Samenvatting Biologie voor TSE week 1
Hst 3: de 4 rijken

Het is belangrijk om soorten organismen te bestuderen en te beschrijven, omdat:
• Elke soort uniek is en alleen daarom al interessant.
• We het belang van het ecosysteem pas kunnen bepalen als we ook de betrekking tussen deze soort, de omgeving en de soorten eromheen kennen.

Linnaeus was de eerste die werkte met een systeem waarin alle organismen die bepaalde kenmerken gemeenschappelijk hebben in groepen bij elkaar staan. Elke groep kan dan weer in kleinere groepjes verdeeld worden, ook weer met overeenkomstige kenmerken. Linnaeus geloofde dat alle planten- en diersoorten een afgerond geheel vormden wat niet meer veranderde, en dus uit het hoofd geleerd kon worden.

Door de nieuwe technieken bij het indelen van soorten, zoals DNA, de computer en de microscoop, kon men bij de vergelijkingen tussen soorten veel meer kenmerken betrekken.

Het natuurlijk systeem = de indeling van organismen die in de biologie over het algemeen gebruikt worden.

Determineersleutel = een vragenlijst waarin steeds van bepaalde kenmerken gevraagd word of het wel of niet aanwezig is.

Autotroof = organische stoffen kunnen maken uit anorganische stoffen.
Heterotroof = organische stoffen uit hun omgeving moeten halen.

Anorganische stoffen = kleine moleculen (water, zuurstof, koolstofdioxide)
Organische stoffen = grote moleculen ( eiwitten, vetten, koolhydraten)

Bacteriën: eencellig, geen kern, wel een celwand, autotroof
Dieren: een- of veelcellig, wel een kern, geen celwand, heterotroof
Schimmels: een- of veelcellig, wel een kern, wel een celwand, heterotroof
Planten: een- of veelcellig, wel een kern, wel een celwand, in enkele of alle cellen komen
Bladgroenkorrels voor, foto-autotroof (fotosynthese kan plaatsvinden)

Virussen vallen buiten de indeling van de 4 rijken, omdat een virus zich niet zelfstandig kan voortplanten. Een virus dringt binnen n een cel en gebruikt materiaal van deze cel om zich te kunnen voortplanten.

De 8 hoofdafdelingen:
• De gewervelde
• De eencellige
• De sponzen
• De holtedieren
• De wormen
• De weekdieren
• De geleedpotigen
• De stekelhuidige

Klasse
Bijvoorbeeld de klasse zoogdieren

Orde
Bijvoorbeeld de orde roofdieren of de orde hoefdieren of de orde knaagdieren of de orde primaten of de orde baardwalvissen.

Familie
Bijvoorbeeld de familie katachtigen, hondachtigen, beren, wezelachtigen, vinvissen, paardachtige, haasachtigen.

Geslacht
Bijvoorbeeld het geslacht katten, honden, paarden, hazen, konijnen, vossen, of zeehonden.

Soort
Dieren binnen een soort hebben zoveel overeenkomsten, dat ze samen vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen.

Ras
Binnen een soort kun je ook nog rassen onderscheiden. Bijvoorbeeld een fries en een arabier (beide horen beide tot de soort tamme paarden)

Bij soortnamen verwijst het eerste deel van de naam naar het geslacht waartoe het behoord, en het tweede deel geeft de soort aan. Het eerste deel wordt altijd met een hoofdletter gegeven.
Voorbeeld: Pan paniscus, Pan geeft aan dat het tot het geslacht apen behoord, en paniscus geeft aan dat het tot de chimpansees behoort.

Bacteriën

Geen kern aanwezig, het erfelijke materiaal wordt niet omgeven door een membraam, maar ligt verspreid binnen het cytoplasma. Bacteriën worden prokaryoten (pro = voor, karyon = kern) genoemd, omdat ze zijn ontstaan voor de organismen waarbij het erfelijke materiaal in de kern ligt. Alle andere organismen worden eukaryoten genoemd. (eu = goed). Bij deze organismen ligt in iedere cel een duidelijk afgebakende kern.
Bacteriën hebben een celwand, hierdoor kunnen ze verschillende vormen hebben zoals bol-, staaf- en spiraalvormig. Bij deze laatste twee komen zweepharen voor, waardoor ze zich kunnen voortbewegen.
Bacteriën vermenigvuldigen zich door deling.
Goede omstandigheden voor bacteriën zijn:
• Geschikte temperatuur
• Voldoende voedsel
• Voldoende vocht
• Geschikte voedingsbodem
Zo kan deling snel plaatsvinden, (eenmaal per 20-30 minuten) en kan er binnen een korte tijd een redelijke bacteriekolonie ontstaan. (al binnen 48 uur)

Bacteriën leven van anorganische stoffen (dode of levende wezens)
Ze kunnen nuttig zijn, omdat ze dode organische stoffen om kunnen zetten tot anorganische stoffen (autotroof). Deze anorganische stoffen kunnen dan weer worden opgenomen worden door planten en worden gebruikt voor de opbouw van organische stoffen.

Saprofyten = Organismen die op of in dode organismen leven.

Veel bacteriën zijn saprofyten.
Omat bacteriën leven ten koste van andere organismen zijn het parasieten.
Er zijn bacteriën die ziekten veroorzaken doordat ze weefsel aantasten. Andere ziekteverwekkende soorten scheiden gifstoffen af die weefsel kunnen beschadigen.

Een nadeel van bacteriën voor de mens:
Bacteriën kunnen weefsel aantasten en ziektes veroorzaken.

Een voordeel van bacteriën voor de mens:
Ze breken dode organische stoffel af, dus ook bijvoorbeeld afval zoals een weggegooide boterham, of klokhuis.

Schimmels

De meeste schimmels bestaan voor het grootste gedeelte uit een massa, dunne, witte draden.
De voortplanting vindt plaats door sporen. Dit zijn ongeslachtelijke voortplantingscellen die in speciale orgaantjes wordt gevormd.

Door de aanwezigheid van sporen zijn veel schimmelsoorten gekleurd.

De meeste schimmelsoorten zijn saprofyten.

Schimmels worden gebruikt:
• Ter bereiding van brood
• Bier
• Wijn
• Sommige kaassoorten (Roquefort, Camembert)

Een nadeel van schimmels voor de mens:
Ze kunnen schimmelinfecties zoals zwemmerseczeem veroorzaken.
Een voordeel van schimmels voor de mens:
We maken gebruik van schimmels bij het bereiden van lekkernijen.

Planten

Planten zijn organismen die:
• Zonne-energie kunnen vastleggen door fotosynthese (en dus foto-autotroof zijn)
• Een celkern hebben
• Een celwand hebben

Belangrijke hoofdafdelingen in het plantenrijk zijn:
• Wieren
• Mossen
• Vaatplanten
- varens
- paardestaarten
- zaadplanten

Dieren

Dieren zijn dus:
- heterotroof
- hebben geen celwand rond hun cellen
- hebben een duidelijke celkern

De geleedpotige dieren

Klassen binnen de geleedpotige:
? Spinnen
? Duizendpoten
? Kreeftachtige
? Insecten

Ze hebben een geleed lichaam. = Een lichaam dat is opgebouwd uit delen (segmenten)

Deze segmentatie doet denken aan wormen, maar toch zijn er grote verschillen, het aantal orgaanstelsels (met name het zintuigstelsel en het zenuwstelsel) zijn bvb veel verder ontwikkelt.

De huid van geleedpotige is bedekt met een dikke hoorn- of chitinelaag, waarin bij kreeftachtige ook kalk is afgezet.
Het uitwendig skelet:
• geeft stevigheid
• voorkomt uitdroging
• maakt het mogelijk om ook op het land te leven (i.t.t. de meeste ongewervelde)

De huid tussen de segmenten en lichaamsdelen blijft dun, zodat beweging mogelijk is. De spieren liggen binnen het skelet.

Het uitwendig skelet belemmert groei, daarom vervellen ze regelmatig.

Het bezit van dit uitwendig skelet heeft de groei van poten mogelijk gemaakt. Hierdoor:
• kan het lichaam los van het grondoppervlak komen (sneller voortbewegen)
• en dat is weer handig bij het vangen van prooien

Geleedpotigen planten zich voort d.m.v. eieren. De laven van kreeften en insecten ondergaan een gedaantewisseling om tot volwassen dieren uit te groeien. (bijvoorbeeld van ei – rups tot vlinder)

Een aantal geleedpotigen uit het dagelijks leven zijn:
• mug
• kakkerlak
• vlinder

De gewervelde dieren

Er zijn 5 klasse gewervelde dieren:
• de vissen
• amfibieën
• reptielen
• vogels
• zoogdieren

Bij dieren met een wisselende temperatuur, past de lichaamstemperatuur zich steeds aan aan de temperatuur van de omgeving, waardoor ze altijd een lichaamstemperatuur hebben die gelijk is aan de temperatuur van de omgeving of net een paar graden daar boven of onder.
Wanneer de temperatuur van de omgeving te ver daalt, kunnen de organen niet meer functioneren.

Reptielen en amfibieën brengen koude periodes door in een soort verstijvingstoestand. Hierbij is de stofwisseling tot een minimum beperkt en verbruiken de dieren weinig zuurstof en voedsel.

Bij dieren met een constante lichaamstemperatuur blijft de lichaamstemperatuur gelijk. Meestal is de temperatuur bij deze dieren hoger dan de temperatuur van de omgeving. Dit is mogelijk doordat ze in staat zijn warmteproductie en warmteafgifte te regelen.
Om voldoende warmte te produceren, moeten deze dieren vrij veel eten en verbruiken veel zuurstof en kunnen ze niet lang zonder voedsel.
De huid speelt een belangrijke rol bij de warmteregeling.

Vissen

• zijn gebonden aan water
• bewegen zich voort dmv vinnen
• zijn bedekt met schubben en zijn goed gestroomlijnd
• voortplanting vindt plaats door eieren, die buiten het lichaam bevrucht worden
• de jongen worden meestal niet verzorgd
• hebben een wisselende temperatuur

Amfibieën

• kunnen zowel op het land als in het water leven
• leggen eieren in water
• groeien door gedaantewisseling
• de kikkervisjes halen adem via kieuwen
• de volwassen vorm haalt adem via longen
• huid is slijmachtig en dun
• Tot de amfibieën horen de: kikkers, padden en salamanders
• Hebben een wisselende temperatuur

Reptielen

• Tot de reptielen behoren de: hagedissen, slangen, krokodillen en schildpadden
• Ontwikkeling jonge dier vindt niet plaats in water (zoals bij de amfibieën)
• Eieren worden op het land gelegd
• Gehoornde huid
• Longen
• Beter op het landleven aangepast dan de amfibieën

Vogels

• Komen vrijwel overal op aarde voor
• Kunnen uitstekend vliegen
• Hebben veren en zijn daardoor goed gestroomlijnd
• Enkele vogelsoorten kunnen niet vliegen

Zoogdieren

De drie soorten zoogdieren zijn:
• Placentale zoogdieren
• Buideldieren
• Eierleggende zoogdieren

• Leggen over het algemeen geen eieren (een uitzondering is het vogelbekdier)
• Jongen zogen nog lange tijd bij de moeder
• Aanwezigheid van en vacht/ haar

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

B.

B.

hoi bedankt doei

15 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast