ADVERTENTIE
Luisterboeken: de makkelijke optie? Lars is niet echt een fan van lezen. Daarom gaat hij op zoek naar de beste manieren om door zijn leeslijst heen te komen. Red je het met alleen maar samenvattingen, of is een e-reader of luisterboek een betere optie? Deze video wordt mede mogelijk gemaakt door Storytel.

Probeer 30 dagen gratis
Samenvatting Biologie Hoofdstuk 5

¡±5.2:


Mensen trekken conclusie over het gedrag van een dier alsof het een mens is.
We nemen aan dat hij dezelfde gevoelens heeft als wij en beoordelen hem daarbij naar onze waarden en normen.
Subjectief: beschrijving van gedrag van een dier waarbij onze eigen gevoelens, normen en waarden centraal staan.
Objectieve beschrijving: om uit een beschrijving van gedrag een wetenschappelijk verantwoorde conclusie te kunnen trekken, moet het gedrag van het dier nauwkeurig genoteerd worden.
Externe factoren: prikkel van buitenaf, waardoor een dier bepaald gedrag vertoont.
Interne factoren: prikkel van binnenuit, waardoor een dier bepaald gedrag vertoont.
Externe factoren„³waarneming„³gedrag„³wijziging van extrne factoren
Interne factoren„³waarneming„³gedrag„³wijziging van interne factoren
Ethologen bestuderen het gedrag van dier en beschrijven her waarneembaar diergedrag.

Handelingen: herkenbare eenheden van gedrag. ( komen voor in ethogram)
Ethogram: lijst met alle mogelijke gedragingen van een bepaalde diersoort.
Protocol: Een beschrijving van een gedrag aan de hand van een protocol.
(Turf je gedurende een bepaalde tijd welke handelingen je achtereenvolgens hebt waargenomen.)

¡±5.3:


Mensen en dieren staan voortdurend bloot aan een groot aantal prikkels.
Prikkel: Iets dat aanwezig is in de omgeving en dat in sommige gevallen de aandacht trekt.
Sleutelprikkels: specifieke prikkels die doorslaggevend zijn op een bepaald gedrag.
Selectie: Het kiezen van organismen met bepaalde kenmerken.
Een gedragssysteem bestaat uit een aantal kenmerkende handelingen.
Gedragssysteem: deze zijn vernoemd naar het doel dat met dat gedrag bereikt wordt. Sommige gedragssystemen zijn: voedselzoekgedrag, territoriumgedrag, voortplantingsgedrag, sociaal gedrag, zelfverzorgingsgedrag (poetsgedrag), agressief gedrag en verzoeningsgedrag.
Omgericht gedrag: gedrag dat gericht is op een object dat niets met de bestaande situatie te maken heeft.
Conflictgedrag: dat vertoond wordt bij een conflict tussen verschillende gedragsystemen, hiertoe behoren ambivalent gedrag, oversprong en ongericht gedrag.
Inwendige factoren: motiverende factoren.
Uitwendige factoren: een sleutelprikkel.
Ambivalent gedrag: Gedrag waarbij overgegaan wordt op een gedragssysteem dat niets met de bestaande situatie te maken heeft.
Overspronggedrag: Gedrag zonder duidelijk verband met de bestaande situatie.
Supernormale prikkel: een sleutelprikkel die sterker is dan een normale sleutelprikkel.
Motivatie: inwendige oorzaak van bepaald gedrag.
Territorium: gebied waarin een bepaald dier leeft.

¡±5.4:


Er zijn verschillende manieren van leren. Deze zijn:
„h Gewenning ( Je raakt aan iets gewend doordat die gebeurtenis vaak gebeurd)
„h Inprenting ( bv. Kuikens volgen het eerste wat ze tegen komen als ze uit het ei komen)
„h Imitatie ( Je imiteert een beweging)
„h Uitproberen ( iets proberen of het werkt of hoe het werkt)
„h Inzicht ( Het gebruiken van kennis om nieuwe problemen op te lossen)
„h Klassiek Conditioneren. ( Een sleutelprikkel wordt met een bepaald gedrag gecombineerd met een andere prikkel. Deze prikkel wordt daardoor ook een sleutelprikkel.)
„h Operant Conditioneren. ( Je leert een dier een gewenst gedrag te vertonen. Dit bereik je door het gewenste gedrag te bekrachtigen door een aangename prikkel en ongewenst gedrag te bestraffen met een onaangename prikkel.)

Elk dier kan iets leren, alleen een soort leert makkelijker dan een andere.
Inzicht:
Trial and error: proberen en leren van fouten die gemaakt worden.
Imiteren: iets of iemand nadoen in iets
Fobie: een intense ziekelijke angst voor iets. Als je langdurig met je fobie wordt geconfronteerd, en blijkt dat er niks ergs gebeurt, verdwijnt de angst.

Elk dier beschikt bij de geboorte over een gedragsrepertoire dat genetisch is. Bij sommige dieren wordt dit pakket nauwelijks aangevuld in de rest van hun bestaan, maar bij mensen is dit nog maar een klein deel van de van het hele gedragsarsenaal dat mensen kunnen leren. Tijdens het leven breiden mensen het hele arsenaal nog verder uit met andere gedragingen.
Lorenz (een van grondleggers van de ethologie) had kuikens, die Lorenz als hun moeder beschouwden. Een ganzekuiken volgt nadat het uit het ei is gekomen, het eerste voorwerp dat het ziet bewegen. Deze manier van reageren ligt voor pas uitgekomen kuikens genetisch vast.

¡±5.5:


Als een dier op vroege leeftijd uit zijn omgeving wordt gehaald, dan weet het dier niet hoe het moet reageren op gedragssignalen van hetzelfde dier, maar van een andere sekse. Dieren die van oorsprong sociaal zijn worden zo dus asociaal door een gebrekkige leertijd in hun jeugd.

Voordelen van in een groep leven:
„h Bescherming tegen vijanden
„h Verkrijgen van eten

Nadelen hiervan:
„h Klein deel van het eten

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.