H4 Bio

Beoordeling 0
Foto van Sascha
  • Samenvatting door Sascha
  • 5e klas havo | 4203 woorden
  • 28 juni 2022
  • nog niet beoordeeld
  • Cijfer
  • nog niet beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode

Biologie samenvatting H4 (par 1 tm 5)


Paragraaf 1


Eens per maand komt er uit een van beide eierstokken (ovaria) een eicel (0,2 mm) vrij: de eisprong of ovulatie. De eicel komt in een eileider terecht. Vind er rond die tijd geslachtsgemeenschap plaats dan kan dit leiden tot zwangerschap. Bij zaadlozing komen 100 miljoenen zaadcellen vrij. Die zwemmen vanuit de vagina, via de baarmoeder naar de eileiders, maar een paar 100 bereiken hun doel, de eicel. 1 zaadcel bevrucht de eicel, de kern van de zaadcel dringt de eicel binnen. De chromosomen uit de zaadcel komen in de kern bij de chromosomen van de eicel -> de bevruchting is een feit. Direct na het versmelten met de zaadcel vormt de bevruchte eicel een ondoordringbare laag tussen het celmembraan en het bevruchtingsmembraan. Dat voorkomt bevruchting door een 2de zaadcel. Na 30 uur deelt de Zygote zich. Die 2 gedeelde zygote cellen vormen het embryo of terwijl het ontwikkelingsstadium. Zygote = de bevruchte eicel. Deze beide dochtercellen delen ook net als hun dochtercellen. Na een mitose maken deze cellen geen cytoplasma bij, zodat na elke deling de cellen kleiner zijn. Klievingsdeling = een deling waarbij de cellen niet groeien. Na ong 3 dagen is er een klompje van 16 cellen. 


Het bolletje dat in de baarmoeder aankomt bestaat uit honderddertig cellen. Alle cellen migreren naar de buitenkant zodat in het midden een holte overblijft, de blastula. De buitenste laag hiervan vormt vlokken, uitstulpingen die het baarmoederslijmvlies ingroeien, dit heet innesteling. In de blastulaholte groeit een kleine groep cellen uiteindelijk uit tot een baby. In het baarmoederslijmvlies vormen zich rond de vlokken bloedholten, die samen de uitstulpingen uitgroeien tot een placenta. In de placenta vindt uitwisseling van voedingsstoffen, zuurstof en afvalstoffen plaats, waarbij de bloedsomlopen van de moeder en embryo wel gescheiden blijven. De navelstreng verbindt via drie bloedvaten het embryo met de placenta. Door de pomp kracht van het embryohart voeren 2 navelstrengslagaders bloed met afvalstoffen van het embryo maar de placenta. De navelstrengader brengt bloed met zuurstof en voedingsstoffen van de placenta terug naar het embryo. Tijdens de embryonale ontwikkeling specialiseren de cellen zich tot cellen met een eigen bouw en functie. Eerst ontstaat het hart en bloedvaten, zenuwstelsel, daarna alle organen na 2 maanden. Vanaf dit moment heet het embryo foetus. De foetus drijft tijdens de zwangerschap in het vruchtwater. Vruchtvliezen en vruchtwater beschermen de foetus tegen stoten en uitdrogingen. 


Verloskundigen die een zwangerschap leiden, geven adviezen over de leefstijl van aanstaande moeders. Stress bij de moeder leidt tot een lager geboortegewicht van de baby, kan ook door drugs, alcohol, roken maar ook medicijngebruik. Het voedingspatroon is ook onderdeel van de voorlichting, kalk en eiwitrijke voeding laat de opbouw van het kinderlichaam voorspoedig verlopen. Het gebruik van vitamine b11 verkleint de kans op een open ruggetje bij het kind. 



Door klievingsdelingen ontstaat uit een zygote een blastula die innestelt in het baarmoederslijmvlies. Via de placenta wisselt het embryo voedingsstoffen, zuurstof en afvalstoffen uit met zijn moeder. Een gezonde leefstijl van de aanstaande moeder bevordert een goede ontwikkeling van het kind. 



De eerste weken van de embryonale ontwikkeling zijn er uit- en inwendige geen verschillen te zien tussen jongens en meiden. Het geslacht hang af van de geslachtschromosomen (X en Y, h2). Meisjes hebben in hun cellen naast hun 44 normale chromosomen 2 X chromosomen en jongens een X en een Y. Onder invloed van het kleinere Y chromosoom groeit een embryo uit tot een jongen en zonder altijd een meisje. Vanaf 14 weken zijn met echoscopie de geslachtdelen te zien. Voordat dit bestond waren deze primaire geslachtskenmerken pas te zien bij de geboorte. 


Bij jongens ontwikkelen in de puberteit de geslachtorganen (balzak, zaadballen en penis) zich sterk onder invloed van hormonen. Ook spiermassa en stembanden groeien. De secundaire geslachtskenmerken leveren duidelijke lichamelijke verschillen op bij meisjes. Hormonen stimuleren de zaadballen om zaadcellen te vormen. De zaadballen zijn voor de geboorte vanuit de buikholte in de balzak gedaald. Dat is nodig om vruchtbare zaadcellen te krijgen, want voor een goede zaadcelvorming is een temperatuur van zo’n 2 graden lager dan de lichaamstemperatuur gewenst. De zaadballen bestaan voor een groot deel uit sterk gekronkelde zaadbuisjes, bijeengehouden door een laagje bindweefsel. In de bijbal, een orgaantje direct achter de zaadbal, verzamelen zich de gevormde zaadcellen. De penis bevat zwellichamen, die bij seksuele opwinding zich vullen met bloed en de penis stijf maken, een erectie. Mannen kunnen door prikkeling van de eikel een orgasme krijgen. Bij zaadlozing trekken spiertjes rond de bijbal en zaadleiders samen. Hierdoor duwen ze opgeslagen zaadcellen naar de penis. De prostaatklier en de zaadblaasjes zijn beide klieren die vocht toevoegen aan passerende zaadcellen. Het vocht met zaadcellen samen is het sperma. 



Hormonen hebben ook invloed op de secundaire geslachtskenmerken bij meisjes. Er komt beharing onder de oksels en schaamstreek. De heupen verbreden omdat er vet op komt. Dit onderhuidse vet levert rondingen op en heeft ook een groot aandeel in het groeien van de borsten. Ook de geslachtorganen ontwikkelen (vagina, clitoris, schaamlippen, baarmoeder en eierstokken) groeien. Vanaf de puberteit tot de overgang, de periode waarin een vrouw van vruchtbaar naar onvruchtbaar gaat, ontwikkelt zich elke maand in een van de 2 eierstokken een eicel. Onbevruchte eicellen sterven binnen 24 uur af. De binnenste laag van de baarmoeder, het baarmoederslijmvlies, bereidt het lichaam voor op een mogelijke innesteling van een embryo. Vindt er geen bevruchting plaats, dan volgt een menstruatie: spieren van de baarmoeder trekken samen en stoten het baarmoederslijmvlies af, dit kan buikpijn en bloedverlies veroorzaken. Rond de ingang van de vagina ligt een randje weefsel als een soort kraagje, dit is het maagdenvlies, deze scheurt bij de eerste geslachtsgemeenschap. De binnenste en buitenste schaamlippen bedekken de vagina aan de buitenzijde. Tussen de schaamlippen ligt de clitoris, een orgaantje dat heel erg gevoelig is en door een prikkeling hiervan krijgen vrouwen een orgasme. Vrouwen hebben een kortere urinebuis dan mannen, de opening ligt dicht bij de anus. 


In de puberteit verander je door alle hormonen niet alleen lichamelijk, maar ook geestelijk, de tertiaire geslachtskenmerken. Ze voelen zich vaak onbegrepen en onzeker en dit kan voor conflicten zorgen. Over normen en waarden die je als kind van je ouders hebt meegekregen, vorm je je in de puberteit een eigen oordeel. Waarden zijn opvattingen over water belangrijk is: eerlijkheid, respect enz. Waarden leiden tot normen, gedragsregels zoals niet liegen enz. De puberteit vormt de overgang van een kind naar volwassene.  Het ontwikkelen als volwassen houding over de eigen seksualiteit en die van de partner is daar belangrijk onderdeel van. Het verkennen van het eigen lichaam door zelfbevrediging of masturberen is voor veel pubers een middel daarbij. 



Je tertiaire geslachtskenmerken staan los van de andere geslachtskenmerken. Hierdoor kunnen mensen verschillende seksuele voorkeur hebben. Het merendeel wil met het andere geslacht -> heteroseksueel. 5 a 10 % wil hetzelfde geslacht -> homoseksueel. Mensen die beide willen -> biseksueel. Wanneer mensen horen tot welke soort je behoort kan dit negatieve reacties met zich meebrengen. 



Verkrachting is het ongewenst seksueel binnendringen in het lichaam van een ander. Verkrachting is een extreme vorm van ongewenste intimiteit. Ook is dit in nl het geval, aanrakingen vallen hieronder maar ook opmerkingen, manier van vragen of kijken. Meisjes zijn vaker slachtoffer dan jongens. Als een familielid betrokken is bij ongewenste intimiteit heet dat insect. Er is sprake van aanranding als iemand je dwingt tot het plegen of ondergaan van een ontuchtige handeling. Bv strelen van borsten, billen, vagina, penis of andere lichaamsdelen. Ongewenste intimiteiten kunnen leiden tot geestelijke schade. 


De zaadballen vormen zaadcellen. In een van beide eierstokken rijpt maandelijks een eicel. De puberteit is een leeftijdsfase van grote lichamelijke en psychische veranderingen en het bepalen van de seksuele voorkeur. 





Paragraaf 2 


(Een echtpaar kunnen geen kinderen krijgen)



Er wordt uitgelegd dat de zaadballen voor de geboorte in de buikholte liggen, net als de eierstokken. Vlak voor de geboorte dalen de zaadballen af in de balzak als dit niet gebeurt kan dat in de puberteit problemen veroorzaken met de zaadcelproductie. De kern van een lichaamscel bij de mens bevat 46 chromosomen. In een karyogram(binas 70 B) staan de gefotografeerde chromosomen van een cel gesorteerd in paren. Lichaamscellen zijn diploïd (2n), ze bevatten 23 chromosoomparen. Voor elk geldt:



  • Een van beide chromosomen afkomstig is van de moeder andere van de vader.

  • Beide chromosomen informatie hebben over dezelfde erfelijke eigenschappen.


Geslachtscellen hebben een afwijkend aantal chromosomen. Bij hun vorming krijgen ze van elk chromosoompaar maar 1 chromosoom. Elke eicel en zaadcel heeft daardoor 23 van elkaar verschillende chromosomen: zijn haploïd (n). Haploïde cellen bevatten wel alle erfelijke informatie maar slechts in enkelvoud. Welk chromosoom uit een paar in een geslachtscel komt, berust op toeval. Na bevruchting bevat een zygote weer een diploïd aantal chromosomen, dus dubbele informatie over eigenschappen. 


Haploïde geslachtscellen (23) ontstaan uit speciale diploïde cellen (46) in de zaadballen en eierstokken. Niet via een mitose (h2), anders krijgen de geslachtscellen 46 chromosomen. De deling die het chromosoomaantal halveert, is een meiose of reductiedeling (binas 76 b2). Bij jongens begint de meiose in de puberteit en gaat het leven door, bij meisjes start een groot deel voor de geboorte in de eierstokken maar de meiose stopt aan het begin van de meiose in de vroegere profase 1 (binas 76 b2). Voorafgaande aan een meiose verdubbelt het DNA in de diploïde (2n=46) cel. De meiose kent 2 stappen: meiose I en II. In meiose I sorteert de diploïde cel de paren, zoals in het karyogram. Vervolgens gaan alle chromosoomparen uit elkaar, dat levert 2 haploïde cellen (n=23) op, elk met 23 chromosomen. Elk chromosoom in de haploïde cellen bestaat nog steeds uit 2 chromatiden, bijeengehouden door een centromeer. Dan volgt meiose II, net als bij een mitose gaan de chromatidenuit elkaar (binas 76b3). Alle cellen bevatten de complete erfelijke informatie voor alle eigenschappen, maar wel in enkelvoud. Een eicel maakt meiose II uitsluitend af als zij bevrucht is, zaadcellen maken een meiose altijd af.  


Lichaamscellen zijn diploïd (2n). Door meiose ontstaan in de eierstokken en de zaadballen haploïde (n) geslachtscellen. Tijdens meiose I gaan de chromosoomparen uit elkaar. Tijdens meiose II gaan de chromatiden uiteen. 



De verdeling van de chromosomen over de geslachtscellen berust op toeval. Er kan bv bij de moeder een eicel ontstaan met meer chromosomen van haar vaders kant (rode) dan van haar moeders kant (blauwe). De kans is dan groot dat het kind meer op zijn opa van moederskant lijkt dan op oma. Maar via de zaadcel leveren de opa en oma van vaders kant natuurlijk ook eigenschappen. Het kind is een remix van chromosomen. Deze herverdeling van erfelijke eigenschappen van de (voor) ouders in een nakomeling heet recombinatie. 


De vorming van zaadcellen begint in de puberteit, zo’n 80 miljoen per dag. De zaadballen bestaan uit dunne zaadbuisjes (binas 86a). Tussen deze buisjes liggen cellen die hormonen vormen. In die zaadbuisjes vindt de vorming van zaadcellen plaats. De wand hiervan bevat duizenden cellen die 



vanaf de puberteit constant delen (mitose) en niet opraken. Uit deze extra cellen ontstaan de (diploïde) voorlopercellen van zaadcellen. Een voorloper levert door meiose 4 haploïde zaadcellen op. Zaadcellen hebben een zwemstaart, een half met mitochondrien (h3) leveren energie en een kop met een kern. Door deze staart kan een zaadcel verplaatsten. De zaadcellen blijven bewaard in de bijballen tot ze vrijkomen na zaadlozing (3ml). Dat bestaat 10 % uit zaadcellen en 90 % uit zaadvocht uit de zaadblaasjes en de prostaat. 


Bij vrouwen bij de meiose uit een diploïde voorloper cel uiteindelijk slechts 1 haploïde eicel ontstaat. Door mitose ontstaat halverwege de zwangerschap, ruim voor de geboorte van een meisje, miljoenen voorlopercellen. De voorlopercellen zijn omgeven door cellen van de eierstok (ovarium). Deze zogenaamde follikelcellen vormen samen met de voorloper cel een follikel (Binas 86b2). Vanaf de puberteit tot de overgang maakt elke maand 1 follikel meiose I af en vormt een eicel. Meiose I eindigt met een ongelijke verdeling van grondplasma: een cel vrijwel alles. De ander vrijwel niets en vormt een poollichaampje. Die verdeling herhaalt zich in meiose II. Na meiose II zijn een grote haploïde eicel en 3 haploïde poollichaampjes ontstaan (binas 86 d). De poollichaampjes sterven door gebrek aan voeding snel af. 


Elke maand rijpt er om de beurt in een van beide eierstokken een eicel. Het komt voor dat 2 eicellen de meiose afmaken.  Wanneer elk van beide eicellen met een zaadcel versmelt, ontstaat een twee-eiige tweeling. Een eeneiige tweeling ontstaat wel uit 1 eicel. Maar pas na de bevruchting doordat bij een deling 2 losse groepjes cellen ontstaan die ieder uitgroeien tot een zelfstandig embryo, ze hebben hetzelfde DNA. Wanneer de groepjes cellen niet volledig van elkaar scheiden kan een Siamese tweeling ontstaan.



Bij jongens ontstaan uit een voorloper cel 4 zaadcellen, bij meisjes een eicel en 3 poollichaampjes. Een twee-eiige tweeling ontstaat door een bevruchting van 2 eicellen, een eeneiige tweeling ontstaat doordat bij een van de delingen na de bevruchting 2 groepen cellen ontstaan. 



Paragraaf 3


De hypofyse: geeft startschot voor de puberteit, Het hormoonkliertje (zo groot als een erwt) ligt tussen beide hersenhelften in. Het kliertje vormt de hormonen FSH (Follikel Stimulerend Hormoon) en LH (Luteïniserend hormoon) het bloed vervoert de hormonen door hele lichaam, maar de zaadballen en eierstokken die reageren op deze hormonen met de productie van geslachtscellen en geslachtshormonen


Vruchtbaarheid bij meisje:


De hormonen FSH en LH starten de menstruatiecyclus, elke maand stimuleert FSH de ontwikkeling van 5 tot 12 follikels in een van de eiersokken, (follikels) dit zijn kleine blaasjes van een aantal cellen waarin de eicel zich ontwikkeld in elk blaasje 1 


De rijpende follikelcellen vormen aantal vrouwelijke geslachtshormonen: oestrogenen door deze hormonen Groeit er een nieuw baarmoederslijmvlies aan de binnenkant van je baarmoeder, van die follikels ontwikkelaar er 1 volledig en vormt een eicel de andere follikels verschrompelen


Halverwege de menstruatiecyclus dag 14, stimuleerde grote hoeveelheid oestrogenen van de follikelcellen de productie van extra LH door deze hypofyse, door de plotselinge toename van LH barst de eicel uit de follikel en komt in de eileider terecht: De ovulatie, de follikelcellen die in de eicel achterblijven nemen veel vetachtige stof op dat een gele kleur geeft, deze achtergebleven follikelcellen heette nu het gele lichaam, het gele lichaam produceert naast oestrogenen, het geslachtshormoon progesteron, dat in het tweede helft van de menstruatiecyclus actief is en ook een grote rol speelt bij een zwangerschap. Tijdens de menstruatiecyclus remmen d progesteron de FSH-productie door de hypofyse Daarmee voorkomen ze dat er nog meer follikels rijpen



Onder invloed van dat progesteron ontstaan extra bloedvaten in baarmoederslijmvlies voor de aanvoer van voedingsstoffen en zuurstof ter voorbereiding op een zwangerschap na de ovulatie levert het gele lichaam een steeds grote hoeveelheid progesteron


 Volgt er geen zwangerschap dan sterven de cellen van het gele lichaam af, Dit gebeurt 14 dagen na de ovulatie met het verdwijnen van het gele lichaam, stopt de productie van het progesteron, door deze daling van progesteron, sterft ook het baarmoederslijmvlies af en beginnende menstruatie (het afstoten van een deel van het baarmoederslijmvlies)



  •  het verschrompelen van het gele lichaam heeft niet alleen invloed op het baarmoederslijmvlies doordat de productie van oestrogenen en progesteron stopt, valt de remming weg voor de hypofyse om FSH te maken met de hernieuwde FSH-productie starten een volgende menstruatiecyclus. Opnieuw beginnen follikels zich te ontwikkelen dat gebeurt in de andere eierstok, naast en remmende werking op hypofyse hebben oestrogenen ook invloed op de secundaire geslachtskenmerken van meisjes


Vruchtbaarheid bij jongens:


Het hormoon LH zet speciale cellen dus het zaadbuisje zogeheten interstitiële cellen of cellen van leydig aan tot productie van mannelijke geslachtshormonen testosteron. Het hormoon FSH stimuleerde samen met testosteron, de zaadballen om zaadcel te vormen. 


Testosteron:



  • Testosteron remt de LH-productie en voorkomt overproductie van testosteron



  • Testosteron heeft invloed op een secundaire geslachtskenmerken bij jongens

  • Testosteron verhoogt ook de spierontwikkeling en de groei van de uitwendige geslachtsorganen: penis in de balzak


Zwagerschap:


Rond 14 dagen alles gereed voor mogelijke zwangerschap, de ovulatie leeft een eicel en het baarmoederslijmvlies is er klaar voor, vindt een bevruchting plaats dan maak de eicel meiose II af en deelt de zygote, dat stopt de normale menstruatiecyclus en begint hormoonproductie die is aangepast aan de zwangerschap, De bevruchte eicel deelt een klompje cellen dat via de eileider naar de baarmoeder gaat daar nestelt dat klopte zich in een baarmoederslijmvlies in vorm van Vlokken: het begin van de placenta. Cellen in beginnende placenta vormen het hormoon HCG (Human chorion gonadotropine) HCG komt vi placenta in bloed van moeder, het voorkomt bij de moeder dat het gele lichaam in een eierstok verschrompeld


Het gele lichaam gaat meer progesteron maken, waardoor het baarmoederslijmvlies niet afsterft, doordat het gele lichaam doorgaat met het maken van het progesteron blijft vorming van de FSH en LH door de hypofyse geruimd, daarom rijpen geen nieuwe follikels, de placenta na ongeveer 3 maanden de hormoonproductie van het gele lichaam overgenomen, en maak volop progesteron en oestrogenen, het gele lichaam is niet meer nodig de productie van HCG stopt


In 9 maanden ontwikkeld in zygote zich in een baby in week 3 van een zwangerschap is een embryo(2mm), na 12 weken is het een foetus(8cm) foetus blijft groeien: 5 maanden (23cm),6 maanden (35cm),7 maanden(38cm), ongeveer week 38 na de ovulatie vindt bevalling plaats. Meestal ligt de baby al een tijdje voor bevalling met hoofdje in de bekken in de richting van de baarmoeder De baby is ingedaald


 
3 Fasen van de bevalling: 
1. Ontsluiting: onder invloed van hypofysehormoon oxytocine, trekken spieren van de baarmoeder samen (ontsluitingsweeën) Hierdoor gaat de baarmoedermond open. De vruchtvliezen breken en het vruchtwater loopt weg. 
2. Uitdrijving: bij volledige ontsluiting(10cm) mag de moeder mee persen, door persweeën, samentrekken van spieren van de baarmoeder en de buikspieren komt de baby op de wereld. 
3. Nageboorte: ten slotte volgt een aantal naweeën. Die drijven de placenta, de resten vruchtvliezen en de navelstreng uit.


Paragraaf 4


De oorzaak van onvruchtbaarheid blijkt vaak een geslachtsziekte te zijn waardoor de eileiders geblokkeerd zijn is, wil je toch kinderen dat kan met behulp van ivf (in vitrofertilisatie) betekend ‘'in glas bevruchting’' 


Ivf in 4 stappen:



  1. Stimulering follikelrijping: Door hormonen (o.a. FSH) toe te dienen rijpen tegelijk 5 tot 10 follikels in de eierstokken.



  1. Aanprikken van follikels: Wanneer de follikels rijp zijn zuigt de arts met een holle naald de eicellen uit de follikels en brengt ze over in een schaaltje.



  1.  Bevruchting: De partner levert op de dag van het aanprikken zijn sperma. Na een behandeling brengt een laborant de zaadcellen in het zaadje (voor elk eicel 200duizend zaadcellen)



  1. Plaatsing in de baarmoeder: Twee tot vijf dagen na het aanprikken plaatste de arts een of twee embryo’s, klompjes van 4 tot 8 cellen, in de baarmoeder.


De vrouw krijgt hormonen om de groei van de baarmoederslijmvlies en het innestelen van het embryo te stimuleren


Ivf is niet altijd de oplossing, zeker niet als geslachtsziekte zaadballen aangetast zijn en een Sperma productie en spermakwaliteit achterblijft, daarom 1st een onderzoek: een medisch analist telt in een spermamonster de zaadcellen, als te weinig zijn dan is de enige mogelijkheid ICSI                                


 ICSI (Intra cytoplasmatische sperma injectie):



  • Een vorm van ivf. Een arts brengt met een dunne naald een zaadcel in de eicel.


Thalassemie is het hemoglobinegehalte in de rode bloedcellen verlaagd leidt tot misvormde rode bloedcellen, hemoglobine in de rode bloedcellen in zuurstof bij bepaalde vorm van thalassemie kan de foetus na 34 weken zwangerschap sterven door zuurstofgebrek, als het in de fam zit en je wilt toch kinderen kan je contact opnemen met de afdeling klinische genetica van het Erasmus MC Rotterdam hebben ze kennis om het risico in kaart brengen 


in het EMC krijgt ze te horen dat een gen: stukje DNA met de code van een erfelijke eigenschap, de oorzaak is van de aandoening .het gen heeft 2 allelen(2varianten) een ‘gezond allel’ en ‘allel met de afwijking thalassemie’ .krijg je ‘gezond allel’ en ‘afwijkende allel’ dan heb je de ziekte niet, maar je kunt het afwijken allel wel doorgeven aan je kinderen Jij bent de drager van de ziekte.


om  kans te bepalen dat ze drager zijn is het nodig om beide  families in kaart te brengen ,Wie heeft de aandoening(grootouders, ouder) de arts zijn alle gegevens op in de stamboom die een later stadium te gaan uitwerken bij heel ernstige erfelijke aandoeningen als cystische fibrose (taaislijmvlies) of de ziekte hungtington (hersenaandoening)  is een embryo selectie mogelijk en arts verwijderd en onder microscoop een cel uit een  8delige embryo, dat ontstaan is naar het ivf-behandeling .Hij onderzoekt de cel in het laboratorium op de aanwezigheid van de erfelijke aandoening zijn deze er niet is het embryo geschikt voor de zwangerschap ,bij Thalassemie   mogen artsen in Nederland dat niet doen daar is de aandoening niet ernstig genoeg voor


Emc onderzoeken artsen foetussen met verschillende technieken:


Met deze Prenatale diagnostiek proberen zij aangeboren of erfelijke afwijkingen bij ongeboren kind op te sporen 



  • Echoscopie: artsen onderzoeken met geluidsgolven een foetus in de baarmoeder. De teruggekaatste golven (echo) geven een beeld van de baarmoeder en foetus.

  • Vlokkentest: kan vanaf de tiende week van de zwangerschap informatie geven. Een arts zuigt wat vlokken van de placenta op. Hierin bevinden zich cellen van het embryo. Een laborant onderzoekt de chromosomen op erfelijke afwijkingen.



  • Vruchtwaterpunctie: mogelijk vanaf de 16e week van de zwangerschap. Met een holle naald zuigt de arts wat vruchtwater op, met daarin cellen van de foetus de 


De chromosomen worden weergegeven in een karyogram. Daarin valt af te lezen of de foetus een chromosomale afwijking heeft. Zowel bij de vlokkentest als vruchtwaterpunctie is er kans op een miskraam.


Bij een hielprik neemt een medewerker een druppeltje bloed uit de hiel van de baby voor onderzoek naar verschillende aandoeningen die niet te genezen zijn maar wel te behandelen met dieet of medicijnen. Vanaf 1974 is de hielprik al in gebruik voor opsporing van de erfelijke stofwisselingsziekte PKU een baby met PKU maak te weinig enzym aan om het aminozuur fenylalanine af te breken. Fenylalanine krijg je binnen door eiwitten te eten doordat er geen of onvoldoende enzym is dat dit aminozuur afbreekt zo ontstaat er een ophoping van fenylalanine in het bloed van de baby dit kan tot hersenbeschadiging leiden baby's met deze aandoening krijgen de rest van hun leven een dieet met heel weinig eiwitten met speciale aanvulling tot aminozuren 


Paragraaf 5 
Condoomgebruik beschermt tegen seks en Soa´s, vrijen zonder condoom kan leiden tot een besmetting met een bacteriën of virus bv: hiv (Human immunodeficiency virus) de veroorzaker van aids, dit virus dring bepaalde witte bloedcellen (lymfocyten) binnen die een belangrijk onderdeel zijn van het afweersysteem .in die cellen vermeerderen het virus zich, waarna de cellen kapotgaan die cellen hebben je echter juist nodig om het virus goed te bestrijden


gelukkig ontstaan er ook nieuwe witte bloedcellen met behulp van een geneesmiddel de hiv-remmers kan het afweersysteem wel meer dan 10 jaar op pijl blijven , een moment dat de belans  naar de kant van hiv doorslaat 


Met als gevolg de ziekte aids, het afweersysteem zo sterk verzwakt dat een besmetting met een onschuldige ziekteverwekker(griep)al dodelijk kan zij. Na de infectie met hiv heeft een afweersysteem een kleine hoeveelheid antistoffen kunnen maken, het virus zit echter ongrijpbaar voor die antistoffen verstopt in witte bloedcellen Bovendien verandert het virus regelmatig door mutaties waardoor de antistoffen niet meer werken. Veel prostituees in Afrika hebben seropositief zijn dragen het virus en kunnen ook andere besmetten, seropositief mensen hebben nog geen aids door een financiële situatie kunnen geen hiv-remmers betalen



Door onveilige seks met iemand die besmet is met een soa kan je besmet raken maar ook door gebruikt van niet schone injectienaald bv: drugsverslaafde met een soa, de ziekteverwekkers bij persoon met een soa bevinden zich in het bloed, sperma of vaginale vocht ook al het voorvocht 


Het grootse aantal soa-besmetting komt door chlamydiabacterie, vaak hebben besmette personen weinig of geen klachten soms branderig gevoel bij plassen of wat afscheiding, behandeling noodzakelijk besmette personen kunnen ander besmetten en kan leiden tot ontsteking en onvruchtbaarheid ander soa's hebben duidelijke klachten: pijn, branderig gevoel bij plassen of ongewone afscheiding uit de vagina bv: zweertjes in de vagina of op de penis kunnen wijzen op een besmetting met de syfilisbacterie


Doordat syfilis de slijmvlies aantast, is de huid niet meer in contact hierdoor kunnen ander ziektewekkers gemakkelijk binnen dringen en kans op hiv bij onveilig vrije groter


Antibiotica pakken de syfilis-, gonorroe en chlamydia bacteriën aan op hun zwakke plekken dit kan zijn de celwand, celmembraan of de stofwisseling hierdoor gaat de bacteriën dood en kunnen minder snel delen


Virusremmers vertragen het vermeerderen van een virus. 
Tegen bacteriële virussen zoals gonorroe, chlamydia en syfilis helpen antibiotica.


Anticonceptiemiddelen gebruik je om niet zwanger te worden zoals de pil en het condoom. 
‘Voor het zingen de kerk uit’, de penis net voor de zaadlozing eruit halen, een onbetrouwbare methode. In het voorvocht bevinden zich al zaadcellen. 
Nog een andere onbetrouwbare methode is de periodieke onthouding. Een zaadcel kan 3 dagen in het lichaam van de vrouw overleven en een eicel ongeveer een dag.



  • Anticonceptiepil: het slikken van kunstmatige geslachtshormonen. Deze hormonen remmen de productie van FSH en LH waardoor er geen eicel rijpt. Bovendien verandert de samenstelling van het baarmoederhalsslijmvlies waardoor zaadcellen er moeilijker doorheen kunnen zwemmen.

  • Een spiraaltje blijft zo’n 3 jaar zitten en maakt het baarmoederslijmvlies ongeschikt voor innesteling. Spiraaltjes met hormonen hebben dezelfde werking als de pil.



  • De morning-afterpil bestaat uit een hoge concentratie van de geslachtshormonen die het baarmoederslijmvlies beïnvloeden.

  • Met de overtijdbehandeling (12 tot 16 dagen overtijd) zuigt de arts het baarmoederslijmvlies met het mogelijk ingenesteld em

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Ook geschreven door Sascha