Samenvatting Biologie Thema 1.



Basisstof 1. Voedingsmiddelen en voedingsstoffen.

Plantaardig (wortels, stengels, bladeren, vruchten of zaden)

Voedingsmiddelen: alles wat je eet of drinkt.

Dierlijk (afkomstig van dieren (vlees, worst) of producten van dieren (eieren, melk)

Voedingsstoffen: de bruikbare bestanddelen van voedingsmiddelen.

• Kunnen dienen als: bouw-, brand- of reservestoffen.

Bouwstoffen zijn nodig voor de groei en ontwikkeling van je lichaam en voor herstel bij verwondingen en beschadigingen. M.b.v. bouwstoffen kan je lichaam nieuwe cellen en weefsels maken.

Brandstoffen leveren energie. Alle organen in je lichaam hebben energie nodig om te kunnen werken. Voor alle bewegingen die je maakt is energie nodig. Ook voor het op peil houden van je lichaamstemperatuur en voor groei, ontwikkeling en herstel van je lichaam is energie nodig. Om brandstoffen om te zetten in reservestoffen verbruikt je lichaam 8 KJ per gram vet.



Reservestoffen zijn niet direct nodig als bouw- of brandstoffen. Ze worden opgeslagen in bepaalde delen van je lichaam.

Beschermende stoffen beschermen je tegen ziektes. Je hebt ze dus hard nodig.



• Verschillende voedingsstoffen: eiwitten, koolhydraten, vetten, water, vitamines en mineralen. Je hebt alle zes groepen voedingsstoffen nodig om gezond te blijven.

Eiwitten zijn belangrijke bouwstoffen in je lichaam; bij de vorming van nieuwe cellen worden veel eiwitten gebruikt. Eiwitten die niet als bouwstoffen worden gebruikt, worden als brandstoffen gebruikt. Eiwitten kunnen niet als reservestoffen dienen, daarvoor moeten ze eerst worden omgezet in vet. In bijv. vlees en melk zitten veel eiwitten.

Koolhydraten dienen vooral als brandstoffen, maar kunnen ook dienen als bouw- of reservestoffen. Tot de koolhydraten behoren o.a. glucose, suiker en zetmeel. In bijv. aardappelen (zetmeel) en jam (suiker) zitten veel koolhydraten.

Vetten dienen vooral als brandstoffen, maar kunnen ook dienen als bouw- of reservestoffen. Je voedsel hoeft niet veel vet te bevatten. Als te veel vet binnenkrijgt, wordt het opgeslagen als reservestof. Je kunt dan dik worden. In bijv. boter en chips zitten veel vetten.

Water is een belangrijke bouwstof in je lichaam. Je lichaam bestaat voor ±60% uit water. Water vervult een belangrijke rol bij het vervoer van stoffen in je lichaam. Bloed bestaat voor een groot deel uit water. We kunnen niet lang zonder water. Alle dranken, fruit en sommige groenten zijn voedingsmiddelen die veel water bevatten.



Vitamines dienen als bouwstoffen of beschermende stoffen. Als je te weinig of te veel vitamines binnenkrijgt, word je ziek. De vitamines worden aangegeven met een letter. De belangrijkste vitamines zijn A, B, C en D. Groente, fruit, vis en melk bevatten veel vitamines.

Mineralen worden ook wel zouten genoemd. Je hebt allerlei mineralen als bouwstoffen nodig. Voor de opbouw van beenderen heb je bijv. kalk nodig. Mineralen kunnen ook dienen als beschermende stoffen. Van mineralen heb je maar een klein beetje per dag nodig.



Basisstof 2. Gezonde voeding.

Het voedingscentrum heeft een voedingswijzer met 10 spelregels samengesteld om te helpen bij gezonde voeding. De voedingswijzer bevat 4 groepen voedingsmiddelen die we dagelijks nodig hebben. Uit de grote groepen (met de plantaardige voedingsmiddelen) moet je meer eten o.a. omdat deze rijk zijn aan zetmeel en voedingsvezel.

Groep 1: eet dagelijks brood en aardappelen (of rijst, macaroni, spaghetti, peulvruchten). Deze voedingsmiddelen leveren vooral zetmeel, plantaardige eiwitten, vitamines, mineralen en voedingsvezel. Kies het liefst de donkere producten zoals volkorenbrood en –macaroni.

Groep 2: eet dagelijks groente en fruit. Deze voedingsmiddelen leveren vooral vitamine C en voedingsvezel.

Groep 3: drink dagelijks melk en eet dagelijks kaar (of andere melkproducten) en vlees, vleeswaren, kip, vis, ei, tahoe of tempeh. De laatste 2 worden gemaakt van sojabonen en worden vaak i.p.v. vlees gegeten. Voedingsmiddelen uit deze groep leveren vooral (dierlijke) eiwitten, vitamines en mineralen (o.a. kalk). Kies het liefst de minder vette soorten (halfvol).

Groep 4: eet dagelijks margarine, halvarine of olie. Deze voedingsmiddelen leveren vooral vetten en vitamines. Wees matig met deze voedingsmiddelen.

Zorg er verder voor dat je dagelijks ten minste 1½ liter vocht drinkt.



Basisstof 3. Hoeveel moet je eten en drinken?

Hoeveel energie een persoon per dag nodig heeft hangt af van verschillende factoren zoals het geslacht, de leeftijd, de lichaamsgrootte en de lichamelijke inspanning.

• Jongens en mannen hebben meer energie nodig dan meisjes en vrouwen.

• Een groot lichaam heeft meer energie nodig dan een klein lichaam.

• Bij lichamelijke inspanning is je energiebehoefte groter dan wanneer je slaapt.

Lijnen door maaltijden over te slaan of door minder te eten dan de aanbevolen hoeveelheden is verkeerd omdat van je van brood, aardappelen, groente en fruit niet dik wordt. Van vette dingen en de tussendoortjes wordt je dik. En van die tussendoortjes ga je juist meer eten als je bij de maaltijden niet voldoende eet of als je een maaltijd overslaat.



Basisstof 4. Aantonen van zetmeel. Basisstof 5. Eerlijk zullen we alles delen.

• De aantoonstof of indicator van zetmeel is joodoplossing.

• Jood oplossing is geelbruin en wordt blauwzwart als er zetmeel bijkomt.

Oorzaken Ondervoeding:

• Te weinig voedsel

• Tekort aan bepaalde voedingsstoffen, vooral eiwitten.

Overvoeding: iemand eet te veel en te vet.

Gevolg is dat er te veel vet als reservestof wordt opgeslagen (overgewicht).

Een volwassene heeft minimaal 7000 KJ per dag nodig om in leven te blijven. Dat is alleen voldoende voor iemand die de hele dag blijft liggen en niets doet.

Om normaal te kunnen leven en werken is minimaal 9500 KJ nodig.

Gevolgen eiwittekort:

• Mensen gaan zich slap en moe voelen. Ze willen dan niet meer werken en leren.

• Op den duur worden mensen ziek.

Gevolgen eiwittekort kleine kinderen:

• Langzamere groei en ontwikkeling

• Mogelijke hersenbeschadiging

• Opgezwollen buikjes (hongeroedeem).

Feit: een vaststaand gegeven. Is voor iedereen hetzelfde.

Mening: meningen zijn verschillend. Je kunt het ermee eens zijn of niet. Geeft weer hoe iemand over iets denkt of wat iemand ergens van vindt.



Basisstof 6. Het verteringsstelsel.

• Glucose, water, vitamines en mineralen kunnen zonder meer door de wand van het darmkanaal in het bloed worden opgenomen, ze hoeven niet te worden verteerd.

• Eiwitten, de meeste koolhydraten (bijv. suiker en zetmeel) en vetten kunnen niet door de darmwand heen in het bloed worden opgenomen. Ze moeten eerst worden verteerd. Ze worden dan omgezet in verteringsproducten, die wel in het bloed kunnen worden opgenomen.

Vertering: het omzetten van voedingsstoffen (m.b.v. enzymen) die niet door de darmwand heen in het bloed kunnen worden opgenomen, in verteringsproducten die wel kunnen worden opgenomen in het bloed.

De vertering gebeurt met verteringssappen.

• Verteringssappen worden gemaakt door de verteringsklieren.

• Veel verteringssappen bevatten enzymen.

Enzymen: stoffen die scheikundige processen versnellen. De enzymen in verteringssappen zorgen ervoor dat de vertering snel verloopt.

Voedingsvezel: kan niet worden verteerd. Ze verlaten het lichaam via de anus. Ze stimuleren de darmperistaltiek.

Darmperistaltiek (peristaltische bewegingen): het afwisselend samentrekken en ontspannen van kringspieren en lengtespieren in de wand van het gehele darmkanaal.



Basisstof 7. Het gebit.

• Uitwendige bouw van een tand of kies:

- Kroon: deel dat buiten de kaak uitsteekt.

- Wortel(s): deel in de kaak.

• Inwendige bouw van een tand of kies:

- Tandbeen.

- Tandholte: holte in het tandbeen waarin bloedvaten en zenuwen liggen.

- Glazuur: zeer harde laag om het tandbeen van de kroon.

- Cement: laagje om het tandbeen van de wortel(s).

- Wortelvlies: bevestigt de tand of kies in de kaak (De kaak is bedekt met tandvlees).

Delen van een gebit en hun functies:

• Snijtanden:

- beitelvormig

- functie: afbijten van voedsel

• Hoektanden:

- puntige bovenkant

- functie: afbijten van voedsel

• Kiezen:

- knobbelige bovenkant

- functie: fijnmalen van voedsel

Samenstelling blijvend gebit en een melkgebit en de tandformules.

• Melkgebit

- ontstaat tussen een ½ en 2 jaar

- in iedere kaakhelft zitten 2 snijtanden, 1 hoektand en 2 kiezen

- Tandformule 2. 1. 2. | 2. 1. 2.

------------------------

2. 1. 2. | 2. 1. 2.

• Blijvend gebit

- ontstaat vanaf ongeveer 6 jaar door vervanging v/h melkgebit (wisselen).

- in iedere kaakhelft zitten 2 snijtanden, 1 hoektand en 5 kiezen, waarvan 1 verstandskies.

(De verstandskies zijn vaak te klein om goed te kunnen kauwen. Het komt ook voor dat ze niet verschijnen of dat ze snel na het verschijnen moet worden getrokken).

- Tandformule 5. 1. 2. | 2. 1. 5.

------------------------

5. 1. 2. | 2. 1. 5.

• Tandplak: een dun laagje dat zich dagelijks op de tanden en kiezen afzet.

- tandplak bestaat uit bacteriën, etensresten en speeksel.

• Gevolgen van tandplak:

- Bacteriën in tandplak zetten suiker uit het voedsel om in zuur. Het zuur lost het glazuur van de tanden en kiezen op.

- Bacteriën in tandplak kunnen tandvleesontsteking veroorzaken. Daardoor kunnen de wortels ontstoken raken, zodat de tanden en kiezen losraken.

- Tandplak kan verkalken tot tandsteen. Tandsteen kun je niet zelf verwijderen.

• Je kunt tandplak tegengaan door:

- dagelijks minstens één keer op de juiste manier te poetsen.

- niet vaker dan viermaal per dag een tussendoortje te gebruiken.



Basisstof 8. De organen voor de vertering

• Mondholte met gebit en speekselklieren.

- Functie gebit: het voedsel in kleine stukjes verdelen (kauwen), zodat het beter in te slikken is. Voedsel vermengen met speeksel. Ook wordt het oppervlak van het voedsel vergroot, zodat enzymen op een groter oppervlak kunnen inwerken.

- Functie speekselklieren: produceren van speeksel.

• Slokdarm.

- Functie: het voedsel verplaatsen van de keelholte naar de maag.

• Maag.

- Functie: het voedsel tijdelijk opslaan.

- Maagportier: kringspier die de maag afsluit.

- Maagsapklieren produceren maagsap.

• Lever.

- Functie: gal produceren.

- Gal wordt tijdelijk opgeslagen in de galblaas en afgevoerd via de galbuis.

• Alvleesklier.

- Functie: alvleessap produceren.

• Twaalfvingerige darm.

- Functie: gal en alvleessap vermengen met de voedselbrij.

• Dunne darm.

- Functie: voedingsstoffen, verteringsproducten en water opnemen in het bloed.

- Door darmplooien en darmvlokken heeft de wand een groot oppervlak. De darmvlokken bevatten veel bloedvaten.

- Darmsapklieren produceren darmsap.

• Blinde darm met wormvormig aanhangsel (appendix).

- Bij een blindedarmontsteking is het wormvormig aanhangsel ontstoken.

• Dikke darm.

- Functie: water onttrekken aan de brij van onverteerde voedselresten, die daardoor worden ingedikt. Het water wordt opgenomen in het bloed.

- Bij diarree wordt in de dunne en dikke darm onvoldoende water in het bloed opgenomen.

• Endeldarm.

- Functie: verzamelen en tijdelijk opslaan van onverteerde voedselresten (ontlasting).

- Anus: kringspier die de endeldarm afsluit.

Functies van de verteringssappen.

• Speeksel: water, slijm en enzym.

- Functie slijm: de glijbaarheid van het voedsel verhogen.

- Functie enzym: zetmeel voor een deel verteren.

• Maagsap: water, zoutzuur en enzym.

- Functie zoutzuur: bacteriën in het voedsel doden.

- Functie enzym: eiwitten voor een deel verteren.

• Gal: bevat geen enzym.

- Functie: vetten emulgeren (grote vetdruppels verdelen in kleine vetdruppels), zodat de vetten beter bereikbaar zijn voor de enzymen.

• Alvleessap: bevat verschillende enzymen.

- Functie: eiwitten, koolhydraten en vetten verteren.

• Darmsap: bevat verschillende enzymen.

- Functie: de vertering van eiwitten en koolhydraten afmaken.



Extra basisstof 9. Hoe houd je je voedsel goed?

• Additieven: stoffen die aan voedingsmiddelen worden toegevoegd om ze aantrekkelijker of langer houdbaar te maken.

- Kleur-, geur- en smaakstoffen en conserveermiddelen.

• Conserveren: voedsel behandelen zodat het niet bederft.

- Door conserveren worden de omstandigheden voor bacteriën en schimmels ongunstig gemaakt.

• Natuurlijke conserveermiddelen zijn: veel suiker, zuur of zout. Hier kunnen bacteriën en schimmels niet tegen.

- Bij het confijten van jam wordt veel suiker toegevoegd.

- Bij augurken en uitjes wordt veel zuur toegevoegd.

- Bij nieuwe haring en olijven wordt veel zout toegevoegd.

• Kunstmatige conserveermiddelen toevoegen: bijv. sulfiet in dranken.

• Invriezen (bijv. vlees): de temperatuur verlagen tot – 20º C.

- Bij deze temperatuur zijn bacteriën en schimmels onwerkzaam.

• Pasteuriseren (bijv. melk): (kort) verhitten tot een temperatuur waarbij de meeste bacteriën en schimmels doodgaan.

- Bij pasteuriseren blijft de smaak van het voedsel goed bewaard.

• Steriliseren (bijv. melk): (lang) verhitten tot een temperatuur waarbij alle bacteriën en schimmels doodgaan.

- Bij steriliseren verandert de smaak van het voedsel.

• Inblikken (bijv. groente of fruit): na verhitting wordt het voedsel luchtdicht verpakt.

• Vacuüm verpakken (bijv. koffie): hierbij wordt alle lucht uit de verpakking gezogen.

• Drogen (bijv. krenten of rozijnen): aan het voedsel wordt water onttrokken.

Voedselvergiftiging: als je besmet voedsel (salmonellabacterie) hebt gegeten.



Extra basisstof 10.

Aantonen van glucose.



Extra basisstof 11.

Voeding en vertering bij zoogdieren.

Fehling is de indicator van glucose. Fehling is paars en wordt geel (weinig glucose), oranje (matig veel glucose) of rood (veel glucose) als er glucose bijkomt.

• Plantaardig voedsel is moeilijker verteerbaar dan dierlijk voedsel, doordat plantaardig voedsel celwanden van cellulose bevat en omdat er vezels inzitten.

• Planteneters (herbivoren).

- Het darmkanaal is in verhouding tot de lichaamslengte lang.

- De kiezen zijn plooikiezen, waarmee plantaardig voedsel kan worden fijngemalen. De plooien lopen loodrecht op de kauwrichting.

- De hoektanden ontbreken vaak.

• Vleeseters (carnivoren).

- Het darmkanaal is in verhouding tot de lichaamslengte kort.

- De kiezen zijn knipkiezen, waarmee dierlijk voedsel in stukken kan worden geknipt. De bovenkaak is breder dan de onderkaak.

- De hoektanden zijn meestal groot, spits en scherp.

• Alleseters (omnivoren).

- Het darmkanaal is in verhouding tot de lichaamslengte middellang.

- De kiezen zijn knobbelkiezen, waarmee het voedsel kan worden geknipt en gemalen.

- De hoektanden zijn altijd aanwezig.

Aantekeningen uit schrift.

Vitaminen:

• Vitamine A:

- Zit o.a. in worteltjes, bladgroenten en tomaten.

- Belangrijk voor de ogen.

- Tekort: nachtblindheid.

• Vitamine B:

- 12 verschillende soorten.

- Zit o.a. in volkorenbrood en bier.

- Belangrijk voor de zenuwen.

-Tekort: zenuwziekte beri-beri, snel ziek.

• Vitamine C:

- Zit o.a. in groente en fruit.

- Belangrijk voor de weerstand.

- Tekort: scheurbuik.

• Vitamine D:

- Zit o.a. in zuivelproducten.

- Wordt gemaakt door de zon op de huid.

- Belangrijk voor sterke botten.

- Tekort: Engelse ziekte (Rachitis), vergroeiingen.

• Vitamine E:

- Zit o.a. in graan en volkorenproducten.

- Belangrijk voor de weerstand.

- Tekort: snel ziek.

• Vitamine K:

- Wordt gemaakt door bacteriën in de darmen.

- Belangrijk voor de bloedstolling.

- Tekort: (komt niet voor) doodbloeden.

- Anti-(vitamine)K is rattengif.

Mineralen:

• Calcium (kalk):  IJzer:

- Zit o.a. in melk. - Zit in o.a. in groente.

- Belangrijk voor (sterke) botten. - Belangrijk voor het bloed (rode bloedvloeistof).

- Teken: Ca - Teken: Fe

• Jodium:

- Zit in zout. - Belangrijk voor de schildklier (stofwisseling).


REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

J.

J.

heey dit werkstuk is helemaal foutloos :P
duss...
ik heb er veel aan gehad.
dankje wel.
door jullie heb ik een 9,8 voor mijn werkstuk

11 jaar geleden