Samenvatting thema 1: verbranding en ademhaling

Beoordeling 8.1
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • havo/vwo | 1045 woorden
  • 11 oktober 2016
  • 24 keer beoordeeld
  • Cijfer 8.1
  • 24 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode

1. Wat is verbranding?

Een stof die verbrandt is een brandstof. Bij verbranding komt energie vrij als licht, warmte of beweging. Bij verbranding verandert de brandstof in een nieuwe stoffen, dit heten verbrandingsproducten. 

Voor verbranding is een brandstof nodig. Bij auto’s is de verbranding vaak benzine.



Een kaars bestaat uit kaarsvet, als een kaars brandt verdwijnt het kaarsvet. Het kaarsvet is de brandstof, bij de verbranding ontstaan verbrandingsproducten en komt energie vrij in de vorm van licht en warmte.

Als je een potje over de kaars zet gaat het vlammetje uit. Dit komt doordat de zuurstof in het potje dan verbruikt is en voor verbranding is zuurstof nodig.

Bij de verbranding ontstaan water en koolstofdioxide. Door het water beslaat de binnenkant van het potje.

Koolstofdioxide is een gas in de lucht.



Een stof waarbij een je een andere stof aantoont  heet een indicator.



2. Ingeademde en uitgeademde lucht












































Ingeademde lucht



Uitgeademde lucht



Stikstof



78 %



78 %



Zuurstof



21 %



16 %



Edelstoffen



1 %



1 %



Koolstofdioxide



0,04 % 



5 %



Waterdamp



Weinig



Veel



Temperatuur



Laag



Hoog




3. Verbranding en organismen

Als je inademt neem je zuurstof op, en als je uitademt geef je koolstofdioxide af en raak je ook water en energie (warmte) kwijt. Water en energie raakt een kaars kwijt bij verbranding, maar ook in je lichaam vindt verbranding plaats. Voor de verbranding in je lichaam is brandstof nodig. Elke cel in je lichaam is bezig met verbranding. Je hebt de energie die vrijkomt nodig om al je organismen draaiende te houden. Om bijv. te kunnen bewegen of om je lichaam warm te houden. De brandstof die je cellen verbranden heet glucose. Dit komt in je lichaam door het direct of indirect (dieren) eten van planten, die glucose maken door fotosynthese.



Als je hard gaat lopen, hebben je spiercellen veel brandstof en zuurstof nodig. Daarom moet je dan meer eten en hijgen. Ook komen er dan veel verbrandingsproducten vrij.



Je hebt koudbloedige en warmbloedige dieren. Koudbloedige dieren passen zich aan aan de temperatuur van de omgeving. Als het lichaam een koude temperatuur heeft wordt er minder verbrandt en komt er ook minder energie vrij. In de winter wordt het lichaam van koudbloedige dieren koud en wordt er minder verbrandt en is er ook minder energie zodat die dieren een winterslaap moeten houden. Bij warmbloedige dieren (vogels en zoogdieren) blijft de lichaamstemperatuur gelijk. Als het winter is moeten de cellen extra veel verbranden om genoeg energie te produceren om het lichaam warm te houden. Zoogdieren hebben hier wel hulpmiddelen voor, zoals vet en een vacht.



4. Het ademhalingsstelsel

Als je lucht inademt, gaat het vanuit je neus-  of mondholte naar de keelholte vervolgens stroomt de lucht langs het strottenhoofd de luchtpijp in. De luchtpijp vertakt zich in twee bronchiën die lopen naar je longen die zich vervolgens vertakken naar kleinere buisjes: de luchtpijptakjes. Aan het einde van de luchtpijptakjes bevinden zich trosjes longblaasjes.



Neus- en mondholte

In je neus zit het neusslijmvlies met slijmproducerende cellen. Het slijm maakt de lucht die je inademt vochtig en bloedvaten maken de lucht warm. Het slijm zorgt er ook voor dat het stof en de ziekteverwekkers die je neusharen niet konden opvangen blijven kleven, zodat de trilhaarcellen het slijm en stof naar je keelholte kunnen bewegen, zodat je het inslikt. Zo komt de lucht warm, vochtig en schoon in de tere longblaasjes. Boven in de neusholte zich het reukzintuig.



Keelholte en strottenhoofd

Tussen de keelholte en luchtpijp zit het strottenhoofd. Het is een ‘kruispunt’. Je hebt er je slokdarm en je luchtpijp. Voor de luchtpijp zit een strotklepje en bij je neus zit de huig die dichtgaan als je eten inslikt. In het strottenhoofd liggen de stembanden.



Luchtpijp en bronchiën

De wand van de luchtpijp bevat kraakbeenringen, en die van de bronchiën ook. De bronchiën vertakken zich in luchtpijptakjes, die hebben als wand spiertjes. Aan het uiteinden zitten longblaasjes. De binnenwand van de luchtwegen is bekleed met slijmproducerende cellen die ziekteverwekkers en stofdeeltjes door middel van de trilhaarcellen naar de keelholte bewegen. Als er veel slijm wordt geproduceerd, ga je hoesten.



Longblaasjes

De wand van de blaasjes is heel erg dun. Eromheen zitten fijne bloedvaatjes, longhaarvaten, met ook een dunne wand. Tussen de longblaasjes en longhaarvaten vindt gaswisseling plaats. Bloed dat naar de longblaasjes stroomt, is zuurstofarm en koolstofdioxiderijk. Bloed dat wegstroomt is zuurstofrijk en koolstofdioxidearm.



5. Ademhalen.

Ribademhaling

Je ademt in en uit doordat de ribben en borstbeen om je longen je longen omhoog bewegen, zodat je longen groter worden en lucht inademen, en omlaag bewegen, zodat je uitademt.



Middenrifademhaling

Het middenrif is een stevig gespierd vlies. Als het middenrif omlaag beweegt, worden je longen uitgerekt zodat je inademt. Als het middenrif omhoog beweegt, worden je longen samengeperst en adem je uit.



6. Gezonde luchtwegen

Door verschillende oorzaken kunnen je longen en luchtwegen minder goed functioneren. De oorzaak kan een ziekte aan het ademhalingsstelsel zijn, bijvoorbeeld astma.

Het kan ook zijn dat je erg gevoelig bent voor bepaalde stoffen in de ingeademde lucht, dit is het geval bij sommige allergieën zoals hooikoorts.



Er zijn ook mensen die bewust schadelijke stoffen in ademen, bijvoorbeeld mensen die roken. Die mensen kunnen COPD krijgen. COPD is de afkorting van Chronis Obstructive Pulmonary Disease, is een chronische ontsteking die vooral voor komt bij rokers. Een COPD- patiënt is kortademig, moet veel hoesten en geeft soms slijm op en dagelijkse dingen zoals trap lopen worden moeilijker.



Sommige mensen kunnen er niet tegen wanneer hun slijmvlies in aanraking komt met stuifmeel van bepaalde planten, deze mensen hebben last van hooikoorts.



7. Roken

Sigarettenrook is een mengsel van gassen als koolstofmono-oxide en nicotine en fijne teerdruppels.



Een van de meest schadelijke stoffen in sigarettenrook is koolstofmono-oxide (kolendamp). Door koolstofmono-oxide kan je bloed minder goed zuurstof vervoeren, hierdoor krijg je een slechtere conditie.



De teerdruppels in sigarettenrook blijven achter in de longen. Na verloop van tijd vormen ze een teerlaagje over het slijmvlies en de trilhaarcellen, waardoor die niet meer goed het slijm naar de keelholte kunnen bewegen, waardoor rokers vaak moeten hoesten.



Nicotine is verslavend, rokers kunnen niet goed meer zonder. Als je stopt met roken, krijg je door de nicotine ontwenningsverschijnselen.



Ook door de rook van anderen in te ademen, passief roken, kun je die stoffen binnenkrijgen.


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.