Thema 1, Inleiding in de biologie

Beoordeling 5.2
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas vwo | 2509 woorden
  • 29 december 2002
  • 90 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.2
  • 90 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
>B?Thema 1 “Inleiding in de biologie”
Basisstof 1 Wat is biologie
-Biologie= een studie gemaakt van organismen (levende wezens)
-Organismen vertonen levensverschijnselen (b.v stofwisseling, is een chemische reactie enzymen spelen belangrijke rol,versnellen)
-Als ze die niet vertonen zijn ze dood.
-Dingen die nooit geleefd hebben zijn levenloos (b.v water, zuurstof, CO2, gesteenten)
-Ieder individueel organisme heeft een levensloop, groei+ontwikkeling
-Planten groeien hun hele leven, dieren alleen in het eerste deel.

-Ontwikkelen betekend veranderen in bouw en functioneren tijden/
-Een organisme kan zich voortplanten tijdens zijn levensloop, dit zorgt voor nakomelingen, die dan weer gaan groeien en ontwikkelen.
-Opdracht 3
Onderwerp beroep
-Natuur+milieu boswachter
Milieuconsulent
-Voorlichting en biologie leraar
uitleg geven mondhygiëniste
-verzorging van kinderverzorgster
mensen verpleger
-verzorging van dierentuin verzorger
dieren veehouder
-verzorging van akkerbouwer
planten hovenier
-bestrijding van huisarts
ziekten bij mensen apothekers assistente
-Bestrijding ziektes dierenarts
bij dieren
-Bestrijding ziektes boomchirurg
bij planten

-voeding bij kok
mensen diëtist
-beweging sportleraar
fysiotherapeut
-voortplanting erfelijkheidsonderzoeken
verloskundige
-de huid schoonheidsspecialiste
-zintuigen opticien
Basisstof 2 Natuurwetenschappelijk onderzoek
-genetatio spontana men ging er vanuit dat organismen vrij plotseling kunnen ontstaan uit levenloze/dode materie.
*was nog voor het begin van de jaartelling
*Arisoteles geloofde dit ook
*werd ondersteund door waarnemingen
*Van Helmond vuile was lang laten staan ontstaan muizen
*De eerste twijfelRédi (met die potjes met deksel en vliegen)
Dit geloofde niet omdat men zei dat er lucht bij moest kunnen
*lucht bezit levenskracht
*van leeuwenhoek, zorgde ervoor dat er meer geloofwaarde was in de theorie,
doordat hij eencellige in water zag.
*Needham, 1745verhitte kolf op een brander, ontstaan na paar dagen bacteriën hij was open.
*Spallanzi, 1768, zelfde proef, maar nu met dichte kolf. Gebeurt niks.
*Pasteur, 1860, ontdekte dat er overal micro organisme leefden, dus dat overal makkelijk leven kan ontstaan. Dat het ook makkelijk is om ze weg te houden, koken.
-Fasen van een natuurkundig onderzoek
*observatie kijken
*probleemstelling hoofdvraag
*hypothese vorming  mogelijke antwoord op de hoofdvraag
*experimentele fase  kijken of de hypothese goed was. Moet altijd een blanco proef worden gedaan, zelfde proef zonder invloeden. Dan is het resultaat betrouwbaarder.
*Resultatenwaarnemingen verricht, meetgegevens verzamelt. Overzichtelijk weergeven
*Conclusie resultaten vergelijken met verwachting.
-verslag
*titel
*inleidingachtergrond info, wat je wil onderzoeken. Probleemstelling, hypothese.
*Werkplanlijst materialen, proefopstelling tekenen of beschrijven. Handelingen beschrijven, en moment waarop.
*ResultatenVerloop van de proef, waarnemingen in woorden. Meetresultaten in tabel of grafiek
*Conclusie en discussie
Proefopzet en uitvoering kritisch bekijken. Alles volgens plan, resultaten analyseren. Hypothese goed? Redenen.
*Literatuur
Bronvermelding
Basisstof 3 Organen, cellen en weefsels
-veel cellige organismen opgebouwd uit verschillende organen.
-Orgaan=deel van een organisme met een of meer functies.
-Vaak hebben meerdere organen een bepaalde functie = organenstelsel. (B.v. bloedvatenstelsel, verteringsstelsel.)
-OPGAVE 8+9 LEREN
-Organen hebben een vaste vorm die past bij de functie.
-Bij de lichaamsvorm is er ook een verband tussen vorm en functie.
*kop, romp en staart gaan geleidelijk overgestroomlijnd
-Bij skelet is er ook verband,
*Botten in de benen stevig. Niet te zwaar, dus hol en langwerpig. In de kop
van het dijbeen lopen staaf- of plaatvormige beenbalkjes in de richtingen waarop
hij de meeste kracht moet kunnen hebben.
*In de voet hebben de boten een gewelfde vorm, hierdoor kunnen ze goed het
gewicht dragen en schokken opvangen.
-mensen gebruiken deze dingen in het dagelijks leven.
-Hersenen van de mens bestaan voor het grootste deel uit neuronen (zenuwcellen) staan met elkaar in verbinding. Hierdoor kunnen ze snel dingen verwerken, neuraal netwerk.
-De temperatuur in poten kan hoog gehouden worden door de bloedvaten tegen elkaar aan te houden. = het tegenstroomprincipe. Is bij organen ook zo.
-Organen zijn opgebouwd uit cellen. Cel is ruimtelijk, zie je niet met microscoop.
-Cellen komen in verschillende vormen voor, hangt af van de functie.
-Een groep cellen met dezelfde vorm en functie noemt men weefsel.
-Tussen de cellen zit tussencelstof. Bestaat uit dood materiaal.
-Soms is dit hard en soms niet, ligt aan functie.
Basisstof 4 De microscoop
-Om cellen te kunnen onderzoeken moet je er eerst een preparaat van maken.
-Onderdelen microscoop Blz. 21
-Goed doorlezen
Basisstof 5 Plantaardige en dierlijke cellen
-Elk deel van een cel met een eigen functie=organel
-Cel bestaat uit
• Cytoplasma-komen verschillende typen organellen voor.
• Grondplasma-(stroperige vloeistof die bestaat uit water met allerlei opgeloste stoffen, zouten, eiwitten, vetachtige stoffen)zit tussen de organellen in Cytoplasma
• Kernplasma - zit in de kern
• Celmembraan - buitenste laag cytoplasma.
• Kernmembraan - buitenste laag kernplasma
• Kern- regelt de stofwisselingsprocessen die in de cel plaatsvinden.
• Vacuole - kunnen in het cytoplasma zitten. =een blaasje gevuld met vocht. (Zit altijd in planten, in dieren maar heel klein. Jonge planten veel kleine, en oude 1 grote, zorgt voor stevigheid)
• Vacuolemembraan- buitenste laag van de Vacuole.
• Wandstandig cytoplasma- door dat er 1 grote vacuole is wordt het cytoplasma tegen de celwand aangedrukt.
• Vacuole vocht (bij planten)-uit water met opgeloste stoffen b.v. zouten, glucose en andere reserve stoffen, afvalstoffen en kleurstoffen.
*Kleurstoffen geven de kleur aan de bloem of plant.
*Blauw, paars, rode rozedoor kleurstof anthocyaan.
*Jonge planten: proplastiden
-kleine korrels die zich tot plastiden kunnen ontwikkelen.
-Hieruit kunnen chloroplasten, chromoplasten en leukoplasten ontstaan.
*chloroplastenbladgroenkorrels, fotosynthese. (water+CO2lichtglucose+zuurstof)
*chromoplastenkleurstofkorrels, gele rode kleurstoffen (pigmenten)
*deze kunnen in elkaar overgaan, tomaat die rijpt.
*leukoplasten kleurloos, kunnen zich ontwikkelen tot chloroplasten, chromoplasten en amyloplasten (zetmeelkorrels, hierin is zetmeel opgeslagen)
-Het cytoplasma van een plantaardige cel vormt een stevig laagje om de cel heen. De celwand.
-Het is wel tussencelstof, want het hoort niet bij de cel.
-Celwanden sluiten niet helemaal goed op elkaar aan, hierdoor ontstaan kleine holtes.
Intercellulaire ruimtes noemen ze dat, hierin zit lucht.
Basisstof 6 De submicroscopische bouw van cellen
-Endoplasmatisch reticulum vervult een functie bij het transport van stoffen in de cel. Is een ingewikkeld netwerk van dubbele membranen in het cytoplasma. Doordat deze bijna tegen elkaar aanliggen, ontstaan er afgeplatte holtes en kanaaltjes. De ruimtes staan met elkaar in verbinding. Gaat over in:
-Kernmembraanis ook dubb4el membraam. Hierin zitten openingen,
-KernporiënHierdoor staat het kernplasme in contact met het cytoplasma.
-Kernlichaampjeszitten in kern, kunnen er 1 of meer zijn.
-In het kernplasma liggen chromosomen, zijn alleen tijdens de deling van de cel zichtbaar. Hierop staat de informatie voor erfelijke eigenschappen.
-Ribosomen bolvormige organellen, functie in synttese(vorming) van eiwitten. Grootste deel licht op endo. Ret., de rest zit vrij in het cytoplasma.
-Golgi-systeem- opeengestapelde blaasjes, elk omgeven door een membraam.
-Eiwitten die in de ribosomen zijn gemaakt, komen terecht in de ruitmes tussen de membramen van het endo. Ret. Dan hebben ze nog niet de uiteindelijke vorm gekregen. Van het endo. Ret komen blaasjes af, die hechten zich dan aan het golgi systeem.
-in het golgie krijgen de eiwitten de goede vorm, en dan snoeren zich weer blaasjes af. Sommige bevatten eiwitten die buiten de cel worden afgegeven.
-Secretieafgifte van stoffen door de cel, een blaasje met eiwitten.(in cellen van klieren komt dat veel voor, speeksel, hormoon)
-lysosomen- worden bij een dierlijke cel ook van het golgie systeem afgegeven. Die blijven in de cel. Hierin zitten enzymen, die vormen een grote rol bij vertering van stoffen in de cel. Bij plantaardige zijn ze er ook, maar komen ze ergens anders vandaan.
-Mitochondriën-Ronde, of boonvormige organellen. Bestaan uit: dubbel membraam, binnenste is sterk geplooid. Hierin vindt verbranding plaats, vooral van glucose. Hiervoor is zuurstof nodig, enzymen die verbranding mogelijk maken liggen op de binnenste membraan. De energie die vrijkomt wordt tijdelijk opgeslagen in moleculen van de stof ATP. Als er later dan in de cel energie nodig is kan die vrijgemaakt worden uit die cellen. Hoeveel er in de cel zitten hangt af van de activiteit.
-Chloroplasten- in plantaardige cellen zijn gevuld met membranen, hiertussen zitten afgeplatte holtes. Lijkt alsof ze op stapeltjes liggen. De enzymen voor fotosynthese liggen hierop.
-Celmembraan vormt grens tussen de cel en zijn omgeving.
-Het transport van stoffen vindt selectief plaats. Het celmembraan laat bepaalde stoffer er wel in en andere niet. Hierdoor wordt de samenstelling van het cytoplasma geregeld.
-Opbouw celmembraantwee lagen fosfolipiden, hierin liggen eiwitten ingebed. Die verschillen in grote. Sommige eiwitten en fosfolipiden hebben koolhydraatketens naar buiten steken.
-Bacteriëngeen kernmembraan, geen scheiding tussen kernplasma en cytoplasma. Informatie erfelijke eigenschappen ligt in één streng DNA, die los in het cytoplasma ligt. Geen endoplasmatisch reticulum, mitochondriën, plastiden of vacuole. Wel hebben ze een celmembraan met daarom heen een celwand.
Basisstof 7 Diffusie en osmose
-Een cel staat in contact met zijn omgeving. Ze nemen er stoffen uit op en geven er stoffen aan af.
CONCENTRATIE
-Oplossing bestaat uit oplosmiddel en een of meer opgeloste stoffen.
-Bij organismen is water het belangrijkste oplosmiddel.
-De concentratie geeft de hoeveelheid opgeloste stof per volume eenheid van de oplossing aan. Kan op verschillende manieren, volume procenten, gram per liter, massaprocenten, milligram per kubieke meter.
-Als het een hele lage concentratie is in ppm, 1ppm=0,0001%.
-Als je moet uitrekenen, 95 gram water+5 gram oplosmiddel=100 gram oplossing (5/100 deel oplosmiddel)
-Bij gassen: Druk ipv concentratie. In symbool p, met pascal Pa of kilopascal kPa.

DIFFUSIE
-Diffusieverplaatsing van een stof van een plaats met een hoge concentratie naar een plaats met een lage concentratie van die stof. (kan in gas en vloeibaar). Komt tot stand door beweging van gassen en vloeistoffen bewegen.
-Beweging: in een rechte lijn, tot ie tegen een andere aanbotst, dan verandert ie van lichting.
-Homogene verdelinggelijkmatige verdeling, dit is het resultaat van Diffusie.
-Netto verplaatsing de verplaatsing die heeft plaatsgevonden tussen A en B en B en A.
-Diffusiesnelheidde netto verplaatsing van een stof per tijdseenheid. Dit is afhankelijk van een aantal dingen,
*temperatuur (snellere beweging, dus meer botsen)
*oppervlakte (van de opening)groter is sneller
*afstandkleiner sneller
*druk/concentratieverschilgroter, sneller
*aard stof, medium lucht=snel water)
OSMOSE
-De wand bij diffusie is doorlatend of permeabel.
-Sommige membranen hebben zo’n kleine gaatjes dat er alleen water doorheen kan en geen opgeloste stoffen. Is half doorlatend of semi-permeabel.
-als twee oplossingen met een verschillende concentratie van elkaar gescheiden zijn door een semi-permeabel membraan komt er OSMOSE.
-netto waterverplaatsing van de laagste naar de hoogst concentratie.
-Osmotische waarde:aantal opgeloste deeltjes per volume eenheid.
-Uiteenvallende stoffen (NaCl) meer osmotische waarde dan glucose..dus osmose als ze in bak zitten met semi-permeabel membraan
-Osmose: verplaatsing van water door semi-permeabel membraan, van een lage osmotische waarde naar een plaats met een hogere osmotische waarde.
Basisstof 8 Membranen en het transport van stoffen
-Eencellige dieren (pantoffeldiertje, amoebe) hebben als enige scheiding met de omgeving (externe milieu) het celmembraan.
-Bij veel cellige dieren, worden de cellen omgeven door weefselvloeistof, die weefselvloeistof vormt een geheel.
-Dit geheel is het Interne milieu.(ook bloedplasma hoort hierbij)
-Meestal is alleen het celmembraan de grens tussen de cel en het interne milieu.
-Dit laat selectief stoffen door. (Selectief permeabel)
-bestaat uit twee lagen fosfolipiden, met eiwitten daarin.
-Zuurstof en CO2 gaan makkelijk door fosfolipiden heen.
-Fosfolipiden zijn vetachtige stoffen, hierdoor zijn ze moeilijk overbrugbaar voor stoffen die niet in vet oplossen.
-Hierdoor zijn concentratie verschillen tussen cytoplasma en het milieu te behouden.
-Wat er en wateroplosbare stoffen passeren een celmembraan via de eiwitten. Door een met water gevulde porie.
-transport van water wordt veroorzaakt door osmose, celmembraan werkt als semi-permeabel membraan.
-Andere eiwitten in het celmembraan werken als transportenzymen. (b.v. voor glucose, Cl)
-Transport enzym versnelt de diffusie. (ene kant membraan wordt molecuul of ion gebonden, hierdoor verandert de vorm van et transportenzym waardoor de molecuul of het ion naar de andere kant kan) Dit kan alleen plaatsvinden als het concentratieverval meezit.
-Concentratieverval, kan alleen van hoog naar laag concentratie, kost geen energie
-Kan ook ertegen bij Glucose, Na+, K+ en Ca 2+. Door speciale transport enzymen.
-Dit kost wel energie, is actief transport.
-Deze energie wordt geregeld door ATP moleculen. (van mitochondiën)
-extracellulaire ruimte=buien de cel
-Natrium kaliumpompervoor zorgen dat via de speciale transport enzymen de hele tijd Na+ionen worden afgegeven K+ ionen wordt binnen gehaald in het celmembraan.
-Receptoreiwitten – eiwitten in het celmembraan die aan de buitenkan stoffen kunnen binden. (verschillen per weefsel, sommige reageren met antistoffen, andere met stoffen door zenuwcellen afgegeven, hormonen)
-fagocytose- Het actieve proces waarbij vaste stoffen in een blaasje worden ingesloten, vervolgens wordt het blaasje van het celmembraan afgesnoerd en versmelt het vaak met een lysosoom, deze bevat verteringsenzymen, waardoor de stoffen verteert kunnen worden en vervolgens door actief transport via het membraan in het cytoplasma opgenomen worden
-Pinocytose - Hetzelfde als fagocytose, maar dan worden er vloeibare stoffen in het blaasje ingesloten.
-afvalstoffen+celproducten worden afgegeven door de lysosoom die aan het celmembraan versmelten en zijn spul afgeeft.
-Compartimenten - Doordat de meeste organellen in een cel omgeven zijn door een membraan, bevat elke cel een heel stelsel van membranen, hierdoor lijkt het alsof de cel in een groot aantal compartimenten is verdeeld. Tussen de compartimenten is diffusie en actief transport mogelijk. Hierdoor is het mogelijk dat in een deel meer van het ene zit en in een ander deel meer van iets anders
-Plasmastroming – de stroming van cytoplasma in de cel
-Membranen van organellen dienen ook als bindingsplaats voor enzymen. De enzymen die een organel bezit bepaald welke functie hij heeft.
Basisstof 9 Osmose bij planten
-osmose speelt een belangrijke rol bij stevigheid van kruidachtige planten.
-het celmembraan en het vacuolemembraan dienen als semi-permeabel membraan. De celwand is helemaal permeabel.
-Hierdoor kan er wel vocht in, maar niet uit. Het volume wordt groter, daardoor wordt er druk uitgeoefend op de celwand. Deze druk is Turgor.
-De celwand rekt dan iets uit maar oefent ook tegendruk uit. Hierdoor wordt de cel stevig.
-Door het opnemen van water uit de celwand daalt de osmotische waarde van de cel iets. Door de tegendruk wordt voorkomen dat de osmotische waardes gelijk worden. Er gaat gemiddeld gezien evenveel water in als uit.
-Turgescent - plantencel met turgor.
-Als in een cel de osmotische waarde gelijk is met de osmotische waarde buiten de cel dan heeft hij geen turgor. Maar als dan buiten de cel de osmotische waarde kleiner wordt dan p, dan stroomt er weer water in en dan is er weer turgor. Door de tegendruk wordt ie niet gelijk.
-Het verschil tussen osmotische waarde is de turgor. Als de turgor wegvalt is er plasmolyse.
-Doordat de celwand de waterstroom naar buiten beperkt, daalt de osmotische waarde buiten de cel niet zo veel als binnen de cel. De turgor wordt steeds groter
PLASMOLYSE
-osmotische waarde buiten de cel is hoger dan binnen de cel, hierdoor wordt er water afgegeven van binnen naar buiten. Dit gaat door tot ze gelijk zijn. Hierdoor wordt het volume van de cel heel klein en de celwand kan niet veranderen. Hierdoor raken ze los van elkaar. Dat is plasmolyse.
-Hierdoor verliest de plant zijn stevigheid, als dat bij veel cellen gebeurt gaat de plant slap hangen.
-Geplasmolyseerde cellen kunnen weer turgescent worden door water toe te voegen.
-Als het lang duurt sterven de cellen.
-Als een cel sterft, wordt het celmembraan volledig permeabel.

Hypertonisch
osm. Waarde buiten de cel is groter als binnen de cel
Isotonisch gelijk
Hypotonisch
Osm. Waarde buiten cel is kleiner dan binnen de cel

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.