Gezocht: VWO'ers uit de 4e/5e met N&T of interesse in techniek. Doe mee aan een online community over een nieuwe studie en verdien een cadeaubon van 50 euro!

Meedoen

Samenvatting Organen en cellen VWO 1

Beoordeling 8.3
Foto van Levi
  • Samenvatting door Levi
  • 1e klas vwo | 1261 woorden
  • 15 april 2022
  • 3 keer beoordeeld
  • Cijfer 8.3
  • 3 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!

Samenvatting


Basisstof 1 Organen van dieren

  • Een orgaan is een onderdeel van een organisme met een bepaalde taak. 

  • Een orgaanstelsel is een groep organen met een gezamenlijke taak. 

  • Voorbeelden van orgaanstelsels in ons lichaam zijn: het ademhalingsstelsel, het beenderstelsel, het bloedvatenstelsel, het spierstelsel, het verteringsstelsel en het zenuwstelsel.

  • In de meeste andere dieren kom je organen en orgaanstelsels tegen. Soms lijken de organen en orgaanstelsels veel op die van de mens bij andere dieren kan het erg verschillen.


Basisstof 2 Organen van planten

  • De wortels, stengels en bladeren zijn de organen van een plant. 

  • Alle wortels van een plant samen vormen het wortelstelsel. Bij veel planten bestaat het wortelstelsel uit één lange dikke wortel met daaraan kleinere aftakkingen. De lange dikke wortel is de hoofdwortel, de vertakkingen zijn de zijwortels. Aan het einde van de zijwortels zitten weer vertakkingen, dit zijn de wortelharen

  • Het wortelstelsels van een planten heeft drie belangrijke functies.  



  1. Opnemen van water en mineralen uit de bodem. 

  2. Zorgt het ervoor dat de plant stevig vaststaat in de bodem.

  3. Opslag van reservestoffen worden. 



  • De stengel van een plant vormt de verbinding tussen de wortels en de bladeren. De stengel van een plant zorgt ook voor stevigheid

  • Er zijn twee type planten die beide een ander soort stengel hebben er zijn de houtachtige planten en de kruidachtige planten

  • Het blad van een plant bestaat uit een de bladschijf en de bladsteel. Met de bladsteel zit het blad vast aan de plant. De bladschijf bestaat uit een hoofdnerfzijneven en daartussen bladmoes

  • In de groene delen van de bladeren van een plant vindt fotosynthese plaats. Bij fotosynthese maakt de plant zuurstof en glucose, om dit te kunnen maken heeft de plant water en koolstofdioxide nodig. Ook is er voor fotosynthese licht nodig.




  • In de plant bevindt zich een stelsel van buisjes. Deze buisjes noem je vaten. De vaten zitten vaak in bundels bij elkaar, dit zijn de vaatbundels. Water en mineralen gaan via de vaten in de stengel van de wortels naar de bladeren. Glucose gaat door de vaten van de bladeren naar alle andere delen van de plant.


Basisstof 3 Weefsels

  • Een kenmerk van organismen is dat ze uit één of meerdere cellen bestaan. Cellen kun je zien als bouwsteentjes waaruit een organisme opgebouwd is. 

  • Een weefsel is een groep van dezelfde cellen bij elkaar. 

  • Tussen de cellen zit vaak nog een beetje ruimte, deze ruimte wordt opgevuld door tussencelstof

  • Planten bestaan ook uit cellen en weefsels deze zien er anders uit dan de cellen en weefsels van een een mens 

  • Bij houtachtige planten vormt zich elk jaar een nieuwe jaarring, door de jaarringen in een stam te tellen kun je erachter komen hoe oud een boom is. De jaarring wordt gevormd door een speciaal weefsel, het cambium


Basisstof 4 Cellen

  • Dieren zijn opgebouwd uit dierlijke cellen.

  • Dierlijke cellen zijn opgebouwd uit de volgende onderdelen:



  1. Het celmembraan is een dun vliesje dat om de gehele cel heen zit.

  2. Het cytoplasma is een stroperige vloeistof dat een groot deel van de cel opvult. Het bestaat uit water met daarin opgeloste stoffen.

  3. De celkern bestaat uit kernplasma met daar omheen het kernmembraan. De celkern is verantwoordelijk voor het regelen van processen in de cel.






  • Net als dierlijke cellen hebben plantencellen ook een celmembraancytoplasma en een celkern. Plantencellen hebben ook een aantal onderdelen die dierencellen niet hebben dit zijn:



  1. De celwand is een stevig laagje om het celmembraan heen. De celwand is een voorbeeld van tussencelstof bij planten, het zit om de cel heen maar maakt geen onderdeel uit van de cel.

  2. De vacuole bevinden zich in het midden van de cel en is een met vloeistof gevuld blaasje en zorgt ervoor dat een plantencel stevig blijft. 

  3. In de bladgroenkorrels kan fotosynthese plaatsvinden.



  • In de cellen van planten kunnen plastiden gemaakt worden dit zijn een korrels met een bepaalde functie. Er zijn drie typen plastiden, dit zijn de bladgroenkorrelskleurstofkorrels en zetmeelkorrels.





Basisstof 5 De celkern

  • In de celkern van een cel bevinden zich de chromosomen dit zijn lange dunne draden waarop informatie staat die nodig is voor het goed functioneren van een cel. Ook staat er op de chromosomen het bouwplan van het organisme. 

  • In elke celkern van een menselijke cel bevinden zich 46 chromosomen.




  • De chromosomen zijn voor een groot deel opgebouwd uit de stof DNA

  • Een chromosoom heeft de vorm van een wenteltrap, het bestaat uit twee lange spijlen met daartussen “stokjes”. Deze stokjes zijn de baseparen hierop staat de code met instructies en het bouwplan.




  • Het bouwplan en de instructies op de chromosomen heb je geërfd van je ouders daarom wordt dit ook wel de erfelijke informatie genoemd.

  • Een stukje van een chromosoom waarop de informatie staat voor één eigenschap heet een gen. Het meervoud van gen is genen


Basisstof 6: Celdeling

  • Je lichaam moet gedurende je hele leven dagelijks veel nieuwe cellen maken. Dit is nodig omdat veel cellen na verloop van tijd doodgaan en daarom vervangen moeten worden. 

  • Cellen kunnen zich doormiddel van deling in tweeën splitsen. Dit proces heet celdeling.

  • De cel die zich gaat delen heet de moedercel.

  • De twee cellen die ontstaan bij de celdeling heten de dochtercellen. De dochtercellen bevatten evenveel chromosomen in de celkern als de moedercel.

  • Nadat de cel zich gedeeld heeft vindt er plasmagroei plaats. 

  • De twee dochtercellen die ontstaan zijn hebben allebei een andere taak na de celdeling. Eén dochtercel zal zich gaan specialiseren. De andere dochtercel specialiseert zich niet, deze cel kan zich als het nodig is weer in tweeën splitsen. 

  • Stamcellen zijn speciale cellen die zich meestal onbeperkt kunnen blijven delen.





Basisstof 7 Eencellige dieren

  • Eencellige dieren bestaan uit één cel. Omdat ze uit één cel bestaan hebben eencellige dieren geen weefselsgeen organen en ook geen orgaanstelsels

  • De amoebe is een voorbeeld van een eencellig dier. De cel bestaat heeft een heel flexibel celmembraan hierdoor heeft het geen vaste vorm. Een amoebe beweegt zich voort doormiddel van een schijnvoetje met behulp van het schijnvoetje kan een amoebe ook voedsel vangen

  • In de amoebe wordt het voedsel in een voedingsvacuole verteerd.

  • Pantoffeldiertjes zijn ook eencellige dieren ze zijn wel wat ingewikkelder gebouwd dan de amoebe. Ze hebben haartjes op het celmembraan waarmee ze zich kunnen voortbewegen. Met een opening kunnen ze voedsel opnemen, deze opening heet de celmond

  • In een voedingsvacuole wordt het voedsel verteerd en uiteindelijk verlaten de onverteerde resten het pantoffeldiertje via een celanus.


Basisstof 8: DNA-onderzoek

  • Met behulp van DNA-verwantschapsonderzoek kun je het genetisch materiaal van verschillende mensen met elkaar vergelijken. Hiermee kun je bijvoorbeeld vaststellen of mensen familie van elkaar zijn. 

  • Als er een misdaad gepleegd is en de dader heeft op de locatie van de misdaad cellen achter gelaten dan kunnen die cellen gebruikt worden om te bepalen wie de dader is. Gevonden cellen worden meegenomen naar het laboratorium.In het laboratorium kan er van de verdachte een DNA-profiel gemaakt worden. 

  • Een DNA-profiel is een schematische tekening van een deel van het DNA.  Het maken van een DNA-proefiel gaat in vier stappen:



  1. Isoleren: het DNA van de verdachte wordt uit de celkern gehaald. 

  2. Knippen: het DNA wordt in stukjes geknipt. Door het DNA in stukjes te knippen kunnen precies de goede delen van het DNA gebruikt worden die het meest geschikt zijn om later te vergelijken met een ander DNA-profiel.

  3. Vermeerderen: de juiste stukjes DNA worden gekopieerd. Er is meer DNA nodig om een DNA-profiel mee te kunnen maken.

  4. Vergelijken: het DNA-profiel van de verdachte wordt vergeleken met het DNA-profiel van de cellen die gevonden zijn bij het misdrijf. Als de DNA-profielen overeenkomen is de kans erg groot dat de verdachte aanwezig was bij het misdrijf.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Ook geschreven door Levi