De komende twee weken zijn 'seksweken' op Scholieren.com. Samen met de Sense Infolijn geven we antwoord op al jouw seksvragen.

 


Alles over seks Alles over seks


ADVERTENTIE
Geslaagd? Doneer je verslagen We zijn heel trots op je, supergoed gedaan. Waarschijnlijk ga je Scholieren.com nu voorgoed verlaten. Wil je ons nog bedanken voor 4, 5 of 6 jaar trouwe dienst? Upload dan nu al je verslagen en samenvattingen voor de generaties scholieren die na jou strijden voor dat diploma.

Nu uploaden

 

 Ademhalingsorganen

  • Nemen zuurstof op uit de omgeving.
  • Geven koolstofdioxide af.
  • Longen
    • Ademhalen in de lucht.
    • Zuurstof wordt vervoerd via het bloed.
      • Reptielen, vogels en zoogdieren.
  • Kieuwen
    • Ademhalen in het water.
      • Water stroomt door de kieuwen.
    • Zuurstof wordt vervoerd via het bloed.
      • Vissen
      • Amfibieën
        • Jonge amfibieën (bijvoorbeeld kikkervisje) halen adem met kieuwen.
        • Volwassen amfibiën (bijvoorbeeld kikker) met longen en via de huid
          • Ze hebben een dunne huid zonder hoornlaag. .
  • Tracheeën
    Ademhalen in de lucht.
    • Niet één ademhalingsorgaan maar een netwerk van buisjes (tracheën) aan de zijkant van het lichaam.
      • Door bewegingen van het achterlijf, stroomt lucht in en uit de buisjes.
        • Zuurstof hoeft niet vervoerd te worden door het bloed.
          • De zuurstof komt vanuit de tracheeën direct bij de cellen.
  • Eencellige dieren
    • Hebben geen ademhalingsorgaan nodig.
    • Halen direct zuurstof uit het water.
      • Via de celmembraan.

Beweging bij dieren

  • Bouw van de ledematen is is afhankelijk van waar ze voor gebruikt worden.
    Voorbeelden
    • In de lucht: vleugels;
    • onder de grond: graafpoten;
    • in het water: zwemvliezen.

Voeten bij zoogdieren

  • Hebben allemaal hetzelfde bouwplan

voet van de voorpoot

voet van de achterpoot

handwortelbeentjes

Voetwortelbeentjes

middenhandsbeentjes

middenvoetsbeentjes

vingerkootjes

Teenkootjes

  • Zoolgangers gebruiken bij het lopen hun hele voet.
    Voorbeelden:
    • mens;
    • aap;
    • beer.
  • Teengangers lopen op hun teenkootjes.
    • De middenvoetsbeentjes en voetwortelbeentjes raken de grond niet.
      Voorbeelden:
      • kat;
      • hond.
  • Hoefgangers (hoefdieren)
    • Lopen op de toppen van hun tenen.
      • Laatste teenkootje wordt verstevigd door een hoef.
    • Hebben lange benen.
    • Kunnen goed rennen en dit lang volhouden.
      Voorbeelden:
      • paard;
      • olifant.

Vogels

  • Hebben vleugels en poten.
  • Vleugels zijn bij alle vogels vrijwel hetzelfde gebouwd.
    • Zijn voor de voortbeweging in de lucht.
  • Poten verschillen.
    • Afhankelijk van hoe ze gebruikt worden.
      Bijvoorbeeld:
      • om te klimmen.
        • Specht.
      • om een prooi te pakken en vast te houden.
        • Roofvogels (buizerd, torenvalk).
      • om door het water te lopen.
        • Lange poten nodig.
        • Steltlopers (grutto, kluut).
      • om te zwemmen.
        • Zwemvliezen tussen de tenen.
        • Eend.

Gebit bij zoogdieren

  • Planteneters
    Voorbeelden
  • Cavia, koe, paard, schaap, konijn.
    • Eten alleen plantaardig voedsel.
  • Is moeilijker te verwerken dan dierlijk voedsel,
    • doordat de plantencellen taaie celwanden (van cellulose) hebben.
  • plooikiezen.
    • Kiezen passen op elkaar.
    • Malen daarmee het voedsel fijn.
  • geenhoektanden.lang darmkanaal.
    • Soms ook in de bovenkaak geen snijtanden.
  • Makkelijker te verteren.
  • knipkiezen(en scheurkiezen).scherpe hoektanden en snijtanden.
    • Kiezen glijden langs elkaar
  • kort darmkanaal.
  • knobbelkiezen.hoektanden en snijtanden.
    • Kiezen passen op elkaar.
    • voedsel wordt hiermee fijngemalen.
    • Hebben:
  • Vleeseters
  • Voorbeelden
    Nerts, kat, zeehond.
                Eten alleen dierlijk voedsel.
    • Hebben:
  • Alleseters
  • Voorbeelden
    Mens, varken, wild zwijn.
    • Eten plantaardig en dierlijk voedsel.
    • Hebben:

Snavels bij vogels

  • Insectenetende vogels
    • Hebben puntige snavel.
    • Kunnen makkelijk insecten uit gaatjes peuteren.
  • Zaadetende vogels
    • Hebben kegelvormige snavel.
    • Moeten zaden open kunnen kraken.
  • Roofvogels
    • Hebben haakvormige snavel.
    • Moeten het vlees van hun prooi kunnen scheuren.

Weefsels van planten

Weefsel: een aantal cellen met dezelfde vorm en functie.

    • Opperhuid (dekweefsel)
      • Rij aaneengesloten cellen.
        • Beschermt de onderliggende lagen tegen uitdroging en beschadiging.
        • Is dikker bij planten die in droge gebieden leven.
      • Bij de opperhuid van stengel en blad zit aan de buitenkant vaak een waterafstotend waslaagje.
      • Opperhuid van de wortels moet water en voedingszouten (mineralen) opnemen.
        • Geen waslaagje.
        • Cellen hebben uitstulpingen: wortelharen.
          • Geven groter oppervlak om stoffen op te nemen.
      • Huidmondjes
        • Openingen in de opperhuid van bladeren.
          • Rond de opening zitten twee sluitcellen.
            • Speciale cellen van de opperhuid.
        • Werking
          • Licht --> huidmondjes open.
            • Koolstofdioxide wordt opgenomen (voor fotosynthese).
            • Zuurstof wordt afgegeven (afkomstig van de fotosynthese).
            • Water verdampt.
              • Daardoor wordt water aangezogen vanuit houtvaten.
          • Donker --> huidmondjes dicht.
        • Zitten meestal aan de onderkant van het blad.
          • Dat voorkomt dat teveel water verdampt wordt.
    • Steunweefsel
      • Cellen dikke celwanden voor extra stevigheid.

 

  • Vulweefsel
    • Cellen met:
      • dunne celwanden.
      • ruimte tussen de cellen (intercellulaire ruimten).
    • Kan verschillende functies hebben.
      Onder andere:
      • opslag van reserve voedsel:
        • In de wortel of in stengel.
      • fotosynthese.
        • In het blad
        • De vulweefselcellen hebben daarvoor bladgroenkorrels.
  • Houtvaten en bastvaten
    • Zitten samen in vaatbundels.
    • Buizen voor het transport van stoffen.
    • Houtvaten
      • Transport vanuit de wortel naar de stengel en bladeren.
        • Vervoeren water en voedingszouten.
      • Dode cellen:
        • met dikke celwand.
          • Geven ook stevigheid.
        • zonder tussenwanden.
    • Bastvaten
      • Transport vanuit de bladeren naar de wortel.
        • Vervoeren energierijke stoffen (vooral suiker).
      • Levende cellen:
        • met doorboorde tussenwanden.
  • Deelweefsel
    • Delende cellen.
    • Zitten:
      • in de uiteinden van de wortels en de toppen van de stengels.
        • Voor de groei in de lengte.
      • aan de rand van de wortels en de stengels
        • Voor de groei in de breedte.
          • Vormen nieuwe hout- en bastvaten.

Organen van planten

Wortel

  • Bevestiging van de plant in de bodem.
  • Opname van water en voedingszouten (mineralen).
    • Opperhuidcellen hebben daarvoor wortelharen.
      • Oppervlaktevergroting voor opname stoffen.
    • Opgenomen stoffen komen terecht in de houtvaten.
  • Opslag van reservevoedsel.
    • Vooral zetmeel.
    • In knollen.
      • Ook voor ongeslachtelijke voortplanting.
        Bijvoorbeeld: aardappel

Stengel

  • Vervoer van stoffen.
  • Soms ook opslag van reservevoedsel.
    • In de rokken van bollen.
      • Rokken zijn verdikte bladeren
    • Bollen zorgen ook voor ongeslachtelijke voortplanting.

Blad

  • Fotosynthese.
    • Met lichtenergie wordt van water en koolstofdioxide glucose gemaakt.
      • In de cellen met bladgroenkorrels.
      • Licht wordt door de bladgroenkorrels opgevangen.
    • Water wordt aangevoerd door de houtvaten.
      • Zitten in de nerven.
    • Koolstofdioxide wordt opgenomen via de huidmondjes.
      • En zuurstofgas afgegeven.
  • Verdamping van water.
    • Hierdoor zuigen de bladeren water aan uit de houtvaten.
    • Met het water worden de voedingszouten aangevoerd.
    • Verdamping neemt toe bij:
      • droog weer (lage luchtvochtigheid);
      • wind;
      • hogere temperatuur.

Bloem

    • Voor de geslachtelijke voortplanting.
    • Onderdelen van een bloem
      • Meeldraden
        • Mannelijk voortplantingsorgaan.
          Bestaat uit:
        • helmdraad;
        • helmknop.
          • Hierin worden stuifmeelkorrels gemaakt.
      • Stamper
        • Vrouwelijk voortplantingsorgaan.
          Bestaat uit:
        • stempel; Vangt de stuifmeelkorrels op.
        • stijl; Verbinding tussen stempel en vruchtbeginsel.
        • vruchtbeginsel. Bevat één of meer zaadbeginsels.
            • In ieder zaadbeginsel zit één eicel.
      • Kroonbladeren
        • Vaak gekleurd.
          • Lokken insecten (bij insectenbloemen).
      • Kelk
        • Meestal groen.
        • Beschermt de onderdelen als de bloem nog in knop zit.
    • Bestuiving
      Het overbrengen van stuifmeel komt naar de stempel.
      • Door insecten (insectenbloemen).
        • Insectenbloemen
          • Stamper en meeldraden zitten in de bloem.
          • Maken nectar.
            • Is voedsel voor de insecten.
            • Stuifmeel wordt per ongeluk meegenomen.
              • Zo komt dat terecht bij een volgende bloem die bezocht wordt.
          • Lokken de insecten met:
            • opvallende (gekleurde) kroonbladeren.
            • geuren.
          • Hebben plakkerig stuifmeel.
            • Blijft makkelijk aan de insecten zitten.

 

    • Door de wind (windbloemen).
      • Windbloemen
        • Hebben onopvallende kroonbladeren.
        • Meeldraden en stamper hangen buiten de bloem.
          • Stamper is sterk vertakt.
          • Zo meer kans om stuifmeel op te vangen
        • Maken veel stuifmeel.
          • Veel stuifmeel gaat verloren (komt niet op een juiste stamper).
        • Stuifmeel is licht.
          • Kan makkelijk door de wind meegnomen worden.
  • Bevruchting
    • Stuifmeelkorrel groeit door de stijl naar het vruchtbeginsel.
    • Eicel (in het zaadbeginsel) smelt samen met kern van de stuifmeelkorrel = bevruchting
    • Na de bevruchting
      • Bevruchte eicel groeit uit tot het kiempje, de nakomeling.
      • Zaadbeginsel groeit uit tot zaad.
        • In het zaad zit het kiempje.
        • Verder bevat het zaad reservevoedsel voor het kiemplantje.
          • Zetmeel, eiwitten, vetten.
        • De buitenste laag heet zaadhuid.
          • Beschermt het kiempje tegen uitdroging.
      • Vruchtbeginsel groeit uit tot vrucht.
  • Verspreiding van zaden
    • Zaden moeten niet te dicht bij de ouderplant terecht komen.
      • Anders teveel concurrentie.
    • Verspreiding door:
      • de plant zelf
        • Wegschieten van zaden
          Voorbeeld: springzaad
      • de wind
        • De zaden moeten licht zijn.
          Voorbeeld: paardenbloem
      • dieren
        • De zaden blijven in de vacht van dieren hangen.
          Voorbeeld: kleefkruid.
        • De vrucht wordt gegeten en de zaden later ergens anders uitgepoept.
          Voorbeeld: bessen, kersen.
      • water
        • De zaden moeten blijven drijven.
          Voorbeeld: kokosnoot.

Aanpassingen aan de omgeving

  • Planten op vochtige plaatsen
    • Hebben grote, dunne bladeren.
      • Hierdoor veel verdamping.
  • Waterplanten met drijvende bladeren
    • Hebben huidmondjes aan de bovenkant van het blad.
      • Zo kunnen ze toch koolstofdioxide uit de lucht halen.
  • Planten in droge gebieden
    • De verdamping moet beperkt worden.
      Kan op verschillende manieren.
      • Kleine bladeren.
        • Bijvoorbeeld: hei, naaldbomen.
      • Dikke waslaag op de opperhuid.
        • Bijvoorbeeld: vetplanten.
      • Minder huidmondjes.
      • Huidmondjes die verzonken liggen.
    • Kunnen soms ook water opslaan in bladeren en stengel.
      • Bijvoorbeeld: cactussen.

Je moet kunnen aangeven welke delen van planten voedingsmiddelen en/ of grondstoffen leveren voor de mens.

Nuttige planten

  • Alle onderdelen kunnen voedingsmiddelen of grondstoffen voor de mens en dier leveren.
  • Verschillende onderdelen kunnen gebruikt worden voor het maken van medicijnen.

Voedingsstoffen/grondstoffen
Voorbeelden

Bloemen

      • Voedsel
        • Bloemkool, broccoli.
      • Grondstoffen
        • Nectar.
          • Hiervan maken de bijen honing.
        • Thee.
        • Geurstoffen..
          • Parfums.
        • Kleurstoffen.
    • Vruchten
      • Voedsel
        • Komkommer, tomaat, sperziebonen, appel, paprika.
      • Grondstoffen voor
        • Jam, sap.
    • Zaden
      • Voedsel
        • Bruine bonen, rijst, erwten, pinda.
      • Grondstoffen
        • Meel voor het brood.
        • Olie.
          • Grondstof voor onder andere margarine en mayonaise.
        • Katoen.
          • Gemaakt uit zaden van de katoenplant.
          • Kleding.
    • Bladeren
      • Voedsel
        • Sla, witlof, spruitjes, spinazie.
    • Stengels
      • Voedsel
        • Asperge.
      • Grondstoffen
        • Rubber.
          • Komt uit de bast van de rubberboom.
          • Sandalen, laarzen,tegels (antislip).
        • Hout.
          • Bestaat uit houtvaten.
          • Bouwmateriaal, meubels.
        • Linnen.
          • Kleding, meubelstoffen.
        • Kurk

 

  • Wortels
    • Voedsel
      • Aardappel, radijs. rode biet.
    • Grondstoffen
      • suiker
        • Wordt gehaald uit suikerbieten en riet.

Soort, populatie, levensgemeenschap, ecosysteem

Soort

  • Organismen die:
    • zich onderling kunnen voortplanten.
    • vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen.
  • Verschillende soorten organismen hebben verschillende eigenschappen.
    • Worden bepaald door erfelijke factoren (DNA).
  • Individuen van één soort kunnen ook verschillen.
    • Ze hebben dan een ander genotype
      en/ of
    • de verschillen zijn ontstaan door verschillende omstandigheden waarin ze opgroeien.

Populatie

  • Alle individuen van een bepaalde soort in één gebied.
    • Kunnen zich onderling voortplanten.
  • De grootte van een populatie is afhankelijk van de biotische en abiotische factoren in een bepaald gebied.
    Voorbeelden
    • Biotisch:
      • de hoeveelheid beschikbaar voedsel.
      • het wel of niet aanwezig zijn van natuurlijke vijanden
    • Abiotisch:
      • de temperatuur.
      • de hoeveelheid water.

Levensgemeenschap

  • Alle populatie bij elkaar in een bepaald gebied vormen een levensgemeenschap.

Ecosysteem

  • Gebied met een bepaald milieu (abiotische factoren) met alle daarin levende organismen (de levensgemeenschap).
    Voorbeelden van ecosystemen:
    • duinen
    • heide
    • loofbos
    • naaldbos
    • toendra
    • tropisch regenwoud
    • woestijn
    • sloot
    • waddengebied

Biotische en abiotische factoren

Biotische factoren

  • De levende natuur.
    • Planten
      • Maken het voedsel (fotosynthese) en dienen dus als voedsel voor dieren.
      • Bieden schuilplaatsen en broedplaatsen voor dieren.
    • Dieren
      • Planteneters leven van planten en hebben dus invloed op de plantengroei.
      • Vleeseters eten andere dieren.
    • Schimmels en bacteriën
      • Zorgen voor de afbraak van de dode organische resten,
        of
      • veroorzaken ziektes.
  • De verschillende soorten organismen in een levensgemeenschap zijn onderling afhankelijk van elkaar of beïnvloeden elkaar.
    Voorbeelden
    • Onderling afhankelijk zijn voor de voortplanting.
      • Insectenbloemen zijn van insecten afhankelijk voor de bestuiving.
      • Koekoek laat andere vogels hun jongen grootbrengen.
    • Ze hebben een territorium nodig.
    • Ze eten of worden gegeten.
  • De organismen in de levensgemeenschap vormen een voedselweb.

Abiotische factoren

  • De niet-levende natuur.
    • Licht
      • Nodig voor de fotosynthese.
      • Niet alle planten hebben evenveel licht nodig.
        • Schaduwplanten groeien liever in de schaduw.
        • Zonplanten hebben veel licht nodig.
    • Temperatuur
      • Temperatuur in een bepaald gebied bepaalt welke organismen er kunnen leven.
        • In de woestijn leven andere dieren dan op de Noordpool.
    • Lucht
      • Koolstofdioxide.
        • Voor de fotosynthese van planten
      • Zuurstof.
        • Voor de verbranding.
      • Wind.
        • Verspreiding van stuifmeel (windbloemen).
        • Invloed op de verdamping.
    • Water
      • De hoeveelheid water.
        • Voorbeelden planten en dieren die met weinig water toekunnen:
          • cactussen;
          • woestijnwatjes.
        • Voorbeelden planten en dieren die met veel water nodig hebben:
          • waterplanten en waterdieren;
          • kikkers en padden.
      • De samenstelling van het water (zoet, zout, brak).
    • Bodem
      • Grondsoort (klei, zand e.d.).
        • Klei is vruchtbaarder dan zand, Klei houdt beter water vast. Op kleigrond kunnen dus andere planten groeien dan op zandgrond.

Voedselketen & voedselweb

Voedselketen

  • Reeks waarin staan wie wie eet
    producent --> consument (planteneter) --> consument(vleeseter)
  • Reeks begint altijd met een plant.
    • Voorbeeld
      roos --> bladluis --> lieveheersbeestje --> koolmees --> sperwer
    • Let op de richting van de pijl!
      • De richting van de pijl geeft de richting aan van het voedsel in de keten.
      • Voedsel bevat energie: de energie wordt doorgegeven via het voedsel.
        • Planteneter krijgt energie door het eten van planten.
        • Vleeseter door het eten van dieren.
      • De pijl is dus de richting van de energiestroom.
  • Producenten
    • Planten.
    • Maken het voedsel.
      • Ze leggen bij de fotosynthese zonne-energie vast in glucose.
      • Ze bouwen biomassa op.
        • Biomassa = de totale hoeveelheid (Kg) energierijke stoffen.
  • Consumenten
    • Dieren.
    • Zijn voor hun voedsel afhankelijk zijn van andere organismen.
      • Leven direct (planteneters) of indirect (vleeseters) van de energierijke stoffen die door planten gemaakt zijn.

Voedselweb

  • Alle voedselketens is een bepaald gebied vormen samen het voedselweb.

Voedselpiramide

  • Zonne-energie wordt vastgelegd door planten in energierijke stoffen.
  • Energie(voedsel) wordt doorgegeven aan de volgende schakel.
  • Bij iedere stap gaat energie verloren.
    De totale hoeveelheid biomassa neemt bij iedere schakel in de voedselketen af.
    Doordat:
    • niet alles verteerbaar is, deel wordt uitgepoept.
    • deel wordt gebruikt wordt voor allerlei lichaamsprocessen.
      • Bijvoorbeeld:
        • warm blijven.
        • bewegen
      • daarbij komt energie en warmte vrij.
  • Voedselpiramide kan op twee verschillende manieren gemaakt worden.
    • Voedselpiramide van aantallen.
      • Daarbij wordt gelet op het aantal organismen in iedere schakel.
    • Voedselpiramide van biomassa.
      • Daarbij wordt gelet op het gewicht ( de biomassa).
        • Deze manier geeft de energiestroom goed weer.

Kringlopen

Kringloop

  • Producenten (planten) leggen energie vast in energierijke organische stoffen.
    • Energie wordt geleverd door de zon (fotosynthese)
    • Nodig:
      • opname van koolstofdioxide uit de lucht.
      • opname van water en zouten (vooral stikstofverbindingen) uit de bodem.
  • Consumenten (dieren) eten de planten.
    • Gebruiken het voedsel voor:
      • de groei.
        • Opbouw van het eigen lichaam.
      • de verbranding..
        • Levert energie voor allerlei lichaamsprocessen.
  • Reducenten (bacteriën en schimmels) ruimen op.
    • Ze gebruiken de resten van planten en dieren.
      • Onverteerde delen.
      • Afvalstoffen.
      • dode planten en dieren.
    • Ze breken de stoffen waar de resten uit bestaan af tot:
      • koolstofdioxide;
      • water;
      • zouten.
    • Planten kunnen die stoffen dan weer opnemen.

Koolstofkringloop

  • Koolstofdioxide (CO2) wordt vastgelegd in glucose.
    • Door planten
    • Bij de fotosynthese.
  • Glucose wordt gebruikt bij de verbranding.
    • Door alle organismen.
    • Er komt weer koolstofdioxide vrij.

Stikstofkringloop

  • Stikstof (N) is nodig om eiwitten te kunnen maken.
    • Nitraat is een belangrijke stikstofverbinding.
  • Planten (producenten)
    • Nemen nitraten op uit de bodem.
    • Maken plantaardige eiwitten.
  • Dieren (consumenten)
    • Eten planten en gebruiken de plantaardige eiwitten om hun eigen dierlijke eiwitten te maken.
  • Rottingsbacteriën (reducenten)
    • Breken de eiwitresten van dode planten en dieren af.
    • Er blijft ammoniak over.
      • Ammoniak is giftig.
    • Andere bacteriën zetten de ammoniak om in nitraat.
  • Nitraat kan weer door planten opgenomen worden.

 

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.