Eindexamens 2025

Wij helpen je er doorheen ›

Thema 4: Bloedsomloop

Beoordeling 8
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 2e klas havo/vwo | 1112 woorden
  • 30 mei 2012
  • 52 keer beoordeeld
Cijfer 8
52 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
De ultieme examengids voor mensen die echt niet willen slagen

Eindexamens. Die periode waar je al tijden naar uitkijkt (not) en waar je je super goed op hebt voorbereid (ook not). Geen paniek: wij hebben de ultieme survivalgids voor je samengesteld. Met deze tips ga je het (waarschijnlijk niet) redden. Maar ze zijn wel leuk. 

Bekijk de tips
Basisstof 1

Een volwassene heeft ongeveer 5 á 6 liter bloed. Het bloed bestaat voor 55% uit bloedplasma en voor 45% uit vaste bestanddelen. Het bloedplasma bestaat voor 7% uit plasma-eiwitten, voor 91% uit water en voor 2% uit opgeloste stoffen.
De vaste bestanddelen bestaan uit bloedplaatjes, witte bloedcellen en uit rode bloedcellen.
Bloedplasma
- Vervoert zuurstof, voedingsstoffen, koolstofdioxide en andere afvalstoffen
- Fibrinogeen: vervult een functie bij de bloedstolling
Rode bloedcellen
- Geen celkern
- Bevat hemoglobine: neemt makkelijk zuurstof op en geeft het ook makkelijk weer af. In de longen nemen de rode bloedcellen zuurstof op en in andere organen geven de rode bloedcellen zuurstof af
- Per mm3 komen ongeveer 5.000.000 rode bloedcellen voor
Witte bloedcellen
- Hebben geen vaste vorm
- Maken ziekteverwekkers onschadelijk
- Hebben wel een celkern
- Per mm3 komen ongeveer 5000 witte bloedcellen voor
Bloedplaatjes
- Is geen cel maar een deel ervan: heeft dus geen celkern
- Zorgt dat het bloed stolt
- Trombose = als bloed in een bloedvat stolt. Je hebt dan een bloedprop in je bloedvat
- Per mm3 komen ongeveer 300.000 bloedplaatjes voor
Basisstof 2
Kleine bloedsomloop (hart, longen, hart) :
- Koolstofdioxide afgeven aan de lucht
- Zuurstof opnemen in het bloed
Grote bloedsomloop (hart, rest van het lichaam, hart) :
- Zuurstof en voedingsstoffen afgeven aan de cellen
- Andere afvalstoffen opnemen in het bloed
Dubbele bloedsomloop:
- Per omloop gaat het bloed 2x door het hart
Rechterharthelft:
- Pompt het bloed van het hart naar de longen: kleine bloedsomloop
Linkerharthelft:
- Pompt het bloed door het hele lichaam: grote bloedsomloop
Basisstof 3
Delen Kenmerken en functies bovenste en onderste holle ader

- Zuurstofarm bloed van organen naar hart rechterboezem

- Zuurstofarm bloed van de onderste en bovenste holle ader naar rechterkamer
- Weinig gespierde wand rechterkamer

- Zuurstofarm bloed naar longslagader
- Gespierde wand longslagader

- Zuurstofarm bloed van hart naar longen longaders

- Zuurstofrijk bloed van longen naar hart linkerboezem zuurstofrijk bloed van longaders linkerkamer

- Zuurstofrijk bloed naar aorta
- Zeer gespierde wand aorta

- Zuurstofrijk bloed van hart naar organen kransslagaders

- Aftakking van aorta

- Bloed is rijk aan zuurstof en voedingsstoffen naar hartspier kransaders

- Bloed is rijk aan koolstofdioxide en andere afvalstoffen uit hartspier

Basisstof 4

1. Samentrekken van de boezems. Bloed kamers. De hartkleppen zijn open, halvemaanvormige kleppen zijn dicht.
2. Samentrekken van de kamers. Bloed longslagaders en aorta. De hartkleppen zijn dicht. Druk in de kamers stijgt. Halvemaanvormige kleppen gaan open. (longslagaders en aorta.)
3. hartpauze. Boezems en kamers ontspannen. Bloed gaat van holle aders en longaders boezems en kamers. De hartkleppen zijn open, halvemaanvormige kleppen zijn dicht.
Slagaders:
- van hart
- Hoge bloeddruk
- Dikke, stevige en elastische wand
- Diep in het lichaam
- Alleen halvemaanvormige kleppen (begin longslagader en aorta)
Haarvaten:
- Wand is 1 cellaag dik
- Witte bloedcellen en vocht met zuurstof, voedingsstoffen en afvalstoffen kunnen door de wand.
Aders:
- naar hart
- Lage bloeddruk
- Dunne wand
- Ondiep in het lichaam
- Veel kleppen
Kleine bloedsomloop: longslagaders (zuurstofarm)– longaders (zuurstofrijk)
Grote bloedsomloop: aorta – armslagaders – armaders – halsslagaders – halsaders – leverslagader – leverader – darmslagader – poortader – nierslagaders – nieraders – beenslagaders – beenaders – onderste holle ader – bovenste holle ader
- Naam van de slagader is meestal vernoemd naar het orgaan waar ze het bloed naartoe voeren. Slagaders hebben zuurstofrijk bloed, behalve longslagaders.
- Naam van de ader is meestal vernoemd naar het orgaan waar ze bloed van wegvoeren. Aders hebben zuurstofarm bloed, behalve de longaders.
- Door de poortader stroomt zuurstofarm bloed van de wand van het darmkanaal naar de lever.

Basisstof 5

Afwijkingen in de bloeddruk
- Te lage bloeddruk: veel hoofdpijn en duizelingen
- Te hoge bloeddruk: verhoogt de kans op hart- en vaatziekten
Aderverkalking (atherosclerose): vernauwing van de bloedvaten
- Oorzaak: door een hoog cholesterolgehalte van het bloed wordt cholesterol (vaak ook kalk) afgezet tegen de binnenwand van de bloedvaten.
- Gevolg: een mogelijke overbelasting van het hart.
Hartinfarct: verstopping van een kransslagader of een vertakking ervan
- Oorzaak: aderverkalking in een kransslagader
- Gevolg een deel van de hartspier krijgt geen zuurstof en voedingsstoffen meer. Hierdoor sterft dit deel van de hartspier af.
Kans op hartinfarct kun je verkleinen door:
- niet teveel vette voedingsmiddelen te eten
- niet te roken
- voor regelmatige lichaamsbeweging te zorgen
- stress te vermijden
Wat kun je eraan doen?
- Bypassoperatie: er wordt als het ware een omweg aangelegd om het vernauwde deel van het bloedvat heen. Hiervoor wordt meestal een stukje bloedvat uit het been gebruikt.
- Dotteren: er wordt een slangetje met aan het uiteinde een ballonnetje tot in de kransslagader geschoven. Door het oppompen van het ballonnetje brokkelt de kalkafzetting af. Daarna wordt het slangetje teruggetrokken.

Basisstof 6

Weefselvloeistof :
- Ontstaat alleen in de grote bloedsomloop en wordt veroorzaakt door de bloeddruk.
- Ontstaat doordat in de haarvaten vocht naar buiten wordt geperst.
- Bevat zuurstof, voedingsstoffen en afvalstoffen. Weefselvloeistof kan ook witte bloedcellen bevatten.
- Functie: zuurstof en voedingsstoffen naar de cellen toevoeren en koolstofdioxide en andere afvalstoffen van de cellen wegvoeren.
Lymfe:
- Ontstaat doordat weefselvloeistof wordt opgenomen in lymfevaten.
- Bevat zuurstof, voedingsstoffen en afvalstoffen. Lymfe kan ook witte bloedcellen bevatten.
- Lymfevaten verenigen zich tot grotere lymfevaten. In de lymfevaten komen kleppen voor.
- Het lymfevatenstelsel voert de lymfe weer terug naar het bloedvatenstelsel.
- Lymfeknopen (lymfeklieren) zuiveren de lymfe van onder andere ziekteverwekkers.
Nier:
- Bestaat van buiten naar binnen uit nierschors, niermerg en nierbekken.
- Functie: afvalstoffen, overtollig water, overtollige zouten en schadelijke stoffen uit het bloed verwijderen. De verwijderde stoffen heten samen urine.
- Nierschors en niermerg vormen samen de urine.
- In de nierbekkens wordt de urine verzameld.
Urineleiders:
- Voeren de urine af naar de urineblaas
Urineblaas:
- Hierin wordt de urine tijdelijk opgeslagen
Urinebuis:
- Voert de urine af uit het lichaam

Extra Basisstof 8

Bloedende wond:
- De spieren trekken zich samen. Hierdoor worden de bloedvaten nauwer en stroomt er minder bloed door.
Bloedplaatjes:
- Kleven aan de beschadigde bloedvatwand en vormen een bloedpropje.
- Uit de bloedplaatjes komen stoffen vrij. Onder invloed van deze stoffen wordt fibrinogeen omgezet in fibrine.
- Fibrine vormt een netwerk van draden dat de wond afsluit (bloedstolsel).
- Door indroging ontstaat een korstje

Extra Basisstof 9

Lichaamsvreemde stoffen: stoffen die niet in het lichaam thuishoren.
Infectie:
- Ziekteverwekkers (zijn lichaamsvreemd) dringen het lichaam binnen
- Witte bloedcellen van een bepaald type produceren antistoffen tegen de lichaamsvreemde stoffen van de ziekteverwekkers.
- Een antistof hecht zich aan een lichaamsvreemde stof op het oppervlak van de ziekteverwekker. De ziekteverwekker wordt bedekt met antistof. Hierdoor wordt de ziekteverwekker onschadelijk gemaakt.
- Eén type antistof kan zich maar aan één type lichaamsvreemde stof hechten.
Immuniteit:
- Na een infectie blijft de antistof in het bloed aanwezig of kan bij een nieuwe infectie snel worden gemaakt.
- Natuurlijke immuniteit: ontstaat doordat een persoon de ziekte doormaakt, bijvoorbeeld waterpokken.
- Kunstmatige immuniteit: ontstaat door inenting (vaccinatie) van een vaccin, bijvoorbeeld tegen mazelen. Een vaccin bevat een dode of verzwakte ziekteverwekker.

REACTIES

A.

A.

hellooowww ik vinddd diitt eeen heleee goeieee samenvattingg bedaaankkkkkttt t

11 jaar geleden

Q.

Q.

dankuuuu geweldige samenvattiiiing

10 jaar geleden

A.

A.

je hebt een fout gemaakt met het woord: CELLEN je hen CELLEB getypt

9 jaar geleden

D.

D.

Waar is alcohol en drugs?

8 jaar geleden

M.

M.

Waar is §7?

7 jaar geleden

M.

M.

Er zijn toch 10 paragrafen?

7 jaar geleden

T.

T.

Thanks voor die samenvatting a niffo

7 jaar geleden

I.

I.

hahaha dit is wel een chille maar er missen een paar basis stoffen

7 jaar geleden

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.