Zit je in 4/5 havo en heb je een N&T of N&G profiel? Vul deze korte vragenlijst in over chemie-opleidingen en maak kans op 20 euro Bol.com tegoed.

Meedoen

Prikkels

Beoordeling 6.8
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 2e klas havo/vwo | 1247 woorden
  • 29 juli 2008
  • 14 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.8
  • 14 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!
Prikkel HV3 / Bloed in omloop
Paragraaf 1 / Aan- en afvoer

Je bloedvaatstelsel en je lymfvaatstelsel zorgen samen het inwendige transport. Beide stelsels bestaat uit vaten waar vloeistof doorheen stroomt. Je hart is het belangrijkste die het vloeibaar weefsel in beweging houdt.
(zie plaatje van een Bloedvaatstelsel)
• Je hart is een holle spier die werkt als een zuigperspomp in je bloedsomloop. Wanneer de hartspier samentrekt, wordt de holte erin kleiner en wordt het bloed weg geperst. Wanneer de hartspier verslapt, komt het hart weer een beetje terug in de oude vorm en zuigt bloed aan. Door de toestroom van bloed uit de bloedvaten wordt het hart weer helemaal gevuld.
• Je hart bestaat uit twee helften, de linkerhelft pompt het bloed naar de organen (Grote bloedsomloop, zie omloop), en de rechterhelft pomp het bloed naar je longen (Kleine bloedsomloop, zie omloop). Deze twee helften bestaan dan weer uit twee delen, de kamer en boezem.

(zie plaatje van het doorgesneden hart)
Een boezem heeft een kleine wand met daarin enkele spierbundels, en de kamers bestaan uit dikke wanden die helemaal uit spierweefsel bestaat.
Hoe minder spierweefsel in de wand, hoe minder het bloed kan worden verplaatst. De boezem hoeft het bloed alleen maar naar de kamers te persen, hier dan zitten tussen de boezems en de kamers; hartkleppen, een soort vliezen die met pezen die aan de binnenkant van de kamers vastzitten. Wanneer de spieren in de wand van een kamer samentrekken, komt er een flinke druk op het bloed te staan. Hierdoor klappen de hartkleppen naar de boezem dicht en is er eenrichtingsverkeer door het hart waardoor het bloed niet meer terug kan stromen naar de boezem.
• In het hart zitten slagaderkleppen die ook bestaan uit dunne vliezen. Deze zorgen ervoor dat als je bloed weg pomp de aders in, het niet meer terug kan stromen in het hart.
Je hart is altijd maar bezig. Het hart heeft dan ook een eigen regelcentrum. Dit is een zenuwknoop, ook wel pacemaker van het hart genoemd. Deze ligt boven in de wand van de rechter boezemen geeft elektrische schokjes af. Deze schokjes zorgen ervoor dat de boezemwand samentrekt.
Het tempo van de hartslagen wordt automatisch bijgesteld naar de behoefte van je lichaam.

Prikkel HV3 / Bloed in omloop
Paragraaf 2 / Vloeibaar weefsel

Bloed is rood en dik door de vele rode bloedcellen die erin zitten. Het vocht dat in je bloed zit heet bloedplasma. In bloedplasma zitten allerlei stoffen:

• Gassen, voedingsstoffen, afvalstoffen, hormonen, antistoffen, stollingsfactoren, eiwitten, zouten, vetbolletjes en water.
Iedere cel geeft afval aan het bloed, hormoonklieren geven hun producten af aan het bloed en de lever maakt stoffen die nodig zijn bij de bloedstolling en bloedeiwitten.
Twee organen, de lever en de nieren, controleren de samenstelling van het bloed. De nieren verwijderen onbruikbare en overtollige stoffen uit het bloed. Het bloed van de darmen gaat eerst langs je lever die gevaarlijke en overtollige stoffen onschadelijk maak of ze tijdelijk op slaan.

Rode bloedcellen

Deze vervoeren zuurstof. Deze rode bloedcellen zij helemaal vol gepropt met rode kleurstof dat hemoglobine heet. Rode bloedcellen hebben geen kern en sterven na enkele maanden. In het rode beenmerg worden er net zoveel bij gemaakt als er dagelijks sterven.
Hemoglobine bestaat uit eiwitten en ijzers en kan in een zuurstofrijke omgeving veel zuurstof aan zich binden. In een zuurstofarme omgeving geven de cellen de zuurstof weer even snel af.
Als je bloed niet voldoende hemoglobine heeft, dan heb je bloedarmoede.

Witte bloedcellen

Deze hebben geen kleurstof maar wel een kern. Deze worden ook gemaakt in de beenmerg, net als je rode bloedcellen. Witte bloedcellen hebben de taak je te beschermen tegen alles wat vreemd is. Zoals een houtsplinter, een vreemde stof of een binnengedrongen bacterie. Als je ziek word van deze bacterie, is er spraken van een infectie.
Er zij twee soorten witte bloedcellen.
• De ronde cellen met een grote kern zijn de lymfocyten. Lymfocyten maken antistoffen tegen vreemde stoffen of helpen daarbij. Deze antistoffen maken deze onschadelijk. Hierbij word je dan vaak ziek want dit proces heeft zijn tijd nodig. Voor elke vreemde stof moeten je lymfocyten weer nieuwe antistoffen maken want de antistoffen passen maar bij een vreemde stof. Als je dus voor de tweede keer weer die vreemde stof krijgt kunnen je lymfocyten sneller in actie komen. Sneller antistoffen aanmaken.
• De andere soort witte bloedcellen zijn herkenbaar aan de typische lange kern met bobbels. Deze kunnen door je weefsel heen den daar het vuil en bacteriën onschadelijk maken.

Bloedplaatjes

Als je een wond hebt stopt dat vanzelf te bloeden en begint te stollen. Voor de bloedstolling zijn de bloedplaatjes heel erg belangrijk. Bloedplaatjes zijn geen complete cellen, stukjes van uiteengevallen cellen die in je beenmerg groeien. Wanneer de bloedplaatjes stuk gaan (dit gebeurt als ze met de buiten lucht in aanmerking komen) komt er stollingemfyseem uit. In bloedplasma zitten verschillende stollingsfactoren en opgelost eiwitten. Door de werking van het stollingsenzym en de stollingsfactoren veranderen de opgeloste stollingeiwitten snel in onoplosbare draden. Dit is dan fibrinedraad. De rode bloedcellen blijven hier dan achter vast zitten en zo ontstaat een korst.

Prikkel HV3 / Bloed in omloop
Paragraaf 3 / Een beetje lek

De hart kamers persen het bloed met kracht in de slagader. De lichaamslagader die uit de linker kamer komt heet de aorta. Uit de rechterkamer komt de longslagader, die direct in tweeën splitst en naar beide longen toe gaat. De aorta buigt naar links en gaat om het hart heen naar beneden. Onderweg splitsen er slagaders af, naar je rechterarm, de rechterzijkant van je hals, de linkerzijkant van je hals en je linkerarm. In de romp komen aftakkingen naar alle organen. In de organen vertakken de slagaders zich in slagadertjes. De vertakkingen worden steeds dunner tot uiteindelijk het alleen maar bestaat uit een cellaag dun. Deze bloedvaatjes worden haarvaten genoemd. De haarvaten vormen daarna weer slagadertjes en vervolgens weer tot een ader. Tenslotte gaan de twee slagaders (holle aders) bij de rechterboezem uit en leveren het bloed daar af. Bij de longen gebeurt precies hetzelfde.
Wanneer het bloed vanuit een slagadertje de ruimte krijgt in het net van haarvaten, zakt de bloeddruk in de vaten. Door de dunne wand van de haarvaten wordt water met opgeloste stoffen je weefsel in geperst. DE haarvaten zijn lek! De vloeistof die nu door het weefsel loopt, heet weefselvloeistof. Cellen kunnen de opgeloste stoffen gebruiken en hun afvalstoffen aan de weefselvloeistof afgeven.
Aders hebben een stevig, maar weinig elastische wand. Ze worden gemakkelijk door bewegingen van omliggende organen plat gedrukt. Als ze worden platgedrukt, wordt het bloed in de aders in de richting van het hart geduwd. Het bloed kan alleen die kant op doordat in de grote aders op regelmatige afstand aderkleppen zitten.
(zie plaatjes van aderkleppen)
Een deel van de weefselvloeistof wordt opgevangen in de open beginnende lymfvaten en heet dan lymfe. Lymfvaten hebben dezelfde bouw als aders. Door de wisselende druk in de omliggende organen wordt de lymfe voortdurend naar de plek waar ze weer in de bloedsomloop komt. Dit gebeurt via een ondersleutelbeenader.
(zie plaatje van een Lymfklierstelsel)
In de lymfklieren bevinden zich de lymfocyten. Tijdens een infectieziekte in je lichaam zijn deze klieren opgezet. De lymfocyten die de juiste antistoffen kunnen maken, komen in actie tegen de ziektekiemen en gaan zich delen. Zo wordt in korte tijd veel antistof van het juiste type geproduceerd.
Vaccinaties zijn inentingen tegen kinderziekten. Bij een vaccinatie wordt je ingespoten met een vaccin of entstof waar verzwakte of dode ziektekiemen in zitten. Je lymfocyten gaan daar antistoffen tegen maken en winnen de strijd omdat de ziektekiemen verzwakt waren.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.