Thema 5 Evolutie

Beoordeling 7.4
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 727 woorden
  • 26 juni 2016
  • 9 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.4
  • 9 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
Thema 5: Evolutie

 

Prokaryoten: geen celkern

Eukaryoten: wel celkern

 

3 Domeinen:

1. Bacterien (prokaryoten)

2. Archaea (prokaryoten)

3. Eukaryoten

(Protisten: restgroep eencellige eukaryoten)

 Cellen? Celgrootte? Organellen? Celwand? Hetero/autotroof?

Bacterien Eencellig 1-10 µm nee ja Hetero

Schimmels Een/veelcellig 10-100 µm ja ja Hetero

Planten Een/veelcellig 10-100 µm ja ja Auto

Dieren Een/veelcellig 10-100 µm ja nee Hetero


 



 

Organische stoffen

- afkomstig van organismen

- ingewikkelde moleculen

- moleculen bevatten 1 of meer   koolstofatomen

Anorganische stoffen

- in organismen en in levenloze natuur

- eenvoudige moleculen

 

 

Autotrofe organismen kunnen uit anorganische stoffen, organische stoffen maken. heterotrofe organismen kunnen dat niet.

Autotrofe organismen hebben geen andere organismen nodig voor hun voedsel, heterotrofe organismen wel.

 



Soort: individuen behoren tot een soort als ze in staat zijn zich onderling voort te planten en daarbij vruchtbare nakomelingen voort te brengen. (een soort bestaat uit een of meer populaties)

Populatie: een groep individuen van dezelfde soort in een bepaald gebied die smaen een voortplantingsgemeenschap vormen.


 



Binaire naamgeving: Geslachtsnaam > Soortaanduiding > Afgekorte naam van de naamgever

 

Kenmerken prokaryoten

Bacterien:

- veel soorten hebben slechts 1 kringvormig chromosoom  (soms plastiden; kleinere kringvormige chromosomen)

- voortplanting door deling

- voeden zich met dode resten van organismen (heterotroof), cyanobacterien zijn autotroof; ze bevatten chlorofiel

De mens gebruikt bacterien voor:

- productie van voedingsmiddelen zoals yoghurt, kaas en zuurkool

- productie van wasmiddelen

- de afvalwaterzuivering

- de productie van geneesmiddelen en hormonen (dna techniek)

 

Kenmerken Eukaryoten

Schimmels:

- voeden zich met dode resten van organismen (heterotroof)

Eencellige schimmels: gisten (protisten)

Meercellige schimmels: bestaan uit schimmeldraden, planten zich voort door middel van sporen

De mens gebruikt schimmels voor:

- bereiding voor voedingsmiddelen zoals brood en alcohol

- productie van penicilline

 

Indeling planten:

1. wieren/algen (protisten)

2. mossen

3. paardenstaarten

4. varens

5. zaadplanten: naaktzadigen (bv naaldbomen) en bedektzadigen (bv appelboom)

 

Indeling dieren:

1. eencellige dieren (protisten)

2. sponzen

3. holtedieren (bv zeeanemoon)

4. wormen

5. weekdieren (slak, inktvis)

6. geleedpotigen (verder ingedeeld in; duizenpoten, kreeftachtigen, spinachtigen en insecten)

7. stekelhuidigen (bv zeester)

8. gewervelden (verder ingedeeld in: vissen,  amfibieen, reptielen, vogels en zoogdieren.

 



Evolutie: De ontwikkeling van het leven op aarde , waarbij soorten ontstaan, veranderen en/of veranderen.

Neodarwinistische evolutietheorie gaat uit van:

1. genetische variatie: door mutaties en recombinatie verschillen individuen van een soort van elkaar in genotype en fenotype.

2. Natuurlijke selectie: – individuen met een betere adaptie (aanpassing) aan het milieu hebben een grotere overlevingskans – fitness; - individuen met een gunstig genotype zullen meer nakomelingen in leven blijven – soorten veranderen als door natuurlijke selectie de mutanten blijven voortbestaan en de oorspronkelijke vorm uitsterft.

3. Soortvorming door reproductieve isolatie; isolatie; een deel van de populatie raakt gescheiden en votmt een nieuwe populatie, reproductieve isolatie; er vind gedurende lange tijd geen voortplanting plaatst tussen individuen van de verschillende populaties, na verloop van tijd zijn er zoveel verschillen ontstaan dat ze zich niet meer onderling kunnen voortplanten; er zijn twee soorten ontstaan.

Andere theorien:

- Creationisme =  volgens het scheppingsverhaal (soms gecombineerd met evolutie)

- intelligent design = gaat ervan uit dat de ontwikkeling van de levende natuur niet alleen door toeval kan worden verklaard, maar dat er ook een intelligent wezen bij betrokken is geweest.

 

Genenpool: de verzameling van alle alllelen in een populatie (omvang van genenpool is een maat voor de genetische variatie.

Allelfrequentie: het percentage waarmee een bepaald allel deel uitmaakt van de genenpool. Kan veranderen door:

1. selectiedruk:  het effect dat de natuurlijke selectie uitoefent op  de allelfrequentie binnen een bepaalde populatie.

2. Mutaties: bij goede zal de frequentie snel toenemen, bij slechte zal hij snel verdwijnen.

3. Genetic drift: het verschijnsel dat in kleine populaties door toeval grote verschuivingen in allelfrequenties kunnen optreden

 

Verschillende soorten isolatie:

-  geografische oorzaak

-  gedrag

-  eilandtheorie: uitsterven en immigratie

 

onderzoeksmethoden:

1. vergelijking van fossielen

2. vergelijking van de bouw van organismen (homologe organen; veel overeenkomst in bouw = wel verwantschap <> analoge organen; vertonen overeenkomst in functie = geen verwantschap)

3. rudimentaire organen: organen die geen functie meer ehbben

4. biochemie; verschillende samenstellingen van stoffen ( bv dna en eiwitten)

 

 

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.