ADVERTENTIE
Luisterboeken: de makkelijke optie? Lars is niet echt een fan van lezen. Daarom gaat hij op zoek naar de beste manieren om door zijn leeslijst heen te komen. Red je het met alleen maar samenvattingen, of is een e-reader of luisterboek een betere optie? Deze video wordt mede mogelijk gemaakt door Storytel.

Probeer 30 dagen gratis
Uittreksel Biologie Interactief VWO deel2 H1 Immunologie

§1 Een vervelend begin
Niet-specifieke afweer: tegen verschillende ziekteverwekkers, zoals de huid, koorts.
Specifieke afweer: tegen één bepaalde ziekteverwekker, zoals de humorale en cellulaire afweer.
§2 Niet-specifieke afweer
Zwezerik (thymus): klier achter je borstbeen, die zorgt voor ontwikkeling van lymfocyten en T-lymfocyten; de eliminatie van T-lymfocyten die op lichaamseigen epitopen passen en het produceren van hormonen die de groei en het afweersysteem stimuleren.
Milt: lymfeklier van het bloed.
Lymfe: bloedvloeistof, plasma, dat zich niet ín bloedvaten bevind.
Lymfocyten: witte bloedcellen.
Complementsysteem: groep van twintigtal eiwitten die in wisselende de combinaties bacterieën en andere indringers helpen opruimen.
Interferonen: eiwitten die worden geproduceerd door een door een virus geinfecteerde cel, verhogen de weerstand van andere cellen tegen dat virus.
Macrofagen: vreet (witte bloed) cellen.
Fagocytose: vernietigen van lichaamsvreemde stoffen door macrofagen.
Lysozymen: chemische stof die de groei van ziekteverwekkers remt. Komen uit lysosomen en kunnen breken de cellen af.
Cytokinen: signaalstoffen voor ontstekingen
Kiemlaag: onderste laag van de opperhuid, zorgt voor cel deling, vernieuwing.
Hoornlaag: bovenste laag van de opperhuid.
Melanocyten: spinvormige cellen tussen de cellen van de kiemlaag, beschermen DNA tegen zonlicht door productie van melanine.
Huid:
1 hoornlaag opperhuid
2 kiemlaag opperhuid
3 lederhuid
4 onderhuisbindweefsel
Talgklieren
Gevoelszintuigen
Zweetkliertjes
Spijsverteringskanaal: beschermd door lysozymen in speeksel, maagzuur.
Ademhalingsstelsel: beschermd door slijm voortbewogen door trilharen, slijmbekercellen.
Voortplantings- en uitscheidingsstelsel: beschermd door slijmvliezen, slijm (melkzuur).
Huid: beschermd door zuur, zout en talg uit zweet en talgklieren.
Ontstekingsreactie: 1) rood worden (rubor)
2) warm worden (calor)
3) opzwellen (tumor)
4) pijn doen (dalor)
Als bacteriën of andere mogelijke ziekteverwekkers de huid toch binnendringen beginnen beschadigde cellen histamine uit te scheiden, dit verwijd de haarvaten. Macrofagen, bloedplasma en stoffen uit het complement systeem komen bij de wond. Macrofagen ‘eten’ de bacteriën en dode cellen, andere afvalproducten worden als etter (pus) verwijderd uit de huid. De aanvoer van histamine stopt en macrofagen verwijderen zich.
§3 Specifieke afweer
Humorale afweer: antistoffen.
Cellulaire afweer: richt zich tegen elke factor die een normale lichaamscel in een abnormale cel veranderd.
Histamine: stof die beschadigde cel uitscheidt als waarschuwing.
T-lymfocyten/-cellen: kunnen met T-celreceptoreiwitten antigene determinanten herkennen.
B-lymfocyten: produceren antistoffen en worden gemaakt in beenmerg.
Antigenen: objecten (lichaamsvreemde eiwitten) waartegen afweerreactie wordt gestart.
Antigene determinant (epitoop): deel van antigeen dat herkend word door T-celreceptoren.
Antistof: eiwit op celmembraan of los in het bloed die zich aan intacte antigenen kan koppelen. Losse antistoffen (bijv. IgG) binden met hun lichte ketens aan de antigenen, de zware ketens binden zich met een macrofaag.
Immonologisch geheugen: opslag voor antigene determinanten.
b-geheugencellen en T-geheugencellen: lymfocyten die antigene determinanten onthouden en soms een leven lang blijven zitten, gespecialiseerde b-/T-cellen.
Plasmacel: als de antistoffen op de membraan van de B-cel zich koppelen met een specifiek antigene determinant verandert de B-cel hierin en gaat deze vervolgens nieuwe antistoffen uitscheiden in de lichaamsvloeistof.
Natuurlijke immuniteit: wanneer je hersteld bent van een ziekte en de T-geheugencel de recepten voor de antistof heeft onthouden.
Kunstmatige immuniteit: verkregen door inenten.
Actieve immunisatie: wanneer je lichaam zelf antistoffen maakt tegen antigene determinanten van de ziekteverwekker.
Passieve immunisatie: wanneer je lichaam geen tijd heeft zelf antistoffen te maken en je antistoffen ingespoten krijgt (beten).
Lichaamseigen/lichaamsvreemd
Zie ook stencil 3eklas op TELETOP.
§4 De humorale afweer in detail
1) Het antigeen word door fagocytose opgenomen.
2) Cytokines activeren de helper T-cel.
3) De T-helpercel receptor hekrent de antigene determinant die aan het MHC-II-eiwit is gebonden.
4) Cytokines zetten de cel aan tot deling.
5) De T-helpercellen vormen een kloon.
6) Andere antigenen van het zelfde type binden aan een specifieke receptor, in de B-cel wordt het antigeen kapotgemaakt en de antigene determinant gepresenteerd.
7) Cytokines zetten de B-cel aan tot deling.
8) Koppeling van de helper T-cel aan de B-cel.
9) De B-cellen gaan delen een differentiëren.
10) De plasmacellen maken antistoffen.
Immunoglobulines: groep eiwitten waartoe de antistoffen behoren.
Afbeelding 1.20, Antistoffen en 1.19, Verband tussen cellulaire en humorale afweer.
IgG IgA IgM IgD IgE
Molecuul-massa in u 150.000 385.000 900.000 185.000 200.000
% van totale hoeveelheid 80 13 6 0-1 0,002
Voorkomen/kenmerken In lichaamsvloeistoffen vooral buiten de vaten: - in geringe mate in speeksel- in darmsap- in geringe hoeveelheid in moedermelk In slijm en andere afscheidingsproducten:- traanvocht- speeksel- luchtwegen- darmsap- vaginaal slijm- moedermelkin lymfeknoop van keel en neus, darmvlies en luchtwegen In lichaamsvloeistoffen, bevorderen de klontering Aan het oppervlak van B-lymfocyten In lichaams vloeistoffen:- slijm luchtwegen- darmsapbij overmaat vorming allergische reactie
Kunnen door placenta + - - - -
Binding aan macrofagen + ± - - -
Structuur
§5 De cellulaire afweer in detail
1) Een viruseiwit dat binnen in de cel is gekomen, wordt uit elkaar gehaald. Losse onderdelen worden door het MHC-I-eiwit buiten de cel gepresenteerd.
2) Een T-celreceptor herkent het antigeenfragment.
3) De T-cel vormt door deling een kloon.
4) Een T-cel herkent een andere geïnfecteerde cel.
5) De T-cel maakt stoffen die de geïnfecteerde cel vernietigen voordat er nieuwe virusdeeltjes in gemaakt zijn.
Er zijn dus 3 soorten T-cellen: T-helpercellen
Cytotoxische T-cellen
T-geheugencellen
MHC-eiwitten (Major Histocompability Complex): groep membraaneiwitten die lichaamseigen of lichaamsvreemd herkennen en coderen voor glycoproteïnen in de celmembraan.
MHC-I-eiwit: zijn te vinden op elke kerndragende cel in ons lichaam. Wanneer een antigeen in zo’n cel in kleinere peptiden uit elkaar valt zorgt dit eiwit ervoor dat die fragmenten zo op de plasmamembraan komend at cytototosiche T-celreceptoren ze herkennen.
CD8-molecuul: speciaal eiwit op T-cel, zorgt voor herkenning van MHC-I-eiwit.
MHC-II-eiwit: zijn te vinden op de membraan van B-cellen, macrofagen en andere antigeenpresenterende cellen. Zij brengen ook stukjes van een lichaamsvreemde antigeen naar het membraam van de cel.
CD4-molecuul: speciaal eiwit op T-helpercel, zorgt voor herkenning van MHC-II-eiwit.
HLA (Human Leucocyte Anitgens): glycoproteïnen die ervoor zorgen dat de antigene determinanten zo op de T-celreceptoren komen dat er verschil kan worden gemaakt tussen lichaamseigen en lichaamsvreemd.
Antigeenpresenterende cel: cel die antigene determinanten op zijn buitekant bevat.
Apoptose: geprogrammeerde celdood.

§6 Als je afweer in de fout gaat

Allergie of overgevoeligheid: te sterke reactie van je afweersysteem op een antigeen.
Auto-immuunziekte: afweer die zich richt tegen lichaamseigen cellen.
HIV: virus waarbij de reacties van je afweersysteem te zwak worden.
Allergeen: stof die de allergie opwekt.
IgE: antistof die normaal zeldzaam is, maar bij een reactie op een bepaalde allergeen in overmaat word gemaakt.
Mestcellen: bepaalde witte bloedcellen die onder meer voorkomen in slijmvliezen van ademhalingswegen en ogen.
Histamine: stof die ervoor zorgt dat bloedvaten zich verwijden, gladde spieren zich samentrekken en de slijmproductie toeneemt. Word geproduceerd als een bepaald allergeen zich hecht aan de antistoffen op de mestcellen.
Seropositief: aanwezigheid van antistoffen (voor het HIV-virus) in het bloedserum.
Resistent: ander woord voor bestand.
Virale genen: cellulair DNA met genen van virus die door RNA worden gekopieerd.
Afbeelding 1.26, Allergische reactie, bestuderen.
Belangrijk:
Antigeen - Antistoffen
Antigene determinant - T-celreceptoren
Allergeen
Stencil bloedgroepen
TELETOP > leermiddelen > immunologie, extra oefening.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

I.

I.

Deze samenvatting is echt precies wat ik nodig had!

4 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast