Ook deze week is het nog 'seksweek' op Scholieren.com. Samen met de Sense Infolijn geven we antwoord op al jouw seksvragen.

 


Alles over seks Alles over seks


Biologie NG 1

Hoofdstuk 1 De cel aan de basis.

De celmembraan speelt een belangrijke rol, zelfs doorslaggevende rol in de organisatie van de cel. Wat de celmembraan wel en niet doorlaat bepaalt het lot van de cel. Water, zouten en eiwit spelen daarbij een hoofdrol.
Plantaardige cellen hebben meestal een omhulsel, een celwand. Dit omhulsel beïnvloedt het transport.

Een bacterie kan na verloop van tijd zomaar in tweeën splitsen. De twee ontstane bacteriën groeien elk weer uit tot een bepaalde gemiddelde lengte en gaan dan op hun beurt door midden delen. Deze deling heet celdeling. Bij bacteriën ook wel splijting genoemd.

Je kunt bacteriën behandelen met kleurstoffen met het doel dat bepaalde onderdelen beter zichtbaar te maken. Een bacterie heeft bijvoorbeeld een deel dat reageert op een kleurring die speciaal voor het DNA is bedoeld. Dit deel heet het chromatinegebied. In dit chromatinegebied is een langwerpige, cirkelvormige structuur ontdekt: het bacteriechromosoom. Het chromosoom van een bacterie bestaat voor een belangrijk deel uit DNA. De samenstelling van het DNA bepaalt hoe de bacterie eruitziet en hoe de bacterie zich gedraagt.

De opdrachtgever in de cel is DNA. Het DNA stuurt boodschappen naar de andere delen van de cel. Die boodschappen zijn moleculen die erg veel lijken op het DNA. De boodschappen heten boodschapper-RNA (mRNA). De RNA-boodschappen zijn als het ware een afdruk van een bepaald stuk DNA. Het afdrukproces heet: transscriptie. Het boodschapper-RNA komt vast te zitten aan kleine bolletjes in het grondplasma, de ribosomen. Vervolgens hechten zich moleculen aan het boodschapper-RNA. Deze moleculen heten transport-RNA (tRNA). Zij transporteren namelijk een bouwsteen waarmee uiteindelijk de opdracht kan worden uitgevoerd. De bouwstenen heten aminozuren en de opdracht heet een eiwit. Het eiwit is de uitvoering van de opdracht die door het DNA is gegeven. Het proces op de ribosomen, waarbij informatie uit het boodschapper-RNA wordt vertaald door het transport-RNA in een eiwit, heet translatie.

DNA bestaat uit vier verschillende eenheden. Deze eenheden worden aangeduid met de letters: A,C,G en T. Zij vormen in drietallen een code die triplet heet. Een bepaalde triplet codeert voor een bepaald transport-RNA. Dat transport-RNA heeft weer een bepaald aminozuur bij zich. Er zijn 64 tripletten en 20 verschillende aminozuren. Dus er zijn meerdere verschillende tripletten die coderen voor één aminozuur.

Opdrachtgever -> Opdracht -> Uitvoerders -> Uitgevoerd -> Gevolg
DNA mRNA tRNA + ribosomen Eiwit Enzymactiviteit

Schema:
1 DNA schrijft een brief: mRNA
2 mRNA gaat van de kern naar het cytoplasma waar het zich hecht aan de ribosomen.
3 tRNA brengt aminozuren naar het mRNA.
4 tRNA hecht zich op het ribosoom even aan het mRNA.
5 Het ribosoom loopt het mRNA af, waarbij nieuwe aminozuren aan de eiwitketen worden gehecht.
6 tRNA heeft zijn aminozuur afgegeven.
7 Eiwit is opgebouwd. Het eiwit op zijn beurt wordt een enzym, een bouwsteen van een membraan of een onderdeel van een groter molecuul.

In de bacteriecel bestaan er ook verscheidene verspreide ringvormige stukken DNA, de plasmiden. In de cel zijn er ook nog blaasjes waarin zich allerlei stoffen bevinden, zoals zwavel, vet, eiwit en fosfaat. De uiterste grens van de cel is de celmembraan.

De celmembraan bestaat voornamelijk uit twee lagen vetmoleculen. Vetten bestaan voor een belangrijk deel uit een lang koolstofhoudend molecuul, het vetzuur. Deze moleculen zijn waterafstotend. Dat komt doordat vetzuren geen positieve en negatieve kant hebben en water wel.
We noemen moleculen die geen positieve of negatieve kant hebben apolair.
We noemen moleculen die wel een positieve of negatieve kant hebben polair.
Vetmoleculen laten door hun apolaire karakter water en daarin opgeloste stoffen niet door. Toch kan een cel alleen bestaan als hij water en opgeloste stoffen kan uitwisselen met zijn omgeving. Er zijn dan ook duizenden poortjes die voornamelijk bestaan uit eiwitmoleculen die transport van water en opgeloste stoffen mogelijk maken.
Een celmembraan kan zweephaartjes hebben, waarmee de bacterie enigszins kan bewegen.

Rond de cel van een bacterie bevindt zich een omhulsel. Dit omhulsel kan bestaan uit: cellulose, chitine of een slijmlaagje. In het algemeen wordt het omhulsel van een cel een celwand genoemd. De celwand heeft vele functies, hij bepaalt de vorm van de bacterie en is ook een beschermlaag.

Bij een celdeling splitst eerst het chromatine en vervolgens de cel. Aan het splitsen van het chromatine gaat de verdubbeling van het DNA vooraf.
Een DNA-molecuul is meestal opgebouwd uit twee strengen. Deze strengen zitten aan elkaar vast door middel van zwakke chemische bindingen. Daarbij is het altijd C-G en A-T.
Na een moleculair seintje ritst de dubbel streng open en kopieert het DNA zichzelf. Er ontstaat zo twee kopiëen van het oorspronkelijke, dubbelstrengs DNA. Dit proces heet replicatie.

Protoplast is een cel zonder een celwand.
Bacteriën die bestand zijn tegen antibioticum, zijn resistent. (mrsa-bacteriën)

Een temperatuurschok, ultraviolet licht of radioactieve straling kan het DNA van cellen veranderen. Een dergelijke verandering van het DNA noemen we een mutatie. De verandering in het DNA kan plaatsvinden in een bacteriechromosoom, maar ook in een plasmide van de bacterie. Een mutatie kan invloed hebben op allerlei eigenschappen van de bacterie:
- structuur
- beschermingsmaatregelen
- voedingsmogelijkheden

Transgene bacteriën hebben fragmentjes DNA door hun eiwitpoorten naar binnen laten gaan en hebben deze stukjes DNA in hun eigen bacteriële DNA gebouwd.
DNA kan ook overgedragen worden door een verbinding tussen twee bacteriën via een soort vergrote eiwitpoort. Het gaat daarbij om verplaatsing van plasmiden.

Stekken = je neemt een stukje van de gewenste plant en laat die weer uitgroeien tot een volwassen plant. Stekken kan met cellen die op een steriele voedingsbodem worden geplaatste en daar gaan verdubbelen tot er een kiemplantje ontstaat. Dit is een vorm van klonen van planten.

Een plantencel heeft meer DNA dan een bacterie. Het DNA van een plantencel is echter geen onderdeel van het cytoplasma, zoals bij de bacterie. Rond het DNA van een plantencel bevindt zich plasma met een iets andere samenstelling dan het plasma buiten de kern. Het plasma in de kern heet kernplasma. Het plasma buiten de kern zonder mitochondriën en chloroplasten heet grondplasma. Cytoplasma bij plantencellen is dus grondplasma met alles wat daarin drijft, maar zonder kern. De scheiding tussen kernplasma en grondplasma bestaat uit een kernmembraan dat wee bestaat uit een dubbele laag vetzuurmoleculen. In het kernmembraan bevinden zich poriën, zodat een goede uitwisseling tussen kernplasma en grondplasma mogelijk is.

Nadat het DNA zichzelf verdubbeld heeft, rolt het DNA zich op op eiwitmoleculen. Deze eiwitmoleculen heten histonen.
Een plantencel heeft meer dan één chromosoom. Elk staafje bestaat uit twee delen, die identiek zijn aan elkaar, deze zijn door verdubbeling van DNA ontstaan. De identieke delen van een chromsoom in dit stadium heten chromatiden.
Deze chromatiden van één chromosoom blijven niet lang samen. Door mitose gaat één van de chromatiden naar de ene dochtercel en de ander naar de andere.

Mitose;
1 in een normale cel zijn chromosomen onzichtbaar. Vlak voor de celdeling verschijnen ze als dunne draden.
2 De chromosomen worden korter en dikker. (profase)
3 De chromosomen delen zich overlangs, maar blijven nog ,met één punt aan elkaar zitten. Het kernmembraan verdwijnt. (metafase)
4 De chromosomen stellen zich in het midden van de kern op; het equatoriale vlak. Plasmadraden vormen zich vanuit ‘spoelen’.
5 De plasmadraden trekken de chromatiden uit elkaar. (anafase)
6 De plasmadraden trekken vanuit de ‘spoelen’ of polen de chromatiden naar zich toe.
7 Er ontstaan twee kernen met kernmembranen. Blaasjes uit het Golgi-apparaat bewegen naar het midden van de cel. (telofase)
8 De blaasjes vormen een ‘celplaatje’en de plasmadraden verdwijnen.
9 Het celplaatje wordt de ‘middenlamel’ tussen de celwanden.
10 Er zijn nu twee dochtercellen met gelijke chromosomen.

De kern van een plantencel verdubbelt zich na de verdubbeling van DNA. Ribosomen worden later bijgemaakt, evenals structuren zoals het endoplasmatisch reticulum en het Golgi-systeem. Chloroplasten en mitochondriën zijn echter structuren die niet bijgemaakt kunnen worden door de cel. Zij vermenigvuldigen zichzelf, Zij bevatten namelijk DNA, hebben hun eigen ribosomen en hun eigen membraan.

Bij volwassen is er een evenwicht tussen celdood en celdeling.
Een zenuwcel deelt niet, maar een cel uit de kiemlaag van de huid deelt wel. Dit komt doordat er twee factoren zijn;
- De aanwezigheid van de boodschap die de celdeling bevordert.
- De gevoeligheid van de cel voor boodschappen die celdeling bevorderen.
Zenuwcellen hebben blijkbaar of geen mogelijkheid om de boodschap te lezen of zij krijgen geen boodschappen tot celdeling. Een cel uit de kiemlaag van de huid kan de boodschap wel lezen.

De grens van een menselijke cel is de celmembraan. Die celmembraan bestaat uit vetten met daartussen eiwitten. De vetten houden stoffen binnen die binnen moeten blijven en houden stoffen buiten die buiten moeten blijven. De eiwitten kunnen als poorten dienen om bijvoorbeeld glucose binnen te laten. Er zijn ook eiwitten die een boodschap kunnen ontvangen. Deze eiwitten heten receptoren. De meeste eiwitten zijn zowel receptor als poort.
Een receptor past alleen op bepaalde moleculen. Die moleculen kunnen we beschouwen als de boodschap voor de receptor.

Als je een wond hebt neemt de celdelingssnelheid van de cellen rondom de wond toe. Deze cellen hebben gereageerd op een hoge concentratie aan boodschappers. Die boodschappers zijn vrijgekomen nadat de cellen zijn beschadigd.

Als een receptor van een cel in de kiemlaag van je huid een celdelingsboodschap krijgt. Geeft de receptor een seintje aan de kern en gaat deze zich delen. Van de twee ontstane cellen in de kiemlaag van de huid is er nog één gevoelig voor de celdelingsopdracht. De ander echter niet.

De groeifactor EPO stimuleert celdeling die leidt tot het ontstaan van rode bloedcellen.

Wanneer er cellen delen zonder dat er een aanleiding toe is, kan er een gezwel ontstaan. Een mogelijkheid om deze kankercellen aan te pakken is het celdelingsproces te beïnvloeden. Het is dan wel zaak om alleen het delingsproces van de kankercellen te remmen en niet dat van de overige cellen. Dit lukt nooit helemaal, vandaar dat mensen met delingremmende medicijnen, ook wel cytostatica gnoemd, verschillende bijverschijnselen ontwikkelen.

Cellen kunnen afweerreacties vertonen of zelfs een zelfmoordmechanisme. Cellen zijn blijkbaar te beschouwen als eenheden die zichzelf instandhouden en hun eigen ‘gedrag’vertonen.
Een gevolg van activiteit in ons lichaam is dat er iets de cel ingaat en iets de cel uitgaat. Er vindt uitwisseling plaats tussen cel en omgeving. De uitwisselingsplaats is het celmembraan.

Koolhydraten -> uit CEL in -> Zuurstof
Water -> -> Water
Hormonen -> -> Voedingsstoffen zoals: koolhydraten,
Afvalstoffen -> eiwitten, vetten, zouten en nucleïnezuren.
zoals: urineren van eiwit,
urineren van nucleïnezuren.

Sommige moleculen kunnen binnen de menselijke cel behoorlijk wat schade aanrichten of zijn gewoon onbruikbaar in hun huidige toestand. Ze worden in blaasjes verpakt die we endosomen noemen. Die blaasjes leggen een weg af in het grondplasma en maken dan contact met andere blaasjesm de lysosomen. De membranen van endosoom en lysosoom versmelten met elkaar er ontstaat één blaasje. In het lysosoom bevinden zich stoffen die de gevaarlijke stoffen onschadelijk maken dan wel de stoffen omzetten zodat ze bruikbaar worden. Zodra er bruikbare stoffen zijn ontstaan kan het blaasjesmembraan oplossen en komen de stoffen vrij in de cel.

Lysosomen worden afgesplitst van eens schijfvormige structuur in het grondplasma, het Golgi-systeem. Het Golgi-systeem en blaasjes zoals endosomen en lysosomen zijn te beschouwen als een transportsysteem binnen de cel. Een ander transportsysteem bestaat uit membranen en loopt door de gehele cel. Het is het endoplasmatisch reticulum. Op een deel van het e.r. bevinden zich ribosomen, waarop eiwitsynthese plaatsvindt. De producten van de eiwitsynthese kunnen via het e.r. vervoerd worden naar het Golgi-systeem, waar het in de lysosomen kan worden verpakt.

Energie is in de cel aanwezig in de vorm van moleculen ATP. Die kun je beschouwen als oplaadbare batterijen. Deze moleculen kunnen overal in de cel komen. Een energievragend proces kan alleen plaatsvinden als een ATP-molecuul aangekoppeld wordt. ATP-moleculen ontladen bij het afgeven van hun energie en laden weer op door opname van energie. In een menselijke cel is de voornaamste bron van energie de verbranding. Deze verbranding vindt plaats in de mitochondriën. Deze betrekken zuurstof en brandstof uit het cytoplasma en de cel betrekt zuurstof en brandstof op haar beurt weer uit het milieu, via de celmembraan.

Plantencellen hebben:
- kern
- e.r.
- mitochondriën
- Golgi-systeem
- Ribosomen
- Endosomen
- Lysosomen
- Chloroplasten.
De chloroplasten ofwel bladgroenkorrels lijken veel op cyanobacteriën. In het zonlicht maken de chloroplasten ATP en splitsen ze water. Met behulp van deze grondstoffen kan de plant zijn eigen brandstof vormen.

Omhulsels
Bacteriën -> chitine, cellulose of slijm.
Plantencellen -> celwand van cellulose.
Dierlijke cellen -> hoornlaag of een slijmlaag.

De voorraad water van een plant bevindt zich in een waterblaas die vacuole genoemd wordt. Deze vacuole vult de cel helemaal op en drukt samen met het cytoplasma tegen de celwand. Deze druk van cel tegen celwand noemt men turgor. Turgor verdwijnt als de cel niet meer tegen de celwand drukt.

Difussie = Gelijkmatige verspreiding van een stof over de beschikbare ruimte.
Osmose = Het bewegen van water door een vlies terwijl andere stoffen daar niet doorheen kunnen.

Water diffundeert van een plaats met een lage concentratie opgeloste stoffen naar een plaats met een hoge concentratie. Het zijn niet alleen watermoleculen, maar ook opgeloste stoffen.
Dus het is een nettoverplaatsing van de plaats met een hoge concentratie naar een plaats met een lagere concentratie.

Selectieve permeabiliteit = de eigenschap van celmembranen om sommige stoffen wel en andere niet door te laten. (semi-permeabiliteit)

De hoeveelheid opgeloste stoffen bepaalt hoeveel water er zich verplaatst. Hoe meer opgeloste stoffen, des te meer waterverplaatsing. Een maat voor de concentratie opgeloste stoffen is dan ook osmotische waarde. Hoe meer opgeloste stoffen des te hoger de osmotische waarde. Een hogere osmotische waarde = hypertonisch.
Wanneer de osmotische waarde binnen en buiten een celmembraan gelijk zijn spreken we van iso-osmotisch, ook wel isotonisch. Er is dan wel waterverplaatsing, maar evenveel naar binnen als naar buiten, dus de netto verplaatsing is nul.

In een cel met turgor heerst een hogere druk dan buiten de cel. De turgor is het hoogst als een cel in gedestilleerd water ligt. De turgor is nul wanneer een cel in evenwicht is met een iso-osmotische oplosing. Zodra de interne en externe concentratie gelijk is, is de waarde van de turgor nul.

In sappige planten bevindt zich vloeistof in de holten tussen de plantencellen, de intercellulaire holten. Deze staan in verbinding met elkaar -> intercellulaire kanalen.
Deze kanalen krijgen hun vocht vanuit de houtvaten.

Virussen zijn stukjes DNA of RNA met daaromheen eiwitten en bij sommige typen ook een vetlaag. Ze vermenigvuldigen zich binnen levende cellen.
A Virussen herkennen een bepaalde receptor op de cel.
B Ze bouwen zich na het binnendringen in het gastheer-DNA.
C Ze verdubbelen zich dan door middel van transcriptie.
D Ze vormen daarna hun eiwitten weer om zich heen door middel van translatie.

Hoofdstuk 3 Erfelijkheid.

Met een stamboom kun je laten zien hoe een bepaalde eigenschap in de familie voorkomt.

De cellen van de kiemlaag in de huid kunnen kleurstof vormen. De informatie voor het pigment bevindt zich in een gen. Een gen is een onderdeel van een chromosoom en bestaat uit DNA. Een gen is dus een deel van een chromosoom dat de informatie bevat voor een bepaalde eigenschap. Een andere term voor gen = allel.
Een mens heeft minstens 50.000 verschillende genen in elke cel. De verzameling genen wordt het genotype genoemd. De meeste eigenschappen worden bepaald door samenwerking van verschillende genen.
Hoe je er uiteindelijk uitziet, je fenotype, wordt bepaald door het genotype en het milieu samen.

Ziektes kunnen ook erfelijk zijn. In een familie komen bijvoorbeeld veel personen voor met een verhoogd cholesterolgehalte (hypercholesterolemie). Het ligt dus in hun genotype vast dat zij een hoog cholesterolgehalte hebben.
Hypercholesterolemie komt ook bij mensen voor die te veel verzadigd vet gebruiken. Patiënten met een te hoog cholesterolgehalte in het bloed moeten hun voedingspatroon en leefwijze zodanig aanpassen, dat het cholesterolgehalte daalt.

Zowel spermacel als eicel bevatten 23 chromosomen. Bij de bevruchting komen de 23 chromosomen van de spermacel bij de 23 chromosomen van de eicel bij elkaar. Het resultaat is een zygote met 23 chromosomen paren. De chromosomen van een paar zijn gelijk van vorm, ze zijn even lang en bezitten hetzelfde aantal genen. Zo’n paar chromosomen zijn homologe chromosomen. Er is echter een uitzondering bij de man verschillen de chromosomen van één paar.
Een geslachtscel is een haploïd = N.
Het aantal chromosomen in een zygote en ook in gewone lichaamscellen = 2N.
Zo’n cel is diploïd. (2N)
Bij de mens is N= 23 en 2N= 46
Geslachtscellen zijn gevormd door een deling waarbij het aantal chromosomen gehalveerd wordt.

Deze deling is de meiose ofwel reductiedeling ->
Meiose I
1 Kern is nog niet aan het delen; de kerninhoud is korrelig. De chromosomen verdubbelen zich. (2N)
2 Chromosomen rollen zich op en kunnen zichtbaar gemaakt worden.
3 Homologe chromosomen gaan paarsgewijs in het equatorvlak liggen.
4 De homologe chromosomen scheiden en worden naar tegenover elkaar liggende polen getrokken.
5 Aan het eind van de meiose I heeft elke dochtercel N chromosomen.
Meiose II
6 Lijkt op mitose aan het eind van de meiose II zijn er vier haploïde kernen.

Bij vrouwen zijn de chromosomen van dat speciale paar gelijkvormig. (X-chromosomen)
Bij mannen bestaat het paar uit één X-chromosoom en één Y-chromosoom.
Organen zijn samengesteld uit allerlei typen cellen. Cellen van hetzelfde type vormen samen een weefsel. Deze cellen hebben binnen het lichaam dezelfde functie: dekweefsel dekt organen af, zenuwweefsel geeft elektrische signalen door en spierweefsel kan zich samentrekken. Tijdens de ontwikkeling van het embryo ontwikkelen zich op verschillende tijdstippen verschillende typen cellen. De verschillen ontstaan doordat verschillende genen worden geactiveerd.

De activering van deze genen vindt plaats onder schakelgenen. Door bepaalde schakelgenen, worden specifieke genen aaneengeschakeld. Schakelgenen kunnen op hun beurt worden aangezet door een verandering in het cytoplasma, bijvoorbeeld door aanmaak van een bepaald eiwit. Deze verandering in het cytoplasma is dan weer tot stand gekomen doordat even daarvoor andere genen aaneengeschakeld werden.

Hieruit blijkt dat celspecialisatie onder invloed staat van enzymen in het cytoplasma. Deze enzymen zijn gevormd op basis van de genen in de kern. De kern staat onder invloed van stoffen, die in naburige cellen zijn gemaakt. We noemen dit inductie.
Ook stoffen die gevormd zijn door cellen die verderweg liggen, zijn van invloed. Dit zijn allemaal voorbeelden van interne factoren.
Externe factoren die celspecialisatie beïnvloeden zijn bijvoorbeeld licht en warmte.

Het overheersende gen = dominant.
Het overheerste gen = recessief.
Als de genen een even sterke invloed hebben op het uiterlijk = intermediaire genen.

Homozygoot = genen met dezelfde informatie. (2x dominant/ 2x recessief)
Heterezygoot = genen met verschillende informatie. (dominant + recessief)

Een kruising waarbij je op één eigenschap let, is een monohybride kruising. (één allelenpaar)
Een kruising waar van twee allelenparen wordt uitgegaan, is een dihybride kruising.

Het blijkt dat de verschillende bloedgroepen worden bepaald door drie verschillende allelen:
Ia, Ib en i. Als er meer dan twee allelen kunnen voorkomen op een bepaalde plaat (locus) op het chromosoom spreekt men van multipele allelen.

Genen die op hetzelfde chromosoom liggen zijn gekoppelde genen. Gekoppelde genen erven niet onafhankelijk over.

Crossing-over is wanneer delen van het chromosoom makkelijk worden uitgewisseld met delen van zijn overeenkomstige chromosoom. Door crossing-over wordt de overerving van erfelijke eigenschappen moeilijk voorspelbaar. Crossing-over gebeurt in de metafase van de meiose.

Een gen dat op het X-chromosoom of Y-chromosoom ligt noemen we:
X-chromosomaal of Y-chromosomaal. Hierdoor wordt verklaard waarom alleen jongens of meisjes een bepaalde ziekte hebben.

Mutatie is een verandering van het DNA. Als er een verandering is in één gen heet dat genmutatie. Normaal gesproken worden afwijkende cellen in het lichaam vernietigd. Dat geldt ook voor gemuteerde cellen. Een mutatie in een cel kan tot gevolg hebben dat een cel zich veel te snel deelt. Mitoses staan onder invloed van regelgenen.
Als een regelgen geactiveerd is, leidt dit tot mitose. Eén van de oorzaken van kanker is dat de regelgenen kennelijk voortdurend geactiveerd zijn. De nakomelingen van zo’n cel hebben allen het gemuteerde gen. Er ontstaat zo een grote groep cellen met een ander genotype van de omliggende cellen. Op het moment dat zo’n groep cellen zichtbaar wordt, spreken we van een gezwel. Cellen hiervan kunnen in het bloed terechtkomen, naar een ander deel van het lichaam vervoerd worden en daar verder delen: uitzaaiing. Zo’n gezwel is kwaadaardig. In dat geval spreken we van kanker. Een goedaardig gezwel zaait zich niet uit.

Mutaties kunnen veroorzaakt worden door straling of carcinogene stoffen ofwel spontaan voorkomen.
Mutaties in een individu hebben alleen invloed op het nageslacht als mutaties in de voortplantingscellen terecht komen. Defecte genen kunnen dan in nakomelingen dezelfde ziekte veroorzaken als in de ouders. We spreken dan van een erfelijke ziekte.

Na een miskraam blijkt in de celkernen van het embryo vaak een onvolledig chromosoom voor te komen. Stukjes van een chromosoom ontbreken. Zo’n chromosoommutatie ontstaat als een chromosoom breekt en een stukje chromosoom zoek raakt. De genen van dit stukje ontbreken daarna in het genotype van die cel.

Hoofdstuk 4 Gezondheid!

Verbrandingen:
Eerstegraads -> De huid is alleen rood en gevoelig. Alleen de bovenste laag van de huid is aangedaan.
Tweedegraads -> Ontstaan blaren op de huid, hierbij laat de opperhuid los van de leerhuid. Ook de leerhuid is beschadigd.
Derdegraads -> Hier is zowel de opperhuid als de leerhuid vernietigd. Bij een derdegraads verbranding heb je geen pijn, want de pijnzintuigen zijn verwoest.
Nadat de wonden van de verbranding zijn genezen, is er alleen littekenweefsel te zien.

Onder invloed van zonlicht maken de cellen in de huid vitamine D. Vitamine D wordt onder andere gebruikt voor de opbouw van botten. Een tekort aan vitamine D geeft Engelse ziekte en vermoeidheidsverschijnselen. Een overvloed aan vitamine D geeft ook vermoeidheidsverschijnselen. Te veel zonlicht kan huidkanker tot gevolg hebben.

In de kiemcellen van de huid bevinden zich bruine korreltjes, deze worden gevormd door bepaalde cellen in de kiemlaag, de melanocyten. Iedereen met pigment heeft grote hoeveelheden melanocyten in de huid. Melanocyten zijn pigmentvormende cellen. Ultraviolet licht stimuleert de melanocyten, hierdoor vormen ze meer pigment.

Bij patiënten met zware brandwonden daalt de bloeddruk gevaarlijk. Er gaat veel lichaamsvocht verloren, omdat de buitenste laag van de huid verbrand is en hierdoor het water uit de cellen kan verdampen. De buitenste laag, de hoornlaag, bestaat namelijk uit dode cellen en is bijna ondoorlaatbaar voor water. Als deze weg is, kan al het water gewoon verdampen.
Daarom krijgt een brandwonden patiënt een infuus met een zoutoplossing dit vervang het lichaamsvocht.

Verkoudheid wordt veroorzaakt door een virus (het rhinovirus). Er bestaan wel honderden varianten van dit virus. Iedere variant kan steeds weer een nieuwe verkoudheid veroorzaken. Deze virussen nestelen zich in het slijmvlies. Verkoudheidsvirussen veroorzaken meestal een plaatselijke infectie.

Kwetsbare plaatsen:
- Neus en mondholte verkoudheid -> virus
- Gehoorgang oorinfectie -> bacterie of virus
- Longontsteking -> bacterie
- Darmontsteking -> bacterie of eencellige
- Urineweg of blaasontsteking -> bacterie

In de maag worden de meeste soorten ziekteverwekkers door het maagzuur gedood.
1 Virus hecht zich op een celmembraan als daarop passende receptoren aanwezig zijn.
2 Na de hechting kan het zijn genetisch materiaal in de cel brengen.
3 Een cel is dan geïnfecteerd.

1 De eerste afweerreactie van een geïnfecteerde cel is de productie van een eiwit, interferon.
2 Interferon kan zich binden met de receptoren op de celmembraan.
3 Virussen kunnen zich dan niet meer aan de celmembraan binden.
Interferon beschermt naburige cellen zo tegen het binnendringen van virussen.
Naast interferon worden er afweercellen actief. Deze afweercellen zijn een bepaald type witte bloedcellen, ook wel fagocyten genoemd. Een belangrijke fagocyt is de macrofaag.

De afweer door interferon en fagocyten noemt men niet specifiek, doordat die zich richt op elke willekeurige binnendringer.
Onder invloed van stress kunnen je zenuwstelsel en je hormoonstelsel stoffen produceren waardoor er minder afweercellen gemaakt worden. Dus naast slechte voeding en vermoeidheid heeft stress ook een zeer nadelige invloed op de weerstand.

Griep wordt veroorzaakt door een influenzavirus. Er zijn drie typen, (influenza A,B,C) maar die typen veranderen met het jaar.

Koorts hoort bij de aspecifieke afweer.
Hoe constant de lichaamstemperatuur is, hangt af van het evenwicht tussen de hoeveelheid geproduceerde warmte en de hoeveelheid warmte die aan de buitenwereld wordt afgegeven.
De koude- en warmtezintuigen in de huid zijn gevoelig voor temperatuursveranderingen.
Deze zintuigjes geven informatie door aan het centrale zenuwstelsel.
Zintuigen die gevoelig zijn voor temperatuur heten ook wel thermoreceptoren.
Thermoreceptoren van de huid hebben meer invloed op ons van gevoel van welbehagen dan de thermoreceptoren in ons lichaam. De thermoreceptoren in ons lichaam hebben meer invloed op de regeling van de lichaamstemperatuur.

De norm van je lichaamstemperatuur -> de thermostaat
Hoger dan? -> De eerste onbewuste reactie is het verwijden van de bloedvaten van de huid, zo kan het bloed meer warmte aan de omgeving afgeven.
Niet genoeg? -> De tweede reactie is dat de zweetklieren aangezet worden tot productie van zweet, door het verdampen van het vocht op de huid koel je af.

Te laag? -> De eerste onbewuste reactie is het vernauwen van de bloedvaten dan de huid, zo wordt er minder warmte aan de omgeving afgegeven.
Niet genoeg? -> De tweede reactie is dat je kippenvel krijgt, je gaat rillen en klappertanden. Deze drie acties leveren warmte op, doordat er bij beweging warmte vrijkomt.

Het veranderen van het oppervlak dat warmte afgeeft kan ook de lichaamstemperatuur veranderen. Als je in elkaar kruipt, geeft je zo min mogelijk warmte af.

In reactie op een infectie door virussen of bacteriën produceren beschadigde cellen bepaalde stoffen (onder andere pyrogenen). Deze stoffen komen overal in het bloed dus ook in de hersenen. Daar beïnvloeden ze het functioneren van de hypothalamus.
De pyrogenen blokkeren de warmtezintuigen en overprikkelen de koudezintuigen. Daardoor lijkt de lichaamstemperatuur lager dan hij in werkelijkheid is.

Boven de 44 graden gaan onze cellen dood. Ze gaan dood, doordat de eiwitten in de cellen kapot gaan. De eiwitten veranderen van structuur, ze denaturen. Enzymen zijn eiwitten, dus boven de 44 graden denaturen onze enzymen.

Organen van het afweersysteem: thymus, lymfeknoppen, milt en beenmerg.

Bij specifieke afweer wordt er één ziekteverwekker uitgeschakeld. Hierbij heb je T- en B-lymfocyten. Beide typen ontwikkelen zich uit stamcellen in het rode beenmerg. Een aantal “baby-lymfocyten” komen in de thymus terecht. In de thymus ontwikkelen ze zicht tot volwassen T-lymfocyten. De lymfocyten die zich helemaal in het beenmerg ontwikkelen zijn de B-lymfocyten.
Zowel de B-lymfocyten als de T- lymfocyten komen uiteindelijk in de bloedbaan terecht.
Grote concentraties lymfocyten kun je vinden in de:
- milt
- amandelen
- lymfeklieren
- darmwand

Een specifieke afweercel herkent alleen cellen met een specifieke eiwitcombinatie. Zo’n afweercel past op het antigeen. “Sleutel-slot” principe.
(Antigeen = een lichaamsvreemde stof die reactie opbrengt)
De sleutel van een T- lymfocyt wordt bepaald door het type receptor dat hij bezit. Een T- lymfocyt kan met zijn receptoren zo’n geïnfecteerde cel herkennen. Aanstaande T- lymfocyten in het beenmerg beschikken nog niet over receptoren en zijn volstrekt ongevoelig voor welk antigeen dan ook.

In de loop van de ontwikkeling in de thymus verkrijgen T- lymfocyten antigeenreceptoren. Iedere T- lymfocyt heeft net weer een iets andere receptor dan de vorige. Er ontwikkelen zich tenminste 100 miljoen verschillende T-cellen. Alle T-cellen die geen MHC kunnen herkennen, sterven. Ook alle T-cellen die lichaamseigen eiwitten herkennen, sterven. De lymfocyten die de thymus verlater, zijn die lymfocyten die antigenen kunnen herkennen.

Het volgen van een influenzavirus:
1 Influenzavirus komt binnen via de ademhalingsorganen.
2 Het hecht zich aan de receptoren van een cel in de luchtwegen.
3 Het brengt zijn erfelijk materiaal naar binnen.
4 Het kopieert zijn eigen erfelijke materiaal in de cel.
5 Waarna de cel openbarst en de nakomelingen vrijkomen.
6 Deze nakomelingen kunnen zich weer hechten aan een andere cel en die infecteren.

Aan de buitenkant van de bolvormige virussen zitten twee groepen uitsteeksels, iedere groep uitsteeksels bestaat uit een bepaald type eiwit. Op de antigenen plakken onder andere complementstoffen. Een macrofaag neemt het antigeencomplex door fagocytose op.
De macrofaag bouwt een deel van het antigeen in een eigen eiwit in het celmembraan in. Dit eiwit is een van de eiwitten dat hoort bij het MHC.

Een mens heeft verschillende typen MHC. Macrofagen en andere witte bloedcellen hebben MHC II, de meeste andere lichaamscellen met een kern hebben type MHC I. De specifieke afweer reageert op de macrofaag met dit MHC II-antigeen complex. Alleen een bepaald type T- lymfocyten, de T-helpercellen kunnen passen op deze combinatie, MHC II en antigeen.
De grootste kans om het “passende T- lymfocyt” tegen te komen is in de lymfeklieren, want hier bevinden zich enorme hoeveelheden lymfocyten.
Als een T-helpercel de macrofaag bindt, worden er verschillende activiteiten gestimuleerd. De T-helpercel vormt cytokinen. Cytokinen zijn stoffen die cellen tot deling aanzetten. De T-helpercel gaat zelf delen en zet passende cytotoxische (celgiftige) T-cellen aan tot deling.
Deze cytotoxische T-cel deelt zich vervolgens tot een kloon, die de geïnfecteerde cellen adequaat kan vernietigen.
Het vernietigen van besmette celen is de cellulaire afweer.

Bovendien zetten T-helpercellen met cytokinen passende B-lymfocyten aan tot het maken van plasmacellen. De plasmacellen produceren specifieke immunoglobulinen tegen het antigeen. Bacteriën, virussen, toxines en dergelijke die in het lichaamsvocht zitten, worden door deze specifieke immunoglobulinen onschadelijk gemaakt. Dit is de humorale afweer.

Naast T-helpercellen en cytotoxische T-cellen is er nog een derde type T-cel. Dat is de suppressor T-cel. Suppressor T-cellen lijken het meest op cytotoxische T-cellen. Zij onderdrukken echter de activiteiten van B- lymfocyten, soms zelfs van T-lymfocyten. Daardoor wordt de afweerreactie enigszins afgeremd. Suppressor T-cellen hebben ook invloed op de beëindiging van een afweerreactie als de patiënt weer genezen is.

Van specifieke T- en B-lymfocyten worden geheugencellen gemaakt. Vooral de geheugencellen van de B-lymfocyten zorgen meteen voor een enorme respons op de besmetting. De plasmacellen zijn meteen actief en kunnen zonder tussenkomst van T-helpercellen gaan delen. Daardoor worden er heel snel enorme hoeveelheden immunoglobulinen geproduceerd. De passende immunoglobulinen herkennen het antigeen, plakken er aan vast, zodat de ziekteverwekkers geen cellen kunnen infecteren. Je bent dan immuun voor de ziekte geworden.
Immuniteit houdt in dat je tegen een bepaalde ziekte geheugencellen van T- en B-lymfocyten bij je draagt.

In de eerste maanden na de geboorte is een kindje erg kwetsbaar. Dit komt doordat het nog geheugencellen aan moet maken en de immunoglobulinen via de placenta en de navelstreng in bloedstroom van het kindje komen. Als de moeder borstvoeding geeft, dan komen er met de moedermelk immunoglobulinen mee. Zo is de baby immuun tegen infectieziekten.
Bij actieve natuurlijke immuniteit zijn er in je lichaam na een besmetting geheugencellen tegen de ziekteverwekkers gemaakt.
Bij passieve natuurlijke immuniteit zijn er niet zelf immunoglobulinen gemaakt. Een baby dan ook geen geheugencellen tegen allerlei ziektes. Wanneer de moeder stopt met borstvoeding, dan gaat de baby zelf bezig met de opbouw van actieve natuurlijke immuniteit.

Oorzaken van dat je steeds weer verkouden wordt:
- Er zijn meerdere typen virussen die een ziekte met dezelfde symptomen kunnen veroorzaken.
- De nakomelingen van deze virussen veranderen van de eiwitten aan de oppervlakte van het celmembraan.
- Het is waarschijnlijk zo dat de immuniteit tegen een verkoudheid afneemt.
Bij een allergie wordt er overdreven gereageerd op onschadelijke stoffen uit de omgeving door het immuunsysteem. Het komt ook voor dat het afweersysteem eigen cellen aanvalt.
(zo’n auto-immuunziekte is reuma)

Het afweersysteem kan ook problemen geven bij:
- bloedtransfusies
- weefsel- en orgaantransplantaties
Het kan leiden tot klontering en afstotingsreacties.

Op het celmembraan van rode bloedcellen komen eiwitten voor. Die membraaneiwitten
(glycoproteïnen) zijn niet bij iedereen hetzelfde.
Stel: een donor heeft een ander type eiwit dan de ontvanger. Het eiwit op de membraan van de rode bloedcel van de donor is dan bij de transfusie voor de ontvanger een lichaamsvreemd. Het eiwit is dan een antigeen. De afweer komt in werking, antistoffen laten het bloed klonteren.

Bloedgroep A: rode bloedcellen met membraaneiwit A, bezit anti-B in het bloedplasma.
Bloedgroep B: rode bloedcellen met membraaneiwit B, bezit anti-A in het bloedplasma.
Bloedgroep O: geen membraaneiwitten A of B, bezit anti- A en anti-B in het bloedplasma.
Bloedgroep AB: membraan eiwitten A en B, geen antistoffen anti-A of anti-B in het bloedplasma.

Ook komen er nog veel andere typen eiwitten voor op het oppervlak van rode bloedcellen. Eén daarvan is de resusfactor. Bij de meeste mensen blijkt dit eiwit ook voor te komen. Zulke mensen worden resuspositief (Rh+) genoemd. Mensen die de resusfactor missen worden resusnegatief (Rh-) genoemd. Als een resusnegatieve patiënt een transfusie met resuspositief bloed krijgt, maakt hij tegen de rode bloedcellen met de resusfactor antistoffen.

Vlak voor en tijdens de geboorte komen via scheurtjes in de placenta rode bloedcellen van het kind in het bloed van de moeder. Een Rh- moeder maakt dan resus-antistoffen als het kind Rh+ bloed heeft. Dit heet: resusantagonisme.

Bij een latere zwangerschap kan dit problemen geven:
Resus-antistoffen zijn tamelijk kleine eiwitmoleculen en kunnen de placenta passeren. De immunoglobulinen tegen de resusfactor van de moeder breken rode bloedcellen van de ongeboren baby af. De zuurstofvoorziening van de foetus komt dan in gevaar. Om dit te verhinderen krijgt de moeder na de bevalling een injectie met immunoglobulinen tegen het resusantigeen ingespoten. Zo wordt voorkomen dat ze zelf immunoglobulinen maakt en geheugencellen aanlegt tegen de resusfactor.

Wanneer een orgaan na de transplantatie niet wordt geaccepteerd wordt het getransplanteerde onderdeel aangetast door macrofagen en T-cellen, hierdoor ontstaan ontstekingsverschijnselen. Dat is een afstotingsreactie. Een paar typen eiwitten die de transplantatie kunnen laten mislukken zijn de verschillende MHC- eiwitten. Ze spelen een belangrijke rol bij de afweer.
Bij een transplantatie worden de weefseleiwitten van donor en ontvanger geïnventariseerd:
weefseltypering.

Ook dergelijke kunstorganen kunnen na inbouw een afweerreactie op gang brengen. Afstoting na een transplantatie kan verminderd worden door immunosuppressieve medicijnen. Die verhinderen de vorming van specifieke T-lymfocyten, die een rol spelen bij afstotingsreacties.

Je kan kunstmatig immuun gemaakt worden door vaccinatie. Een vaccin bestaat uit een oplossing van dode, verzwakte ziekteverwekkers of hun gifstoffen. Wanneer deze oplossing ingespoten wordt, maakt het afweersysteem afweercellen en immunoglobulinen en daarna geheugencellen tegen die ziekteverwekkers. Dan ben je immuun.

DKTP-cocktail ( difterie, kinkhoest, tetanus en polio )
BMR- cocktail ( bof, mazelen, rode hond )

Als je ziek wordt, dan luistert je huisarts naar je klachten en trekt conclusies over je gezondheidstoestand, hij stelt een diagnose.
Je urine kan onderzocht worden op de aanwezigheid van bloed, glucose of afbraakproducten. Hieruit haalt de laborant informatie over je leverfunctie.
De aanwezigheid van glucose kan een indicatie zijn voor diabetes (suikerziekte).
De aanwezigheid van bloed in je urine kan een aanwijzing zijn voor blaasontsteking.
Als je meer T-lymfocyten, B-lymfocyten of macrofagen hebt dan normaal, wijst dat op een infectie.

Als je een infectieziekte hebt, kan je:
- wachten tot je beter wordt
- bacterie-infectie antibiotica voorgeschreven krijgen
- ingespoten worden met immunoglobulinen.
Dat laatste was altijd moeilijk te verkrijgen. Meestal kwam het van een proefdier dat met deze ziekte geïnfecteerd was. Het bloed van dit dier werd dan ontdaan van de bloedcellen en stollingsfactoren. Je houdt dan een serum over. In dit serum bevinden zich nog wel de immunoglobulinen. Behandelen met een serum is passieve kunstmatige immunisatie.
Hierbij maak je niet zelf immunoglobulinen en leg je ook geen geheugencellen aan.
Actieve kunstmatige immunisatie is wanneer de persoon na een vaccinatie zelf antistoffen maakt.

Tegenwoordig kunnen ook immunoglobulinen geproduceerd worden door hybridoma’s. Dat zijn witte bloedcellen die een bepaalde immunoglobuline maken en die zijn samengevoegd met kankercellen, die zich voortdurend delen. Door een gefuseerde cel verder te kweken ontstaat een kloon die één type immunoglobuline maakt, een monoklonale antistof.
Het voordeel van een monoklonale antistof is dat deze veel zuiverder is dan een serum.

TBC -> bacterie Mycobacterium tuberculosis.
Lepra -> bacterie Mycobacterium leprae. (ernstige misvormingen en handicaps)
Aids -> Aquired Immune Deficiency Syndrome.
De ziekte wordt veroorzaakt door een retrovirus (RNA), het humaan immuundeficïentie virus (HIV). Het virus kan worden overgedragen via bloed, sperma, vaginaal vocht of menstruatiebloed. HIV infecteert bij voorkeur T-helpercellen, die zo’n centrale rol spelen bij de afweer. T-helpercellen bezitten receptoren, waarmee HIV-antigeen zich kan binden. Een HIV kan heel lang in een T-cel blijven sluimeren (seropositief). Komt het HIV in actie, dan overleven de T-helpercellen de infectie niet. Uitschakeling van allerlei ziekteverwekkers via specifieke afweer wordt dan onmogelijk.

Epstein-Barr-virussen binden zich met B-lymfocyten. Deze lymfocyten worden door de virussen veranderd, de B-cellen gaan lijken op kankercellen. De B-lymfocyten kunnen zich heel snel vermenigvuldigen en kunnen zo lymfevatkanker veroorzaken.

Het HIV en Eipstein-Bar-virus tasten direct het afweersysteem aan. Het afweersysteem kan ook door andere oorzaken niet goed functioneren:
- Sommige mensen ontwikkelen nooit een thymus.
- Andere mensen zijn niet in staat om immunoglobulinen te produceren.
- Een andere afwijking is het gebrek aan enzymen die macrofagen gebruiken voor het afbreken van gefagocyteerde antigenen.
Deze patiënten kunnen alleen gezond blijven door drastische maatregelen als:
- beenmergtransplantaties
- thymustransplantaties
- regelmatige toediening van immunoglobulinen uit het bloed van gezonde mensen.

Een vorm van overgevoeligheid is hooikoorts. Hooikoorts ontstaat doordat stuifmeelkorrels van gras (ook wel pollen genoemd) ingeademd worden. Immunoglobulinen die zich op mestcellen bevinden binden zich met die pollen. De mestcellen geven blaasjes af, met onder andere histamine. Bij ogen en neus geeft dat de volgende reacties:
- gezwollen en rode oogleden
- tranen
- gezwollen slijmvliezen
- productie van slijm
- niezen
In de luchtwegen geeft het vernauwing van de bronchiën, waardoor de patiënt het benauwd krijgt. Hooikoorts komt voor bij mensen die een groot aantal immunoglobulinen vormen uit klasse IgE. (Er zijn 5 klassen immunoglobulinen: IgG, IgM, IgA, IgD en IgE)

Behalve allergieën die ontstaan door binding met immunoglobulinen zijn er ook allergieën die vooral tot stand komen door interactie met T-lymfocyten. Contactallergieën, bijvoorbeeld het rood worden van de huid door aanraking met een bepaalde stof cosmetica, horen bij deze groep allergieën.

Reumatische Artritis is een chronische ziekte. Mensen met reumatische artritis hebben een bepaald immunoglobuline in hun bloed, de zogenaamde reumafactor. Deze reumafactor is een auto-immunoglobline. De reumafactoren reageren met eigen immunoglobulinen van een andere klasse. Als de reumatische factor eenmaal is geactiveerd dan bindt die met lichaamseigen immunoglobulinen alsof ze lichaamsvreemd zijn en activeert zo onderdelen van het aspecifieke afweersysteem.

Systemic Lupus Erythematosus (SLE) is een ziekte waarbij immunoglobulinen gemaakt worden tegen nucleïnezuren en eiwitten van de kern van cellen. SLE beschadigt geen levende cellen. De kernen zijn niet te bereiken voor immunoglobulinen buiten de cellen. De immunoglobulinen vormen complexen met stoffen uit de kerninhoud als die vrijkomt.
(bij celafsterving of celvernieuwing of bij ontstekingen)
De ziekte ontstaat vaak in de opperhuid, symptomen zijn koorts, zwellingen en huidafwijkingen in het gezicht.

Myathenia Gravis is een ernstige spierziekte waarbij immunoglobulinen de receptoren van zenuwcellen blokkeren in de spier. De spieren kunnen daardoor slecht samentrekken.

Hoofdstuk 5 Gedrag.

Gedrag bestaat voor een groot deel uit een combinatie van allerlei bewegingen.
Ethogram is een lijst van alle handelingen van een dier.

Het effect van de ene handeling is de prikkel voor de volgende handeling ->
een gedragsketen.
Een aantal handelingen horen bij elkaar -> een gedragssysteem.
Voorbeeld:
- Voedselzoekgedrag
- Vluchtgedrag
- Sociaal gedrag
- Etc
Intelligent gedrag = bepaald gedrag dat lijkt ter plaatse bedacht te zijn doordat een dier de situatie doorziet

INPUT -> BLACK BOX -> OUPUT
Allerlei prikkels ontvangen met receptoren acties, uitgevoerd door effectoren
- Inwendig - spieren
- uitwendig - geurklieren

De sleutelprikkel is de belangrijkste prikkel voor het oproepen van bepaald gedrag.
Een summatie is een optelsom van prikkels.
Ambivalent gedrag = waarbij 2 gedragssystemen even sterk zijn, er ontstaat een afwisseling van twee bewegingen. (bv. vluchten en aanvallen)
Overspronggedrag = dat een dier opeens totaal anders gedrag gaat vertonen, omdat die niet kan kiezen tussen de 2 gedragssystemen.
Omgericht gedrag = wanneer een handeling uit een gedragsysteem op iets anders wordt gericht. (bv. vogels die in de grond pikken i.p.v elkaar)
Imponeergedrag = wanneer een dier indruk probeert te maken, door zichzelf zo groot mogelijk te maken.
Onderdanig gedrag = wanneer een dier laat zien dat hij niet zal aanvallen, door zichzelf kleiner te maken.

Voedselterritorium, wordt aangegeven door een bepaalde geur of door een bepaald geluid.

Leren = gedragsveranderingen op grond van ervaringen.
- Imitatie
- Gewenning (niet meer reageren op bepaalde prikkels)
- Inprenting (onbewust leren in een bepaalde gevoelige periode)
- Klassiek conditioneren (veranderen van de reflexen door leerprocessen)
- Trial and Error (proefondervindelijk leren, leren van je fouten)
- Operant conditioneren (leren met beloning en straffen)

Onvoorwaardelijke reflex = een onbewust erfelijk bepaalde reactie op een bepaalde prikkel.
Voorwaardelijke reflex = dat de reactie al optreed bij alleen al een gedachte of woord.

Voordelen van het groepsleven:
- Betere bescherming van je jongen / voedselbron
- Roofdier beter opmerken en verjagen
- Grotere prooien door samenwerking

Nadelen van het groepsleven:
- Aanwezige voedsel delen met je groepsgenoten
- Grotere kans op een besmettelijke ziekte/parasiet
- Vertrouwen dat de anderen je niet bedriegen

Bij een taakverdeling is één iemand de leider en is er een rangorde.
Autoritaire -> Duidelijke regels.
Antiautoritair -> Minder regels

De evolutietheorie houdt zich bezig met het ontstaan van soorten en gaat er vanuit dat soorten geleidelijk uit andere soorten zijn ontstaan. (Darwin)

Aanpassing/Adaptie = een proces waardoor het gedrag van generatie op generatie steeds beter aangepast is aan de omgeving.

Bij cultuur wordt gedrag van generatie op generatie overgedragen op een andere manier dan door de genen. Bij een cultuur is gedrag kenmerkend voor een bepaalde groep.

Sociale signalen, zijn gedragingen uit andere gedragssystemen die extra zijn aangezet of een beetje zijn omgevormd.
Ritualisatie, hierbij worden handelingen uit het ene gedragssysteem gebruikt in een ander gedragssysteem.

Hoofdstuk 6 Is het geregeld?

Hormonen zijn stoffen die verwant zijn aan groeifactoren, elke cel maakt hormonen, een orgaan met cellen die meer hormonen produceren dan de gemiddelde lichaamscel heet een hormoonklier ofwel een endocriene klier.

Hormoonstelsel:
Zenuwstelsel -> Hypofyse -> Hormoonklieren -> Doelwit cellen
(hypothalamus)

Groeifactoren doen hun werk in de omgeving waar ze gemaakt zijn.
Hormonen zijn verwant aan groeifactoren alleen hormonen werken niet alleen in de buurt van de cellen die hormonen maken.Ze beïnvloeden cellen die zich tientallen centimeters van hen vandaan bevinde. Hormonen doen hun boodschap nadat ze door het bloed zijn vervoerd.

Zenuwcellen maken als reactie op prikkels stoffen. Zenuwcellen hebben zenuwuitlopers door het hele lichaam. Belangrijke producten van zenuwcellen zijn neurotransmitters. Deze stoffen passen op de receptoren van de ontvangende cel en brengen daar een (snelle) reactie te weeg. In de spieren heb je drie belangrijke neurotransmitters werkzaam:
- acetylcholine
- noradrenaline
- adrenaline
Een andere groep producten van zenuwcellen wordt WEL aan het bloed afgegeven
è neurohormonen.

De belangrijkste hormonen die de groei stimuleren zijn het groeihormoon uit de hypofyse en het schildklierhormoon uit de schildklier.

Het gedeelte van de hersenen dat zich bezig houdt met de hormoonregulatie, heet de hypothalamus. De hypothalamus produceert neurohormonen (bijvoorbeeld TRF) die de cellen van de hypofyse bereiken via een poortadersysteem.
De hypofyse produceert onder invloed van de neurohormonen uit de hypothalamus meer groeihormoon. Het groeihormoon stimuleert de productie van groeifactoren door onder andere kraakbeencellen die daarmee hun eigen mitose bevorderen. ->botgroei -> lengtegroei.


Één van de hormonen die invloed uitoefenen op de groeisnelheid is het schildklierhormoon. Schildklierhormoon bevordert de processen in de cel (celstofwisseling ofwel metabolisme van de cel) en daarmee de mogelijkheid van een cel om tot celdeling te komen.


Is er veel groeihormoon en groeifactor, dan wordt de productie van stimulerende neurohormonen door de hypothalamus geremd. Dit proces heet negatieve terugkoppeling.
Ook komt er positieve terugkoppeling voor in ons lichaam.

Innerlijke kenmerken zijn: vetgehalte, hormoonconcentraties, etc.
Uiterlijke kenmerken kunnen we veranderen door innerlijke kenmerken aan te passen.
Geslachtshormonen kunnen iemands uiterlijke geslachtskenmerken totaal veranderen.

Y-chromosoom aanwezig? Ja, dan ontwikkelen de neutrale geslachtsklieren zich tot testes.
Nee, dan ontwikkelen de geslachtsklieren zich tot ovaria.
Het SRY-gen is verantwoordelijk voor de “switch” van vrouwelijk bouwplan tot mannelijk.
De ontwikkeling van eicellen wordt gestart in de puberteit door de hormonen FSH en LH uit de hypofyse. Veel FSH en LH betekend ovulatie.

Bijnieren maken in een bedreigende situatie bepaalde hormonen die je gedrag beïnvloeden. Bij gevaar gaat er een signaal naar de bijnieren. In de cellen van de bijnieren bevinden zich cellen die als reactie hun hormoonproductie opvoeren. Één van die hormonen is adrenaline.
Adrenaline, noradrenaline en cortison hebben niet alleen invloed op zaken als bloeddruk en bloeddoorstroming, maar ze beïnvloeden ook de gezondheidstoestand van het lichaam. Dat kan onder andere door beïnvloeden van de stofwisseling zoals het vrijkomen van glucose voor verbranding. Die glucose kan vrijkomen door de afbraak van eiwitten.

Oorsprong adrenaline:
Bijniercel ontvangt een neurotransmitter van een zenuwcel -> bijniercel lost meteen zijn voorraas adrenaline -> adrenalinemoleculen verzamelen in intercellulair blaasje -> blaasje wordt meegenomen door de cytoplasmatische stroming naar het oppervlak -> het blaasje versmelt met de celmembraan -> adrenalinemolecuul is vrij -> het adrenalinemolecuul belandt via de weefselvloeistof in het bloed -> reis naar plaats met lage adrenalineconcentratie -> via diffusie komt met adrenalinemolecuul bij een spiercel -> ontmoeting met spiercelreceptor -> adrenalinemolecuul wordt naar binnen getransporteerd -> hier veroorzaakt het de verbranding van glucose.

Adrenaline is ook een neurotransmitter, naast hormoon. De werking van adrenaline is gebaseerd op de permeabiliteit van de celmembraan van de ontvangende cellen. Zodra adrenaline zich hecht aan een adrenalinereceptor, verandert de permeabiliteit van de celmembraan van de ontvangende cel voor natrium, calcium, kalium en chloride-ionen. Adrenaline veroorzaakt ook het ontstaan van het enzym adenylcyclase. Dit stimuleert de omzetting van ATP in AMP. Hierbij komt energie vrij. Het AMP veroorzaakt een kettingreactie in de cel die er onder anderen toe leidt dat er meer glucose wordt afgebroken. Naast adrenaline maakt de bijnierschors ook enkelafines. Deze stoffen treden waarschijnlijk op als pijnonderdrukkers. Zo ondervindt iemand die flink onder invloed is van adrenaline geen hinder van pijn.

De manier waarop cellen hun glucosevoorraden aanvullen is door opname van glucose uit weefselvocht waarin ze zich bevinden. S’Nachts neemt het bloed glucose op uit de lever. Overdag komt er glucose in het bloed via de maaltijden die in de dunne darm onder andere in glucose worden omgezet.

Voorraadkasten voor glucose: Glycogeen, vetten en eiwitten.
Glucose wordt opgenomen en omgezet in glycogeen of vet. Insuline wordt gemaakt door een paar miljoen celgroepjes in de alvleesklier ofwel pancreas. Deze celgroepjes heten de eilandjes van langerhans.

Is er te weinig glucose in het bloed, dan reageren de cellen van de eilandjes van langerhans met de productie van glucagon. Dit hormoon is tegenhanger van insuline. Het zet de levercellen aan tot het afgeven van glucose, terwijl insuline hen juist beweegt tot opname.

Hyperglycaemie -> teveel glucose in bloed, oplossing is insuline.
Hypogycaemie -> te weinig glucose in bloed, oplossing is suiker.

Problemen:
- De cellen hebben niet de opdracht of mogelijkheid gekregen om voldoende glucose op te nemen en ze putten zichzelf uit hoewel ze in een soort siroop liggen. De cellen gaan stoffen verbranden waaruit zijzelf bestaan zoals vetten en eiwitten. Het gevolg is dat er giftige afbraakproducten in het bloed terecht komen, zoals aceton.
- Bij de interactie tussen insuline en de celmembraan van (lever)cellen. De receptoren voor insuline reageren niet meer naar behoren op de insuline.
De kernen van deze zenuwcellen met lange zenuwuitlopers bevinden zich vlakbij of in het ruggenmerg.
Een sensorische zenuwcel blijft reageren op de acties van de zintuigcellen waar ze contact mee hebben gemaakt.
Een motorische zenuwcel maakt contact met spiercellen, zij zullen de spieren aanzetten tot samentrekking.
In het ruggenmerg staan de motorische en sensorische cellen in contact met elkaar of met andere zenuwcellen. Deze contactplaats bestaat meestal uit schakelneuronen. Deze contactplaatsen liggen in de grijze stof van het ruggenmerg.
Impulsen komen terecht in het ruggenmerg. Daar veroorzaken ze het vrijkomen van neurotransmitters aan de uiteinden van sensorische zenuwcellen. Deze neurotransmitters doen impulsen ontstaan in één of meerder zenuwcellen die in contact staan met de sensorische zenuwcel.
Impulsen door een motorische zenuwcel leiden tot het vrijkomen van neurotransmitterstoffen in de spier, dit zorgt ervoor dat een stukje van de spier samentrekt.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

M.

M.

Wauauuuw... geweldige samenvattingen! Echt bedankt.. ik hoop dat jij zorgt voor een voldoende gemiddeld voor mijn biologie 1 =D xx

12 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast