutie: verandering genfrequentie populatie; macro = ontstaan nieuwe soorten/groepen
♦ co-evolutie: een evoluerende soort beïnvloedt andere soort die zo ook evolueert.
♦ reproductieve isolatie: populaties afgesneden. Mutaties blijven in 1 populatie. (geografisch)
♦ bloeien/jagen etc.
♦ oeratmosfeer: geen leven. Botsingen van gassen door bliksem, vulkaan etc. >organische stof
uit organische stof>eencellige prokaryoot>autotrofe organismen>…>
♦ endosymbiose theorie: theorie over ontstaan cel met organellen à ingesloten bacteriën

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

L.

L.

hallo
dit klopt geloof ik niet helemaal
want ik heb bvj 1a en dit komt niet overeen met de besproken onderwerpen

6 jaar geleden