Hoofdstuk 14, 16 en 18

Beoordeling 5.5
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas havo | 1464 woorden
  • 29 juli 2008
  • 2 keer beoordeeld
Cijfer 5.5
2 keer beoordeeld

BIOLOGIE HOOFDSTUK 14

Regelkring: een beschrijving van opeenvolgende gebeurtenissen zonder begin of eind.
De norm: gewenste koers in een regelkring.
Effectoren: zij zorgen voor het effect, hier zie je het resultaat. Bijvoorbeeld de armspier.
De receptoren meten de afwijking van de norm, ze vangen een prikkel op, vertalen die in een impuls. Het zenuwstelsel geeft deze impuls door.
De afwijking wordt hersteld met een negatieve terugkoppeling.


Weefselvloeistof, bloed en lymfe vormen je interne milieu.
Het zenuwstelsel en het hormoonstelsel regelen de homeostase zodat je cellen goed functioneren. Homeostase: d.m.v. negatieve terugkoppeling wordt voorkomen dat de samenstelling van je interne milieu afwijkt van de norm.

Receptor (zintuigcel) ----impuls---> effector.
De zenuwen voeren impulsen naar de ruggenmerg en de hersenen. Het verwerkende deel van het zenuwstelsel heet het centraal zenuwstelsel (ruggenmerg, hersenen).
Het aan- en afvoerende deel van het zenuwstelsel heet perifeer zenuwstelsel.
Een adequate prikkel: zintuigen zijn gespecialiseerd in het registreren van 1 verandering in de omgeving. Ze zijn ongevoelig voor andere veranderingen of prikkels. Prikkeldrempel: deze moet overschreden zijn voordat de zintuigcellen reageren. Het is alles of niets. Als het iets minder is gebeurt er niets, als het iets meer is gebeurt er niets meer. Gewenning, vermoeidheid en concentratie zijn van invloed op of de prikkels worden opgemerkt.


Sensorische zenuwcellen geleiden impulsen naar het centrale zenuwstelsel. Schakel zenuwcellen in het z.s. verwerken de impulsen en geven ze door aan de motorische zenuwcellen. Die schakelen het weer door naar de bestemming m.b.v. lange uitlopers. Een zenuwcel bestaat uit een cellichaam (met celkern) en twee type uitlopers. Uitlopers die een impuls ontvangen heten: dendrieten, uitlopers die de impuls doorgeven aan effectoren of andere zenuwcellen heten: een axon. De lange uitlopers van zenuwcellen bij elkaar heten een zenuw.
Om de meeste zenuwvezels zit de mergschede/myelineschede, een voedende en isolerende laag. Ze zorgen ervoor dat het vervoer van impulsen sneller gaat.
De overdracht van impulsen naar andere zenuwcellen gaat via synapsen.

Zenuwstelsel + Hormoonstelsel = vormen samen regelkringen

Prikkels worden omgezet in impulsen (elektrische signalen). Deze worden naar het centrale zenuwstelsel vervoerd. Daar worden ze door vervoerd naar de spieren of klieren.
Verwerkend deel van het zenuwstelsel: centraal zenuwstelsel (ruggenmerg en hersenen)
Aan- en afvoerend deel van het zenuwstelsel: perifeer zenuwstelsel

Inwendige zintuigen:
• Zintuigen voor lichaamstemperatuur
• Glucosegehalte
• Osmotische waarde van het bloed

Alle zenuwcellen hebben een vergelijkbare bouw.
Ze bestaan uit een cellichaam (met celkern) waaraan 2 type uitlopers aanvast zitten. De uitloper die impulsen ontvangt en doorgeeft aan het cellichaam zijn dendrieten. De uitloper die de impuls doorgeeft aan andere zenuwcelen of effectoren heet een axon.
Meestal liggen de uitlopers dicht bij elkaar in een dikke kabel: dat is dat een zenuw


Door te trainen ontwikkel je motorprogramma’s, dit zijn reeksen van opeen volgende handelingen.

Functie van:
Hormoonklieren: ze maken verschillende hormonen. Deze stoffen worden als chemische boodschappen via je bloed rondgestuurd. Cellen met receptoren op hun celmembraan kunnen de boodschap ontvangen en er op reageren.

Hypofyse: het regelt de werking van een aantal hormoonklieren (geslachtsklieren en schildklier).
Hypothalamus: een hersendeel dat de activiteiten van de hypofyse beïnvloedt. Via dit worden het hormoon- en zenuwstelsel aan elkaar gekoppeld.
Hormonen regelen de hoeveelheid glucose in je bloed (glucosespiegel). Als je rust zijn dat: Insuline en Glucagon.

De iris voorkomt dat teveel licht je netvlies beschadigt. Het bevat kringspieren (vernauwen de pupil) en lengtespieren (verwijden de pupil).
De gele vlek: je ziet het beeld van een object pas scherp als deze recht achter de lens op het netvlies komt. Dat gedeelte heet gele vlek. Dit bevat uitsluitend kegeltjes. Buiten de vlek neemt de dichtheid van de kegeltjes af.
Kegeltjes zijn er in 3 typen: met een pigment voor rood, groen of blauw licht.

Over het hele netvlies liggen staafjes. Ze zijn lichtgevoelig/ lichtreceptoren. De staafjes zorgen ervoor dat je in het donker ook nog wat kunt zien. Omdat er voor de kegeltjes relatief veel licht nodig is om pigment af te breken, na een tijdje is er te weinig licht en de gele vlek kan geen impulsen meer doorgeven aan de hersenen.
Blinde vlek: dat is de plaats waar je oogzenuw en bloedvaten het oog verlaten, daar heb je geen lichtreceptoren (de staafjes) in het beeld dat je ziet ontstaat een “gat”.

Iris voorkomt dat teveel licht je netvlies beschadigd. Met behulp van kringvormige en straalsgewijze spiervezels.
Veel licht --> kringspieren trekken samen --> pupil verkleint.
Weinig licht --> straalsgewijze spieren trekken samen --> pupil vergroot.
Licht gaat door traanvocht op hoornvlies. Als hoornvlies een onregelmatigheid heeft vervormd dat het beeld. Je krijgt een bril.
Ooglens aanpassen zorgt voor kijken naar voorgrond of achtergrond. Ooglens zit met groot aantal lensbandjes vast aan straalvormig lichaam.
In de verte kijken --> kringspiertjes ontspannen -> straalvormige lichaam krijgt grotere diameter en trekt met lensbandjes de lens plat.
Dichtbij kijken -> Spiertjes in straalvormige lichaam trekken samen -> lensbandjes verslappen -> lens word bol.

Accommodatie=vormverandering van ooglens.
Bijziend=je ziet goed dichtbij, maar veraf wazig. Het beeld is scherp voor het netvlies niet erop.
Verziend=je ziet goed veraf, maar dichtbij wazig. Het beeld is scherp achter netvlies.
Staar=ooglens is min of meer troebel.
Gele vlek=recht achter de lens op het netvlies.
Kegeltjes zijn 3 type=pigment voor rood, blauw of groen licht. Bij belichting valt pigment uiteen, ze worden snel weer in elkaar gezet. Zo zie je geel. Als t donker is kunnen de kegeltjes geen signalen meer afgeven aan de hersenen.
Staafjes gebruik je als het licht afneemt. Impulsen uit staafjes worden in hersenen vertaald als grijstinten. Staafjes werken in groepen daardoor is impuls dat bij hersenen aankomt minder scherp.

Blinde vlek=plek waar oogzenuw en bloedvaten het oog verlaten daar heb je geen lichtreceptoren. Daardoor heb je een gat in t beeld maar dat heb je meestal niet door.

HOOFDSTUK 16


Transgeen organisme: deze organismen maken menselijke eiwitten. Een voorbeeld is een koe die een menselijk eiwit maakt in haar melk. Het menselijk eiwit word uit de melk van het dier gehaald.
Veredeling: het fokken of kweken van organismen om gunstiger combinaties van eigenschappen te krijgen
Allelen:Bv. ruw of glad
Fokzuiver: homozygoot
Gen: een stukje DNA dat de informatie bevat voor het maken van 1 eiwit
Inteelt: als recessieve van onderling gepaarde nakomelingen met een ongunstige eigenschap homozygoot samenkomen in het genotype
Een fenotype ontstaat door een samenspel van het genotype en het milieu.
Een gen is een stukje DNA dat de informatie bevat voor het maken van 1 eiwit.
Biotechnologie: dit wordt toegepast op landbouw en veeteelt, het combineren van de beste eigenschappen en zo een perfecte koe maken. Het kruisen van eigenschappen!
Moderne biotechnologie is gericht op het veranderen van erfelijke eigenschappen van organismen. Biotechnologie kan mogelijk oplossingen vinden voor problemen op verschillende terreinen.

Klassieke biotechnologie is hoe het vroeger ging, nu gebeurt het ook nog wel maar dat is met bacteriën.

genetische modificatie: Dit brengt bijvoorbeeld landbouwgewassen op die resistent zijn voor virussen en onkruidverdelgers.
Genetische dieren en bacteriën maken medicijnen.
Verandering aanbrengen in het DNA van een organisme zodat het een of meer nieuwe eigenschappen krijgt.

Recombinant-DNA-techniek: het samenvoegen van de beste eigenschappen uit het DNA. En zo een perfecte koe maken. Combinatie van DNA.

Gerichte kruising: het selecteren van bijv. planten met de hoogste opbrengt en de beste resistentie tegen plagen om mee verder te kruisen.
Veredeling: door gerichte kruising kun je onder de nakomelingen exemplaren vinden die gunstige eigenschappen hebben van beide ouders.
Door veredeling neemt de variatie binnen een soort af. Bij kleine populaties dreigt daardoor inteeltgevaar.


HOOFDSTUK 18 MENS EN MILIEU.


Bacteriën kunnen grote hoeveelheden organisch afval afbreken. Dit is nodig om de enorme hoeveelheden huishoudelijk afvalwater te zuiveren.

Boeren in regenwouden gebruiken geen kunstmest maar passen een ander systeem toe: shifting cultivation. Dan kappen ze een deel van de oorspronkelijke vegetatie weg, ze verbranden de planten en bomen ter plaatse en laten de as (mineralen) op het land achter. Na een paar oogsten zijn de organische resten weer verteerd, dan laten ze het land braak liggen. Door het op grote schaal kappen van tropisch regenwoud verdwijnen veel mineralen uit de kringloop. Bovendien spoelt door erosie de kale grond weg. Het ecosysteem verdwijnt.

Een stof is giftig als de concentratie ervan in een organisme boven een waarde komt waarbij schade ontstaat.

Eutrofiering: mest komt in het oppervlakte water terecht een veroorzaakt een teveel aan meststoffen

Oplossingen voor het mestoverschot:
• Verwerken tot compost
• Een mestquota instellen

Persistent: stoffen die niet vanzelf uit elkaar vallen en niet biologisch afbreekbaar zijn
Accumulatie: stoffen hopen zich op in de voedselketen
De gevolgen hiervan zijn dat bacteriën resistent ergens voor worden.

Nadelen van monocultures:
• Ecosystemen raken versnipperd
• Er kunnen plagen ontstaan die bestreden moeten worden
• Door de lage grondwaterstand verdwijnen plantensoorten en diersoorten


Maatregelen voor het beschermen van het milieu:
• Schonere auto’s
• Voorlichting over autorijden
• Goed openbaar vervoer
• Autorijden duurder maken

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.