Hoofdstuk 6, 7 en 8

Beoordeling 5.4
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • Klas onbekend | 4361 woorden
  • 17 mei 2010
  • 8 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.4
  • 8 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Help nu jouw favoriete goede doel door jouw mening te geven!

Hoe? Heel simpel. Geef je op voor het panel van Young Impact en geef jouw mening over diverse onderwerpen zoals gelijke kansen, diversiteit of het klimaat. Voor iedere ingevulde vragenlijst (+/- 1 per maand) ontvang je een bedrag dat je direct mag doneren aan een goed doel naar keuze. Goed doen was nog nooit zo easy!

Meld je aan!
Begrippen H6+ H7 + H8
6.1 De Volgende stap.

Levensloop: 1persoon. Begin-eind, mens als individu. Je lichaam verandert door biologische processen.
Lichamelijke veranderingen: groei, slijtage.
Sociale veranderingen: vrienden, verkering.
Psychische veranderingen: zelfstandigheid, onzekerheid.
Levenscyclus: gaat over meerdere personen, meerdere generaties. Begin-eind, en verder. De mens als soort.
Primaire geslachtskenmerken: de geslachtsorganen, die er al zijn voordat je geboren word, en veranderen vooral in de puberteit.(gebruik Binas of Biodata) ( bioplek)
vrouw

2 eierstokken (ovaria - enkelvoud ovarium)
rijping eicel (één per maand)
meiose
uit één diploïde( dubbel aantal chromosomen) cel ontstaat één eicel
vorming vrouwelijk geslachtshormoon (oestrogeen)
2 eileiders
opvangen eicel na ovulatie (met trechtervormig uiteinde)
bevruchting
transport bevruchte eicel --> baarmoeder
Baarmoeder
innesteling bevruchte eicel (in de slijmvlieslaag)
groei en ontwikkeling van bevruchte eicel
Schede (vagina)
Kittelaar (clitoris)
gevoelig voor prikkeling --> orgasme
man
2 zaadballen (testes - enkelvoud testis)
vorming zaadcellen (spermacellen)
mitose voor aanmaak nieuwe zaadmoeder cellen

meiose voor vorming zaadcellen
uit één diploïde cel ontstaan 4 zaadcellen
vorming mannelijk geslachtshormoon (testosteron)
2 bijballen
opslag van zaadcellen
2 zaadleiders
transport van zaadcellen
2 zaadblaasjes
monden uit in de zaadleiders
toevoegen van vocht aan zaadcellen bij zaadlozing
Prostaatklier
afsluiten urineblaas bij zaadlozing
toevoegen van vocht aan zaadcellen bij zaadlozing
(zaadcellen + vocht uit zaadblaasjes en prostaat = sperma)
Penis
zwellichaam --> erectie
eikel --> gevoelig voor prikkeling --> orgasme (vergelijk clitoris)
Vrouw:
Binnenste en buitenste schaamlippen groeien.
In eierstokken: gaan eicellen rijpen.
Menstruatie: de vrouwelijke geslachtsorganen zorgen er voor dat: het aangegroeide baarmoederweefsel met het daarin aanwezige bloed via de vagina het lichaam van de vrouw verlaat.
Veranderingen in hormoonspiegelgehalte. Kan hoofdpijn, buikpijn enz.
Man:
Penis, zaadballen en balzak groeien.
Productie van zaadcellen---> opgeslagen in bijballen---> zaadlozing.
Zaadlozing: zaadcellen verlaten via de zaadleiders en urinebuis het lichaam. De sluitspieren van de urineblaas voorkomt dat urine met het zaad in contact komt.
Secundaire geslachtskenmerken: zijn lichamelijke kenmerken die zich pas ontwikkelen in de puberteit, ergens tussen je 10e en 18e, ontwikkelen onder invloed van geslachtshormonen.
Hypofese---> hypofesehormonen FSH---> geslachtsklieren---> geslachtscellen.
Eierstokken produceren: eicellen,vrouwelijke hormonen: oestrogenen, progesteron.
Zaadballen produceren: zaadcellen, testosteron.
Tertiaire geslachtskenmerken: mening, smaak, voorkeur.
Psychische veranderingen: je ontwikkeld een eigen leefstijl, je toekomst?! En neemt af na mate je volwassener word.
Onzekerheden
Onoverzichtelijkheid.
Het wennen aan een nieuw lichaam.
Relaties, psychische belastingen.
Nurture: opvoeding, verzorgen.
Nature: natuur, erfelijk bepaald.
6.2 Seksualiteit is.....
Normen en waarden: regels hoe je moet omgaan met seksuele gevoelens. Als puber accepteer je die soms vaak, niet helemaal, en kunnen er problemen ontstaan. Het is meer een richtpunt. En verschilt natuurlijk in een omgeving. (culturele achtergrond, religie, opvoeding).(cultuur)
Seksualiteit: 'zit tussen je oren'. Een samenstelling van gevoelens, gedachten en handelingen die alle te maken hebben met het willen (laten) bevredigen van gevoelens.
Masturberen: zelfbevrediging.
Vrouw: dikkere schaamlippen, door extra bloedtoevoer.
Man: slagaders in penis verwijden, zwellichaamen worden dikker, erectie.
Tastzintuigjes: spelen een belangrijke rol bij het opvangen van seksuele prikkels.
Vrouw: clitoris, vangt seksuele prikkels op.
Man: voorkant van de penis, eikel heeft veel Tastzintuig jes en is erg gevoelig.
Slijmkliercellen: produceren extra vocht.
Vrouw: slijmkliercellen reageren op prikkeling van zintuigcellen.
Man: klier van Cowper produceert voorvocht. Dit maakt urinebuis schoon.
Geslachtsgemeenschap: het met elkaar doen, neuken, cohabiteren, vrijen.
Aangenaam gevoel.
Bloeddruk en hartslag stijgt.
Je gaat meer zweten.
Lichaamsgeur verandert.
Spierspanning neemt toe.
--> orgasme.( word vaak moeilijker, bij: spanning en alcoholgebruik.)
Vrouw: baarnoederspieren trekken samen, vrouwen kunnen meerder orgasmen achter elkaar krijgen.
Man: spieren rond de zaadleiders trekken krachtig samen.
De eerste keer: is meestal extra spannend.
Inbrengen van penis in vagina kan stroef of pijnlijk aanvoelen.
Vagina is misschien niet vochtig genoeg.
Niet ontspannen.
Vagina te nauw, het maagdenvlies zit in de weg.
Seksueel misbruik: alle seksuele handelingen die iemand gedwongen wordt uit te voeren, te ondergaan of getuige van te zijn.
Puberteit
12 tot 16 jaar
lichamelijke veranderingen
groeispurt
ontstaan secundaire geslachtskenmerken o.i.v. geslachtshormonen
testosteron (mannelijk geslachtshormoon)
oestradiol (vrouwelijk geslachtshormoon)
geestelijke veranderingen
meer zelfstandigheid
interesse krijgen voor seksualiteit
groei wordt beïnvloed door
voeding
veel eiwitten (bouwstoffen) nodig
hormonen (geslachtshormonen en groeihormonen (gebruik Binas of Biodata)
6.3 Allemaal anders.
Verschillen tussen man en vrouw.: lichamelijke verschillen tussen man of vrouw zijn voor een groot deel erfelijk bepaald. (is natuurlijk een gemiddelde)
( zonder de primaire en secundaire geslachtskenmerken.)
Vrouw: taalvaardiger, handig met kleine voorwerpen, gevoeliger voor emoties.
Man: beter ruimtelijk inzicht, oriënteren zich beter.
Erfelijk of aangeleerd?: hoe je verschillen, taalvaardigheid ruimtelijk inzicht en dergelijke tussen mannen en vrouwen ontstaan is nog altijd een discussie. Daarbij gaat het om de vraag in hoeverre dergelijke eigenschappen erfelijk zijn en in hoeverre ze door de opvoeding zijn te beïnvloeden. ( blz,142)
Tweeling onderzoek: eeneiige tweelingen hebben het zelfde DNA, als zij gescheiden opgroeien en verschillende opvoeding krijgen. En verschil in belangstelling en gedrag vooral te wijten zijn aan hun opvoeding.
De voorkeur: de meeste mensen zijn heteroseksueel.
Heteroseksueel: gericht op de andere sekse.
Homoseksueel: voelt zich aangetrokken tot het zelfde geslacht.( bij vrouwen ook wel lesbische genoemd)
Biseksueel: je valt op beide geslachten.
Je 'roots': iedereen heeft zijn eigen opvattingen in het leven ook over seks. Die denkbeelden zijn ontstaan tegen de achtergrond van de cultuur en religie waarin je bent opgegroeid.
6.4 Je vrijt niet alleen.
Soa: seksueel overdraagbare aandoening.
Clamydia
gonorroe
syfilis
herpes virus
genitale wratten.
HIV: human immunode ficiency virus. Het tast je afweersysteem aan, je lymfocyten. --> HIV is wereldwijd --> actief--> aids.( nog geen medicijn!)
HIV kan overgedragen worden door: lymfe knopen, bloed, sperma, vaginaal anale contacten --> bloedbesmetting. Seropositief

Clamydia
Gonorroe
Syfilis
Herpes
Genitale wratten
Veroorzaker
Clamydia bacterie
Gonorroe bacterie
Syfilis
bacterie
Virus
Virus
Symptonen
Pijnlijk branderig gevoel, afscheiding uit vagina of penis
Druiper, pijnlijk en brandend gevoel. Afscheiding
Zweertjes bij geslachtsorganen
Pijnlijk branderig gevoel. Vaginale afscheiding. Koorts en blaasjes
Wratten rond de geslachtsorganen
Wat gebeurt er als je er niets aan doet.
Eileiders of bijbalontsteking. Vrouwen kunnen onvruchtbaar worden.
Eileiders of bijbalontsteking. Vrouwen kunnen onvruchtbaar worden.
Vitale organen worden aangetast. Zoals: hersenen, ruggenmerg, hart
Houd je levenslang en kan zo weer opkomen
Houd je levenslang en kan zo weer opkomen.
Bestrijden met
Antibiotica
Antibiotica
Antibiotica
Niet
Niet
Verschil: clamydia, gonorroe,sylfilis kun je bestrijden, herpes en genitale wratten niet, Eenmaal besmet altijd besmet.
6.5 kiezen voor kinderen?
Anticonceptie: het wel of niet krijgen van kinderen regelen, om voorbehoedsmiddelen te gebruiken, om een zwangerschap te voorkomen. Zorgt er voor dat er geen zaadcel en eicel bij elkaar kunnen komen.
Onbetrouwbare middelen.
Coïtus interruptus: 'voor het zingen te kerk uitgaan', Op tijd terugtrekken: het gebeurt vaak te laat, en ook in het voorvocht zitten zaadcellen.
Periodieke onthouding: geen geslachtsgemeenschap tussen de 11e en 18e dag. Is erg onbetrouwbaar omdat de ovulatie bij iedereen anders is, en anders kan verlopen. Persona: een vrouw kan haar vruchtbare periode meten. Het meet de afbraak van producten LH en oestrogeen in de urine.
Als sperma in de vagina komt kan het o.a tegengehouden worden dmv.
Spiraaltje --> voorkomt innesteling.--> irritatie baarmoederslijmvlies, baarmoederwand word ongeschikt,
Anticonceptie pillen. ( de pil)
Vrouwencondoom.
Zaaddodendepasta.
Nuvaring.
Hoe werkt de Pil ?: de pil( lucht en licht dicht verpakt) zorgt ervoor dat er geen eicel rijpt, oestrogeen en progesteron beïnvloeden de dagelijkse cyclus. --> remt de productie van hypofyse hormonen FSH (LH), en er kan geen eisprong plaatsvinden. Ook verandert het baarmoederslijmvlies, het word steviger en de zaadcellen kunnen er minder goed doorheen.
Eenfasepil: elke pil bevat dezelfde hoeveelheden oestrogeen en progesteron.--> bv je slikt 21 dagen de pil met dezelfde hormonen, en dan 7 dagen geen pil. Oestrogeen en progesteron verminderen, het instant houden van je baarmoederslijmvlies lukt niet meer--> je word ongesteld. (sub-30 en sub-50)
Meerfasenpillen: zijn aangepast aan de hormoon toestand in het bloed tijdens de normale cyclus van een vrouw.
Tweefase sequentiepil: 22 pillen 7 oestrogeen 15 oestrogeen+progesteron.
Driefasepil: verhouding van de hormonen oestrogeen en progesteron verschilt per kleur, 3 verschillende kleuren.
Minipil: als je teveel last van bijwerkingen hebt van de andere pillen kan dit een oplossing zijn. --> bevat een lage concentratie van progesteron --> moet op een bepaald tijdstip ingenomen worden --> blokkeert rijping van de eicel.
Morningafter-pil noodpil: als het toch per ongeluk misgaat dan kun je voor 36 uur de morningafter-pil nemen. --> bevat hoge concentraties geslachtshormonen die het baarmoedervlies beïnvloeden. En het eitje niet makkelijk kan innestellen.
Nuvaring: voor als je het pillen slikken vergeet. Deze ring scheid vanzelf hormonen af. Na 3 weken krijg je een sms, en moet je een nieuwe ring aanbrengen.
Overtijdbehandeling: na 1 of 2 weken van het uitblijven van de menstruatie --> onder verdoving word het baarmoederslijmvlies + bevruchte eitje weggezogen.
Steriliseren: bij mannen worden de zaadleiders vlak bij de zaadballen weggesneden. Bij vrouwen worden de eileiders doorgesneden.
wel productie van geslachtscellen, maar ze kunnen het lichaam niet meer verlaten.
hormoonproductie gaat gewoon door --> geen invloed op de seksualiteit.
alleen geschikt voor mensen die geen kinderen (meer) willen.
eileiders of zaadleiders worden onderbroken
Vruchtbaarheid: Vruchtbare periode ( bioplek)
Een vrouw kan zwanger worden als ze 3 dagen voor, tijdens of een halve dag na de ovulatie geslachtsgemeenschap heeft.
Want:
eicel is tot 12 uur (halve dag) na ovulatie te bevruchten.
zaadcellen blijven leven maximaal 3 dagen in baarmoeder en eileiders in leven.
De ovulatie vindt ongeveer halverwege de cyclus plaats. Bij een gemiddelde duur van 28 dagen, rond de 14edag.
Maar er zijn grote verschillen in lengtes van de cycli en niet iedereen heeft een regelmatige cyclus.
Factoren die invloed hebben op de vruchtbaarheid
Goede voeding.
Algemene gezondheidstoestand.
door ziekten wordt de kwaliteit van zaadcellen minder
bepaalde geslachtsziekten (SOA's) kunnen tot onvruchtbaarheid leiden
lichamelijke afwijkingen
Leeftijd
de vruchtbaarheid neemt met het toenemen van de leeftijd af (vooral bij vrouwen).
bij vrouwen die op latere leeftijd kinderen, is er een grotere kans op complicaties bij de zwangerschap
bij hogere leeftijd van de vrouw is er meer kans op syndroom van Down (trisomie 21)
Temperatuur in de testes
ideale temperatuur voor vormen van zaadcellen is ± 35°C
Milieufactoren
giftige stoffen kunnen de vruchtbaarheid verminderen.
bijv. stoffen die lijken op geslachtshormonen.
7.1 waarom seks?
Ongeslachtelijk voortplanting: Vorm van voortplanting, die door celdeling geschiedt ( mitose, er verandert niks aan de genen).Uit één of meer cellen ontstaat een nieuw individu . Makkelijk, maar minder overlevingskans.
Als de omstandigheden gelijkblijven is ongeslachtelijke voortplanting het gunstigst .
Geslachtelijke voortplanting: Voortplanting waarbij de nieuwe individuen ontstaan door versmelting van geslachtscellen.( meiose). Het is moeilijk, genen kunnen veranderen, genetische variatie, grotere overlevingskans als soort, je kunt je aanpassen.
Geslachtelijke voortplanting levert nakomelingen op met nieuwe combinaties aan erfelijke eigenschappen. Dat is voordelig voor een soort in een steeds veranderende omgeving, het kan zich aanpassen.
7.2 de cellen waar het om draait.
Zaadcellen: zaadcellen worden gevormd in dunnen buisjes waaruit hun zaadballen ontstaan.
Zaadbuisjes---> voorlopercel (4 zaad)--->delen constant-, krijgen een gestroomlijnde vorm door het afstoten van cytoplasma, onwikkeling zwemstaart-> opslag in bijballen---> zaadlozing( ong: 3 ml / 350 milj zaadcellen).
Als er ongeveer 12 dagen geen zaadlozing plaatsvindt, ruimen de witte bloedcellen op d.m.v fagocytose.
Sommige zaadcellen hebben een afwijkende vorm. Ze missen een zweepstaart of acrosoom( eiwit afbrekende enzymen).
De productie van zaad verloopt het snelste bij een tem rond 33 °C. daarom liggen ze in een huidplooi(balzak). Als het koud is trekken de spiertjes de balzak tegen het lichaam en behoud het de goede temperatuur.
Eicellen: grootste menselijke cel en is net zichtbaar,diameter: 0,1 tot 0,2 mm groot.
Bij de geboorte heeft een meisje ongeveer 2 miljoen voorlopercellen. Aan het begin van de puberteit zijn er nog maar zo'n 400 000 over. Tijdens de vruchtbare periode van een vrouw groeit slechts 400 tot 500 van de voorlopercellen tot eicel uit. Een voorlopercel van een eicel vormt elke maand, (meestal 1), samen met een laagje hulpcellen een follikel--> meiose.
Meiose: biologie proces dat optreedt bij de vorming van geslachtscellen, waarbij het aantal chromosomen wordt teruggebracht tot de helft van het oorspronkelijke aantal. --> eerst worden de chromosomen paren uit elkaar getrokken en daarnaar worden ook de chromatiden uit elkaar getrokken. ( Haploid, N, enkelspel)
Meiose1: bij de eerste deling, gaan de chromosomen van elk paar uit elkaar, waarnaar de cel deelt--> de paren splitsen je hebt 2 cellen met elk 46 . chromosomen.
Profase1: Replicatie. Elk chromosoom bestaat uit 2 chromatiden, verbonden door een centromeer.
Metafase1: De gelijke chromosomen die dezelfde soort informatie bevatten gaan naast elkaar liggen.
Anafase1: Chromosomen paren gaan in het midden van de cel liggen.
Meiose2: bij de tweede deling, alle chromosomen gaan afzonderlijk in het equator vak liggen, en de chromatiden van elk chromosoom uit elkaar. --> metafase2 --> anafase 2--> telofase 2.
Er ontstaan 4 cellen met de helft van het aantal chromosomen. (N=23)
Mitose: splitsing van chromosomen;deling van chromosomen--> 2 identieke cellen. (Diploid, 2N, dubbelspel)
Profase: replicatie.
Metafase: Wanneer de centromeren van elk van de chromosomen in één vlak in het centrum (equatorvlak) van de cel liggen, begint de metafase. De metafase is afgelopen zodra de chromatiden loslaten, doordat het centromeer zich in tweeën deelt. De twee chromatiden vormen nu elk een zelfstandig chromosoom
Anafase: chromatiden worden naar de polen getrokken.
Telofase: DNA is verdubbeld.
Overeenkomst en verschillen Mitose, Meiose.
Overeenkomst: DNA verdubbelt.
Verschil: bij mitose splitsen de chromosomen en bij meiose splitsen ook nog de chromosomen paren.
7.3 In de baarmoeder.
Bevruchting: 1 eicel, klein deel bereikt de eicel, afvalrace, 1 zaadcel bevrucht de eicel. --> bij een bevruchting dringt de kern van een zaadcel de eicel binnen, tegelijkertijd ontstaat het bevruchtingsmembraam, zodat er niet nog andere zaadcellen kunnen binnendringen.
Klieving: de bevruchte zygote( eicel) begint al te delen in de eileider ( klievingsdeling) en word getransporteerd door de trilharen naar de baarmoeder, zie bron 12.
Innesteling: in de baarmoeder aangekomen bestaat het klompje uit ongeveer 100 cellen, dat uitgroeit tot een blaasje.--> buitenste cellaag komtvormt contact met slijmvliescellen --> innesteling--> door vele bloedvaten genoeg voedingsstoffen en zuurstof --> na ong 2 weken vaste verbinding, de placenta.
Embryonale ontwikkeling: binnenste cellaag van het blaasje ontwikkeld zich tot een embryo --> cellen delen en specialiseren --> zenuwstelsel en bloedstelsel ontwikkelen als eerste--> na ong 8 weken heet het embryo een foetus ( ong 3 cm) alle organen zijn in aanleg aanwezig.
Bevruchting.( bioplek)
in de eileider
bevruchte eicel heet zygote
Transport door de eileider.
klievingsdelingen (mitose)
wel delingen, geen plasmagroei --> klompje cellen
in bolletje cellen ontstaat een holte met vocht
Innesteling in baarmoederslijmvlies.
Ontwikkeling van het embryo
na twee maanden zijn alle organen aangelegd --> foetus
Foetus
in vruchtwater
beschermt foetus tegen druk en stoten
rond vruchtwater zitten de vruchtvliezen --> houdt vruchtwater vast en beschermt tegen infecties van buitenaf
krijgt voeding via placenta (moederkoek)
bevat bloedvaten van moeder en van kind)
uitwisseling stoffen tussen moeder en kind
via navenstreng verbonden met kind
navelstrengslagaders (bloed van kind naar placenta)
vervoer koolstofdioxide en andere afvalstoffen)
navelstrengader (bloed van placenta naar kind)
vervoer zuurstof en voedingsstoffen
Eeneiige tweeling
Ontstaan door bevruchting van één eicel en één zaadcel.
zelfde erfelijke eigenschappen (dus altijd 2 meisjes of twee jongens)
na de eerste klievingsdeling van de bevruchte eicel, ontwikkelen de twee ontstane cellen zich zelfstandig
Twee-eiige tweeling
Ontstaan door bevruchting van twee eicellen
verschillende erfelijke eigenschappen (als bij willekeurige broers en zussen)
Placenta: via de placenta neemt het embryofoetus uit het bloed voedingsstoffen op ( aminozuren, H2O, suikers, antistoffen., en geeft afvalstoffen af( CO2), ureum. Doordat de placenta groeit kan ook de foetus groeien. Na ong 265 dagen word de baby geboren.
Zwanger: niet ongesteld, dikkere buik, voedingsstoffen voor kind.
Bevalling: --> baby scheid stoffen af--> indaling--> ween--> breken van vruchtwater vliezen --> volkomen ontsluiting( 10cm) --> persweeën--> naweeën
--> nageboorte, placenta komt naar buiten.
7.4 Hormonen regelen.
Hormonen: worden gemaakt door hormoonklieren( maken hormonen en geven aan het bloed af), zijn een onderdeel van het regelsysteem, stoffen die een proces op gang zetten. De werking is specifiek( 1 soort werking op bepaalde plaatsen in het lichaam. Kan stimulerend en remmend.
Signaalstoffen: Je omgeving verandert --> je lichaam reageert hierop, je zenuwstelsel, signaal stoffen zoals: hormonen coördineren je activiteit.
Een maandelijks probleempje :Menstruatie, proces waarbij het lichaam een deel van het baarmoederslijmvlies afstoot.
--> groei van follikels(mitose) --> rijpen --> 1 eicel --> ovulatie --> eicel in eileider--> afbraak eicel( na 2,3 dagen) -->resterende cellen van follikel nemen vetachtige stoffen op en vormen het gele lichaam. --> geen bevruchting --> baarmoederslijmvlies is overbodig --> afbraak en afstoten van baarmoeder slijmvlies --> elke maand menstruatie.
Negatieve terugkoppeling: hormoon A --> maakt A --> stimuleert hormoon B--> maakt B--> hormoon B remt Hormoon A.
Menstruatie Cyclus.
Hypofyse zorgt ervoor dat er FSH gemaakt word, om de follikel in de eierstok te laten ontwikkelen.( follikel stimulerend hormoon).
Follikel groeit en produceert oestrogeen ( voor activering van het baarmoederslijmvlies.
Heeft de grootste follikel ongeveer een diameter van 17-20 mm dan zal de hypofyse luteiniserend hormoon (LH) produceren
Na de eisprong ( rond 14e dag) word het overblijfsel van de follikel het gele lichaam. LH stimuleert het gele lichaam.
Het gele lichaam( corpus luteum) produceert oestrogeen en progesteron. --> ontwikkelen en onderhouden van baarmoederslijmvlies.
Geel lichaam verdwijnt langzaam, progesteron en oestrogeen worden minder.
Het baarmoederslijmvlies word niet meer instant gehouden. En je word ongesteld.
Oestrogeen en progesteron zijn weg en hypofyse maakt weer FSH, het begint weer overnieuw.
Als het eitje wel bevrucht word dan: als een embryo zich ingesteld, dan zal het zwangerschap hormoon HCG gaan produceren, zodat het baarmoederslijmvlies niet afbreekt, en er progesteron geproduceerd blijft, ook stimuleert het de groei van melkklieren en borsten. Na ong 7 ,8 weken neemt de moederkoek( placenta) de progesteron productie over.
Menstruatiecyclus( bioplek)
Gemiddelde duur: 28 dagen.
Geregeld door hormonen (gebruik Binas of Biodata)
FSH uit de hypofyse
in gang zetten groei / rijpen follikel
in de follikel zit de eicel
follikelcellen maken oestrogeen
o.i.v. oestrogeen wordt in de baarmoeder de slijmvlieslaag dikker
LH uit de hypofyse
stimuleert de ovulatie (eisprong) - ± 14e dag van de cyclus)
stimuleert na de ovulatie de vorming van het gele lichaam (uit de lege follikel)
geel lichaam vormt progesteron (zwangerschapshormoon)
o.i.v. progesteron wordt het baarmoederslijmvlies nog dikker
via oestrogeen en progesteron negatieve terugkoppeling op de hypofyse
Ovulatie
eicel komt vrij uit het follikel
wordt opgevangen door de eileider
eicel leeft ongeveer 24 uur (en lost daarna op)
Menstruatie
Baarmoederslijmvlies komt naar buiten (ongeveer 2 weken na de ovulatie)
Oestrogenen: ontwikkeling secundaire geslachtskenmerken, rijping eicel, remt productie FSH, activeert groei baarmoederslijmvlies.
Progesteron: remt productie FSH, activeert groei baarmoederslijmvlies, stimuleert vorming placenta.
7.5 . Grenzen aan de vruchtbaarheid.
Ongewenste kinderloosheid is soms op te lossen met:
IVF (Vitro infertilisatie)
* eicel(len) wordt uit de eierstok gehaald en in petrischaal gedaan
zaadcellen worden toegevoegd
a de bevruchting ontwikkelen de eicellen zich tot klompjes cellen (embryo's)
enkele embryo's worden in de baarmoeder gebracht en kunnen zich gaan innestelen
reageerbuisbevruchting.
Erfelijkheidsadvisering: je kunt via een DNA test bepalen of het embryo een erfelijke aandoening heeft (vlokkentest) --> nadeel: de punctie kan soms lijden tot een spontane abortus.
Karyorgram= een chromosomen portret. De geslachtshormonen zijn X en Y. Vrouw: XX man:XY.
Trisomie= van chromosoom 21 veroorzaakt het syndroom van Down.
Begrippen H8+H10 Zonder woorden
8.1 De eerste ontmoeting
.
Signalen: communicatievorm waar mee soortgenoten met elkaar kunnen communiceren, zoals: geluiden, gebaren, opvallende kleuren, vormen etc. een prikkelsignaal die een dier geeft aan een ander dier.--> leid niet altijd tot reactiegedrag.
Signaalhandeling: Handeling met een mededelingsfunctie voor een soortgenoot. Signaalhandelingen zijn vaak soortspecifiek, en opvallend. Bijvoorbeeld de zang van een roodborst in zijn territorium.
Territorium gedrag: Gedrag met als functie het vestigen handhaven en / of vergroten van het territorium.
Ritueel: Soort dieren etiquette. Handelingen gedragingen, die van te voren vast staan.
Ritueel gedrag: het gedrag, waarbij (meestal) twee dieren van dezelfde soort met elkaar communiceren door vaste gedragsketens te laten zien. De gedragsketens kunnen gelijktijdig worden uitgevoerd, of de rituele handelingen worden om de beurt uitgevoerd (net als een vraag-en-antwoordspel).
Vaak zijn in ritueel gedrag elementen te zien uit verschillende gedragsystemen, zoals poetsgedrag, nestbouw, dreiggedrag.
Ritueel gedrag kan een voorbereiding zijn op het eigenlijke gedrag, zoals de paring of een aanval. Voorbeelden van ritueel gedrag: het baltsgedrag bij futen, het uitgebreide dreiggedrag bij Japanse vechtvissen.
Gedragsketen: Min of meer vaste opeenvolging van gedragselementen - het effect van een handeling leidt tot de volgende handeling.
Balts: een rollenspel dat aan de paring voorafgaat, bedoeld om partners aan te trekken en over te halen tot de paring, het sussen van agressie en uitwisselen van informatie. Vaak wordt er met uiterlijke kenmerken gepronkt, worden er speciale geluiden gemaakt of worden er geschenken aan de partner aangeboden.
8.2 Effe luisteren.
Rangorde: Hiërarchie of dominantievolgorde binnen een groep dieren. Zo ontstaan er minder snel onderlinge vechtpartijen en is er een goede taakverdeling.
Communicatie: het overbrengen van een boodschap d.m.v signalen en handelingen. Soms begrijpen mensen of dieren elkaar niet goed. Dit kan afhangen van de zender, en en of de ontvanger. Dit kan misgaan door dat zintuigen de informatie verkeert opvatten en het kan verstoort worden door ruis achtergrond lawaai.
Rolpatronen: de taakverdeling tussen mensendieren is in rolpatronen vastgelegd, en worden bevestigd door allerlei signalen. Wanneer een maatschappij snel verandert kan een rolpatroon voor last bezorgen.
8.3 Leren dat loont!
Leren: een manier van aanpassen en veranderingen. Bijv: Inzicht, trail-and-error, gewenning, Imitatie, inprenten, conditionering.
Inzicht: Vermogen van een dier (of mens) in een onbekende situatie de oplossing van een probleem vindt door vroeger opgedane ervaringen te combineren. Creatieve manier van leren. Je legt een verband tussen verschillende waarnemingen of ervaringen.
Trail-and-error proefondervindelijk: Zodat je leert wat wel en niet handig is.
Imitatie: een vorm van leren, waarbij een dier door het nadoen van het gedrag van een ander een vaardigheid onder de knie krijgt. Imitatie is geen garantie voor 'begrip' of inzicht.
Gewenning: een vorm van leren, waarbij een vaak voorkomende, maar weinig belangrijke prikkel, uiteindelijk geen reactie meer veroorzaakt. Zo schrikt een jonge hond van de telefoon, maar later niet meer
Inprenten: vorm van leren die in een bepaalde levensfase optreedt( gevoelige periode). waarbij een prikkel na één waarneming al zo veel invloed heeft, dat gedurende een zekere tijd een dier mens steeds hetzelfde gedrag vertoont op die prikkel.
Conditionering: Ingeprente gewoonte en gedrag.
1.Klassieke conditionering: Leerproces ten gevolge waarvan een prikkel een bepaald gedrag veroorzaakt, dat oorspronkelijk niet door die prikkel werd veroorzaakt. Het dier brengt 2 verschillende prikkels met elkaar in verband.
2. Operante conditionering: Leerproces om gewenst gedrag te belonen, en aan te leren En ongewenst gedrag is via straffen af te leren. Proefondervindelijk leren.
Cultuur: Een geheel van aangeleerde gedragskenmerken het leergedrag van een groep mensen of dieren.
Bekrachtiging: versterken van een gedragselement door een beloning of een vervelende ervaring.
8.4 Gedrag in delen.
Gedragselementen: De bouwstenen van gedrag. Meerdere gedragselementen vormen een gedragsketen. Bijv: bij een wolf dreigen. Kleinste eenheid van gedrag.
Gedragsketen: Min of meer vaste opeenvolging van gedragselementen - het effect van een handeling leidt tot de volgende handeling bijv: bij een wolf dreigen, blazen oren naar achter.
Gedragssysteem: combinatie van samenhangende gedragsketens en losse gedragselementen bij een bepaald gedrag. Zo bestaat het gedragssysteem voor territoriaal gedrag bij de wolf onder andere uit: het regelmatig bezoeken van de territoriumgrenzen, markeren met urine en uitwerpselen, geluiden, dreiggedrag.
Hiërarchisch: er zijn verschillende rangen volgorde. Zoals: Gedragselementen --> gedragsketen--> gedragssysteem --> ''het gedrag''.
Gedrag: iedere waarneembare activiteit van mens of dier.
Etnologen: gedragsonderzoekers.
Ethogram: Opsomming en beschrijving van de gedragselementen van een dier.
Ethologie: gedragsonderzoek.
8.5 Over de drempel.
Prikkelsinformatiedrager: Een signaal uit de omgeving of vanuit het eigen lichaam waardoor een bepaald gedrag kan optreden. Via zintuigen en zintuigjes neem je die prikkel waar. Inwendige( die in het eigen lichaam ontstaat) en uitwendige( uit de omgeving) prikkels vormen een basis voor nieuw gedrag.
Sleutelprikkel: Prikkel waarmee een bepaald gedrag word uitgelokt. Voorbeeld: een stekelbaarsmannetje dat zijn nest verdedigt, is agressief tegen andere mannetjes (die een rode buik hebben). Omdat de rode kleur daarbij de sleutelprikkel is, reageert hij niet alleen op andere mannetjes, maar ook op allerlei andere voorwerpen met een rode kleur. Belangrijke motiverende prikkels.
Supernormale prikkels: Prikkel die de normale prikkel overtreft om het juiste resultaat te bereiken.
Drempelwaarde: Minimale sterkte van een prikkel die effect heeft
Motivatie: de bereidheid om een bepaald gedrag te vertonen. Combinatie van in- en uitwendige prikkels. Wanneer de motivatie hoog genoeg is, en over de drempelwaarde, word het gedrag uitgevoerd.
Antropomorf: dieren gedrag word per ongeluk met menselijke eigenschappengedrag vergeleken, en word verkeert opgevat. '' zoals mensen dat zouden doen''. Menselijke eigenschappen toewijzen aan dieren.
Biologische klok bioritme: gedrag dat zich steeds herhaald. Bijv: ( winter)slaap. In en uitwendige factoren hebben hier invloed op.
Samenvatting TV Blok.
Baltsgedrag: Balts gedrag is belangrijk voor het werven van een partner en het afweren van concurrenten. Huxley beschreef de verschillende gedragselementen van de fuut. Uit alledaagse handelingen zijn in de loop van tijd vaste signaalhandeling ontstaan. Erfelijk vastgelegde, geritualiseerde handelingen spelen een rol bij de onderlinge communicatie tussen soortgenoten. Lorenz ontdekte hoe uit gedrag zonder signaalfunctie een kenmerkend signaal is ontstaan.
Leven in groepen: Dieren leven vaak in groepen. Communicatie is nodig om de groepsband in stand te houden. Voorbeelden van groepen zijn: een paar, een harem, een gezin, een broedkolonie. De groepsvorming hangt vaak samen met millieufactoren. Een pinguinkolinie bewijst dat het leven in groepen voordelen heeft. Sommige insecten vormen ingewikkelde staten. Naaktmollen leven in groepen met een strakke taakverdeling.
Leren: natuurwetenschappelijk onderzoek is gebaseerd op herhaalbare proeven. Het onderzoek moet meetbare resultaten opleveren. Het werk van Pavlov leidde tot de ontdekking van de voorwaardelijke reflex. Bij een reflex bestaat een vast verband tussen de prikkel en de bijbehorende handeling. Thorndikte toont aan dat kuikens moeten oefenen om snel de weg te vinden in een doolhof.
Signalen en sleutelprikkels: driehoornige stekelbaarzen trekken elk voorjaar vanuit zee naar het binnenwater. De mannetjes bouwen een nest in hun territorium. Tinbergen toonde aan dat de rode buik van de man een signaal is voor andere mannen. Meeuwenkuikens pikken naar de rode vlek op de snavel van een ouder, de rode vlek is de prikkel die het bedelgedrag oproept. De rode buik van de stekelbaars en de rode vlek op de meeuwensnavel zijn sleutelprikkels. Tinbergen ontdekte het bestaan van supernormale prikkels.
Gedrag en functie: gedrag is alles wat dieren doen. Op de grond van de functie kan gedrag worden onderverdeeld. Voorbewegingsgedrag en trekgedrag hebben te maken met het verplaatsen. Verzorgingsgedrag is belangrijk voor het lichaamsonderhoud. Om aan bouwstoffen en energie te komen is voedselzoekgedrag nodig. Communicatiegedrag is onmisbaar voor het contact met soortgenoten. Balts gedrag en broedzorggedrag hangen samen met de voortplanting. Leergedrag maakt mogelijk dat dieren zich snel aanpassen aan nieuwe situaties.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.