Hoofdstuk 11

Beoordeling 6.7
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas vwo | 1220 woorden
  • 18 maart 2004
  • 50 keer beoordeeld
Cijfer 6.7
50 keer beoordeeld

Biologie hoofdstuk 11

Door training kunnen longen meer zuurstof opnemen en kan een hart sneller pompen.
In beenspieren worden meer bloedvaten gevormd en meer mitochondriën in spiercellen.
Spieren bestaan uit eiwitten die kunnen samentrekken.

3 horrmonen spelen belangrijke rol bij bevordering spiergroei (groei van eiwitten):

• Groeihormoon uit hypofyse  stimuleert opname aminozuren en eiwitsynthese in spiercellen. Na zware training ± 10x zo veel groeihormoon in bloed.
• Thyroxine uit schildklier  regelt snelheid van stofwisselingsprocessen. Na zware training concentratie thyroxine ± 10% hoger.

• Testosteron (geslachtshormoon) uit zaadballen  beïnvloedt ontstaan van secundaire geslachtskenmerken bij mannen, o.a. spiergroei. Bevordert eiwitsynthese en vertraagt afbraak eiwitten. Na training meer testosteron in bloed.

Het groeihormoon, thyroxine en testosteron bevorderen de eiwitsynthese in spiercellen. Door intensief gebruik worden spieren dikker. Pas na enkele weken is dit effect merkbaar.

Veel hormoonconcentraties in je lichaam worden geregeld via regelkring met negatieve terugkoppeling, bijv. regeling v/d concentratie thyroxine.
Terugkoppeling op twee niveaus:
• Onder invloed van hormoon TSH (thyreoïd-stimulerend-hormoon) uit hypofyse geeft schildklier thyroxine af. Als concentratie thyroxine te hoog wordt, geeft hypofyse minder TSH af  schildklier geeft minder thyroxine af.
• Hogere concentratie thyroxine verhoogt stofwisselingssnelheid in lichaamscellen  verbranding gaat sneller. Als kerntemperatuur toeneemt geeft hypothalamus minder TRH (thyreotropine releasing hormoon) af. Hypothalamus kan ook norm kerntemperatuur veranderen  stimuleert hypofyse meer of minder. Zo ook regeling concentraties testosteron en groeihormoon door hypofyse en hypothalamus.

Hypothalamus: deel van zenuwstelsel.


Sommige zenuwcellen van hypothalamus  stoffen met stimulerende of remmende werking op hypofyse. Via korte bloedvaten stoffen in bloedvatennetwerkje van hypofyse-voorkwab (bijv. releasing-hormonen, RH´s  spelen rol bij productie TSH, LH en groeihormoon van die voorkwab).
Andere zenuwcellen in hypothalamus maken hormonen die in hypofyseachterkwab worden opgeslagen en afgegeven wanneer nodig (bijv. hormoon ADH  rol bij waterhuishouding).

Neurosecretie: verschijnsel dat zenuwcellen hormoonachtige stoffen afgeven.

Hormoonklieren en zenuwstelsel werken samen bij regeling lichaamprocessen. Regeling vindt plaats d.m.v. regelkringen met negatieve terugkoppeling.

Hypofyse: centrale hormoonklier.


Mogelijkheden van celstofwisseling:
• verbranding glucose (: bouwsteen koolhydraten)
• verbranding vetzuren (: bouwsteen vetten)

Als zenuwcellen te weinig glucose krijgen, neemt concentratievermogen en reactievermogen af. Als spiercellen weinig glucose maar veel vetzuren verbranden raken ze vermoeid.
 voorkomen door concentratie glucose gelijk te houden.

Glycogeen: dierlijk zetmeel, fungeert als glucosevoorraad; bestaat uit groot aantal glucosemoleculen aan elkaar.

Opslaan glycogeen:

- lever ± 100 gram
- spieren ± 400 gram

Insuline uit alvleesklier (uit eilandjes van Langerhans) belangrijke rol bij opslaag van dubbele hoeveelheid glycogeen.

Insuline: bevordert opname glucose in cellen. In levercellen en spiercellen stimuleert insuline vorming van glycogeen uit glucose.

Glucagon:
- Bevordert de omzetting van glycogeen in glucose in de lever en de afgifte van glucose aan bloed.
- Bevordert omzetting van vet in vetzuren en afgifte van vetzuren aan bloed.

Cortisol: hormoon dat vrijkomt uit bijnierschors bij grote inspanning  bevordert vrijkomen van aminozuren uit spiercellen en van vetzuren uit vetcellen. Dan stimuleert het de omzetting van aminozuren en vetzuren in glucose in de lever en de omzetting van glucose in leverglycogeen.

(onder invloed van dit hormoon vormt er nieuw glycogeen, dat gaat daling voorraad leverglycogeen tegen).


Door verbranden van vetzuren wordt voorraad (spier)glycogeen gespaard.

Bij langdurige inspanning verminderen de hoeveelheden glucose en glycogeen. Onder invloed van hormonen gaan spiercellen vetzuren verbranden. In de lever vormt zich nieuw glycogeen uit amino- en vetzuren.

Insuline en glucagon regelen glucoseconcentratie van bloed (bij lichaam in rust).
Deze hormonen hebben een tegengesteld effect op de glucoseconcentratie.

Normale concentratie glucose tussen 80 en 100 milligram per 100 ml.

Insuline stimuleert ook opname vetzuren in vetcellen en omvorming tot vetten en stimuleert opname aminozuren in spiercellen. Hierbij heeft glucagon ook omgekeerde effect, net als enkele andere hormonen.

De hormonen insuline en glucagon regelen het glucosegehalte in bloed. Bij plotselinge of langdurige inspanning, honger, kou en stress, springen het groeihormoon en de hormonen thyroxine, adrenaline en cortisol bij.

Zie tabel hormonen voor functies etc van enkele hormonen.

Door warming-up meer thyroxine in bloed  wordt warmer.
Door spanning en inspanning tijdens warming-up adrenaline in bloed  hormoon dat lichaam klaar maakt voor actie.

Adrenaline:
- daardoor meer bloed naar ledematen en minder naar maag en darmen.
- Beïnvloedt kringspiertjes in slagaderwanden  in wand slagaders naar spieren verslappen ze, in slagaderwanden naar darmen trekken ze samen.
- Versnelt hartslag

Het hormoon adrenaline brengt je lichaam in staat van paraatheid. Er gaat meer bloed naar je spieren in armen en benen. Het glucosegehalte van je bloed stijgt en je hartslag en ademhaling nemen toe.

Door schrik, angst of woede meer adrenaline door signaal zenuwstelsel  spieren trillen/ stress (lang aanhoudende paraatheid).


Over-stress: het lichaam weigert om nog langer door te gaan met die paraatheid, het heeft rust nodig. (langdurige stress)

Plotselinge gebeurtenissen hebben onmiddellijk adrenaline-afgifte tot gevolg. Dit wordt geregeld via zintuigen en zenuwstelsel. Stress stimuleert via het zenuwstelsel het bijniermerg tot afgifte van adrenaline. Langdurige stress kan leiden tot over-stress.

Door zweten verlies je water en zouten  concentratie van andere stoffen neemt toe.
Hoeveelheid zweet bij inspanning ± 0,5 – 2,0 liter.

Prestaties nemen af bij vochtverlies meer dan 2% van lichaamsgewicht  cellen werken niet meer optimaal door concentratie opgeloste stoffen in bloedplasma en weefselvloeistof te hoog.

Glucose nodig als energiebron.
Zouten nodig als vervanging bij verlies van zouten door zweten.

Langdurig zweten veroorzaakt vochttekort. Water drinken heft dit tekort op. Door koelen met water vermindert de zweetproductie.

Osmotische waarde van bloedplasma wordt hoger en hoeveelheid bloed neemt af doordat darmen niet snel genoeg water op kunnen nemen. Osmoreceptoren in hypothalamus registreren verhoogde osmotische waarde van bloedplasma.

Hypothalamus stuurt signaal naar hypofyse waardoor hypofyse ADH (anti-diuretisch hormoon) afgeeft.

ADH  invloed op nierwerking: hogere concentratie ADH, nieren houden meer water vast in lichaam.

Bloedvolume daalt met 8%  hypofyse geeft extra ADH af.

Bloedvaten naar buitenkant lichaam vernauwen, verminderde hoeveelheid bloed concentreert zich in kern lichaam  bloeddruk blijft op peil, warmte-afgifte door huid komt in gevaar  huid droogt uit.
(blijft huidplooi van onderarm langer dan 1 seconde staan als onderarm naar boven wordt getrokken  uitdrogen huid)

ADH regelt de osmotische waarde van bloed. Bij teveel vochtverlies en/of te weinig drinken kunnen uitdrogingsverschijnselen ontstaan.

Hormoonconcentratie blijft rond bepaalde evenwichtswaarde schommelen door regelsysteem met negatieve terugkoppeling. Maar ook ritmische schommelingen en concentratieverschillen die samenhangen met leeftijd.

Hoe hogere concentratie v/e hormoon, hoe sterker effect.


Hormoonklieren geven onder invloed van signalen uit het zenuwstelsel of van andere hormonen, sneller of langzamer hormoon aan bloed af  concentratie stijgt of daalt doordat elk hormoon met vaste snelheid uit bloed verdwijnt.
Hormonen verdwijnen door afbraakprocessen inlever en via uitscheiding met urine.

Thyroxine kan lang doorwerken: halveringstijd is 6 dagen.

Suikerziekte (diabetes): iemand maakt geen of te weinig insuline.
 cellen kunnen geen glucose opnemen en ook omzetting glycogeen/ vet verloopt niet  glucose blijft in hoge concentraties in bloed circuleren.

Hormoonziekte  voortdurend teveel of te weinig bepaald hormoon aanmaken.
Behandeling hormoonziekte:
- hormoonklier wordt verkleind als teveel hormoon wordt afgegeven
- hormoon wordt toegediend als te weinig hormoon wordt afgegeven.

De juiste concentratie hormoon is belangrijk. Hoe hoger de concentratie hormoon hoe sterker het effect. Een te hoge of te lage concentratie veroorzaakt stoornissen. Bij hormoonziektes wordt voortdurend teveel of te weinig hormoon gemaakt.

Alleen doelwitcellen, met de juiste receptoreiwit reageren op hormoon. Het hormoon-receptor-complex stimuleert deel van DNA  via boodschapper-RNA en ribosomen worden (spier)eiwitten gemaakt.


ADH is eiwithormoon.

Interne boodschapperstof ontstaat doordat hormoon zich aan receptoreiwit verbindt ( produceert dan interne boodschapperstof). Die stof beinvloedt afgifte of opname van andere stoffen.

Hormonen reageren op speciale receptoreiwitten van hun doelwitcellen. De hormoonmoleculen verbinden zich met receptoreiwitten. Via een aantal stappen leidt dit tot een reactie van de cel.



REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.