Thema 6

Beoordeling 6.3
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 2921 woorden
  • 23 oktober 2008
  • 151 keer beoordeeld
Cijfer 6.3
151 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Check check, dubbelcheck!

Heb jij tweestapsverificatie al ingesteld op je accounts? Tweestapsverificatie is jouw tweede slot op de deur 🔐. Met tweestapsverificatie heb je 99,9 procent minder kans dat je account gehackt wordt. Check hoe jij je accounts beter kunt beveiligen!

Meer informatie
Thema 6
Basisstof 1

Het zenuwstelsel bestaat uit het centrale en het perifere zenuwstelsel.
Centrale zenuwstelsel -> Grote- en kleine hersenen, hersenstam en ruggenmerg
Perifere zenuwstelsel -> Zenuwen
De zenuwen verbinden het centrale zenuwstelsel met de rest van het lichaam.
Een prikkel is een invloed uit het milieu op een organisme.
Onder invloed van prikkels ontstaan in zintuigcellen impulsen.
Impulsen zijn een soort elektrische signalen, die door zenuwen kunnen worden voort geleid.
De impulsen die in zintuigcellen ontstaan worden naar de hersenen geleid, Je hersenen verwerken deze impulsen en geven nieuwe impulsen af. Deze impulsen worden door zenuwen naar het desbetreffende organisme geleid.

Het zenuwstelsel zorgt voor het verwerken van impulsen afkomstig van zintuigen en voor het regelen van de werking van spieren en klieren.
Receptoren( recipere = ontvangen) -> zintuigcellen
Conductoren ( conducere = voort geleiden ) -> zenuwcellen
Effectoren ( efficere = uitvoeren ) -> spiercellen en kliercellen.

Het zenuwstelsel bestaat uit zenuwcellen ( neuronen). Elke zenuwcel is opgebouwd uit een cellichaam en uitlopers. (Zie plaatje blz 271)
Cellichaam -> kern, cytoplasma met mitochondriën, ribosomen en endoplastisch reticulum. Vlak bij centrale zenuwstelsel.
Uitlopers -> lieden impulsen voort.
Dendriet -> impulsen naar cellichamen toe.
Axon -> Impulsen van cellichaam af.
Bij bepaalde zenuwcellen zijn de uitlopers omgeven door myelineschede.
Myelineschede -> bestaat uit cellen van schwann.
Tussen 2 op een volgende cellen van schwann is er een insnoering.

3 typen zenuwcellen:
Sensorische zenuwcellen -> geleiden impulsen van receptoren naar centrale zenuwstelsel. Vlak bij centrale zenuwstelsel.
1 lange dendriet en een korter axon.
Motorische zenuwcellen -> geleiden impulsen van het centrale zenuwstelsel naar effectoren.

In het centrale zenuwstelsel.
Meerdere kortere dendrieten en 1 lange axon.
Schakelcellen -> geleiden impulsen binnen het centrale zenuwstelsel.
Ontvangen impulsen van sensorische zenuwcellen en geven deze door aan motorische zenuwcellen. Schakelcellen kunnen ook impulsen van andere schakelcellen ontvangen
In het centrale zenuwstelsel.
Synapsen -> plaatsen waar impulsen van de ene cel naar de andere cel worden doorgegeven
Dendrieten en axonen hebben veel vertakkingen aan het eind zodat ze van veel andere cellen impulsen kunnen ontvangen. Laten impulsen slechts in 1 richting door.
(zie afbeelding blz. 271)


De uitlopers van sensorische en motorische zenuwcellen liggen bij elkaar in zenuwen en worden van elkaar geïsoleerd door myelineschede.
Om een zenuw ligt een laag bindweefsel voor bescherming.

3 typen zenuwen:
Gevoelszenuw -> bevat alleen uitlopers van sensorische zenuwcellen. (oogzenuwen)
Bewegingszenuw -> bevat alleen uitlopers van motorische zenuwcellen.
Gemengde zenuw -> bevat zowel uitlopers van sensorische- als motorische zenuwcellen. ( armen of benen verbinden met ruggenmerg)

Basisstof 2
Als een zenuwcel geen impuls voort geleidt, is de ionenconcentratie van het cytoplasma( K+-ionen en veel negatief geladen ionen) niet gelijk aan die van de vloeistof rondom de cel(Na+-ionen).Hierdoor heeft de binnenkant van een celmembraan een negatieve lading t.o.v. de buitenkant.

(zie afbeelding 7 blz. 273)
Actiefase -> als de binnenkant van het celmembraan even een positieve lading krijgt.
Herstelfase -> na de actiefase kan het celmembraan even geen impulsen voortgeleiden.
Impulssterkte -> de grootte van de verandering die optreedt in de elektrische lading van het celmembraan.
Impulsfrequentie -> is het aantal impulsen dat per tijdseenheid door de zenuwcel wordt voort geleid.
Sprongsgewijze impulsgeleiding -> doordat de myelineschede een isolatielaag vormt om de uitlopers kunnen bij de zenuwceluitlopers alleen ionen bij de insnoeringen de cel in- en uit gaan. Hierdoor verloopt de impulsgeleiding vele malen sneller.
Prikkeldrempel -> de sterkte van de toegediende prikkel tot het celmembraan de elektrische lading niet kan handhaven.
Als het celmembraan de elektrische lading niet kan handhaven ontstaat er een impuls.
De prikkelsterkte heeft geen invloed op de impulssterkte, wel op de impulsfrequentie.
Gewenning -> als een persoon steeds meer van een stof moet nemen om het zelfde effect te krijgen.

Basisstof 3
Het ruggenmerg ligt goed beschermd in het wervelkanaal in de wervels.
Van de halswervel tot aan het staartbeen verlaten 31 paar ruggenmergzenuwen (door openingen links en rechts tussen de wervels) het wervelkanaal.
Schors -> buitenste gedeelte ruggenmerg waarin zich witte stof bevindt.

Witte stof -> hierin liggen veel uitlopers van schakelcellen.
Merg -> vlindervormig gedeelte waarin grijze stof ligt.
Grijze stof -> hierin liggen de cellichamen van de schakelcellen en van motorische zenuwcellen.
Ruggenmergzenuwen zijn gemengde zenuwen. Elke ruggenmergszenuw verbindt een bepaald gedeelte van de romp of ledematen met het ruggenmerg.
De uitlopers van sensorische zenuwcellen liggen bij elkaar in gevoelszenuwen.(rugzijde)
Ruggenmergzenuwknopen/spinale ganglia -> Een opeenhoping van zenuwcellichamen buiten het centrale zenuwstelsel.
De cellichamen van de sensorische zenuwcellen zijn door uitlopers verbonden aan de grijze stof.
Grijze stof rugzijde -> cellichamen van schakelcellen.
Grijze stof buikzijde -> cellichamen van motorische zenuwcellen.
Uitlopers van motorische zenuwcellen verlaten het ruggenmerg aan de buikzijde in de bewegingszenuwen.
Bewegingszenuwen -> komen uit in de ruggenmergzenuwen.
Het ruggenmerg is omgeven door 3 ruggenmergvliezen voor bloedvoorziening en bescherming.
Centrale kanaal -> een holte in het midden van het merg gevuld met vocht en rechtstreeks in verbinding staat met de hersenholten.

Basisstof 4
De hersenen bestaan uit de grote- en kleine hersenen en de hersenstam.

12 paar hersenzenuwen verbinden de hersenen met receptoren en effectoren in hoofd en hals.
Grote- en kleine hersenen bestaan ieder uit rechter en linker hersenhelft.
(zie afb. 18 blz. 279)

De hersenstam ligt in het verlengde van het ruggenmerg.
Hersenstam -> geleid impulsen van het ruggenmerg naar de grote- en kleine hersenen, en omgekeerd.
De impulsbanen van de linker en rechterhersenhelft kruizen elkaar waardoor de rechterhelft van de hersenen de impulsen uit het linker gedeelte van het lichaam ontvangt en andersom.
Grote hersenen -> hierin komen veel impulsen binnen, pas als de impulsen in de grote hersenen zijn verwerkt merk je de prikkel.
Hersencentra -> In de grote hersenen liggen de cellichamen in groepen bij elkaar.
Sensorische centra -> liggen bij elkaar in de hersenschors achter de centrale groeve.
Hierin worden binnenkomende impulsen verwerkt.
De sensorische centra voor reuk, gehoor en gezicht liggen apart in de hersenschors.
Motorische centra -> liggen bij elkaar in de hersenschors voor de centrale groeve.
De motorische centra voor een bepaald lichaamsdeel liggen vlak bij de sensorische centra van dat lichaamdeel. De motorische centra voor schrijven en spreken liggen apart in de hersenschors.
In de motorische centra kunnen impulsen ontstaan die via de hersenstam en motorische zenuwcellen naar spieren in het hoofd en hals worden geleid, of via het ruggenmerg en motorische zenuwcellen naar spieren in de romp of andere ledematen.

Kleine hersenen -> coördineren de bewegingen die je maakt. behouden evenwicht.
De hersenen zijn voorzien van 3 hersenvliezen, voor het voorzien van bloed en bescherming.
In de hersenen bevinden zich holten gevuld met vocht die rechtstreeks in verbinding staan met het ruggenmerg.

Basisstof 5

Bij het reageren op prikkels kunnen impulsen op verschillende manieren door het zenuwstelsel worden voort geleid.
We onderscheiden er 2:
Bewuste reacties -> Op het moment dat je word geduwd, gaan er impulsen van receptoren in je huid via sensorische zenuwcellen naar de schakelcellen in het ruggenmerg. Door de schakelcellen worden de impulsen via de uitlopers in de witte stof van het ruggenmerg en de hersenstam naar de grote hersenen geleid. De impulsen komen aan in sensorische centra en worden daar verwerkt. (Je bent bewust van het duwen.) Op dat moment ontstaan er motorische centra impulsen. Deze impulsen worden via uitlopers naar schakelcellen in de kleine hersenen, de hersenstam en het ruggenmerg geleid. Vanuit de hersenstam gaan impulsen via motorische zenuwcellen naar spieren in je hoofd ( je kijkt waar het vandaan kwam.) En vanuit het ruggenmerg gaan impulsen naar spieren in je romp en ledematen. ( je duwt terug ) Je kleine hersenen zorgen er voor dat je tijdens het duwen je evenwicht niet verliest.

Reflexen -> een vaste, snelle, onbewuste reactie op een prikkel.
Bij een tik op je kniepees wordt de bovenste dijspier een beetje uitgerekt. Onder invloed van deze prikkel ontstaan in zintuigcellen in deze dijspier impulsen. Deze impulsen worden via sensorische zenuwcellen naar het ruggenmerg geleid. In het ruggenmerg vertakken de uitlopers van sensorische zenuwcellen zich. Via de vertakkingen worden impulsen naar bepaalde motorische zenuwcellen geleid. Hierdoor geleiden deze motorische zenuwcellen impulsen naar de bovenste dijspier toe, waardoor deze zich samen trekt. Via andere vertakte uitlopers worden impulsen naar schakelcellen geleid. Deze schakelcellen geleiden impulsen naar andere motorische zenuwcellen Onder invloed van deze impulsen word ervoor gezorgd dat de onderste dijspier ontspant.
Ook worden er impulsen naar de hersenen geleid, hierdoor ben je kort bewust van de tik en de reactie daarop.

De impulsgeleiding van de reflexen is bijzonder omdat de uitlopers van de sensorische zenuwcellen direct in verbinding staan met de motorische zenuwcellen. Normaal zitten er nog schakelcellen tussen.

Reflexboog -> de weg die de impulsen bij een reflex afleggen.
Voorbeelden van reflexen -> hoestreflex, de pupilreflex, ooglid reflex, het slikreflex.

Basisstof 6
Animale zenuwstelsel -> regelt bewuste reacties en reflexen.
Hierbij zijn zintuigen en skeletspieren betrokken.
Door het animale zenuwstelsel worden houdingen en bewegingen van je lichaam geregeld.

Autonome zenuwstelsel -> regelt de werking van inwendige organen.
Regelt bijvoorbeeld hartslag en ademhaling.

Het autonome zenuwstelsel wordt onderverdeeld in 2 delen:
Orthosympatische deel -> Beïnvloed organen zodat ze arbeid verrichten, voor arbeid is energie nodig, dit komt vooral uit de verbranding van glucose.
Het orthosympatische deel beïnvloedt de dissimilatie.
Dissimilatie -> Alle processen waarbij energie wordt vrijgemaakt.
Bij het orthopatische deel worden impulsen vanuit het ruggenmerg via de grensstrengen naar organen geleid.

Grensstrengen -> twee reeksen van ganglia links en rechts van de wervelkolom, vanuit deze ganglia lopen zenuwen naar de organen.

Parasympatische deel -> bevordert organen zodat ze in toestand van rust en herstel kunnen komen.
Het parasympatische deel bevordert assimilatie.
Assimilatie -> bij assimilatie worden de stoffen gevormd waaruit je lichaam bestaat.
Voor assimilatie processen in ook energie nodig, de energie wordt vast gelegd in gevormde organische stoffen.
Bij het parasympatische deel worden impulsen via de linker en rechte zwervende zenuw voort geleid. Deze zenuwen ontspringen in de hersenstam. Vertakkingen ervan lopen naar de organen.
Doelwit orgaan -> een orgaan dat door een bepaald deel van het centrale zenuwstelsel wordt beïnvloed.
Innervatie -> de voorziening van een orgaan met zenuwen.
Dubbele innervatie -> Elk doelwit orgaan wordt geïnnerveerd door 2 zenuwen van het autonome zenuwstelsel, een orthosympatische en een parasympatische.
Beide delen zijn altijd actief, het hangt er vanaf welke het meest actief is.
Centra in de hersenstam coördineren de activiteiten van het autonome zenuwstelsel.

Basisstof 7
Glad spierweefsel -> bestaat uit langwerpige spiercellen, elk met een celkern.
Glad spierweefsel komt voor in de huid en in de wand van holle of buisvormige organen.

Glad spierweefsel wordt geinnerveerd door het autonome zenuwstelsel.
De samentrekking verloopt relatief laag, maar de spiercellen raken niet snel vermoeid.

Dwarsgestreept spierweefsel -> bestaat uit spiervezels.
Doordat de spiervezel bestaat uit vele versmeltingen van spiercellen heeft een spiervezel ook veel celkernen.
Dwarsgestreept spierweefsel komt voor bij skeletspieren, en soms met beide uiteinden aan de huid vast.
Dwarsgestreept spierweefsel wordt geinnerveerd door het animale zenuwstelsel.
De samentrekking verloopt snel, maar de spiervezels raken ook snel vermoeit.

Een skeletspier is omgeven door bindweefsel.
Aan het einde van de spier gaat het bindweefsel van de spier over in bindweefsel van de pezen.
Motorisch eindplaatje -> hier worden de impulsen van de motorische zenuwcel overgebracht op een spiervezel.
Motorische eenheid -> alle spiervezels die via motorische eindplaatjes in verbinding staan met één motorische zenuwcel.
Of een spier zich samen trekt hangt af van de prikkeldrempel en de impulsfrequentie, de ene spier trekt al samen bij weinig impulsfrequentie, de andere heeft hier veel impulsfrequentie voor nodig.
In een spiervezel zijn een groot aantal spierfibrillen, daar tussen zitten veel mitochondriën en glycogeenkorrels.

Glycogeenkorrels -> hierin is de reservestof glycogeen opgeslagen.
Filamenten -> eiwitdraden.
Elke spierfibril bestaat uit veel filamenten
Dunne filamenten bestaan uit actine. Dikke bestaan uit myosine, ze liggen in een regelmatig patroon.

Als impulsen via een motorisch eindplaatje bij een spiervezel aankomen, schuiven actine- en myosinefilamenten in elkaar. Hierdoor word de spiervezel korter. De lichte banden van de dwarse streping worden dan zeer smal, de donkere banden blijven even breed.
Voor dit samen schuiven is energie nodig, dit wordt gevormd door dissimilatie.
Naar elke spier lopen veel motorische zenuwcellen, deze geleiden de impulsen niet gelijktijdig zodat de spier niet al te snel vermoeid raakt. [zie afb.36 blz. 290 ]



Bij een beweging zijn meerdere spieren betrokken.
Zelf als het lichaam in rust verkeerd is een skelet niet helemaal ontspannen en ontvangt zo nu en dan nog een impuls van elke motorische zenuwcel. Maar in de spier is het aantal motorische eenheden niet groot genoeg om de spier in beweging te krijgen.
Spierspanning -> de spanning die de spier uit oefent op de pezen.
De spierspanning speelt een belangrijke rol bij de lichaamshouding.
Reflexen houden het evenwicht, als je naar voren leunt, spant de kuitspier zich in een reflex aan zodat je in balans bent, zonder dat je je hier van bewust bent.

Antagonisten -> spieren die waarvan het samentrekken een tegenovergesteld effect heeft.
Regelmatige lichaamsbeweging houdt de spieren in goede conditie en raken ze minder snel geblesseerd, zo word de kans op bepaalde ziekten kleiner.
Door training kunnen de skeletspieren beter prestaties leveren. Als er op kracht wordt getraind, worden de spieren zwaarder. De spieren krijgen dan meer spiervezels en het aantal spierfibrillen neemt toe.
Als er op uithoudingsvermogen wordt getraind, neemt de doorbloeding van de spier toe, de spieren worden dan niet zwaarder.

De spierkracht wordt vergroot door spierversterkende middelen te gebruiken ( doping).
Deze middelen bevatten anabole steroïden, vergelijkbaar met het mannelijke hormoon testosteron. De eiwitsynthese, de groei van de spieren en de vorming van bloedcellen worden gestimuleerd. De middelen onderdrukken ook het gevoel van vermoeidheid, de sporter weet dus ook niet meer hoe ver die kan gaan. Vrouwen gaan er mannelijker uitzien van deze middelen. Bij sporters word er een doping test gedaan, en word de urine van de sporters gecontroleerd op verboden middelen.

Basisstof 8
Het hormoonstelsel bestaat uit een aantal klieren die hormonen produceren. (hypofyse, schildklier, bijnieren, hormoonklieren van geslachtsorganen.) (zie afb. 42 blz. 193)
Endocriene klieren -> hormoon klieren.
Bij veel klieren worden de producten afgevoerd via afvoerbuizen. ( speekselklieren,zweetklieren)
Hormoonklieren hebben geen afvoerbuizen, maar worden in het bloed opgenomen, alleen in de doelwit organen is het hormoon werkzaam.
Doelwitorgaan -> Organen die gevoelig zijn voor bepaalde hormonen.

Hormoonspiegel -> de concentratie van het hormoon in het bloed dat de mate van de reactie van een doelwit orgaan bepaald.
Eén hormoon kan processen in verschillende organen regelen. Hormonen worden door de lever afgebroken.
De regeling door het autonome zenuwstelsel vindt in het algemeen veel sneller plaats dan die door het hormoonstelsel. Maar het autonome zenuwstelsel regelt kortdurende processen en het hormoon houdt meestal veel langer.
Hormonen hebben invloed op de groei voortplanting, stofwisseling etc.
Als een hormoonklier wordt weggenomen, treden er geen secundaire geslachtskenmerken op.

Hypofyse -> -ligt tussen beide hersengedeelte
- bestaat uit 2 delen: voorkwab en achterkwab.
- Produceert hormonen die de werking van andere hormoonklieren beïnvloed.
- Produceert FSH, LH , TSH , Oxytocine, Groeihormoon en antidiuretisch hormoon (ADH – regelt de productie van urine door de nieren.).
- Brengt de melksecretie in de melkklieren in de borsten op gang.
- In urine kan veel of weinig vocht het lichaam verlaten zodat het vochtbalans van het bloed constant blijft.
- Het groeihormoon regelt de groei en ontwikkeling. Als de hypofyse te veel groeihormoon afscheid is er sprake van reuzengroei. Te weinig = dwerggroei.
Hypothalamus -> ligt boven de hypofyse.

Regelt de secretie van hormonen in de hypofyse.
De hypothalamus produceert verschillende hormonen die de secretie van hormonen door de hypofyse afremmen of laten toenemen.

Schildklier -> - ligt in de hals, voor het strottenhoofd, tegen de luchtpijp aan.
- Produceert thyroxine <- beïnvloed de stofwisseling en de groei en ontwikkeling.
- Als de schildklier te weinig thyroxine produceert gaat de intensiteit van de stofwisseling omlaag, en krijgt iemand het snel koud of raakt snel moe. Bij kinderen ontstaat er een stilstand van de groei en geestelijke ontwikkeling.
- Als een volwassen persoon te weinig thyroxine produceert kan de schildklier opzetten.(struma)
- Een te laag thyroxine gehalte kan worden veroorzaakt door te weinig jood in voedsel. Jood is noodzakelijk voor de productie van thyroxine.
- TSH uit de hypofyse stimuleerd de vorming van schildklierweefselen de secretie van thyroxine.
- Thyroxine remt de secretie van TSH.
Negatieve terugkoppeling -> Theroxine remt de secretie van TSH, Door dit systeem wordt een verstoring van de concentratie van theroxine in het bloed automatisch hersteld.

Eilandjes van Langerhans -> groepjes cellen die tussen de cellen van de alvleesklier liggen.
Alvleesklier -> een verteringsklier
Eilandjes van langerhans produceren de hormonen insuline en glucagon.

Insuline en glucagon regelen het glucosegehalte in het bloed.
Bloedsuikerspiegel -> Het glucosegehalte van het bloed.
Nierdrempel -> bij overschrijding van 0.16% glucosegehalte in het bloedverlaat glucose met de urine het lichaam.
Glucagon stimuleert in de lever en de spieren de omzetting van glycogeen in glucose. Glucose wordt afgegeven aan het bloed.

Bijnieren -> - liggen als kapjes boven op de nieren.
De bijniermerg produceert het hormoon adrenaline.
Adrenaline -> wanneer je schrikt of angstig bent scheiden de bijnieren dit hormoon af. Het is een hormoon die snel en kortdurend werkt.
Adrenaline beïnvloed de lever en spieren om glycogeen om te zetten in glucose. Ook de hartslagfrequentie wordt verhoogd. De organen van het verteringstelsel worden in hun werking geremd. Adrenaline zorgt er voor dat het lichaam in situaties van grote spanningen snel kan handelen.

REACTIES

C.

C.

bedankt

12 jaar geleden

P.

P.

mooie samenvatting gfata boy allus..
heb mn pipa dermee gepoetst!

12 jaar geleden

M.

M.

@ Pietertje,
Doe normaal man

12 jaar geleden

S.

S.

Super goede samenvatting! Thanks!

12 jaar geleden

R.

R.

Niice
Mooie samenvatting, kan ik goed gebruiken, dank je :D

12 jaar geleden

M.

M.

"Deze impulsen worden door zenuwen naar het desbetreffende organisme geleid."

Klopt niet, hoe kan een impuls nou naar een organisme geleidt worden? Ik denk dat je orgaan bedoeld? Wat uberhaubt ook niet helemaal waar is.

9 jaar geleden

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.