BIOLOGIE VOOR JOU VMBO 3



THEMA 1 - ORGANEN EN CELLEN


§ 1 ORGANISMEN.

§ 2 ORGANEN, CELLEN EN WEEFSEL.

§ 3 WERKEN MET DE MICROSCOOP.

§ 4 PLANTAARDIGE CELLEN.

§ 5 DIERLIJKE CELLEN.

§ 6 CHROMOSOMEN.

§ 7 CELDELING.

§ 8 BIOLOGISCH ONDERZOEK.





§ 1 ORGANISMEN

Organismen zijn levende wezens, daarbij horen planten, dieren en mensen. Alle organismen vertonen levensverschijnselen. Onder levensverschijnselen verstaan we ademhalen, voeden en afvalstoffen uitscheiden. Hierbij hoort natuurlijk nog veel meer! De levensverschijnselen samen zorgen voor stof wisseling in een organisme. Hierbij worden stoffen omgezet in andere stoffen. Door stofwisseling groeien organismen en kunnen ze zich ontwikkelen. Elk apart organisme noemen we een individu. Het leven van elk individu eindigt met de dood. Levensverschijnselen zijn de kenmerken van het leven van een individu. Tijdens het leven planten individuen zich voort. Zo ontstaan nakomelingen. Ook deze nakomelingen kunnen zich weer voortplanten. Ieder individu komt dus in de zelfde cirkel te zitten tijdens het leven van een organisme. Dit noemen we levenscyclus. Zie afbeelding, hier zie je de levenscyclus van een vlinder!







§ 2 ORGANEN, CELLEN EN WEEFSELS

Een organisme bestaat uit organen. Het middenrif scheidt de romp in de borstholte en in de buikholte. In de borstholte liggen onder andere de slokdarm, de longen en het hart. In de buikholte liggen onder andere de slokdarm, de maag, de lever, de dunne darm, de dikke darm en de nieren. Een orgaan is een deel van een organisme met één of meer functies. De longen bijvoorbeeld: die nemen lucht op en geven koolstofdioxide af.





Vaak hebben bepaalde organen samen één functie. Deze organen samen noemen we het organenstelsel. Voorbeelden hiervan zijn, het verteringsstelsel, het ademhalingsstelsel, beenderstelsel, spierstelsel, bloedvatenstelsel en het zenuwstelsel (Deze stelsels kun je vinden op blz. 10 van het boek dl 3 hoofdstuk 1). Alle organenstelsels van je lichaam werken samen. Ze zorgen ervoor om je lichaam in stand te houden en dat je gezond blijft.



Organen zijn opgebouwd uit cellen. Deze cellen kunnen heel verschillend van vorm zijn. Cellen met de zelfde vorm en de zelfde functie bij elkaar. Zo’n groep cellen noemen we een weefsel! Voorbeelden van het weefsel zijn bijvoorbeeld spierweefsel of zenuwweefsel. Organen zijn opgebouwd uit meerdere weefsels. Bij weefsel liggen niet echt strak tegen elkaar, maar er zit een tussencelstof tussen. Tussencelstof bestaat uit dood materiaal! Deze stof kan hard zijn, maar kan ook zacht of vloeibaar zijn. Dus een weefsel is een groep cellen met dezelfde bouw en dezelfde functies. Bij veel weefsel komt tussencelstof voor tussen de cellen.







§ 3 WERKEN MET DE MICROSCOOP

Lees dit op bladzijde 13 t/m 16 van dl 3 uit het klas drie boek!! Hoofdstuk 1.







§ 4 PLANTAARDIGE CELLEN.

Cytoplasma (celplasma), bestaat uit water met opgeloste stoffen!



Celmembraan, de buitenste laag van het cytoplasma. Hierin kunnen plastiden voorkomen. Dit zijn korrels in het cytoplasma.



CELKERN: regelt alles wat er in de cel gebeurd.



* de celkern bestaat uit kernplasma.



* kernmembraan, de buitenste laag van het kernplasma.



* In het kernplasma bevinden zich de chromosomen.



VACUOLE(N): blaasjes in het cytoplasma, met vocht gevuld.





* Jonge planten hebben veel kleine vacuolen.



* Oudere planten hebben hele grote vacuolen.



PLASTIDEN: korrels in het cytoplasma.



* Bladgroenkorrels: Hier vindt fotosynthese plaats.



* Kleurstofkorrels: Geven een opvallende kleur aan de bloem.



* Zetmeelkorrels: Deze zijn kleurloos en er zit zetmeel in.



* Plastiden kunnen van het ene naar het andere soort gaan.



CELWAND: een stevig laagje om de cel heen, een celwand hoort niet bij de cel, maar is een tussen stof. Het bestaat dan ook uit dood materiaal.



Je hebt ook nog de holten tussen de celwanden. Deze zijn gevuld met lucht, ze worden ook wel intercellulaire ruimte genoemd







§ 5 DIERLIJKE CELLEN

Dierlijke cellen hebben ook een cytoplasma en een celmembraan. Ook hebben dierlijke cellen een celkern. Wat je wel moet weten is dat dierlijke cellen geen vacuolen heeft. Ook geen plastiden. En om de cellen zitten geen celwanden.







§ 6 CHROMOSOMEN

Dit zijn dunne draden in een celkern. Deze dunne draden bevatten DNA. DNA bevat informatie met erfelijke eigenschappen. Hier staat de complete informatie over erfelijke eigenschappen van een organisme.



Een mens heeft 46 chromosomen. Deze chromosomen zijn verdeeld in paren die aan elkaar gelijk zijn. Een mens heeft dus 23 paren chromosomen.







§  7 CELDELING

Celdeling wordt ook wel mitose genoemd. Het doel van celdeling is de vorming van nieuwe cellen, voor groei, vervanging en herstel. Voordat het zover is deelt eerst de kern zich en daarna de cel. Chromosomen worden zo ook verdeeld, want in elke kern ligt een chromosoom. Dit wordt gedeeld en dus krijg je nieuwe chromosomen. Zo’n chromosoom noem je een dochtercel. De DNA blijft het zelfde, want deze wordt zo nauwkeurig als het kan gekopieerd. Dit houd in dat de informatie dus het zelfde blijft.







§ 8  BIOLOGISCH ONDERZOEK

JE moet een biologisch onderzoek kunnen voorbereiden, uitvoeren en beoordelen. JE gaat met stapjes te werk. Hieronder vindt je deze stappen:

1. Onderzoeksvraag

2. Veronderstelling

3. Verwachting

4. Werkplan

5. Waarnemingen

6. Conclusie



Als je deze punt na gaat kun je makkelijk een verslag maken. Hieronder een uitleg met de boven genoemde begrippen.



1. Je vraagt je zelf af wat je te weten wilt komen. Je formuleert dat in een vraag.



2. Je schrijft bij een veronderstelling vast op van wat jij denkt dat het antwoord zal zijn. Je gaat bedenken wat het antwoord is op jouw onderzoeksvraag.



3. Veronderstelling is je verwachting



4. Als je dat hebt gedaan, is het slim om een werkplan op te schrijven voor je de proef gaat doen. Je moet je proef uitvoeren d.m.v. die stappen. Zo vergeet je bijna niets.



5. Daarna komt de waarneming. Wat zie je dat tijdens de proef voor ontwikkeling optreed.



6. Daarna vul je de conclusie in. Wat is het antwoord op de hoofdvraag. Dat is ook het antwoord op de conclusie.











THEMA 2

§ 1 HET ORDENEN VAN ORGANISMEN

§ 2 HET RIJK VAN BACTERIEN

§ 3 HET RIJK VAN DE SCHIMMELS

§ 4 HET RIJK VAN DE PLANTEN

§ 5 HET RIJK VAN DE DIEREN

§ 6 GELEEDPOTIGEN

§ 7 GEWERVELDEN

§ 8 HET INDELEN VAN ORGANISMEN







§ 1 HET ORDENEN VAN ORGANISMEN

organisme kun je indelen in vier rijken. Hieronder een tabel met gegevens dat je moet weten.



RIJK KENMERKEN



Schimmel Eencellig of veelcellig



celkernen



celwanden



Geen bladgroenkorrels



Bacteriën Eencellig



Geen celkern



Celwand



Geen bladgroenkorrels



Planten Eencellig of veelcellig



Celkernen



Celwanden



Bladgroenkorrels



Dieren Eencellig of veelcellig



cellkernen



Geen celwanden en bladgroenkorrels



Organismen behoren tot 1 soort als ze vruchtbaren nakomelingen kunnen voort brengen. Een populatie is een groep dieren van het zelfde soort.







§ 2 HET RIJK VAN DE BACTERIËN

Bacteriën planten zich voor door deling. Ze voeden zich met dode resten van organisme. Ze ruimen ze in de natuur dus op. We noemen dat reducenten. Bacteriën kunnen ons voedsel bederven.



We kunnen bacteriën ook gebruiken voor ons voedsel. Zo wordt yoghurt bereid met bacteriën. Zuurkool trouwens ook. Ook gebruiken we ze bij de productie van hormonen en geneesmiddelen. Maar ze kunnen bij de mens ook infectie ziekte veroorzaken. Goede hygiëne kan dit voorkomen!







§  3 HET RIJK VAN DE SCHIMMELS

Gisten zijn eencellige schimmels en planten zich voort door deling. Veelcellige schimmels bestaan uit draden (schimmeldraden). Ook schimmels ruimen in de natuur de dode resten van organisme op. Maar ook schimmels kunnen voedsel bederven.



Schimmels kunnen wel gebruiken voor ons voedsel. Zo wordt bier, wijn en schimmelkaas gemaakt van schimmels. Ook worden geneesmiddelen gemaakt door schimmels. Schimmels kunnen bij de mens infectie ziekte veroorzaken. Deze kunnen worden bestreden door antibiotica.







§ 4 HET RIJK VAN DE PLANTEN

Het planten rijk kun je indelen in drie afdelingen. Wieren, sporen planten en zaadplanten.



Wieren hebben geen wortels en geen stengels. Ook hebben ze geen bloemen en bladeren.



Sporenplanten hebben stengels, wortels en bladeren. Ze planten zich voort door sporen en ze hebben geen bloemen.



Zaadplanten planten zich voort door middel van zaden. Ze hebben wortels, stengels, bladeren en bloemen.



Zaadplanten kun je verdelen in twee groepen. De Naaktzadigenen de bedektzadigen. De naaktzadigen kun je herkennen aan zaden die tussen de schubben te vinden zijn. De bladeren van de boom zijn meestal naaldvormig. Denk bijvoorbeeld aan een den of een spar.



Bedektzadigen zijn zaden die in de vruchten zitten. De bladeren zijn dan ook niet naaldvormig. Denk bijvoorbeeld aan een appelboom, een boterbloem of gras.







§ 5 HET RIJK VAN DE DIEREN.

(Hiervoor kun je beter in je boek even een kijkje nemen. Je kan de juiste informatie vinden op blz. 58 t/m 62 )







§ 6 GELEEDPOTIGEN

We verdelen deze afdeling in vier groepen. Namelijk de duizendpoten, de kreeftachtigen, de spinachtigen en de insecten. De poten van de geleedpotigen zijn geleed. Dat wil zeggen dat ze bestaan uit kleine stukjes, de leden.







§ 7 GEWERVELDEN

Gewervelden hebben een inwendig skelet, een onderdeel daarvan is opgebouwd uit wervels. Deze afdeling verdelen we in vijf groepen. Vissen, amfiebieën, reptielen, vogels en zoogdieren. Je kunt deze onderscheiden door de huid, lichaamstemperatuur, ademhalingsorganen, voortplanten en milieu waar ze in leven.



Reptielen: Hebben longen en eieren met een leerachtige schaal.



Vogels: Hebben longen en eieren met een kalkschaal.



Zoogdieren: Longen en brengen levendbarend de jongen ter wereld.







§  8 HET INDELEN VAN ORGANISMEN

Je hebt nu geleerd dat we organismen verdelen in rijken, afdelingen en soms in groepen. Dit kunnen we weer geven in een vertakkingschema, zoals je kan zien hieronder. Je kunt de gegevens determineren. Zo kom je erachter welk dier je nu echt voor je hebt. Een voorbeeld van zo’n tabel zie je op blz. 69

(Horen plaatjes te staan)

Rest zie boek !!









THEMA 3

§ 1REDUCTIE DELING

§ 2 VOORTPLANTINGSSTELSEL BIJ EEN MAN.

§ 3.VOORTPLANTINGSSTELSEL BIJ EEN VROUW

§ 4 HORMONEN EN VOORPLANTING.

§ 5 EMBRYONALE ONTWIKKELING.

§ 6 DE GEBOORTE EN VERDERE ONTWIKKELING.

§ 7 SEKSUEEL OVERDRAAGBARE AANDOENINGEN.

§ 8 GEBOORTEREGELING.







§ 1 REDUCTIE DELING

Het doel van reductie deling is de vorming van geslachtcellen uit de moedercel. Hierbij worden de chromosomen verdeeld. In elke geslachtcel zit dan dus 23 chromosomen.



De volgorde van de verdeling van de chromosomen is als volgt:



1. voor de deling zijn de chromosomen niet zichtbaar.



2. De chromosomen komen in paren voor.



3. De chromosomen worden langzaam zichtbaar.



4. De chromosomen gaan tegen over elkaar liggen.



5. Ze gaan uit elkaar liggen.



6. Er ontstaan 2 cellen, ieder met een eigen kern.



7. Nu zijn er dochtercellen. Dit is een geslachtcel.



8. De chromosomen worden weer draadvormig en zijn niet meer



te zien.







§ 2 VOORTPLANTINGSSTELSEL VAN EEN MAN

Teelballen : Produceren onder invloed van hypofysehormonen spermacellen en geslachtshormonen. Hier vindt dan ook weer reductiedeling plaats.



Bijballen: Tijdelijk opslag voor spermacellen.



Balzak: Hier liggen de teelballen en de bijballen in.



Zaadleiders: Vervoeren spermacellen.



Zaadblaasjes en prostaat: Voeren zaadvocht toe, waardoor de geslachtcellen beter kunnen bewegen.



Urine buis: Vervoert urine en sperma.







§ 3 VOORTPLANTINGSSTELSEL VAN EEN VROUW

Eierstokken worden ook wel ovaria genoemd. Ze produceren eicellen en vrouwelijke geslachthormonen. Ook hier vindt de reductie deling plaats. Bij de geboorte heeft een vrouw al eierstokken. Ze komen pas later tot werking.



Trechters: Deze vangen eicellen op.



Eileiders: Hierdoor verplaatsen de cellen zich.



Baarmoeder: Hierin vindt de ontwikkeling plaats van een embryo.



Oftewel een aankomende baby.



Clitoris: Vangt prikkels op.



Maagdenvlies: Slijmvliesplooi aan het begin van de vagina. Het



maagdenvlies sluit je vagina voor een deel af.







§ 4 HORMONEN EN VOORTPLANTING

Je moet kenmerken kunnen noemen van voortplantingcellen. Hieronder ga ik dit in een tabel weergeven.



Spermacellen Eicellen



Erg klein In verhouding groot



Kunnen zelf bewegen Kunnen niet zelf bewegen



Bevatten gen reserve voedsel Bevatten veel reserve voedsel



Miljoenen per zaadlozing Meestal een eicel per vier weken



Primaire geslachtskenmerken zijn kenmerken die al van af de geboorte zichtbaar zijn. Bijv. balzak, schaamlippen.



Secundaire geslachtskenmerken ontstaan in de puberteit. Je ontwikkeld je dan van een kind naar een volwassenen. Dit gebeurt onder invloed van hormonen die afkomstig zijn van de hypofyse. Dit ligt onder je hersenen in je hoofd.



De menstruatiecyclus vindt ook plaats onder invloed van dit hormoon. Het hormoon verteld je eigenlijk dat je weer moet menstrueren.



De cyclus begint als de eerste dag van je menstruatie begint.



In de eerste 2 weken Wordt de eicel rijp. Daarna komt de ovulatie. We bedoelen hiermee dat de eisprong eraan komt. Als de ovulatie heeft plaats gevonden dan is het de beurt aan de menstruatie. En zo gaat dat iedere vier weken overnieuw.



Voor de voortplanting heb je van beide geslachtcellen één nodig. De spermacellen blijven altijd drie dagen in leven. Voor een bevruchting moet de celkern van beide geslachtcellen samensmelten! Zodra de eicel is bevrucht door een spermacel, dan gaat de cel zich delen. Zo ontstaat een embryo. Dit is het begin van een baby. Tijdens de zwangerschap, die negen maanden duurt (40 weken), ontstaan er melkklieren in de borsten van een vrouw. Zo kan zij het kindje, die dan ter wereld is gebracht, voeden!







§ 5 EMBRYONALE ONTWIKKELING

1. De embryo nestelt zich in



2. Na innesteling voedt de embryo zich met zuurstof en



voedingmiddelen uit de baarmoeder.



3. Nu begint de vorming van de placenta. Een deel van de



placenta maakt het embryo zelf, het andere deel is afkomstig



van de moeder.



4. Hier door kan de embryo groeien, omdat die genoeg



voedingstoffen krijgt. Het embryo gaat zich in negen maanden



tijd ontwikkelen tot een baby.



5. Bij de geboorte komt de baby ter wereld.



6. Bij de moeder wordt de placenta ook verwijderd en



gecontroleerd.







§ 6 DE GEBOORTE EN VERDERE ONTWIKKELING.

De geboorte begint met weeën bij de moeder. Dit zijn samentrekkingen van de baarmoederwand. Daarna komt de ontsluiting. Hierbij wordt de baarmoederhals wijder. Zo kan de baby makkelijk worden gebaard. Daarna komen de persweeën. Met de persweeën komt de baby ter wereld. Als de baby geboren is dan haalt de arts de placenta er uit. De resten van de navelstreng en het vruchtwater.



Even hieronder een verdeling van leeftijdklassen bij een mens Na de geboorte!:



1. Baby: van nul tot ander half jaar



2. Peuter: 1.5 tot 4 jaar



3. Kleuter: 4 tot 6 jaar



4. Schoolkind: 6 tot 12 jaar



5. Puber: 12 tot 16 jaar



6. Adolescent: 16 tot 21 jaar (iemand die zelfstandig aan het worden is )



7. Volwassene: 21 tot 65 jaar



8. bejaarde: 65 of ouder







§ 7 SEKSUEEL OVERDRAAGBARE AANDOENINGEN.

Ook wel SOA genoemd. Dit is een ziekte die je hebt gekregen tijdens intiem lichamelijk contact. Er zijn verschillende soorten. Zoals: Gonorroe, Syfilis, Candida etc.







§ 8 GEBOORTEREGELING

Je kunt voorkomen dat je zwanger raakt want het hoeft namelijk niet. Je hebt genoeg middelen die daar wat tegen kunnen doen. Je kan de pil gebruiken of een condoom. Sommige mensen laten zich zelfs steriliseren. Een ander gebruikt een spiraaltje en weer een ander gebruikt helemaal niets.



Hier zie je een cyclus van de menstruatie >>>



zie internet bij plaatjes









THEMA 4

§ 1. Genotype en fenotype

§ 2. Geslachtshormonen

§ 3. Tweelingen

§ 4. Chromosomen en genen

§ 5. Genenparen

§ 6. Kruisingen

§ 7. Stambomen

§ 8. Geslachtelijke en ongeslachtelijke voortplanting

§ 9. Mutaties

§ 10. Erfelijkheidsonderzoek

§ 11. Biotechnologie







Bas.1 wanneer zijn eigenschappen erfelijk?

- zichtbare eigenschappen, veel daarvan zijn erfelijk.



- De informatie voor de erfelijke eigenschappen liggen in chromosomen. (kern van elke lichaamscel 46 chromosomen)



- Informatie voor erfelijke eigenschappen noemen we genotype



- Het genotype van een organisme is de informatie voor de erfelijke eigenschappen



- Genotype bepaalt niet alle eigenschappen



- Fenotype wordt voor een deel bepaalt door het genotype, het fenotype kan allerlei veranderingen ondergaan zonder dat het genotype verandert (bv. Je haar kleuren) deze oorzaken noemen we invloeden uit het milieu



- Het fenotype van een organisme komt tot stand door het genotype en door invloeden van het milieu







Bas.2 Geslachtschromosomen

- Vrouw= XX



- Man = XY



- Chromosomen paar 23 worden geslachtschromosomen genoemd



- Geslachtshormonen bepalen het geslacht van een persoon, ook beïnvloeden ze de gehaltes aan mannelijke en vrouwelijke geslachtshormonen in het bloed



GESLACHTSCHROMOSOMEN IN GESLACHTCELLEN

- Bij vorming van geslachtscellen vindt reductiedeling (meiose) plaats.

- Een geslachtscel bevat 1 geslachtshormoon, X of Y







Bas.3 Tweelingen

- 2 eicellen bij ovulatie = twee-eiige tweeling (2 bevruchte eicellen)



- 1 eicel bij ovulatie = eeneiige tweeling (1 bevrucht eicel)



- Hoe krijg je een eeneiige tweeling? Als tijdens de 1e delingen van de bevruchte eicel cellen van elkaar losraken. Er ontstaan dan 2 klompjes cellen, er komt een eeneiige tweeling.



- Een eeneiige tweeling is altijd van hetzelfde geslacht.



- Een twee-eiige tweeling kan allebei zijn







Bas.4 chromosomen en genen

- Een gen is een deel van een chromosoom dat info bevat voor 1 erfelijke eigenschap



- Elk chromosoom bevat vele genen



- Het genotype is het geheel van genen dat in een celkern aanwezig is.



- Chromosomen komen in paren voor, ze zijn gelijk aan elkaar



- 1 genenpaar bevat de info voor 1 erfelijke eigenschap



- In geslachtscellen komen geen genenparen voor, maar enkelvoudige genen.



- De bevruchte eicel groeit door middel van gewone celdelingen (mitose) hierbij verandert het genotype niet



- Het genotype van een organisme ligt vast op het moment van bevruchting







Bas.5 genenparen

- Er zijn genen voor sluik haar, en genen voor krullend haar



HOMOZYGOOT EN HETEROZYGOOT



- Een organisme is homozygoot voor een erfelijke eigenschap, als het genenpaar voor deze eigenschap bestaat uit 2 gelijke genen



HOMOZYGOOT = 2 GELIJKEN



- Een organisme is heterozygoot voor een erfelijke eigenschap, als het genenpaar voor deze eigenschap bestaat uit twee ongelijke genen



HETEROZYGOOT = ONGELIJK



DOMINANTE EN RECESSIEVE GENEN



- Heterozygoot= 2 verschillende genen voor bv haarvorm (Sluik en krullend) toch hebben deze mensen krullend haar. Dus het krullend gen is het dominante gen. Het sluike gen is het recessieve gen.



- Dominante gen is een gen dat altijd tot uiting komt in het fenotype



- Recessieve gen is een gen dat alleen tot uiting komt in het fenotype als er geen dominant gen aanwezig is



FENOTYPE EN GENOTYPE



- Het zwarte gen is dominant, rood is recessief



- Organismen waarbij het recessieve gen tot uiting komt in het fenotype, zijn homozygoot voor deze eigenschap. Organismen waarbij een dominant gen tot uiting komt in het fenotype, kunnen homozyoot of herterozygoot zijn voor deze eigenschap



GENSYMBOLEN



- Dominante gen = hoofdletter A



- Recessieve gen = kleine letter a



- AA (homozygoot dominant)



- Aa (heterozygoot)



- aa (homozygoot recessief)







Bas.6 Kruisingen

-Kruisingen worden uitgevoerd om de overerving van eigenschappen te bestuderen



- Veel kruisingen beginnen met de ouders (dat wordt aangegeven met de P -Parentes-Parents-)



- De nakomelingen worden aangegeven met F1 ( filii = kinderen)



- De 2e generatie nakomelingen wordt aangegeven met F2







Bas.7 Stambomen

Een stamboom is een schematische weergave van de fenotypen van enkele generaties.



- Als 2 ouders met gelijk fenotype een nakomeling krijgen met een ander fenotype, zijn beide ouders heterozygoot voor deze eigenschap. De nakomeling is dan homozygoot recessief voor deze eigenschap.







Bas. 9 Geslachtelijke en ongeslachtelijke voortplanting

- Bij geslachtelijke voortplanting is het genotype van de nakomelingen verschillend van dat van de ouders



* Door reductiedeling



* Welke geslachtscellen versmelten is afhankelijk van toeval (hierdoor ontstaan nieuwe genotypen)



- Bij ongeslachtelijke voortplanting is het genotype van de nakomelingen gelijk aan dat van de ouders



oBijv. bij het stekken van planten of bij aardappels



oDoor gewone celdeling (mitose)



- Veredeling: door kruisingen en kunstmatige selectie tracht men een combinatie van gunstige eigenschappen in 1 nakomeling te verkrijgen



- Kunstmatige selectie: uit een nakomelingschap worden alleen de individuen met de meest gunstige erfelijke eigenschappen gebruikt voor verdere kruisingen



- Bij landbouwgewassen wordt na de eredeling meestal alleen nog ongeslachtelijke voortplanting toegepast







Bas. 10 Mutaties

- Een chromosoom kan soms beschadigt raken, de erfelijke eigenschappen zijn dan verandert. Zo’n plotselinge verandering van het genotype heet: mutatie



- Meestal heeft een mutatie geen gevolgen, maar als het in de geslachtscellen gebeurt kan dit wel gevolgen hebben



- Als het gen recessief is zal het geen gevolgen hebben voor de nakomeling, maar als het dominant is wel



- Mutaties kunnen spontaan plaatsvinden.



* Bijv. door: radioactieve straling



* Röntgenstraling



* UV-straling



* Sigarettenrook



* Asbest



- Deze invloeden worden mutageen genoemd



- Als mutatie optreedt in een gewone cel, blijven de andere cellen ongewijzigd. Maar als het voorkomt in een geslachtscel, krijgt de nakomeling in elke cel het gemuteerde gen



KANKER



- Als cellen zich snel en ongeremd gaan delen, ontstaat er een gezwel (tumor)



- Soms groeien ze langzaam en verstoren de bouw van de weefsels niet (goedaardig gezwel) Als ze groot worden kunnen ze operatief verwijderd worden, de patiënt is daarna genezen



- Bij KANKER ontstaat ergens een kwaadaardig gezwel. Kanker is waarschijnlijk het gevolg van mutaties in de genen van een cel. De mutaties hebben tot gevolg dat de cel zich ongeremd gaat delen. Het gezwel groeit dan veel sneller, en de bouw van het weefsel wordt verstoord



- Het 1e kankergezwel is meestal niet dodelijk. De meeste patiënten sterven aan uitzaaiing (metastase)



- Bij uitzaaiing komen de cellen van het 1e gezwel in het bloed en komen zo in andere lichaamsdelen terecht. Zo kan je nooit alle gezwellen opsporen en ga je dood



- Leukemie is een vorm van kanker, het lichaam produceert dan teveel witte bloedcellen. En veel te weinig rode bloedcellen







Bas. 11 Erfelijkheidsonderzoek

- Al voor de geboorte kan onderzocht worden of een kind een ziekte of afwijking heeft



- Echoscopie: (vanaf de 6e week) doormiddel van geluidsgolven wordt het embryo zichtbaar gemaakt op een scherm (zo kan je de ligging en het geslacht zien)



- Vlokkentest: (vanaf de 8e week) er wordt wat weefsel uit de placenta weggehaald. Van cellen van het embryo worden de chromosomen onderzocht (Een voorbeeld van een afwijking die je zo kan onderzoeken is het syndroom van down (mongooltje))



- Vruchtwaterpunctie: (vanaf 16e week) er wordt wat vruchtwater met cellen van de foetus uit de baarmoeder weggehaald. Hiervan worden de chromosomen onderzocht (als er een hoog risico bestaat







Bas. 12 Biotechnologie

- Biotechnologie: is een tak van biologie, waarbij organismen worden gebruikt om op grote schaal producten te vervaardigen voor de mens



- Voorbeelden hiervan zijn:



* Brood, bier, wijn, kaas yoghurt en zuurkool



- Deze producten worden bereid met gisten en bacteriën



- Ook bij de productie van bepaalde smaakstoffen, geneesmiddelen en van hormonen worden al heel lang organismen gebruikt



- In de alvleesklier wordt bij mensen het hormoon insuline geproduceerd, bij iemand die suikerziekte heeft, wordt dit hormoon (vrijwel) niet geproduceerd. Daarom moet suikerziekte patiënten zich inspuiten met insuline (dit kwam uit de alvleesklieren van zoogdieren) nu hebben ze er bacteriën bij ingezet en die maken nu elke keer weer meer insuline, het kan nu goedkoop geproduceerd worden



- Deze technieken worden recombinant-DNA-technieken genoemd oftewel genetische manipulatie











THEMA 5

§ 1 DE EVOLUTIE THEORIE

§ 2 EEN VOORBEELD VAN EVOLUTIE

§ 3 FOSSIELEN

§ 4 ARGUMENTEN VOOR EVOLUTIE

§ 5 DE GESCHIEDENIS VAN HET LEVEN OP AARDE







§1 DE EVOLUTIE THEORIE

Wat is evolutie nu eigenlijk. Evolutie is de ontwikkeling van het leven op aarde. Bij de evolutie ontstaan, verdwijnen en ontwikkeld er zich van alles. De evolutie theorie gaat uit van veranderingen in genotype (dit heeft alles met de voortplanting te maken.) , natuurlijke selectie en het ontstaan van nieuwe soorten.



In een populatie zie je constant veranderingen in de genotypen en fenotypen. Genotypen, zijn veranderingen die je mee krijgt met je geboorte. Fenotype is je uiterlijk.



Een organisme die zich beter kan aanpassen, heeft een hogere overleving kans.







§2 EEN VOORBEELD VAN EVOLUTIE

Populaties die in verschillende leefomstandigheden leven, hebben een andere vorm van leven, omdat zij zich hebben aangepast aan de natuur. Als een vrouwtje en een mannetje uit verschillende populaties samen voor nakomelingen gaan zorgen, dan krijg je een ander soort. Na verloop van tijd gaat dat zelfs zover dat je niet meer voor nageslacht kan zorgen. Je hebt dan twee nieuwe soorten dieren.







§3 FOSSIELEN

Fossielen zijn brandstoffen. Ze zijn afkomstig van dieren. Versteende overblijfselen van organismen of afdrukken van organisme in gesteente. Fossielen ontstaan als resten van organismen worden afgesloten van lucht. Als deze fossielen worden gevonden, kunnen ze gaan kijken van wat voor dier dat afkomstig is. Zo kunnen ze de evolutie theorie goed onderzoeken.







§4 ARGUMENTEN VOOR EVOLUTIE

Om de evolutie te kunnen verklaren, gebruiken we argumenten. Dit moet opgebouwd zijn uit alleen maar meningen. Dus als je zegt ik vindt dat evolutie theorie war is, dan ben je geen argumenten aan het geven. Als je zegt hier kun je lezen dat de theorie waar is, dan noem je wel een goed argument, wan je kan het nalezen en bewijzen.







§5 DE GESCHIEDENIS VAN HET LEVEN OP AARDE

Dit kun je aflezen in een diagram. Je kunt hier in aflezen hoe een dier zich heeft ontwikkeld en wat zijn voor ouders waren. Je kunt ook zien welke dieren juist veel of juist weinig verwantschap hebben. Hiermee bedoelen we dat je terug kan kijken in de diagram en zo kun je vinden of dieren de zelfde voor ouders hebben. Is dit het geval dan heb je dus twee soorten dieren met de zelfde verwantschap.









THEMA 6

• § 1 het zenuwstelsel

• § 2 zenuwcellen en zenuwen

• § 3 het ruggenmerg

• § 4 de hersenen

• § 5 de weg die impulsen afleggen

• § 6 het hormoonstelsel

• § 7 de hypofyse en de schildklier

• § 8 de eilandjes van Langerhans en de bijnieren





Paragraaf 1 het zenuwstelsel

Het zenuwstelsel bestaat uit het centrale zenuwstelsel en uit zenuwen. Het centrale zenuwstelsel bestaat uit de grote hersenen, kleine hersenen, hersenstam en ruggenmerg. De zenuwen verbinden het centrale zenuwstelsel met alle lichaamsdelen.



Bij het waarnemen speelt het zenuwstelsel een belangrijke rol, maar ook bij het tot stand komen van gedrag. Lichtstralen en geuren zijn voorbeelden van prikkels (een invloed uit het milieu op een organisme). Onder invloed van prikkels ontstaan in zintuigcellen impulsen (elektrische signalen die door zenuwen kunnen worden voort geleid). De impulsen die in zintuigcellen in je ogen ontstaan, worden door de oogzenuwen naar je hersenen geleid. Je hersenen verwerken de impulsen en reageren door het afgeven van andere impulsen. Deze impulsen worden door zenuwen naar je speekselklieren en naar spieren in je arm geleid. Het zenuwstelsel verwerkt impulsen afkomstig van zintuigen. Ook regelt het zenuwstelsel de werking van spieren en klieren.



De bouw van een zenuwcel:



- cellichaam met celkern



- uitlopers die impulsen naar het cellichaam toe geleiden



- uitlopers die impulsen van het cellichaam af geleiden







Paragraaf 2 zenuwcellen en zenuwen

3 typen zenuwcellen:

- gevoelszenuwcellen

- bewegingszenuwcellen

- schakelcellen



• gevoelszenuwcellen



- functie: impulsen geleiden van zintuigen naar het centrale zenuwstelsel



- de cellichamen liggen vlak bij het centrale zenuwstelsel



- ze hebben één lange uitloper die impulsen naar het cellichaam toe geleidt



• bewegingszenuwcellen



- functie: impulsen geleiden van het centrale zenuwstelsel naar spieren of klieren



- de cellichamen liggen in het centrale zenuwstelsel



- ze hebben één lange uitloper die impulsen van het cellichaam af geleidt.



• Schakelcellen



- functie: impulsen geleiden binnen het centrale zenuwstelsel (o.a. van gevoelszenuwcellen naar bewegingszenuwcellen)



- ze liggen in hun geheel in het centrale zenuwstelsel (in grote hersenen, kleine hersenen, hersenstam en ruggenmerg)







paragraaf 3 het ruggenmerg

het ruggenmerg ligt goed beschermd in het wervelkanaal in de wervels. Het ruggenmerg begint bij de hersenstam en eindigt bij de lendenwervels onder aan de rug. Tussen twee wervels komt steeds aan iedere kant een ruggenmergszenuw uit het ruggenmerg.



In het midden van het ruggenmerg bevindt zich een vlindervormig gedeelte dat donkerder van kleur is dan het buitenste gedeelte. In het merg (het vlindervormige gedeelte) ligt de grijze stof. Hierin liggen de cellichamen van schakelcellen en van bewegingszenuwcellen. In de schors (het buitenste gedeelte) ligt de witte stof. De witte kleur wordt veroorzaakt door de isolerende laagjes die om de uitlopers heen liggen.



Vlak bij het ruggenmerg splitsen de ruggenmergszenuwen zich. De uitlopers van gevoelszenuwcellen liggen bij elkaar in gevoelszenuwen die aan de rugzijde het ruggenmerg binnenkomen. De verdikkingen in deze zenuwen heten zenuwknopen. In deze zenuwknopen liggen de cellichamen van de gevoelszenuwcellen.



De cellichamen van de gevoelszenuwcellen zijn door uitlopers verbonden met schakelcellen in de grijze stof. De cellichamen van de schakelcellen liggen aan de rugzijde en in het midden van de grijze stof. De schakelcellen zijn door uitlopers verbonden met bewegingszenuwcellen. Andere uitlopers van de schakelcellen lopen door de witte stof naar de hersenen. De cellichamen van de bewegingszenuwcellen liggen aan de buikzijde in de grijze stof. Uitlopers van bewegingszenuwcellen verlaten het ruggenmerg aan de buikzijde in bewegingszenuwen. De bewegingszenuwen komen uit in de ruggenmergszenuwen.







Paragraaf 4 de hersenen

De hersenen bestaan uit de hersenstam, de grote hersenen en de kleine hersenen. De hersenstam ligt in het verlengde van het ruggenmerg. De hersenstam geleidt impulsen van het ruggenmerg naar de grote en kleine hersenen en in omgekeerde richting. De hersenstam geleidt de impulsen afkomstig van zintuigen in hoofd en hals naar de grote en kleine hersenen. Ook geleidt de hersenstam de impulsen afkomstig van de grote en kleine hersenen naar de spieren en klieren in hoofd en hals. De grote hersenen en de kleine hersenen bestaan elk uit 2 helften, een linkerhelft en een rechterhelft. In de schors (het buitenste gedeelte) van de grote en de kleine hersenen ligt de grijze stof. Hierin liggen de cellichamen van de schakelcellen van de hersenen. In het merg (het binnenste gedeelte) ligt de witte stof. Hierin liggen de uitlopers van schakelcellen.



• grote hersenen



- functies: het verwerken van impulsen afkomstig van zintuigen (bewuste gewaarwordingen) en het regelen van gewilde bewegingen (bewuste reacties)



- in de schors ligt de grijze stof: cellichamen van schakelcellen



- in het merg ligt de witte stof: uitlopers van schakelcellen



- hersencentra: groepen cellichamen van schakelcellen in de hersenschors



- in gevoelscentra (bijvoorbeeld gehoorcentra, gezichtscentra) worden binnenkomende impulsen verwerkt. De plaats waar impulsen aankomen en worden verwerkt, bepaalt van welke prikkel je je bewust wordt.



- In bewegingscentra (bijvoorbeeld schrijfcentra, spreekcentra) ontstaan impulsen voor gewilde bewegingen (bewuste reacties)



• kleine hersenen



- functie: het coördineren van bewegingen (o.a. het handhaven van het evenwicht)



- in de schors ligt de grijze stof: cellichamen van schakelcellen



- in het merg ligt de witte stof: uitlopers van schakelcellen



• functies van de hersenstam:



- geleiden van impulsen van het ruggenmerg naar de grote en kleine hersenen en omgekeerd



- geleiden van impulsen van zenuwen in hoofd en hals naar de grote en kleine hersenen en omgekeerd



- geleiden van impulsen in reflexbogen van hoofd en hals



• medicijnen, alcohol en drugs beïnvloeden de werking van de hersenen



- onder invloed van deze stoffen kunnen het waarnemingsvermogen en het reactievermogen afnemen







paragraaf 5 de weg die impulsen afleggen

• reflex: een vaste, snelle, onbewuste reactie op een bepaalde prikkel



- de snelheid is vaak nodig om het lichaam te beschermen tegen beschadigingen



- reflexen hebben een functie bij het handhaven van bepaalde houdingen en bij bewegingen van het lichaam



- voorbeelden: terugtrek-(strek)reflex, kniepeesreflex, ooglidreflex, pupilreflex.



• reflexboog: de weg die impulsen afleggen bij een reflex



- onder invloed van prikkels ontstaan in zintuigcellen impulsen



- via gevoelszenuwcellen worden de impulsen geleid naar schakelcellen in het ruggenmerg of in de hersenstam



- schakelcellen geleiden impulsen direct door naar bewegingszenuwcellen



- bewegingszenuwcellen geleiden impulsen naar spiercellen waardoor spieren zich samentrekken







paragraaf 6 het hormoonstelsel

het hormoonstelsel bestaat uit een aantal hormoonklieren (produceren hormonen). Een klier bevat cellen die bepaalde stoffen produceren. Bij veel klieren worden de geproduceerde stoffen afgevoerd via afvoerbuizen  speekselklieren, zweetklieren en traanklieren.



Hormoonklieren geven de hormonen af aan het bloed dat door de hormoonklieren stroomt. Veel hormoonklieren hebben dan ook geen afvoerbuizen. De hormonen zijn echter alleen werkzaam in weefsels en organen die er gevoelig voor zijn.



Het hormoonstelsel regelt vooral langzame, langdurige processen. Hormonen zijn o.a. van invloed op de groei en ontwikkeling, de stofwisseling en de voortplanting. Belangrijke hormoonklieren zijn de hypofyse, de schildklier, de eilandjes van Langerhans in de alvleesklier, de bijnieren, de eierstokken en de teelballen.







Paragraaf 7 de hypofyse en de schildklier

de hypofyse ligt tegen de onderzijde van de hersenen, tussen de beide hersenhelften. De hypofyse produceert een hormoon dat de groei van de beenderen van het skelet regelt. Als de hypofyse te veel van dit groeihormoon produceert, ontstaat reuzengroei. Produceert de hypofyse te weinig groeihormoon, dan ontstaat dwerggroei. Daarnaast produceert de hypofyse hormonen die de werking van andere hormoonklieren beïnvloeden.



Bij vrouwen stimuleren hormonen uit de hypofyse bovendien de rijping van follikels in de eierstokken en de ovulatie (eisprong). Bij mannen stimuleren hormonen uit de hypofyse de productie van zaadcellen door de teelballen. Ook produceert de hypofyse een hormoon dat de schildklier stimuleert.



De schildklier ligt in de hals, voor het strottenhoofd, tegen de luchtpijp aan. Onder invloed van een hormoon uit de hypofyse produceert de schildklier het schildklierhormoon. Schildklierhormoon beïnvloedt de stofwisseling en de groei en ontwikkeling. Schildklierhormoon stimuleert de verbranding in cellen. Als bij iemand de schildklier te veel schildklierhormoon produceert, vindt er te veel verbranding in de cellen plaats. Als bij iemand de schildklier te weinig schildklierhormoon produceert, vindt er te weinig verbranding in de cellen plaats.



Dwerggroei kan een gevolg zijn van een te lage productie van schildklierhormoon vanaf de geboorte. Vaak gaat deze vorm van dwerggroei gepaard met een beperkte geestelijke ontwikkeling.



Als bij een volwassen persoon te weinig schildklierhormoon wordt geproduceerd, kan de schildklier zich sterk vergroten. Dit wordt struma (kropgezwel) genoemd. Een te lage productie van schildklierhormoon kan worden veroorzaakt doordat er te weinig jood in het voedsel voorkomt. Jood is noodzakelijk voor de vorming van schildklierhormoon. Tegenwoordig komt een joodtekort haast niet meer voor, o.a. doordat joodhoudend zout wordt gebruikt bij het bakken van brood.







Paragraaf 8 de eilandjes van Langerhans en de bijnieren

• de hypofyse produceert groeihormoon en hormonen die de werking van andere hormoonklieren beïnvloeden



- groeihormoon stimuleert de groei van de beenderen van het skelet



- een hormoon uit de hypofyse stimuleert de productie van schildklierhormoon door de schildklier.



- Hormonen uit de hypofyse beïnvloeden de eierstokken en teelballen.



• de schildklier produceert schildklierhormoon



- schildklierhormoon beïnvloedt de stofwisseling. Het stimuleert de verbranding in cellen en de groei en ontwikkeling.



- Voor de vorming van schildklierhormoon is jood nodig. Bij gebrek aan jood kan struma ontstaan



• de eilandjes van Langerhans produceren insuline en glucagon.



- insuline en glucagon houden het glucosegehalte van het bloed (de bloedsuikerspiegel) min of meer constant.



- Bij een hoog glucosegehalte van het bloed produceren de eilandjes van Langerhans veel insuline. Onder invloed van insuline wordt in de lever en in de spieren glucose omgezet in glycogeen. Glycogeen wordt opgeslagen.



- Bij een laag glucosegehalte van het bloed produceren de eilandjes van Langerhans veel glucagon. Onder invloed van glucagon wordt in de lever en in spieren glycogeen omgezet in glucose. De glucose wordt opgenomen in het bloed.



- Suikerziekte (diabetes): er wordt te weinig insuline gevormd, waardoor het glucosegehalte van het bloed te hoog wordt. Er wordt dan glucose uitgescheiden met de urine.



• de bijnieren produceren adrenaline.



- adrenaline komt vrij bij woede, angst en schrik. Het heeft een snelle, kortdurende werking.



- Onder invloed van adrenaline wordt in de lever en in spieren glycogeen omgezet in glucose. De glucose wordt opgenomen in het bloed. Hierdoor stijgt het glucosegehalte van het bloed.



- Onder invloed van adrenaline worden de hartslag en ademhaling versneld.









THEMA 7

§1. Het zintuigenstelsel.

§2. Voelen en proeven.

§3. De bouw van de ogen.

§4. De iris en de ooglens.

§5. Het netvlies.





§1 Het zintuigenstelsel

Het zintuigstelsel bestaan uit zintuigen. Een zintuig in een orgaan dat reageert op prikkels uit het milieu.



In zintuigcellen ontstaan alleen impulsen als een prikkel sterk genoeg is. We noemen de kleinste prikkelsterkte die een impuls veroorzaakt de drempelwaarde. als een prikkel zwakker is dan de drempelwaarde ontstaan geen impulsen. Een licht geluid hoor je dan niet.



zintuigen ligging Adequate prikkel



Gezichtszintuigen In de ogen Licht



Gehoorzintuigen In de oren Geluid



Evenwichtszintuigen In de oren Zwaartekracht



Reukzintuig In de neus Geur



Smaakzintuigen In de tong Smaak



Warmtezintuigen In de huid Warmte



Koudezintuigen In de huid Koude



Drukzintuigen In de huid Druk



Tastzintuigen In de huid Lichte aanraking



- Reukzintuigen: zintuigen met reukharen in het neusslijmvlies.



- Smaakzintuigen: smaakknopjes aan de zijkanten van groefjes min de tong.



• Met de smaakknopjes kun je 4 smaken proeven.



(zoet, zuur, zout en bitter).



• Bij het proeven van andere smaken speelt het reukzintuig een belangrijke rol.



- Tastzintuigen: tastknopjes vlak onder de opperhuid.



- Drukzintuigen: dieper in de huid.



- Pijn neem je waar met de uiteinden van bepaalde zenuwen (puntpijnen).



• Pijnpunten komen overal voor in het lichaam.







§2 Voelen en proeven

Tastknopjes liggen vlak onder het opperhuid. In de tastknopjes liggen tastzintuigen die reageren op lichte aanrakingen van je huid.



Drukzintuigen liggen dieper in de huid. Drukzintuigen reageren wanneer er op de huid wordt gedrukt.



Warmte- en koudezintuigen reageren op de temperatuur dat op de huid komt.



Pijnpunten zitten aan je zenuwen vast.



Het reukzintuig bevind zich ik de neus. De neusholte is bekleed met neusslijmvlies. In de neus zitten reukharen.



Smaakzintuigen bevinden zich op het oppervlak van de tong. Over de tong lopen kleine groefjes. Aan de zijkant van die groefjes liggen smaakknoppen waarmee je kunt proeven.







§3 De bouw van de ogen

De wenkbrauwen zorgen ervoor dat er geen water of zweet ik je ogen komt.



De wimper zorgen ervoor dat er geen vuil in je ogen komt.



Het witte gedeelte in de oog noemen we het harde hoornvlies. Het gekleurde gedeelte van je oog het de iris of regenboogvlies. In de iris zit een opening de pupil. Over de iris en de pupil heen ligt een hoornvlies.



Traanklieren produceren traanvocht. Door knipperen met je oogleden verspreid je het vocht over de ogen heen. In de ooghoeken zitten twee kleine openingen. Hierdoor voeren de traanbuisjes het overige vocht af.



Om de oog heen zitten verschillende spieren (kijk voor afb.9/10 in boek blz.54/55).



In het midden van de oog ligt een gele vlek waardoor je beter kunt zien.



Op de plaats waar het netvlies het oog verlaat heet de blinde vlek.



Achter de iris en de pupil bevindt zich de lens. Rondom de lens zit het straalvormig lichaam. Het straalvormig lichaam en de lens zorgen ervoor dat je scherp kunt zien.







§4 De iris en de ooglens

Bij een oog wordt een beeld gevormd op het netvlies. Dit beeld in omgekeerd en verkleind (zie afb.12 blz.56)



Je draait het diafragma om goed te zien. De zintuigcellen in het netvlies in je oog zorgen samen voor een pupilreflex.



De kringspieren lopen rondom de pupil. Als ze zich samentrekken, wordt de pupil kleiner. De straalsgewijs lopende spieren lopen van de pupil naar de buitenrand van de iris. Als ze zich samentrekken, wordt de pupil groter.



Je ogen kunnen een bolle of positieve lenzen hebben.



Voor spieren hoe dat zit in je ogen moet je kijken in het boek blz.58,59 afb. 16,17 en 18.



Sommige mensen hebben staar. Door een kleine operatie kan dat tegenwoordig verholpen worden.







§ 5 Het netvlies

In de laag zintuigcellen liggen twee typen zintuigencellen: staafjes en kegeltjes. Met staafjes kun je alleen contrasten zien in zwart/grijs/wit. Staafjes hebben een lage drempelwaarde voor licht. Daardoor kun je met de staafjes ook in de schemering voorwerpen zien. De staafjes liggen verspreid over het hele netvlies, maar in de gele vlek en de blinde vlek liggen geen staafjes.



Met de kegeltjes kun je kleuren zien. Kegeltjes hebben een hogere drempelwaarde voor licht dan staafjes. Bij iemand die kleurenblind is, werken bepaalde kegeltjes niet goed. De meest voorkomende is roodgroenkleurenblindheid. De laag van zenuwcellen ligt tegen het glasachtig lichaam aan. In de blinde vlek liggen geen zenuwcellen.



Voor duidelijkheid kijk in het boek bij afb.20!









THEMA 8

Paragraaf 1 het skelet

Paragraaf 2 kraakbeenweefsel en beenweefsel

Paragraaf 3 beenverbindingen

Paragraaf 4 de bouw en werking van spieren

Paragraaf 5 houding en beweging

Paragraaf 6 blessures







Paragraaf 1 het skelet

De mens heeft ( net als alle andere gewervelden) een inwendig skelet of geraamte. Dit skelet bestaat uit vele beenderen (botten).



De beenderen in het hoofd vormen samen de schedel. De schedel word gedragen door de wervelkolom die in de romp naar beneden loopt.



De borstwervels, de ribben en het borstbeen vormen samen de borstkas. De schouderbladen en de sleutelbeenderen vormen samen de schoudergordel. De heupbeenderen vormen de bekkengordel of het bekken.



Armen en benen worden ook wel ledematen genoemd. Van de beenderen in de arm zijn spaakbeen en ellepijp moeilijk uit elkaar te houden. Ezelsbruggetje bij de pols zit de ellepijp vast aan de kant van de pink. Het spaakbeen zit vast aan de kant van de duim.



Functies van het skelet:



• stevigheid geven aan het lichaam



• tere organen in het lichaam beschermen



• bewegingen mogelijk maken



- de meeste beenderen van het skelet zijn beweeglijk met elkaar verbonden



- aan de beenderen zitten spieren vast



• vorm geven aan het lichaam



typen beenderen:



• pijnbeenderen: langwerpige beenderen



- komen vooral voor in de ledematen, bijvoorbeeld dijbeen en scheenbeen



- in de koppen bevinden zich vele kleine holten met rood beenmerg. In het rode beenmerg worden bloedcellen gevormd.



- In het deel tussen de koppen bevindt zich een mergholte met geel beenmerg. In het gele beenmerg is vet opgeslagen.



• platte beenderen:



- komen vooral voor in de schedel en in de romp, bijvoorbeeld schedelbeenderen, schouderbladen, ribben, borstbeen, heupbeenderen.



- In platte beenderen bevindt zich rood beenmerg.



Zoolgangers, teengangers en topgangers:



• zoolgangers: lopen op de hele voetzool, bijvoorbeeld beren, mensen



- door het lopen op de hele voetzool is het steunoppervlak groot



• teengangers: lopen op de tenen, bijvoorbeeld katten



• topgangers (hoefgangers): lopen op de toppen van de tenen, bijvoorbeeld paarden



- door het lopen op de toppen van de tenen zijn de poten lang







Paragraaf 2 kraakbeenweefsel en beenweefsel

• kraakbeenweefsel is stevig en goed buigzaam



- de cellen liggen in groepjes in de tussencelstof



- bij volwassenen komt kwaakbeenweefsel alleen op speciale plaatsen voor (bijvoorbeeld in de oorschelpen, in de neus, in gewrichten, tussen de wervels).



• beenweefsel is heel stevig en een beetje buigzaam



- de cellen liggen in de tussencelstof in kringen rondom fijne kanaaltjes met bloedvaten



- kalkzouten in de tussencelstof geven stevigheid (hardheid).



- Lijmstof in de tussencelstof zorgt voor de buigzaamheid



• samenstelling van de beenderen tijdens het leven.



- baby’s: de beenderen bestaan voornamelijk uit kraakbeenweefsel



- kinderen: de beenderen bestaan uit beenweefsel met veel lijmstof en weinig kalkzouten



- bejaarden: de beenderen bestaan uit beenweefsel met weinig lijmstof en veel kalkzouten.







Paragraaf 3 beenverbindingen

• vergroeid:twee of meer beenderen zijn tot één geheel geworden.



- hierbij is geen beweging mogelijk



- bijvoorbeeld de wervels van het heiligbeen en van het staartbeen



• door een naad.



- hierbij is geen beweging mogelijk



- bijvoorbeeld de wervels, de ribben en het borstbeen



• door kraakbeen.



- hierbij is een beetje beweging mogelijk



- bijvoorbeeld de wervels, de ribben en het borstbeen



• door een gewricht.



- hierbij is veel beweging mogelijk



- bijvoorbeeld de vingerkootjes



de bouw van een gewricht



• gewrichtskogel (gewrichtskop) en gewrichtskom



• kraakbeenlaagjes (op de gewrichtskogel en de gewrichtskom):



- gaan slijtage tegen;



- hierdoor kan een gewricht soepel bewegen



• gewrichtskapsel:



- geeft gewrichtssmeer af, waardoor het gewricht soepel kan bewegen;



- houdt de botten op hun plaats



• bij sommige gewrichten helpen stevige kapselbanden mee de botten op hun plaats te houden



3 typen gewrichten



• kogelgewrichten



- hierbij is beweging mogelijk in verschillende richtingen o.a. een draaiende beweging



- bijvoorbeeld schouderblad en opperarmbeen (schoudergewricht).



• scharniergewrichten



- hiermee is alleen een beweging heen en terug mogelijk



- bijvoorbeeld opperarmbeen en ellepijp (ellebooggewricht)



• rolgewrichten



- het ene bot draait in de lengteas om het andere heen



- bijvoorbeeld spaakbeen en ellepijp (hiermee kun je de palm van je hand naar beneden of naar boven houden).







Paragraaf 4 de bouw en werking van spieren

Door je spieren kun je je bewegen. Al je spieren samen vormen je spierstelsel. Een spier is omgeven door bindweefsel: de spierschede. Het bindweefsel geeft een spier stevigheid. Aan de beide uiteinden van de spier gaat het bindweefsel van de spierschede over in het bindweefsel van pezen. Met deze pezen zit een spier vast aan beenderen.



Een spier bestaat uit een aantal spierbundels. Een spierbundel bestaat uit een aantal spiervezels. Elke spiervezel is ontstaan door samensmeltingen van vele spiercellen.



De plaats waar een pees aan een bot vastzit, heet aanhechtingsplaats.



Als de armbuigspier of biceps zich samentrekt, wordt de onderarm omhooggetrokken. De arm word dan gebogen. Als de armstrekspier of triceps zich samentrekt, word de arm gestrekt.



Spieren waarvan het samentrekken een tegengesteld effect heeft, noemen we antagonisten.







Paragraaf 5 houding en beweging

• de wervelkolom heeft een dubbele S-vorm



- deze vorm wordt in stand gehouden door rugspieren die aan de wervels zijn bevestigd



- tussenwervelschijven weken als schokbrekers



• een goede lichaamshouding voorkomt afwijkingen in de vorm van de wervelkolom en daardoor (rug)pijn



- bij een gebogen rug worden tussenwervelschijven aan één kant ingedrukt.



- Als dit vaak en langdurig gebeurt, kunnen de tussenwervelschijven een deel van hun veerkracht verliezen.



- De tussenwervelschijven kunnen dan uitpuilen en daardoor zenuwen afklemmen. Dat veroorzaakt pijn



- Door goed rechtop te staan en goed rechtop te zitten, houdt de wervelkolom de dubbele-S-vorm. De tussenwervelschijven worden dan niet aan één kant ingedrukt



- Door te tillen vanuit de knieën houdt de wervelkolom de dubbele-S-vorm. De beenspieren helpen dan mee bij het tillen







Paragraaf 6 blessures

• spierscheuring: spiervezels zijn gescheurd



- oorzaak: een te sterke inspanning of een plotselinge beweging



- een spierscheuring geneest meestal door rust



• botbreuk



- oorzaak: meestal een val of ruw spel



- de botdelen moeten in de goede stand staan om weer vast te kunnen groeien. Soms moeten de botdelen worden gezet



• voetbalknie: in het kniegewricht is een meniscus (een stukje kraakbeen) gescheurd



- meestal zijn ook het gewrichtskapsel en de kapsel banden (de kniebanden of kruisbanden) beschadigd



- vaak moet een gescheurde meniscus operatief worden verwijderd



• kneuzing: een beschadiging van weefsel zonder dat er iets is gescheurd of gebroken



- oorzaak: meestal een stoot, een stomp of een trap



- een gekneusde plek zwelt op, onder andere door een inwendige bloeding



- een kneuzing geneest meestal door rust



• verzwikking: een kneuzing van een gewricht



- als je je voet verzwikt, rekken het gewrichtskapsel en de kapselbanden bij je enkel te ver uit.



- Bij een ernstige verzwikking kunnen je enkelbanden scheuren



• ontwrichting: de gewrichtskogel schiet uit de gewrichtskom



- als je verkeerd op je arm valt, kan je arm uit de kom schieten



- een arts moet de gewrichtskogel weer op zijn plaats brengen in de gewrichtskom



• ontstekingen van de aanhechtingsplaatsen van spieren



- oorzaak: overbelasting van de spieren



- bij een tennisarm is de aanhechtingsplaats van een elleboogspier ontstoken



- bij een achillespeesontsteking is de aanhechtingsplaats van een kuitspier ontstoken



- een tennisarm en een achillespeesontsteking genezen meestal door rust



• veel blessures worden behandeld met ijswater



- ijswater vermindert een inwendige bloeding



- ijswater vermindert een zwelling



- ijswater vermindert de pijn, doordat er minder impulsen naar de hersenen worden geleid.











THEMA 8

§ 1 WAT IS GEDRAG?

§ 2 HOE WORDT GEDRAG VEROORZAAKT?

§ 3 HOE WORDT GEDRAG BEPAALD?

§ 4 SOCIAAL GEDRAG.

§ 5 GEDRAG BIJ DE MENS.







Basisstof 1. Wat is gedrag?

Gedrag: alles wat een dier of mens doet.



• Beweging



• Geluiden



• Slapen



• Kleur veranderen



• Geurstoffen afscheiden



• Lichaamshouding handhaven



De meeste gedragingen komen tot stand door de werking van spieren.



Sommige gedragingen komen tot stand door de werking van klieren.



Respons: een reactie van een dier of mens op een prikkel.



Handelingen: het gedrag van een dier of een mens is opgebouwd uit een aantal handelingen.



De studiedag van gedrag:



Ethologie: de studie van gedrag.



Etholoog: iemand die de studie het van het gedrag bestudeert.



Objectief: een beschrijving van elk type handeling. Zo’n beschrijving moet objectief zijn.



Dat wil zeggen dat alleen werkelijk gebeurde feiten erin mogen worden vermeld, geen meningen van de waarnemer.



Ethogram: een objectieve beschrijving van de handeling van een diersoort.



Protocol: is een lijst van opeenvolgende waargenomen handelingen van een dier.



Met behulp van een protocol kunnen o.a. de volgende vragen worden beantwoord:



• Hoe vaak komt elke handeling voor?



• Hoe lang duurt elke handeling?



• Is er een vast volgorde tussen bepaalde handelingen?



Gedragsketens:

Gedragsketen: als het effect van de ene handeling leidt tot een volgende handeling.



Voortplantingsgedrag: zie boek.



Territorium: het gebied rond de nestplaats.



Agressie: omdat het territorium wordt verdedigd tegen indringers. Vooral andere mannetjes met een rode buik wekken veel agressie op.



Balts: bestaat uit handelingen die een gedragsketen vormen.



Zigzagdans: als een vrouwtje de nestplaats nadert, zwemt het mannetje naar haar toe. Het mannetje begint in de buurt van het vrouwtje zigzaggend te zwemmen.



Baltshouding: het vrouwtje reageert daarop door een bepaalde houding aan te nemen: schuin omhoog met een holle rug.



Als het mannetje dit ziet, zwemt hij naar het nest toe. Het vrouwtje volgt hem. Het mannetje gaat op zijn zij liggen, met de kop bij de nestingang. Hierop gaat het vrouwtje het nest in.



Sidderen: het mannetje stoot nu met zijn snuit herhaaldelijk tegen het achterlijf van het vrouwtje aan.



Broedzorg: het mannetje verzorgt de eieren en de jongen.



Waaieren: hierbij staat het mannetje met zijn kop schuin naar beneden voor het nest en wappert met zijn borstvinnen. Hierdoor ontstaat een waterstroom door het nest heen, zodat het water in het nest wordt ververst.







2. hoe wordt gedrag veroorzaakt

؏ Prikkels en motiverende factoren

؏ Voedingsgedrag

؏ Voortplantingsgedrag

؏ Inwendige prikkels

؏ Uitwendige prikkels

؏ Sleutelprikkel

؏ Supranormale prikkels



Je gedrag wordt veroorzaakt door prikkels en motiverende factoren. Jonge volgens prikkelen de moeder om voedsel te geven. De jonge vogels hebben een motiverende factor om de moeder te vragen om voedsel.



Voorbeelden van motiverende factoren zijn honger, dorst en hormonen. Motiverende factoren zetten je aan om iets te ondernemen.



Honger en dorst > voedingsgedrag



hormonen > voortplantingsgedrag



Ter onderscheid worden motiverende factoren ook wel inwendige prikkels genoemd en worden prikkels uitwendige prikkels genoemd.



Een sleutelprikkel is een prikkel die uiteindelijk de doorslaggevende rol speelt bij het veroorzaken van een bepaald gedrag. Zo is het prikken op de bek van de moedervogel voor voedsel een sleutelprikkel.



Bepaalde prikkels veroorzaken een nog sterker gedrag dan een sleutelprikker, deze prikkels noemen we supranormale prikkels.







3. hoe wordt gedrag bepaald?

؏ Erfelijke factoren

؏ Ervaring

؏ Geleerd

؏ Leerprocessen

؏ Aangeboren gedrag

؏ Aangeleerd gedrag



Als jonge dieren, nu als voorbeeld kievitsjongen, alleen uitgebroed worden in een broedmachine en geen andere soortgenoten ziet en dus moeten ze alleen leren leven. De volwassen kievit trappelt met zijn poten op vochtig grond zodat de wormen naar boven komen en zodat dieren het op kunnen eten. Uit onderzoek met de net geboren kieviten gingen ze kijken of het een erfelijk iets is en het bleek een erfelijke factor te zijn.



In een vochtig grasland levert het trappelen voedsel op maar als je dat op een natte dweil doet (net als bij de jonge kieviten) levert het helemaal niks op. Als een kievit vaker op een natte dweil wordt gezet leert hij uit ervaring dat het niks oplevert. De kievit heeft dus geleerd dat het op een natte dweil niks oplevert.



Door iets te leren, kunnen dieren zich aanpassen aan veranderde omstandigheden. Door leerprocessen ontwikkelt het gedrag zich tijdens het leven van een dier.



Gedrag dat wordt bepaald door erfelijke factoren wordt aangeboren gedrag genoemd.



Gedrag dat ontstaat door leerprocessen wordt aangeleerd gedrag genoemd.







Basisstof 4. Sociaal gedrag

Sociaal gedrag: het gedrag van soortgenoten ten opzichte van elkaar.



Signalen: de handelingen bij sociaal gedrag.



Communicatie: door signalen tussen soortgenoten communicatie mogelijk.



Territoriumgedrag:



Territoriumgedrag: het mannetje verdedigt het gebied tegen binnendringende soortgenoten.



Dreiggedrag: veel dieren die een territorium verdedigen, vertonen op de grens ervan dreiggedrag als een indringer nadert.



Dreiggedrag bevat vaak kenmerken van zowel aanvalsgedrag als van vluchtgedrag.



Oorspronggedrag: ontstaat als de motieverende factoren voor twee tegenstrijdige gedragingen (aanvallen en vluchten) even sterk zijn.



Voortplantingsgedrag:

Voortplantingsgedrag bestaat bij veel dieren uit Baltsgedrag. Gevolgd door paring. Baltsgedrag dient om paren te vormen en beide dieren voor te bereiden op de paring.



Balts: bestaat uit een aantal signalen die gedragsketen vormen.



Broedzorg: zie basisstof 1.



Rangorde in groepen:



Rangorde: Bij dieren die in groepsverband leven, bestaat in de groep vaak een bepaalde rangorde.



Dominante: Bij een groep kippen is er één hen die naar alle andere hennen pikt. Deze hen verdringt alle anderen hennen bij het verkrijgen van voedsel. We noemen deze hen de meest dominante hen.



Pikorde: de rangorde bij kippen.



Imponeergedrag: ze maken zich zo groot en indrukwekkend mogelijk.



Verzoeningsgedrag: Tegenover het dreiggedrag van een dominant mannetje vertoont het ondergeschikte dier vaak verzoeningsgedrag.



Statenvormende insecten:



Staten: in een staat leven veel dieren samen.



Taakverdeling: tussen deze soortgenoten is er een sterke taakverdeling.



Koningin: de koningin heeft als taak eieren te leggen. Een koningin leeft gewoonlijk 3 tot 4 jaar.



Werkbijen: dat zijn vrouwtjes waar bij de voortplantingsorganen niet tot ontwikkeling zijn gekomen. Daardoor kunnen werkbijen geen eieren leggen.



Darren: mannetjes die de koningin bevruchten. Vaak jaagt de koningin hun dan weg en gaan ze snel dood door de honger.



Bijendans: zo informeren bijen elkaar over een voedselbron.







5. gedrag bij de mens

؏ Erfelijke factoren

؏ Leerprocessen

؏ Wenkbrauwgroet

؏ Opvoeding

؏ Sociaal

؏ Nadenken

؏ Beoordelen

؏ Normen

؏ Waarden

؏  Rolgedrag

؏ Rolpatroon

؏ Traditionele man -vrouwpatroon

؏ Sleutelprikkels

؏ Supranormale prikkels

؏ Territorium gedrag dreiggedrag

؏ Dreiggedrag

؏ Imponeergedrag

؏ Overspronggedrag



Gedrag van mensen wordt bepaald door erfelijke factoren en door leerprocessen. Een deel heb je al van gedrag (erfelijk) en het andere deel ‘leer’ je van je omgeving.



Erfelijke factoren: Boos



Blij



Angst



wenkbrauwgroet



Bij deze wenkbrauwgroet worden de wenkbrauwen opgetrokken. Gevolgd door een vriendelijk glimlach. Veel menselijk gedrag berust op leerprocessen. Tijdens de opvoeding proberen ouders hun kinderen zoveel mogelijk signalen mee te geven.



Door al deze leerprocessen wordt het kind gesocialiseerd. Dit zorgt er voor dat een kind zich sociaal ontwikkeld.



Mensen hebben de mogelijkheid om na te denken. Zo kunnen mensen hun eigen gedrag beoordelen. Ze kunnen zich afvragen welk gedrag goed is en welk gedrag juist slecht is.



Normen zijn gedragsregels waarvan veel mensen vinden dat je je eraan moet houden. Waarden zijn uitgangspunten die mensen gebruiken bij het inrichten van hun leven. Voorbeelden van waarden zijn:



Respect



Eerlijkheid



Rechtvaardigheid



vrijheid



Rolgedrag is gedrag dat andere van iemand verwachten in bepaalde situaties. Als iemand rolgedrag vertoond, voldoet hij of zij aan een rolpatroon. Een bekend rolpatroon is het traditionele man-vrouwtolpatroon. Van de man wordt er verwacht dat hij een baan heeft, van de vrouw dat zij het huishouden doet binnen het gezin.



Ook mensen zijn gevoelig voor sleutelprikkels. Dit kun je zien bij een klein baby’tje. Volwassen vinden dat baby’tje namelijk heel lief. Bekende sleutelprikkels zijn dan ook: Grote ogen, wipneusje, Klein mondje etc.. In strips worden deze sleutelprikkels vaak nog duidelijker uitgebeeld. De tekenaars werken dan met supranormale prikkels. Voorbeelden hiervan zijn bijvoorbeeld:



1. Wijd geopende ogen staren > dreiggedrag



2. Zo groot mogelijk maken, te zien aan de kleding > imponeergedrag



3. Hoofd krabben, door haren strijken > overspronggedrag













BIOLOGIE VOOR JOU VMBO 4





THEMA 1

• § 1 Stoffen worden omgezet

• § 2 Fotosynthese

• § 3 Glucose als grondstof

• § 4 Verbranding

• § 5 Fotosynthese en verbranding







1 Stoffen worden omgezet.

Stofwisseling vorming van nieuwe stoffen en vrijmaken van energie. Alle processen in organismen.



Verbranding in Stoffen worden omgezet in andere stoffen.



cellen van je lijf.



Organische stoffen van organismen of van producten van organismen



* Koolhydraten natuur voorkomen



(glucose, suiker, zetmeel) gevormd door organismen



* eiwitten



* vetten



Anorganische stoffen in organismen voor als in levenloze natuur.



* mineralen (zouten)



* water (regenwater niet afkomstig van organismen)



Enzymen stoffen die ervoor zorgen dat de reacties snel plaatsvinden  zelf niet verbruikt.



Speciale eiwitten



Enzymen  specifiek  1 enzym versnelt 1 reactie.







§ 2 Fotosynthese.

Fotosynthese  alle groene plantendelen die in het licht staan.



Koolstofdioxide * geschikte temperatuur



en water * cellen met bladgroen



glucose en  energierijke stof



zuurstof



Koolstofdioxide + water + lichtenergie  glucose + zuurstof



Bij fotosynthese verbruikt een plant koolstofdioxide en water. Koolstofdioxide wordt opgenomen uit de lucht, vooral via huidmondjes. Water wordt opgenomen uit de bodem, vooral via wortelharen.







§ 3 Glucose als grondstof.

Glucose  omzet in:



- Suiker  vervoerd naar alle delen van de plant.



- Zetmeel  tijdelijk opgeslagen: bladeren.



 langer opgeslagen: ondergrondse plantendelen = wortels, winterpeen, knollen, aardappelplant.



- Cellulose  celwanden van planten



samen met nitraat - Eiwitten  opgeslagen in zaden



- Vetten  veel vetten in sommige planten:



- zonnebloempitten



- Voedingszout - pinda’s



voor planten - noten



nitraat uit de bodem



Organische stoffen  bouwstoffen , brandstoffen



Vorming van bij branding



Cellen en weefsels







§ 4 Verbranding.

Verbranding brandstoffen met zuurstof: verbrandingsproducten: koolstofdioxide en water.



Vorm van warmte of beweging



Glucose + zuurstof  koolstofdioxide + water + energie



(brandstof) (verbrandingsproducten)



(Warmte + beweging)



Grondstofwisseling  stofwisseling lichaam in rust.



Warmbloedig  constante lichaamstemperatuur



Vogels/Zoogdieren



Koudbloedig  gelijk aan de temperatuur van omgeving







§ 5 Fotosynthese en verbranding.

zie afbeelding boek









THEMA 2

• § 1 Voorplanting

• § 2 Bouw en functie van bloemen

• § 3 Bestuiving

• § 4 Bevruchting

• § 5 Ontkieming, groei en ontwikkeling

• § 6 Wortels, stengels, bladeren

• § 7 Stevigheid en bescherming







§ 1 Voorplanting.

Knollen  verdikte stengel met veel reservevoedsel.



Aardappelplant uit aardappel



Nieuwe aardappelplant



Bollen  Bolschijf met rokken  ertussen knoppen



Verdikte bladeren met veel reserve voedsel



Pellen  uit een oude bol worden nieuwe bollen gehaald.



Uitlopers en wortelstokken  bepaalde plaatsen met jonge planten.







§ 2 Bouw en functie van bloemen.

Alleen meeldraden = mannelijk



Of



Alleen stampers = vrouwelijk



=



Eenslachtig



Meeldraden en stampers = tweeslachtig.







§ 3 Bestuiving.

Bestuiving  stuifmeel van een meeldraad op de stempel van een stamper.



Insectenbloemen = stuifmeel overgebracht door insecten.



- grote bloemen



- opvallend gekleurde kroonbladeren



windbloemen = bestoven door de wind.



Kruisbestuiving = stuifmeel van de ene plant op de stempel van een van een andere plant doen.



Zelfbestuiving = stuifmeel op de stempel van dezelfde bloem.







§ 4 Bevruchting.

Stuifmeel buis  door de stijl naar een zaadbeginsel in het vruchtbeginsel.



Daardoor heen gaat de kern



Van de stuifmeelkorrel



Naar het zaadbeginsel



Als die is bereid barst



de top van de stuifmeel-



buis open.



Vrucht  erin zaden voor nieuwe plant.



Paardenbloem  pluisje



Esdoorn  vleugels







§ 5 Ontkieming, groei en ontwikkeling.

Ontkieming  afhankelijk van factoren:



Kiem



Kiemplantje



Celdeling, plasmagroei en celstrekking



Levenscyclus zaadplanten:



Ontkiemingzaad



Kiemplantje



Volwassen plant



Bloemen



Vruchten en zaden



Nieuw kiemplantje



Individu sterft / soort blijft bestaan.



• Eenjarige planten  ontwikkeling zaad tot zaad binnen 1 jaar.



 Maïs



 Zonnebloem



 klaproos



• Tweejarige planten  ontwikkeling zaad tot zaad binnen 2 jaar.



 Peen



 Vingerhoedskruid



 Soortendistels



• Meerjarige planten (overblijvende planten)  meerdere jaren zaad vormen.



 Overblijvende bruidachtige planten  elk najaar sterven boven grondse delen helemaal of gedeeltelijk af.



 Reservevoedsel opgeslagen in ondergrondsedelen



 Knol



 Bol



 Wortelstok



• Overblijvende houtachtige planten



 Bomen



 Struiken







§ 6 wortels, stengels en bladeren.

Stengels  stevigheid planten



Dragen de bladeren



en de bloemen.



Vaten  lange dunne buisjes, lopen van wortels tot in bladeren.



 Houtvaten



 Bastvaten



In stengels  vaatbundels  vezels (  stevigheid)



In bladeren  nerven



Houtvaten  boven elkaar gelegen houtcellen



Zetten verdikkingen af van cellulose en houtstof



Water en mineralen



(zouten) vervoerd.



Bastvaten  boven elkaar gelegen bastcellen.



Dwarswanden verdwijnen niet, komen openingen (zeefplaten) in.



Vervoeren water en assimilatieproducten.



 Glucose



 Andere organische stoffen (suiker)



Wortelharen  uitstulpingen van opperhuidcellen.



Zuiging van bladeren  water omhoog vervoerd tegen zwaarte kracht in  komt door verdamping en worteldruk.



Druppelen  druppels aan rand van plant door verdamping.



Jaarring  leeftijd van een boom door de jaarringen te tellen.







§ 7 Stevigheid en bescherming.

Turgor  druk van de cel tegen de celwand



Opperhuid en vulweefsel krijgen stevigheid.



Vezels  kunnen ook voor stevigheid zorgen



Langgerekte cellen



Waslaagje  verdamping tegen



 Hulst (dikwaslaagje)



 Vetplanten (dikwaslaagje)



Planten droge omgeving  klein oppervlak, dik waslaagje, weinig huidmondjes.









THEMA 3

§ 1 Invloeden uit het milieu

§ 2 Voedselrelaties

§ 3 Kringlopen

§ 4 Piramides

§ 5 Populaties

§ 6 Aanpassingen bij dieren

§ 7 Aanpassingen bij planten







§ 1 Invloeden uit het milieu.

Ecologie  alle relaties tussen organismen en hun milieu.



Invloedenmilieu  2 groepen verdelen:



 Biotische factoren: invloeden afkomstig van de levende natuur, invloeden afkomstig van andere organismen



 Abiotische factoren: (a = zonder, bios = leven)



Roodborstje wordt beïnvloedt door:



 Insectenvangen



 Roofvogels ontwijken



 Temperatuur



 Regenval



 Wind



 Zuurstof gehalte van de lucht.



Niveaus  makkelijker ecologie bestuderen.



 Individu = 1 organisme



 Populatie = groepsindividuen van dezelfde soort



 Levensgemeenschap = populaties van verschillende soorten



Biotoop  alle abiotische factoren samen



Ecosysteem  biotische en abiotische factoren samen



 Duingebied, sloot



 Bos, heideveld







2 Voedselrelaties.

Voedselketen  reeks soorten, elk soort voedselbron voor volgende soort.



Plantensoort als 1e schakel

Alg

Watervlo

Baars

Snoek

Reiger



Autoroof (autos = zelf, trophein = voeden)  organisme geen andere organisme als voedsel nodig. (bomen en planten)



Heterotroof (heteros = onder, trophein = voeden)  organisme voeden zich met andere organismen (slak, meeuw, mus, dolfijn)



1e schakel  producten (planten)

2e schakel  consumenten (dieren)

Planteneters

Vleeseters

Alleseters / afvaleters

3e schakel  reducenten (bacteriën en schimmels)



maken kringloop van stoffen in ecosysteem compleet







§ 3 Kringlopen.

Koolstofkringloop = zie hieronder



Stikstofkringloop = zie hieronder







§ 4 Piramides.

Ca. 1.000.000 plantjes (biomassa ca. 200 kg)

Ca. 10.000 ongew. Planteneters (biomassa ca. 25 kg)

Ca. 50 insecten kleine vogels (biomassa ca. 2 kg)

1 roofvogel (biomassa ca. 0,15 kg)



Piramide biomassa

Vogels

Planteneters

Bomen

Aantallen

Vogels

Planteneters

Bomen







§ 5 Populaties.

Populaties worden groter door / als:

ڳ Veel voedsel beschikbaar

ڳ Weinig vijanden

ڳ Mooi weer



Pioniere ecosysteem  1e ecosysteem dat op een onbegroeid terrein ontstaat



Humus  mengsel van organische stoffen en anorganische stoffen en reducenten



Successie  opeenvolging van verschillende planten en diersoorten



Climaxecosysteem  eindstadium







§ 6 aanpassing bij dieren.

Gestroomlijnd  lichaamsdelen gaan geleidelijk in elkaar over

 Haai (een vis)

 Pinguïn (een vogel)

 Dolfijn (een zoogdier)



 Kop

 Romp

 Staart



Zoolgangers  hele zoetzool lopen

 Beren



Teengangers  Hele tenen lopen

 Katten



Topgangers / Hoefgangers  top van de tenen lopen

 Paarden



Roofvogels  scherpe klauwen  prooi vangen

 Buizerds

 Valken



Loopvogels  3 tenen naar voren, zitten nooit op takken

 Struisvogels



Watervogels  tussen tenen zwemvliezen, teen naar achter en meestal klein, drijven op het water

 Eenden

 Zwanen



Steltlopers  Lange poten zodat romp droog blijft, lange tenen zodat ze minder snel wegzakken in modder waar ze eten zoeken.

 Kieviten

 Scholeksters

 Wulpen



Kegelsnavel  zangvogels die zaad eten, korte snavel veel kracht kan worden gezet, harde zaden kraken

 Vink



Pincetsnavel  puntige snavel waarmee insecten worden gevangen

 Boomkruiper



Haaksnavel  vogels die grote prooi vangen, prooi in stukken wordt gescheurd

 Buizerd



Priemsnavel  vogels die bodem diertjes eten, lange snavel diep in de bodem prikken

 Wulp



Zeefsnavel  vogels die het water afslobberen naar kleine plantjes en dieren

 Wilde eend







§ 7 Aanpassing bij planten.

Zonplanten  bij veel licht. Plaatsen weinig of geen schaduw

 Open veld

 Woestijn



Schaduwplanten  bij weinig licht. Schaduwwijze plaatsen, dunne bladeren

 Bodembegroeiing in loofbossen



Voorjaarsbloeiers  schaduwplanten die in het voorjaar bloeien. Dan krijgen ze het meeste licht.



Waterlelie  groeit alleen in water niet dieper dan 4 meter

 wortels vast in de bodem

 stengels slap + bevatten zuurstof

 bladeren drijven op het water



Waterpest  slappe stengel en heel dunne bladeren

 bladeren onder water

 bloemen boven water









THEMA 4

§ 1 De mens en het milieu

§ 2 Voeselproductie

§ 3 Landbouw in Nederland

§ 4 De lucht

§ 5 Het water





§ 1 de mens en het milieu

Milieu  * Voedsel



* Zuurstof



* Water



* Energie



* Plaats voor recreatie



* Grondstoffen



Milieuproblemen  ingrijpen van mens ernstig verstoord



• Toevoegen  vervuiling



• Onttrekken  uitputting



• Veranderen  aantasting



• Voornaamste  enorme bevolkingstoename en manier van leven.



Bevolkingsdruk  toenemende wereldbevolking



Ruilverkaveling  Grote bedrijven  veranderde het natuurlijk karakter v.h. landschap sterk



Horizonvervuiling  grote fabrieken en andere grote gebouwen aan de horizon  vervuiling







§ 2 voedselproductie

Voedingsgewassen



• Besmetting



• Bodembewerking



• Bescherming tegen ziekten en plagen.



Kunstmest  stikstofhoudende mineralen (o.a. nitraat) en fosfaat



Drijfmest  Gier  gelijk in grond  mestinjectie



Chemische bestrijdingsmiddelen (gifstoffen)  biociden (bios = leven, cidere = doden) of pesticiolen



Biociden



• Niet selectief



• Treedt snel resistentie op



• Langzaam biologisch afgebroken



Accumulatie  bestrijdingsmiddelen hopen zich op in dieren



Vruchtwisseling  nóóit twee jaar achter elkaar zelfde gewas op zelfde stuk grond verbouwen



Krachtvoer  veevoer samengesteld uit verschillende grondstoffen

• Energierijke stoffen

• Mineralen (stikstofhoudende en fosfaat)

• Geneesmiddelen

• Hormonen (groeihormonen



Verdeling van kool =



Kunstmatige inseminatie  sperma van een stier met gunstige eigenschappen opgevangen, in baarmoeder van koeien gebracht



In-vitrofstilisatie  eicellen buiten het lichaam worden bevrucht door sperma cellen







§ 3 Landbouw in Nederland

Meeste bedrijven gespecialiseerd in:

• Akkerbouw

• Veeteelt bedrijven

• Tuinbouw bedrijven



Akkerbouwbedrijven: grote bedrijven met veel grond



Monocultuur: één soort gewas verbouwen op een grote akker

Voordelen:

• Grote machines worden gebruikt

• Akkers brengen veel op

• Gewassen goedkoop worden verbouwd



Nadelen:

• Veel voedsel voor insecten (  insectenplagen)

• Ziekten breiden zich sneller uit

• Worden veel chemische bestrijdingsmiddelen gebruikt (  gaat in ons drinkwater zitten)

• Bodem snel uitgeput



Veeteelt: weinig grond



Bio-industrie: Veel dieren gehouden op 1 bedrijf

Voordelen:

• Veel vlees, melk of eieren produceren



Nadelen:

• Dieren geen prettig leven

• Dieren opgesloten in kleine kooien of hokken

• Varkens zere poten door metalen roosters

• Staartjes en oren worden afgeknipt ( couperen)

• Legkippen in legbatterijen gehouden



Mestoverschot  meer mest produceren dan nodig is



Tuinbouw in opengrond: vroeger werden gewassen vooral buiten verbouwd.



Glastuinbouw: tuinbouw gewassen worden nu veel in kassen verbouwd.

Voordelen:

• Kan worden gezorgd voor optimale omstandigheden voor de planten

• Veel wordt geproduceerd

• Hele jaar door worden planten geproduceerd



Nadelen:

• Veel elektriciteit nodig

• Ziekteverwekkers verspreiden zich gemakkelijker







§ 4 De lucht

- (kijk boek)







§ 5 Het water

Oppervlaktewater: meren, de zee, kanalen en rivieren



Bodemvocht: zit in de bovenste laag van de bodem



Zelfreinigend vermogen: water kan zich dan zelf reinigen



Vermesting: hoeveelheid mineralen neemt sterk toe



Water met grote hoeveelheden mineralen noemen we voedselrijk.



Overvloed aan fosfaat en nitraat veroorzaakt waterbloei



Zuivering van afvalwater:



Aanvoer rioolwater  rooster  voorbezinktank  beluchtingstank  nabezinktank  rivier  rioolslib  afval dat in bezinktanks achterblijft







§ 6 De bodem

Samenstelling van huisvuil:



- Gft-afval



- Papier en karton



- Plastic en andere kunststoffen



- Glas



- Textiel



- Metalen



- Overig afval (hout, stenen enz.)



Afvalwerking:



- Recycling  grondstof voor nieuwe producten



- Composteren



- Verbranden  energie vrij



- Storten







§ 7 maatregelen

Duurzame ontwikkeling: manier van omgaan met het milieu



Energieverbruik in huishoudens:



- Wonen



- Verkeer en reizen



- Eten en drinken



- Elektrische apparaten



- Kleding en schoenen



- Sport en vrije tijd



- Hygiëne en verzorging



- Overig











THEMA 5

§1 Voedselproductie

§ 2 Voedingsmiddelen en voedingsstoffen

§ 3 Het aantonen van zetmeel en glucose

§ 4 Gezonde voeding

§ 5 Het verteringsstelsel

§ 6 Het gebit

§ 7 De organen voor vertering

§ 8 Voeding en vertering bij zoogdieren







§ 1 Voedselproductie

Bacteriën produceren afvalstoffen  veel melkzuur.



Zure melk bevat nog veel andere afvalstoffen, daardoor vinden we zure melk vies.



Speciaal soorten schimmels worden gebruikt bij het produceren van voedsel  Franse kaas, brood, bier of wijn



Gisten  eencellige schimmels



Glucose  alcohol en koolstofdioxide



Omgezet



Bier  graan (meestal gerst)



Wijn  druiven



Conserveren  omstandigheden voor micro-organismen worden ongunstig gemaakt.



Pasteuriseren  melk gedurende tijd verhit tot 72 graden



Steriliseren  melk gedurende tijd verhitten tot 130 – 140 graden



Natuurlijke conserveermiddelen  zuur (azijn), suiker, zout







§ 2 Voedingsmiddelen en voedingsstoffen

Voedingsmiddelen  alles wat je eet of drinkt



Voedingsstoffen  bruikbare bestandsdelen van voedingsmiddelen



Voedingsvezel  verzamelnaam voor alle stoffen die niet door enzymen van de mens kunnen worden verteerd.



Brandstoffen  energie



Plantaardige voedselmiddelen:



• wortel



• prei



• sla



• tomaten



• witlof



• paprika



Dierlijke voedingsmiddelen:



• vis



• yoghurt



• spek



• eieren



• kip



• melk



6 groepen voedingsmiddelen:



1. eiwitten



2. koolhydraten



3. vetten



4. water



5. mineralen (zouten)



6. vitamines



Alle 6  gezond te blijven



5 & 6 beschermende stoffen / tekort kan ziekte veroorzaken



Eiwitten  belangrijke bouwstoffen in je lichaam. Veel eiwitten bij vorming van auto plasma. Eiwitten kunnen niet als reserve stoffen dienen. Kaas, eieren, pindakaas



Koolhydraten  belangrijke brandstoffen in je lichaam. Glucose, suikers, zetmeel



Als bouwstoffen of reservevoedsel



Vetten  dienen als brandstoffen, maar ook als bouw of reservestoffen. Chips, boter, patat



Water  belangrijk bouwstof voor je lichaam.



Vervult belangrijke functie bij vervoer van stoffen in je lichaam



Spa blauw en rood, meloen, tomaten.



Mineralen (zouten)  bouwstoffen. Stevigheid van beenweefsel. Opbouw van gebit. Vorming van hemoglobine. Calcium (kalk), fluor, ijzer, natrium, calium, vis, melk, kip



Vitamines  dienen als bouwstoffen of beschermende stoffen. Belangrijke vitamines: A,B,C,D en K



Boter, vis, kiwi







§ 4 Gezonde voeding

1. eet gevarieerd



2. niet te veel



3. minder verzadigd vet



4. veel groente, fruit en brood



5. veilig







§ 5 Het verteringsstelsel

Verteringstelsel  voedingstoffen worden in het bloed opgenomen

 Glucose



 Mineralen



 Vitamines



 Water



 Eiwitten



 Koolhydraten



 Vetten



Verteringssappen: Speeksel en maagsap (gemaakt in verteringsklieren)



Verteringsklieren:



 Speekselklieren



 Maagsapklieren



 Lever



 Alvleesklier



 Darmsapklieren



Kringspieren en lengte spieren in het darmkanaal



Door het afwisselend samentrekken van deze spieren ontstaan peristaltische bewegingen  darmperistaltiek







§ 6 Het gebit

Gebitselementen  tanden en kiezen



Kroon  het deel dat buiten de kaak uitsteekt



Tand en kies: bestaat voor het grootste deel uit tandbeen (dunlaagje cement)  bedenkt met glazuur



Tandholte  bloedvaten en zenuwen



Wortelvlies zorgt voor bevestiging van tand / kies



In kaak  bedenkt met tandvlees



Afbeelding in boek tand / kies !!



Tandplat  dun laagje aanslag



 Bacteriën  kan tandvlees ontsteking veroorzaken



 Etensresten



 Speeksel







§ 7 De organen voor vertering

Vertering van voedsel begint in mondholte slijm verhoogt de glijbaarheid van voedsel



Speeksel  zorgt ervoor dat een deel van de bacteriën in het voedsel wordt gedood als er voedsel door je keel moet, wordt de neusholte afgesloten met de huig en de luchtpijp met het strotklepje



Maag  tijdelijke opslagplaats voor voedsel maagportier zit aan het eind van de maag.



Maagsap: wordt geproduceerd door maagsapklieren



 Water



 Zoutzuur



 Enzym



In de twaalfvingerige darm monden de afvoerbuizen van de lever en de alvleesklier uit.



Lever  gal  tijdelijke opslag en in gal blaas  opslagplaats  dus geen klier



Gal  emulgeert vetten



Alvleessap  verschillende enzymen bij vertering van eiwitten, koolhydraten en vetten







§ 8 Voeding en vertering bij zoogdieren

Planteneters  herbivoren



Plooikiezen  kiezen met harde richels van glazuur.



Vleeseters  carnivoren



Knipkiezen  scherpe kiezen



Alleseters  omnivoren



Knobbelkiezen  kiezen met knobbelig oppervlak









THEMA 6

§ 1 Gaswisseling bij dieren

§2 Het ademhalingsstelsel van de mens

§ 3 De longblaasjes

§ 4 Ventilatie in de longen

§ 5 Gezonde longen en luchtwegen





§ 1 Gaswisseling bij dieren

Organismen nemen zuurstof op uit hun milieu en geven koolstofdioxide aan hun milieu af.



Eencellige dieren  gaswisseling vindt plaats via het celmembraan



Veelcellige dieren  groter dan eencellige dieren. Hebben speciale ademhalingsorganen. Tracheeën, kieuwen en longen



Tracheeën:



Insecten hebben tracheeën. (sterk vertakte luchtbuizen in het lichaam)



Via opening komt lucht in het tracheeënstelsel. (Stigma’s)



Kieuwen:



Liggen vlak achter de kop in de kieuwholten. De kieuwholten zijn bedekt door kieuwdeksels.



kieuw bestaat uit:kieuwboog, kieuwplaatjes, kieuwspleten, haarvaten



Longen:



Volwassen amfibieën, reptielen, vogels en zoogdieren hebben longen.







§ 2 Het ademhalingsstelsel van de mens

Zie afbeeldingen boek !!



Neusholte en mondholte:



Neusslijmvlies  is vochtig



Neusharen: grove stofdeeltjes worden tegengehouden



Slijmproducerende cellen en trilhaarcellen liggen dieper in de neusholten.



Reukzintuig: dat keurt de binnenstromende lucht en waarschuwt je als er stinkende gassen in voorkomen,



Keelholte en strottenhoofd:



Stembanden: worden gebruikt als je praat.



Strotklepje: luchtpijp wordt afgesloten als je voedsel inslikt.



Huig: sluit je neusholte als je voedsel doorslikt.







§ 3 De longblaasjes

Longhaarvaten: netwerk van fijne bloedvaatjes



Gaswisseling: zie plaatje boek!







§ 4 Ventilatie in de longen

Zie plaatjes boek!



Ventilatie: lucht in de longen wordt ververst door in en uit ademen.



Ribademhaling  borstademhaling. Ribben en het borstbeen bewegen.



Zie blz 77! Doelstelling 04.



Middenrifademhaling  buikademhaling. Bewegen het middenrif en de buikwand.







§ 5 Gezonde longen en luchtwegen

Blz 77 & 78. Volgens mij hoeven we dat niet perse te weten!









THEMA 7

§ 1 bloed

§ 2 de bloedsomloop

§ 3 het hart

§ 4 de bloedvaten

§ 5 hart- en vaatziekten

§ 6 weefselvloeistof en lymfe





§ 1 bloed.

bloed bestaat uit een vloeistof die bloedplasma heet. Daar in drijven bloedcellen en bloedplaatjes. 2 soorten bloedcellen: rode en witte bloedcellen.



Voor 7% bestaat bloedplasma uit plasma-eiwitten, en 91% uit water. De rest zijn stoffen die in het water zijn opgelost. Fibrinogeen is 1 van de plasma-eiwitten. Fibrinogeen vervult een functie bij de bloedstolling.



Bloedplasma vervoert veel stoffen, zoals: zuurstof (klein beetje), voedingsstoffen, afvalstoffen, regelende stoffen en beschermende stoffen. Tot voedingsstoffen behoren o.a. glucose, mineralen (zouten), vitamines en de verteringsproducten van koolhydraten, eiwitten en vetten. Tot afvalstoffen behoort o.a. koolstofdioxide. Tot de regelende stoffen behoren hormonen en enzymen. Die stoffen regelen allerlei processen in ons lichaam. Tot de beschermende stoffen behoren de antistoffen. Dit zijn eiwitten die je lichaam beschermen tegen infecties. Geneesmiddelen worden ook door het bloedplasma vervoerd.



Rode bloedcellen hebben de vorm van kleine ronde schijfjes, zijn in het midden iets dunner dan aan de rand en hebben geen celkern. Daardoor leven ze maar ongeveer 4 maanden. In het rode beenmerg worden voortdurend nieuwe rode bloedcellen gevormd. Het rode beenmerg bevindt zich in de koppen van pijnbeenderen (bijv. opperarmbeen en dijbeen) en in platte beenderen (bijv. ribben, schedelbeenderen en schouderbladen).



Rode bloedcellen vervoeren zuurstof en bevatten een rode kleurstof: hemoglobine. Door die stof kunnen de rode bloedcellen makkelijker zuurstof opnemen en afgeven. In de longen nemen rode bloedcellen zuurstof op en in andere organen geven de rode bloedcellen zuurstof af. Hemoglobine bevat ijzer. Daarom heeft het rode beenmerg dan ook ijzer nodig om hemoglobine te kunnen maken.



In het rode beenmerg, in de milt en in de lever worden dode rode bloedcellen afgebroken. Het ijzer dat dan vrijkomt, word opnieuw benut bij de aanmaak van nieuwe hemoglobine.



Witte bloedcellen hebben een celkern en geen vaste vorm. Daardoor kunnen ze door kleine openingen in de wand van de kleinste bloedvaten heen. Er zijn verschillende typen witte bloedcellen. De meeste witte bloedcellen maken ziekteverwekkers onschadelijk. De etter of pus uit een wond bestaat voor het grootste deel uit dode witte bloedcellen en gedode bacteriën. In etter of pus komen vrijwel altijd ook nog levende bacteriën voor. Speciale witte bloedcellen ruimen dode celresten op. Een ander type bloedcellen maakt antistoffen tegen ziekteverwekkers. Ook witte bloedcellen worden gevormd in het rode beenmerg. De witte bloedcellen die antistoffen maken, ontwikkelen zich daarna verder in de lymfeknopen. Bij iemand die leukemie heeft, bevinden zich abnormaal veel witte bloedcellen in het bloed. Dit word veroorzaakt door een vorm van kanker op de plaats waar de witte bloedcellen worden gevormd. Daar worden dan te veel witte bloedcellen gevormd en te weinig rode bloedcellen en bloedplaatjes. De witte bloedcellen zijn vaak te weinig ontwikkeld om hun functies in het bloed te kunnen uitoefenen.



Bloedplaatjes zijn geen cellen, maar delen van uiteengevallen cellen en hebben ook geen celkern. Ze vervullen een functie bij de bloedstolling (bloedstremming). Ze bevatten stoffen die ervoor zorgen dat het bloed buiten de bloedvaten stolt. Uit de bloedplaatjes komen ook andere stoffen vrij. Onder invloed van deze stoffen wordt Fibrinogeen uit het bloedplasma omgezet in fibrine. Fibrine vormt een netwerk van draden op de wond. De bloedcellen blijven tussen deze draden gangen en daardoor ontstaat een bloedstolsel dat de wond afsluit. Daardoor stopt het bloeden.



Bij bloederziekte (hemofilie) stolt het bloed niet goed. Het is een erfelijke ziekte die alleen bij mannen voorkomt. Bij iemand die bloederziekte heeft is een klein wondje al gevaarlijk, omdat zo’n wondje zonder medische behandeling blijft doorbloeden.







§ 2 de bloedsomloop

Het bloedvatenstelsel van de mens bestaat uit het hart en heel veel grote en kleine bloedvaten. Het hart pompt het bloed door de bloedvaten. De weg die het bloed door het lichaam aflegt, noem je de bloedsomloop.



Het hart is een dubbele pomp. De rechterhelft van het hart pompt het bloed naar de linkerlong en de rechterlong. Vanuit beide longen stroomt het bloed weer terug naar het hart. Dit deel van de bloedsomloop heet de kleine bloedsomloop. In de kleine bloedsomloop wordt zuurstof opgenomen in het bloed en koolstofdioxide aan de lucht. Vanuit de kleine bloedsomloop komt het bloed in de linkerhelft van het hart. Deze harthelft pompt het bloed heel het lichaam door. Een deel stroomt naar het hoofd en de armen. Een ander deel stroomt naar de romp en de benen. Het bloed stroomt door de organen in deze lichaamsdelen. Vanuit de organen stroomt het bloed weer terug naar de rechterhelft van het hart. Dit deel van de bloedsomloop heet de grote bloedsomloop. In de grote bloedsomloop wordt zuurstof afgegeven aan de cellen en koolstofdioxide opgenomen in het bloed. Per omloop stroomt het bloed 2x door het hart. De bloedsomloop bij de mens noemen we dan ook een dubbele bloedsomloop.







§ 3 het hart

Iedere harthelft bestaat uit 2 delen: een boezem en een kamer. De boezems zitten als een soort ‘zakjes’ op de kamers. Het hart is een spier die van binnen hol is. Die spier verbruikt zuurstof en voedingsstoffen (o.a. glucose) bij de verbranding. Daar komen koolstofdioxide en andere afvalstoffenbij vrij. De kransslagaders en de kransaders lopen over het hart. Door de kransslagaders stroomt het bloed dat rijk is aan zuurstof en voedingsstoffen, naar de hartspier. Zij zijn aftakkingen van de aorta. Door de kransaders stroomt het bloed dat rijk is aan koolstofdioxide en andere afvalstoffen, weg van de hartspier. De kransaders monden rechtstreeks uit in de rechterboezem.



Het bloed dat van de organen in het lichaam wegstroomt, is zuurstofarm. Het bloed dat van de organen in het hoofd en de armen afkomt, stroomt het hart binnen via de bovenste holle ader. Het bloed dat van de organen in de romp en de benen afkomt, stroomt het hart binnen via de onderste holle ader. Beide holle aders monden uit in de rechterboezem. Van de rechterboezem stroomt het bloed naar de rechterkamer. De rechterkamer pompt het bloed in de longslagader. De longslagader splitst zich in 2 bloedvaten: één naar elke long. In de longen wordt het bloed zuurstofrijk. Dit bloed stroomt via longaders terug naar het hart. De longaders monden uit in de linkerboezem. Van de linkerboezem stroomt het bloed naar de linkerkamer. De linkerkamer pompt het bloed in de aorta. Via aftakkingen van de aorta stroomt het bloed naar de organen van het lichaam. daar wordt het bloed zuurstofarm en door de onderste en bovenste holle ader stroomt het bloed weer terug naar het hart.



Hartkleppen ver hinderen dat bloed terugstroomt van kamers naar boezems



Halvemaanvormige kleppen verhinderen dat bloed terugstroomt in de kamers.



Werking van het hart



3 fasen onderscheiden:



1: samentrekken van de boezems



2: samentrekken van de kamers



3: hartpauze



hartslag begint als de boezems zijn volgestroomd met bloed uit holle aders en longaders. Het samentrekken van de boezems vind in beide harthelften gelijktijdig plaats, daardoor stroomt bloed de kamers in en zijn ze ontspannen. Als de kamers zijn volgestroomd vind het samentrekken van de kamers plaats. De druk in de kamers stijgt doordat de hartkleppen dicht slaan en zo verhinderen dat het bloed terugstroomt in de boezems. Door de halvemaanvormige kleppen die worden opengeduwd wordt het bloed tegelijkertijd in de aorta en in de longslagader gepompt. Ze worden open geduwd doordat de druk in de kamers hoger is geworden dan de druk in de aorta en in de longslagader. De boezems ontspannen tijdens het samentrekken van de kamers.



Hartpauze boezems en kamers ontspannen. Bloed stroomt uit holle aders en longaders in boezems en gedeeltelijk al door in de kamers.



Halvemaanvormige kleppen zijn gesloten. Ze verhinderen dat bloed uit de aorta en longslagader terugstroomt in de kamers.



Harttonen geluiden die de arts hoort van het hart. 2 harttonen kan die horen. 1e door dichtslaan van hartkleppen, 2e door dichtslaan van halvemaanvormige kleppen.



Hartruis sluiten de kleppen niet goed







§ 4 de bloedvaten

Er zijn 3 soorten bloedvaten: slagaders, haarvaten en gewone aders. Het hart pompt het bloed in slagaders. Door de slagaders stroomt het bloed weg van het hart, naar de organen toe. Het hart pompt het bloed met kracht weg. De bloeddruk in de slagaders is daardoor hoog. Als het hart bloed in de slagaders perst, zetten de slagaders uit. Daarna veren ze weer terug. In je polsen ligt een slagader vlak onder je huid. De meeste slagaders liggen meestal diep in het lichaam. Daardoor worden ze niet zo gauw beschadigd.



In de organen vertakken de slagaders zich in steeds fijnere bloedvaten. Als de wand van de bloedvaten nog steeds één cellaag dik is, spreken we van haarvaten. De haarvaten komen samen in grotere bloedvaten: de aders.



Door de aders stroomt het bloed van de organen weg, terug naar het hart. Veel aders bevatten kleppen, vooral de aders in de armen en benen. De kleppen laten het bloed maar door in 1 richting. Hierdoor helpen de kleppen mee het bloed terug te voeren naar het hart. In de slagaders komen geen kleppen voor, behalve dan de halvemaanvormige kleppen bij het hart.







§ 5 hart- en vaatziekten

Hoge bloeddruk

Kenmerken lage bloeddruk vaker last van hoofdpijn, klagen over duizeligheid vooral na opstaan uit een liggende of zittende houding



Hoge bloeddruk verhoogt de kans op hart- en vaatziekten.



Aderverkalking

Aderverkalking is een vernauwing van de bloedvaten.



De oorzaak is door een hoog cholesterolgehalte van het bloed wordt cholesterol (vaak ook kalk) afgezet tegen de binnenwand van de bloedvaten.



Een gevolg is een mogelijke overbelasting van het hard/hartinfarct.



Hartinfarct

Een hartinfarct ontstaat als een deel van de hartspier geen zuurstof en voedingsstoffen meer krijgt.



Oorzaak een kransslagader of een aftakking ervan is verstopt geraakt. Een deel van de hartspier sterft dan af. Dit kan soms zelfs dodelijk zijn.



Beroerte

Bij een beroerte krijgt een deel van de hersenen geen zuurstof en voedingsstoffen meer.



Oorzaak een bloedvat naar de hersenen kan verstopt geraakt zijn. Ook een oorzaak is dat een bloedvat in de hersenen kapot kan zijn gegaan, waardoor een inwendige bloeding is opgetreden.



Gevolg als een groot deel van de hersenen afsterft kan dit dodelijk zijn. Als een klein deel van de hersenen afsterft kan de persoon invalide worden.



Hartritmestoornissen

Een hartritmestoornis is een langdurige verstoring van het normale hartritme. Dit komt vaak doordat er storingen optreden bij het ontstaan van impulsen in het hart.



Oorzaak onder andere aanhoudende stress



Gevolg een gedeelte van het hart trekt zich dan samen. De bloedstroom wordt onregelmatig en kan soms zelfs tot stilstand komen, een hartstilstand.



Hartvergroting (sporthart)

Een hartvergroting is een toename van de dikte van het hartspierweefsel.



Oorzaak telkens zware belasting, vooral bij onder andere roeiers en wielrenners.



Gevolg het hart kan per hartslag meer bloed wegpompen, waardoor de sporter betere prestaties kan leveren. Het hartritme in rust is lager dan normaal.







§ 6 weefselvloeistof en lymfe

Weefselvloeistof ontstaat doordat in de haarvaten vocht uittreedt.



Weefselvloeistof bevat zuurstof, voedingsstoffen, koolstofdioxide, en andere afvalstoffen, antistoffen en hormonen. Kan witte bloedcellen bevatten.



Functie weefselvloeistof zuurstof en voedingsstoffen naar de cellen toevoeren en koolstofdioxide en andere afvalstoffen van de cellen wegvoeren.



Een deel van de weefselvloeistof wordt opgenomen in fijne lymfevaten.



Lymfe bevat zuurstof, voedingsstoffen, koolstofdioxide en andere afvalstoffen, antistoffen en hormonen. Kan ook witte bloedcellen bevatten.



Er komen kleppen in voor en ze kunnen zich verenigen tot grotere lymfevaten.



Het lymfevatenstelsel voert de lymfe weer terug naar het bloedvatenstelsel.



Lymfeknopen (lymfeklieren) zuiveren de lymfe van o.a. ziekteverwekkers.









THEMA 8

§ 1 Een constant inwendig milieu

§ 2 De lever

§ 3 De nieren en de urinewegen

§ 4 De huid en het onderhuidse bindweefsel

§ 5 afweer

§ 6 transplantaties en bloedtransfusies





Basisstof 1. Een constant inwendig milieu.

Weefselvloeistof = bevindt zich tussen de cellen van organen.



Inwendige milieu = weefselvloeistof en bloedplasma.



Uitwendige milieu = de omgeving om je heen.



Opgenomen = zo wordt het tekort aan stoffen in het inwendig milieu voorkomen.



• Darmkanaal: opname van voedingsstoffen.



• Longen: opname van zuurstof.



Opgeslagen = de stof wordt dan aan het inwendige milieu onttrokken, maar blijft in het lichaam aanwezig.



• In de lever: glucose (dat wordt omgezet in glycogeen), bepaalde mineralen (o.a. ijzer) en bepaalde vitamines.



• In spieren: glucose (dat wordt omgezet in glycogeen)



• In het onderhuidse bindweefsel: vet (in vetcellen)



• In het gele beenmerg van pijpbeenderen: vet



Opgeslagen stoffen worden (eventueel in gewijzigde vorm) weer in het inwendige milieu gebracht.



• Uit lever en spieren: glycogeen (dat wordt omgezet in glucose)



Uitgescheiden = deze stof wordt dan aan het interne milieu onttrokken en uit het lichaam verwijderd.



• Nieren: urine met vooral water, ureum en zouten.



• Lever: gak met kleurstoffen (afbraakproducten van dode rode bloedcellen).



• Longen: koolstofdioxide.



Insuline & Glucagon = houdt het glucosegehalte van het bloed min of meer constant.



Bij een hoog glucosegehalte van het bloed wordt in de lever glucose omgezet in glycogeen. Glycogeen wordt opgeslagen. Bij een laag glucosegehalte van het bloed wordt in de lever glycogeen omgezet in glucose. Glucose wordt opgenomen in het bloed.







Basisstof 2. De lever.

Door de leverslagader stroomt zuurstofrijk bloed naar de lever. Door de poortader stroomt zuurstofarm bloed vanuit de wand van het darmkanaal naar de lever. Dit bloed kan veel glucose en andere voedingsstoffen bevatten, bijvoorbeeld na een maaltijd. Door de leverader stroomt bloed weg uit de lever.



In de lever wordt uit deze verteringsproducten o.a. fibrinogeen gevormd.



Overtollige eiwitten worden in de lever afgebroken. Bij deze afbraak ontstaat de giftige afvalstof ureum. Ureum wordt aan het bloed afgegeven en door de nieren uitgescheiden.



Via de galbuis wordt gal naar de twaalfvingerige darm gevoerd. Gal emulgeert vetten. In de lever worden rode bloedcellen afgebroken. Hierbij ontstaan als afbraakproducten o.a. galkleurstoffen die door de lever worden uitgescheiden met de gal.







Basisstof 3. De nieren en de urinewegen.

Door de nierslagader stroomt zuurstofrijk bloed naar de nieren. Dit bloed bevat o.a. overtollige en schadelijke (afval)stoffen. De nieren verwijderen deze stoffen uit het bloed. Door de nieraders stroomt het gezuiverde bloed weg uit de nieren.



Nier bestaat uit:



• Nierschors



• Niermerg



• Nierbekken



Alle verwijderde stoffen samen heten urine.



In de nierbekkens wordt urine verzameld. Via de urineleiders wordt de urine afgevoerd naar de urineblaas. In de urineblaas wordt de urine tijdelijk opgeslagen, zodat je niet voortdurend hoeft te plassen. Van tijd tot tijd wordt de urineblaas afgevoerd via de urinebuis.







Basisstof 4. De huid en het onderhuidse bindweefsel.

Opperhuid = hoornlaag en de kiemlaag.



Hoornlaag = dode, verhoornde celresten.



De hoornlaag beschermt het lichaam tegen beschadiging, uitdroging en infecties.



Kiemlaag = bestaat uit levende cellen.



Eelt = Op een aantal plaatsen is de hoornlaag extra dik.



Roos = kan geen kwaad en is niet besmettelijk.



Pigment = donkere kleurstof beschermt de delende cellen in de kiemlaag tegen de schadelijke invloed van ultraviolette straling in zonlicht.



Haarzakje = een uitstulping van de kiemlaag in de lederhuid.



Talgklieren = bevinden zich in haarzakjes



Talg = een vettige stof die het haar en de hoornlaag soepel houdt



Lederhuid

In de lederhuid liggen, bloedvaten, haarspiertjes, zweetklieren met zweetkanaaltjes, zintuigen en uitlopers van zenuwcellen. De tastzintuigen liggen in tastknopjes die vlak onder de kiemlaag liggen. Pijnpunten uiteinden van bepaalde zenuwen. Pijnpunten komen overal in het lichaam voor, behalve in de hoornlaag. In de kiemlaag komen wel pijnpunten voor.



Onderhuids bindweefsel

Onder de huid ligt het onderhuidse bindweefsel. In het onderhuidse bindweefsel ligt vet opgeslagen in vetcellen. Het vet dat is opgeslagen in een grote vacuole, dient als reservestof. Het vet vormt ook een isolerende laag, waardoor warmteverlies wordt tegengegaan.



Regeling van de lichaamstemperatuur

De mens is net als de (andere) zoogdieren en vogels warmbloedig. De lichaamstemperatuur kan constant worden gehouden als er een evenwicht is tussen de warmteproductie en de warmteafgifte. De warmteproductie is vooral afhankelijk van de verbranding in het lichaam. Bij de warmteafgifte spelen vooral de huid en het bloed een rol. Hoe meer (warm) bloed er door de huid stroomt, des te groter wordt de warmteafgifte van het lichaam.



Zweet: bovendien kan de warmteafgifte worden vergroot door de productie van zweet. Zweet bestaat voornamelijk uit water en zouten. het water verdampt uit het zweet. Hiervoor is warmte nodig die wordt onttrokken aan het lichaam.



De warmteproductie en de warmteafgifte van het lichaam worden geregeld door het temperatuurregelcentrum. Dit is een deel van de hersenen, net boven de hypofyse. Dit centrum reageert op het erlangs stromende bloed. Het centrum ontvangt bovendien impulsen uit de warmte en koudezintuigen in de huid.



Als de lichaamstemperatuur hoger dan ongeveer 37 graden dreigt te worden, zorgt het temperatuurregelcentrum ervoor dat de bloedvaten in de huid wijder worden. De huid word dan roder. Zweetklieren produceren meer zweet.



Als de lichaamstemperatuur lager dan ongeveer 37 graden dreigt te worden, zorgt het temperatuurregelcentrum ervoor dat de bloedvaten in de huid nauwer worden. De huis word dan bleker. Zweetklieren produceren minder zweet.



Het vet in het onderhuidse bindweefsel werkt als een isolerende laag. Door spiertjes kunnen de haren of veren rechtop worden gezet, zodat een dikkere isolerende luchtlaag ontstaat.







Basisstof 5. afweer

Lichaamsvreemde stoffen/antigenen = stoffen die niet in je lichaam thuishoren. Je lichaam zorgt voor afweer als die in je lichaam terechtkomen.  infecties, bij bloedtransfusies, bij orgaantransplantaties.



Infectie = dringen ziekteverwekkers je lichaam binnen. De ziekteverwekkers kunnen bacteriën, virussen, schimmels of dieren zijn.



Zwemmerseczeem = word veroorzaakt door een schimmel op de huid tussen de tenen.



• infectie: ziekteverwekkers dringen het lichaam binnen.



- witte bloedcellen van een bepaalde type produceren antistof tegen de lichaamsvreemde stof van de ziekteverwekker.



- De antistof hecht zich aan de lichaamsvreemde stof van de ziekteverwekker, waardoor deze onschadelijk wordt gemaakt.



- Een type antistof kan zich maar aan een type lichaamsvreemde stof hechten.



• immuniteit: na een infectie blijft de antistof tegen de ziekteverwekker in het bloed aanwezig, of kan bij een nieuwe infectie met dezelfde ziekteverwekker snel worden gemaakt.



- natuurlijke immuniteit: ontstaat doordat een persoon de ziekte doormaakt, bijv. waterpokken.



- Kunstmatige immuniteit: ontstaat door inenting.



- Bij actieve immunisatie wordt een vaccin ingeënt (met een dode of verzwakte ziekteverwekker). De persoon vormt dan zelf antistoffen.



- Bij passieve immunisatie wordt een serum ingeënt (met een of meer antistoffen). De persoon vormt dan zelf geen antistoffen.







Basisstof 6. transplantaties en bloedtransfusies

• transplantatie: een aangetast weefsel of orgaan word vervangen door een ander weefsel of orgaan.



- zo mogelijk is dit van de patiënt zelf afkomstig, of van een nauw verwante persoon.



- Als het nieuwe weefsel of orgaan afkomstig is van een andere persoon (donor), kunnen afstotingsreacties optreden. Het lichaam maakt dan antistoffen tegen antigenen op het lichaamsvreemde weefsel of orgaan.



- Xenontransplantatie: de transplantatie van dierlijke organen naar mensen (wellicht in de toekomst mogelijk).



• auto-immuunziekte: ziekte waarbij het afweersysteem een lichaamseigen eiwit niet meer herkent (bijv. reuma).



- gevolg: er worden antistoffen gevormd tegen een lichaamseigen eiwit. Cellen met dit eiwit worden vernietigd.



• bloedfactor: stof op het celmembraan van rode bloedcellen die als lichaamsvreemde stof (antigeen) werkt voor iemand die deze stof niet heeft.



- De belangrijkste zijn bloedfactor A, bloedfactor B, en de resusfactor.



• bloedgroepen A, B, AB en O



- het bloedplasma bevat een antistof tegen de bloedfactor die niet op de



rode bloedcellen zit.



Bloedgroep Bloedfactor op rode bloedcellen Antistof in bloedplasma



A A Anti-B



B B Anti-A



AB A en B Geen



O geen Anti-A en anti-B



• Resusfactor.



- bij resuspositief bloed (Rh+) bevatten de rode bloedcellen de resusfactor ; bij resusnegatief bloed(Rh-) niet.



- Antiresus wordt gevormd als Rh- bloed in contact komt met Rh+ bloed. De vorming van antiresus verloopt langzaam.



• bloedtransfusies



- bij voorkeur geeft men bloed van een donor met dezelfde bloedgroep en resusfactor als de ontvanger.



- Bloedfactor A en anti-A reageren met elkaar, net als bloedfactor B en anti-B. Ook de resusfactor reageert met antiresus.



- Rode bloedcellen klonteren samen als de bloedfactor van de donor reageert met antistof van de ontvanger.



- Mogelijke bloedtransfusies bij de bloedgroepen A, B, AB en O:



- Bloedgroep O is de algemene donor.



- Bloedgroep AB is de algemene ontvanger.



- Een eerste transfusie van resuspositief vloed naar een resusnegatieve ontvanger treden geen problemen op, doordat de vorming van antiresus langzaam verloopt. Bij een tweede bloedtransfusie treed samenklontering op.



- Transfusie van resusnegatief bloed naar een resuspositieve ontvanger is mogelijk.



• problemen kunnen optreden bij een resusnegatieve moeder die zwager is van een resuspositief kind.



- na de bevalling vormt de moeder langzaam antiresus.



- Tijdens een volgende zwangerschap kan antiresus van de moeder in het (resuspositief) bloed van het kind terechtkomen. Gevolg: de rode bloedcellen van het kind worden afgebroken (resuskindje)



- Door toediening van antiresus aan de moeder onmiddellijk na de geboorte word de vorming van antiresus tegengegaan.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

R.

R.

Dit zijn goede samenvattingen, heb er veel aan!

8 jaar geleden

J.

J.

Dankjewel, hier bespaar ik zo veel moeite mee!

8 jaar geleden

I.

I.

OMG THANKS!!!

8 jaar geleden

C.

C.

Thanks! Ik was mn boek vergeten maar nu maakt het niet meer uit ^^

8 jaar geleden

K.

K.

Top, dit scheelt me veel en tijd en moeite voor het leren van mijn examen. Dankjewel.

8 jaar geleden

-.

-.

Super bedankt!
Ik leer echt fijn aan de hand van samenvattingen, en zit nu in het examenjaar en nu hoef ik zelf een stuk minder samenvattingen te maken!

Echt super super bedankt!

7 jaar geleden

G.

G.

Is dit van vmbo kader of basis ?

3 jaar geleden