H7 Bio

Beoordeling 0
Foto van Sascha
  • Samenvatting door Sascha
  • 5e klas havo | 2022 woorden
  • 28 juni 2022
  • nog niet beoordeeld
  • Cijfer
  • nog niet beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Studententijd zomerspecial

Heb jij de Zomerspecial van Studententijd de podcast al geluisterd? Joes, Steie, Dienke en Pleun nemen je mee in hun zomer vol festivals, vakanties en liefde. En kijken ook alvast vooruit naar de introductietijd van het nieuwe collegejaar. Luister lekker mee vanaf je strandbedje, de camping of onderweg. 

Luister nu!

Bio H7,1


Biotische factor: invloed die een organisme heeft op andere organismen (zoals voor het rendier, de, de mug en de mens). Elk soort beïnvloedt zijn omgeving via biotische factoren sommige positieve de ander negatief, naast biotische factoren beïnvloeden ook abiotische factoren het leven van het organisme uit de levenloze natuur zoals: regen, wind, zonlicht, tempratuur en de grondsoort


Elke abiotisch factor bepaalt mee of een dier of plantensoort kan overleven in een bepaald ecosysteem, voor iedere abiotische factor heeft elk soort zijn eigen tolerantiegebied: gebied omvat alle waarden van een abiotische factor waarbij een bepaalde soort kan overleven, bij waarden buiten de tolerantiegrenzen sterven alle organismen van die soort bij de maximum en minimumwaarden kunnen weinig individuen overleven, de meeste komen voor rond de optimumwaarden van de abiotisch factor


Naamgeving:


Biologen gebruiken liever de wetenschappelijke naam in het latijn, de wetenschappelijke naam bestaat uit 2 delen soms met een toevoeging



  1. Voorop met hoofletter staatnaam van geslacht waartoe organisme behoort bij een rendier is dat Rangiger , een geslacht hoort bij een groep verwanten



  1. Na geslachtsnaam komt de soortaanduiding voor het rendier is dat tarandus geschreven met een kleinen letter, soort: een groep organisme die zich onderling geslachtelijke voorplanten en vruchtbare nakomelingen krijgen



  1. Achter de 2delige naam staan soms nog een letter of naam dat is dan van de ondersoort of een toevoeging bv l van Linnaeus, is de persoon die de soort als eerst beschreven heeft


Ondersoort: meestal een geografisch afgescheiden groep soortgenoten met iets afwijkende kenmerken, hebben mensen een groep dieren gefokt of planten gekweekt is het een ras


Ordening:


Ordenen heeft een doel, het voorkomt verwarring en onnodig zoeken, Linnaeus bedacht niet allen wetenschappelijke naamgeving maar ook systeem ordening, hij plaatste soorten bij elkaar in steeds groter groepen, organisme-soorten-geslachten-families-ordes, een aantal soorten met gemeenschappelijke kenmerken vormt samen een geslacht, een aantal geslachten vormt samen een familie, samen horen ze tot de order van vleeseters. Boven de orde zetten Linnaeus de rijken zoals wolvenrijk tegenwoordig plaatsen biologen boven de rijken nog de domeinen: groep organisme met een vergelijkbare cel bouw (wolven tot eukaryoten, die cellen hebben met celkern). Via DNA-onderzoek verbeteren ze de indeling van de soort daarom veranderen namen soms


Bio H7.2


Populatie: alle organismen van dezelfde soort in een bepaald gebied, de populatiegrootte: aantal individuen van de populatie.  Populatiedichtheid: het aantal individuen per eenheid van oppervlakte te berekenen door populatiegrootte: aantal m2 of hectares 


Draagkracht: is het maximale populatiegrootte waarvoor in een gebied voldoende voedsel, schuil- en nestplaatsen zijn zodat de populatie op peil blijft, als ze geen natuurlijke vijanden hebben dan maar door dieren uit de kudde weg te halen of erop te jagen zorgt hij ervoor dat de populatiegrootte net onder de draagkracht blijft



  • Plaag; een populatie overschrijdt de draagkracht


Ook planten soorten kunnen snel in aantal toenemen ,vb is Ambrosia artemisiifolia deze plant uit Amerika is via Vogelzaad hier gekomen en vervolgens verwilder, de alsemambrosia is een exoot: soort die in een andere vreemde leefomgeving is terecht gekomen doe de snelle voortplanting en weinig natuurlijke vijanden neemt populatie in Nederland snel toe Inmiddels is de plant een plaag. Planten groeien, bloeien en vormen nieuwe zaden dit is levenscyclus: verschillende fasen in groei en ontwikkeling van een organisme



Eindeloos Akker met alleen tarwe geschikt om met enorm machines te bewerken: monocultuur. Door op een groot stuk land 1 soort gewas te verbouwen kan een akkerbouw op 1 dag veel zaaien en veel oosten, Dan maakt je efficiënt gebruik van de grote machines, de productiekosten gaan omlaag en daarmee de prijs van het voedsel, bij monoculturen is precisielandbouw mogelijk. Monoculturen lijken goede oplossing om veel voedsel te produceren tegen een lagere prijs maar er zijn ook negatieve kanten aan,


 schadelijk organisme vinden er gemakkelijk Voedsel en planten zich sneller voor, door gebrek aan natuurlijke vijanden ontstaat er een plaag dat maakt chemische bestrijdingsmiddelen noodzakelijk, de plaag verdwijnt maar de rest van de bestrijdingsmiddelen blijven in een Milieu achter ,Hierdoor kunnen ook andere plaagorganismen sterven Door grootte oppervlakken voedselgewassen verdwijnen andere plantensoorten ,Die hebben te weinig ruimte om zich te ontwikkelen .besmetting van een monocultuur vergroot ook de hoeveelheid nitraat in een bodem in de omgeving van de Akker 


Bepaalde soorten planten groeien daardoor snel en concluderen andere soorten weg zijn die verdwenen dan verdwenen ook de dieren die ervan leven. Het gevolg is de afname van het aantal verschillende levensvormen: de biodiversiteit Een alternatief voor de monocultuur is de ecologische op de biologische landbouw, biologische landbouw kiezer ervoor hun gewassen duurzaam te verbouwen zonder kunstmest en zonder chemische bestrijdingsmiddelen Ze vinden onbespoten gezond voedsel belangrijker dan goedkoop voedsel. Biologische teelt gaat niet zonder probleem, plagen blijven op de loer, ze maken zoveel mogelijk gebruiken de natuurlijke vijanden, daarnaast zijn er percelen kleine en wisselende gewassen elkaar af, zodat een plaag niet zo snel overslaat naar een ander perceel


Als je 1 aardappel in de grond stopt kunne daar 20 aardappelen uit groeien, stop je die nieuwe 20 aardappelen weer in de grond kunnen er 200 nieuwe aardappelen ontstaan, doe je dat vaak genoeg dan ontstaat zo uit 1 aardappelen een kloon van miljoenen aardappelen met precies dezelfde erfelijke eigenschappen


De kloon is ontstaan door ongeslachtelijke voorplanting doordat de planten vrijwel gelijk zijn ze heel geschikt voor monocultuur, als 1 plant meer water of meststoffen nodig heeft geld dat ook voor de nader planten 


Daarom de moeite om ook kloon te produceren van planten die dat van naturen niet doen, in laboratorium vermeerderen onderzoekers planten daartoe kunstmatig door weefselkweek, bij weefselkweek gebruiken onderzoekers een paar cellen uit bv knop van een plant om nieuwe in het identieke planten te kweken, maar brengt risico mee bv: het zoutgehalte van de bodem neemt toe tot voorbij de tolerantiegrens Dan gaat al die planten in één keer dood



Bio H7,3


Symbiose: langdurige relaties tussen organismen van verschillende soorten minstens een van beide soorten heeft voordeel van die relatie (zoals de haai en de zuigvis)


3 vormen symbiose:



  1. Mutualisme: wanneer beide soorten voordeel hebben van de symbiose, zo profiteren mieren en bladluizen van elkaar, bv: de bladluizen prikken met hun zuigsnuit in de sapstroom van planten, zij leven van de sluike-rijke oplossingen, deel van de suiker komt via ontlasting naar buiten, mieren eten die ontlasting en komen zo gemakkelijk aan energierijke voedsel, de mieren houden hun bladluizen schoon en verdedigen ze tegen andere insecten zoals lieveheersbeestjes die bladluizen eten



  1. Parasitisme: dit is een vorm waar de ene soort voordeel heeft en de andere nadeel, bv: een teek op de huid van een hond, teken zuigen bloed uit het lichaam van de hond en hebben daar voordelen van, de hond heeft alleen maar nadenken



  1. Commensalisme; dit is een vorm waar de ene soort voordeel heeft en de andere soort geen nadeel of voordeel heeft, bv: de zuigvis heeft voordeel van zijn relatie met de haai, hij verspilt geen energie om te zwemmen en krijgen makkelijk zijn voedsel, voor de Haai maakt het niet uit


Bio H7,4


Het nabootsen van een ander organisme zoals de bewegingen van een takje heet mimicry, samen met zijn camouflage, zijn schutkleur, biedt mimicry een betere bescherming tegen zijn vijanden. Sommige dieren waaronder de zweefvlieg doen aan mimicry door de waarschuwingssignalen van gevaarlijke soorten na te bootsen, ze lijken op wespen maar kunnen niet steken. Elke soort heeft een eigen habitat: leefomgeving met specifieke biotische en abiotisch factoren 


Een relatie waarbij een soort zich voedt met andere soort is een voedselrelatie. Een jonge bidsprinkhaan eten bladluizen: zij hebben een predator-prooirelatie.in de bomen leven eekhoorns en nestelen volgens Bomen bieden schuil- en nestplaatsen. Larven van lieveheersbeestjes eten ook bladluizen, bidsprinkhanen en lieveheersbeestjes zijn voedselconcurrenten. Onder de grond leven wortels en planten in mutualisme samen met schimmels en die krijgen eer suikers voor terug, ook konijnen en teken leven samen maar is sprake van parasitisme, de teken zuigen bloed van het konijn waardoor konijn energie verliest en groter kans heeft om besmet te raken met ziekteverwekkers. De stam van een boom biedt ondergrond voor korstmossen en algen om op te groeien ze leven van water en voedingsstoffen die langs de stam van een boom naar beneden stromen, de boom ondervindt er geen nadeel van dat is commensalisme, waarbij de ene soort plant op de nadere soort plant leeft heet epifytisme


Een bos vormt een ecosysteem: afgegrensd gebied waar wisselwerkingen is tussen de plaatselijke abiotische en biotische factor. Loofbos met een grote variatie abiotische en biotische factoren is een ecosysteem met een complex netwerk van relaties tussen organismen, ecosystemen staat nooit op zichzelf ze lopen in elkaar over. Aan de rand van het dennenbos ligt bijvoorbeeld een Heideveld waar het bos eindigt aan het heideveld begint is niet altijd duidelijk, veel dieren verplaatsen zich en verbinden daardoor met verschillende ecosystemen. Trekvogels vliegen in de winter naar de warme landen en in het voorjaar weer terug bij deze verplaatsingen of migratie komen via de ontlasting en voedingsstoffen en soms ook plantenzaden van het ene ecosysteem in de andere terecht, de ecosystemen op de aarde beïnvloeden elkaar en ook alles wat in de aardkorst, atmosfeer, zeeën en de oceanen gebeurt. Met elkaar vormen ze systeem aarde


Bij de relatie tussen een prooidierpopulatie en een predatorpopulatie is het kwestie van eten en gegeten worden dat is geen vorm van symbiose. Omdat predatoren vaak zieke en zwakke dieren vangen en eten dragen predatoren bij aan het gezonde houden van de prooidierpopulatie. Zijn er veel predatoren dan leidt dat tot sterke afname van het aantal prooidieren, leeft de predator van 1 soort prooi dan leidt de afname van het aantal prooidieren uiteindelijk tot verkleining van de predatorpopulatie een kleine predatorpopulatie leidt vervolgens tot en toename van het aantal prooidieren. Meest ideale geval houden predator en prooipopulatie elkaar in dynamische evenwicht, dergelijke evenwicht nemen de populatiegrootte wel af en toe maar op lange terwijl blijven ze rond de constant gemiddelde schommelen. Soms verdwijnt een dynamisch evenwicht door bv een bosbrand ook de klimaatverandering kan een verstoring veroorzaken


Bio H7,5


Beren eten zowel plantaardig als dierlijke voedsel het zijn alleseters: omnivoren, in het leefgebied van de bruine beer komen ook wolven voor dat zijn carnivoren: dieren die leven van dierlijke voedsel. Het plantaardige voedsel moeten beren delen met planteters zoals herten, dieren die leven van planten zijn: herbivoren. Groene planten eten geen ander organismen het zijn: producenten, zij bouwen zelf hun eigen organische stoffen zoals eiwitten, vetten, koolhydraten en vitamine de anorganische stoffen die daarvoor nodig zijn halen ze ui de lucht, de bodem en het water. Organisme die zich voeden met ander organismen zijn consumenten, voedsel gebruiken consumenten als bouwstof voor hun eigen cellen en brandstoffen om energie uit te halen


Beren en alle ander dieren zijn heterotrofie organismen: dat hun energie afkomstig is uit hun voedsel, die energie kan bewegingsenergie zijn, kinetische energie: bij het lopen en het pompen van het hart. Of restenergie, de warmte die vrijkomt bij dissimilatie


Groene planten zijn autotrofe organismen: ze eten niet maar maken zelf hun energierijke stoffen. Groene planten zette de energie uit zonlicht om in chemische energie die ze opslaan in organische stoffen als glucose en olie. Deze chemische energie in planten is in sommige gevallen bruikbaar als vervanging voor fossiele brandstof als benzine en dieselolie uit olierijke zaden bijvoorbeeld Is het mogelijk om biobrandstof te maken


 Een reeks van organisme die begint bij producenten en waarbij de een voedsel is voor de ander heet een voedselketen. Bruine beren is de laats stap in de voedselketen plantaardige plankton-dierlijke plankton- haring-zalm- bruine beer, de pijlen geven de richting van het voedsel en dus de energiestroom aan,



  • Herbivoren (beren) zoals dierlijk plankton zijn de eerste heterotrofie organismen in een voedselketen het zijn consumenten van de eerste orde(c1)

  • Haringen doen zich tegoed aan dierlijke plankton en zijn daardoor consumenten van de tweede orde (C2)

  • Zalmen voeden zich met haring en zijn consumenten van de derde orde (C3)



  • Beren in de zomer eten zalm dus consument van de vierde orde (C4)


Het trofische niveau; plaats van een organisme in een voedselketen, is afhankelijk van de voedselketen waar hij deel van uitmaakt. De voedselketen in een ecosysteem zijn met elkaar verbonden tot een complex voedsel web in zo’n web kan een dier van verschillende trofische niveau deel uitmaken

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Ook geschreven door Sascha