samenvatting bedrijfseconomie h5 tm h10

Beoordeling 7
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 6e klas vwo | 5659 woorden
  • 19 mei 2022
  • 1 keer beoordeeld
  • Cijfer 7
  • 1 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Help nu jouw favoriete goede doel door jouw mening te geven!

Hoe? Heel simpel. Geef je op voor het panel van Young Impact en geef jouw mening over diverse onderwerpen zoals gelijke kansen, diversiteit of het klimaat. Voor iedere ingevulde vragenlijst (+/- 1 per maand) ontvang je een bedrag dat je direct mag doneren aan een goed doel naar keuze. Goed doen was nog nooit zo easy!

Meld je aan!

Hoofdstuk 5. Verzekeren, studeren, sparen en lenen


Par 1. Soorten verzekeringen


Bij een verzekering verplicht de verzekeraar zich om tegen ontvangst van een premie de verzekerde schade schadeloos te stellen wegens verlies, schade of gemis van verwacht voordeel door een onzeker voorval. Door je te verzekeren worden de risico’s waar je mee te maken hebt, tegen betaling van een premie, verminderd of zelfs weggenomen.


2 soorten verzekeringen:



  • Schadeverzekeringen: verzekeringen waarbij de uitkering door de verzekeringsmaatschappij afhankelijk is van de geleden schade, de uitkering is nooit meer dan het schadebedrag.

  • Sommenverzekeringen: verzekeringen waarbij de uitkering afhankelijk is van het moment waarop zich een onzeker voorval voordoet.


Een verzekeringsovereenkomst ligt vast in een polis. In een polis staat: de afgesproken risico’s, onzekere elementen, de maximale vergoeding en hoogte van de premies.



Par 2. Schadeverzekeringen en regelingen


Verschillende schadeverzekeringen:



  • Brandverzekering = dekt de schade die door brand is ontstaan, meestal deel van een verzekering waarin ook water inbraak en stormschade wordt meeverzekerd.

  • Transportverzekering = verzekert schade die gebeurt tijdens het transporteren van een product. Wordt berekend met de imaginaire winst = verwachte winst als producten verkocht werden.

  • Bedrijfsschadeverzekering = dekt de financiële gevolgen van het stilliggen van een bedrijf door bijvoorbeeld brand of storm. Denk aan huurkosten lonen en rente die moet worden doorbetaald maar soms ook de imaginaire winst.

  • Kredietverzekering = dekt het risico dat een klant die iets op krediet koopt (koopt en later betaald) het niet terugbetaald. Een kredietverzekering geeft nooit 100% van het niet-betaalde bedrag dus de ondernemer houdt zelf ook een risico. Dat de ondernemer zelf ook risico loopt is zodat de ondernemer niet zomaar iedereen dingen op krediet verkoopt en zo veel risico neemt. Meestal stelt de ondernemer een kredietlimiet, een maximale hoogte van het verstrekte krediet.

  • Exportkredietverzekering = dekt het risico dat buitenlandse afnemers niet betalen. Dekt commerciële risico = de afnemer kan / wil zijn schuld niet betalen, en het politieke risico = door de politiek van dat land wordt het overmaken van geld geblokkeerd. Dit is de schuld van de overheid, hierom kan de verzekeringsmaatschappij zich herverzekeren, hij dekt zelf ook weer het risico af bij de Nederlandse Staat. De Nederlandse staat biedt dit aan om Nederlandse bedrijven te beschermen.

  • Productaansprakelijkheidsverzekering = dekt de financiële gevolgen van schadeclaims af als jouw product voor schade leidt, bijvoorbeeld kortsluiting of huiduitslag. Winkels kunnen deze ook afsluiten aangezien zei aansprakelijk gesteld kunnen worden voor het verkopen van bepaalde producten.

  • Aansprakelijkheidsverzekering = dekt de schade af die jouw jonge kinderen, huisdieren, personeel of leerlingen aanbrengen aan andere personen. Soms wettelijk verplicht (WA- verzekering), bijvoorbeeld bij auto of motorrijden. Een aansprakelijkheidsverzekering gaat puur over schade die aan andere mensen zijn aangebracht en niet aan jezelf.

  • Rechtsbijstandverzekering = de verzekeringsmaatschappij staat de persoon of onderneming bij bij juridische geschillen, in de vorm van advocaten/ juristen/ incassobureaus of geld.


In de polis van een brandverzekering wordt soms een indexclausule opgenomen, dit betekent dat de premies meegroeien met het algemene prijspeil.


Schadebedrag = waarde van de goederen die verloren zijn gegaan


Gezonde waarde = waarde van alle verzekerde goederen voor de schade


Verzekerde som = waarde waarvoor de goederen zijn verzekerd


Verzekeringsbreuk = verzekerde som : gezonde waarde


Schade uitkering = verzekerde som : gezonde waarde x schadebedrag


Als de verzekerde som hoger is dan de gezonde waarde is er sprake van oververzekering, de breuk is dan boven de 1. Als de verzekerde som lager is dan de gezonde waarde is er sprake van onderverzekering, de breuk is dan onder de 1.  De uitkering is nooit meer dan het schadebedrag.


Sommige verzekeringen zijn premier risque verzekeringen, bij deze verzekering keert de verzekeraar ook bij onderverzekering het gehele schadebedrag uit, bijvoorbeeld inbraakverzekering. Zo een afwijking licht vast in de polis. De verzekeraar heeft wel een bovengrens, dat is de verzekerde som.


Par 3. Sommenverzekeringen


Levensverzekering = een bepaald bedrag wordt uitgekeerd op een moment dat een bepaald persoon wel/ niet meer leeft. Het gaat om één bedrag. 4 betrokken partijen: verzekeraar (verzekeringsmaatschappij), verzekeringsnemer (degene die verzekering afsluit en premie betaald), verzekerde (om wiens leven het gaat), de begunstigde (de ontvanger van de verzekeringsuitkering). Sommige partijen kunnen dezelfde persoon zijn. Je kan ook een levensverzekering over jezelf afsluiten, de uitkering wordt dan als je overleven bent deel van je erfenis. In plaats van periodieke premies kun je het bedrag voor een levensverzekering ook in een keer betalen, dit heet de koopsom.


Lijfrenteverzekering = periode bedragen uitkering vanaf een bepaalde leeftijd tot aan een bepaalde datum of het overleiden van de begunstigde.


Pensioenverzekering = een aanvulling op je AOW, afgesloten met je werkgever, de premies worden verdeeld over de werkgever en werknemer. Meestal is dit gebaseerd op het beschikbare-uitkeringssysteem.


Compagnonsverzekering = een levensverzekering op het leven van de vennoten bij een vof. Als een van de vennoten doodgaat krijgt de andere geld om het bedrijf door te zetten.


Par 4. Kiezen voor een opleiding


Een opleiding volgen, is een investering in menselijk kapitaal of human capital. Je ruilt studiekosten zoals collegegeld en boeken in voor een toekomstig hoger salaris. Permanente educatie is nodig om je vak bij te houden en nieuwe methoden en technieken te leren. 


Bijscholen = je eigen vak bijhouden en specialiseren, nieuwe methodes en technieken leren. Omscholen = een hele andere studie volgen.


Studeren is ook goed voor de maatschappij: je levert betere innovaties voor de samenleving, werkt efficiënter en vergroot daarmee de winst en betaald meer belasting.


Par 5. Sparen en lenen


Interest/ rente is een beloning die je krijgt in ruil voor je vermogen (geld) beschikbaar stellen (op een spaarrekening zetten).


Hoogte rentepercentage is afhankelijk van:



  • Looptijd, hoe langer looptijd hoe hoger het rentepercentage

  • Hoogte spaarbedrag, hoe hoger spaarbedrag hoe hoger het rentepercentage

  • Ontwikkeling financiële markt, als door spaarders meer geld wordt aangeboden dan spaarders vragen zal het rentepercentage dalen


Risico’s sparen:



  • Afname koopkracht als rentepercentage lager is dan inflatie

  • Bank kan failliet gaan, daarom kan je als je veel geld hebt het beter verdelen over meerdere banken


Om het risico van het failliet gaan van een bank te verlagen heeft Nederland het wettelijke depositogarantiestelsel (DGS): De Nederlandse Bank zal je je geld bij faillissement van de bank, met een maximum van €100.000, terugbetalen.


Als je geld leent moet je daarover rente, aflossing en meestal afsluitingskosten betalen. Financieringskosten: effectief rentepercentage per jaar x het lening bedrag. Als je geld leent wordt alles geregistreerd bij het Bureau Kredietregistratie (BKR), als je een nieuwe lening afsluit kijkt de bank hierna om te zien of jij wel op tijd betaald.



Voorbeelden consumptief krediet:



  • Doorlopend krediet = een consument mag krediet opnemen tot een afgesproken maximumbedrag, je hoeft dit niet in één keer op te nemen, en je kan steeds opnieuw weer opnemen. Voordeel: je betaald maar 1x afluitingskosten, niet voortdurend formulieren invullen om nieuwe leningen af te sluiten, bank hoeft maar 1x onderzoek naar de consument te doen.

  • Persoonlijke lening = de consument leent een bepaald bedrag voor een bepaald doel, hele bedrag in 1x opgenomen, als je meer wil opnemen dan het afgesproken bedrag moet je een nieuwe lening afsluiten. Terugbetalen gebeurt in gelijke termijnen met aflossing en interest. Voordeel: overzichtelijk, vaste bedragen. Nadeel: niet flexibel

  • Koop en verkoop op afbetaling = iemand koopt een product, krijgt het mee naar huis en betaald de prijs in een aantal termijnen. Producten die hiermee gekocht worden zijn duurzame consumptiegoederen = artikelen die jaren mee gaan bijvoorbeeld auto, wasmachine, tv. Gaat via koper en verkoper, niet via bank.

  • Huurkoop = lijkt heel erg op (ver)koop op afbetaling maar bij afbetaling word je meteen eigenaar en bij huurkoop word je pas eigenaar nadat je volledig hebt afbetaald. Voordeel: eenvoudiger, als de klant niet terugbetaald krijgt ie het product niet, bij afbetaling zou hier een rechtszaak voor nodig zijn.


Ook op een normale rekening (rekening courant krediet) mag je rood staan, ook creditcards en leasing kunnen gebruikt worden als consumptief krediet.


Paragraaf 1


Interest = vergoeding voor het beschikbaar stellen van vermogen


Enkelvoudige interest = alleen rente over beginkapitaal


Samengestelde interest = rente over rente


Paragraaf 2


Eindwaarde bedrag = waarde bedrag op een bepaald tijdstip in de toekomst.


En = k x (1 + i) ^n


E = eindwaarde K = beginbedrag i = interestpercentage n = aantal periode


Gekweekte interest = eindwaarde – beginwaarde


Contante waarde = waarde bedrag op een bepaald tijdstip in het verleden


C = E x (1+i)^-1 of C = E:(1+i)^n


Paragraaf 3


Rente = reeks gelijke bedragen die in termijnen wordt betaald of ontvangen


Betaaldatum = vervaldatum


Tijd tussen vervaldata = periode


Eindwaarde rente: waarde rente op een bepaald tijdstip in de toekomst. Bereken eerst eindwaarde alle termijnen, tel dan bij elkaar op. Bepaal tijdstip waar de bedragen naar toe worden gebracht, het aantal bedragen en van elk bedrag het aantal perioden


Met tijdlijn of formule:


En = a x r^n – 1 : (r – 1)


E = eindwaarde a = 1e term meetkundige rij r = reden (1+i) n = #termen


Paragraaf 4


Contante waarde van een rente: waarde van een rente waarvan de termijnen in de toekomst vervallen. Met tijdlijn of formule.


Formule : C = a x r^-n – 1 : (r^-1-1)


Paragraaf 5


Nominale interest = gegeven interest over een bepaalde periode door rente over rente is 3% per jaar, geen 6% in twee jaar


Bij effectieve interest (het werkelijke gelijkwaardige) bereken je 1,03 ^ 2 = 1,0609 = 6,09%


Van jaar naar kwartaal: 1,05 ^ ¼ = 1,05 ^ 0,25 = 1,0123 = 1,23%



Paragraaf 6


Interest wordt berekend door schuldrest (bedrag dat je op een bepaald moment verschuldigd ben)


Mogelijkheden aflossing:



  • Ineens aan einde looptijd, tussendoor alleen interest betalen

  • Lineair, per periode een evenredig deel


Hoofdstuk 7. Beleggen


Paragraaf 1. Spaarvormen


Omslagstelsel = de werkende van nu betalen direct de AOW-uitkering van de huidige gepensioneerden


Bedrijfspensioenfonds = een deel van het inkomen wordt maandelijks ingehouden, het pensioenfonds belegd deze om deze uit te keren als je de pensioenleeftijd haalt. Ongeveer 1/3 van je inkomen, 90% van alle werkgevers gebruikt dit.


Kapitaaldekkingsstelsel = nu betaalde premies worden belegd en uit het kapitaal vermeerderd met de beleggingsinkomsten worden de toekomstige uitkeringen gedaan. Iedereen spaart dit voor zichzelf.


Voordelen bedrijfspensioen:



  • De werkgever betaald ook een deel mee

  • Je betaalt geen inkomstenbelasting over de premie

  • Soms is er een geïndexeerd pensioen = pensioen stijgt mee met gemiddelde loonstijging (alleen zo als vastgelegd staat, soms)

  • Vanwege de grootschaligheid, relatief lage kosten (ten opzichte van een individuele belegger) van het fonds waardoor er meer voor uitkeringen blijft. Weinig extra kosten.

  • Je spaart er automatisch voor, wordt automatisch op je loon ingehouden, je hoeft je er weinig mee bezig te houden


Nadelen bedrijfspensioen:



  • Inleg is een groot deel van je inkomen

  • Je kan niet vrij kiezen voor een bepaald pensioenfonds, is verplicht

  • Het is niet 100% zeker of het pensioenfonds voldoende rendement behaalt om de pensioenen te kunnen indexeren en uitkeren


Manieren vrijwillig sparen:



  • Lijfrenteverzekering. Periode premie die onder bepaalde voorwaarden aftrekbaar van de inkomensbelasting is. Vanaf een bepaald moment periodieke uitkering. Uitkering wordt belast.

  • Is een aanvulling. Kan regelmatig geld storen op een bankrekening, tot een bepaald maximum is het fiscaal aftrekbaar (van belastbaar inkomen aftrekken en telt niet mee voor vermogensbelasting). Niet tussentijds opneembaar. Bepaald zelf wanneer en hoelang geld wordt uitgekeerd, word wel belast.

  • Zelf beleggen

  • ‘Normaal’ sparen


Voordelen vrijwillig sparen:



  • Kan inleg beperken als financieel even minder gaat

  • Zelf opbouw pensioen bepalen

  • Kan bedrag ook voor andere dingen gebruiken

  • Als je doodgaat, gaat het geld naar je nabestaanden


Nadelen vrijwillig sparen:



  • Het is de vraag of je wel genoeg spaart

  • Relatief hoge kosten


























Spaarrekening



Deposito



Vrij opneembaar



Niet vrij opneembaar



Geen vaste looptijd



Vaste looptijd



Variabele rentevergoeding



Vaste rentevergoeding



Relatief lage rentevergoeding



Relatief hoge rentevergoeding




Paragraaf 2. De effectenbeurs


Effecten = waardepapieren die kunnen worden gekocht en verkocht, bijvoorbeeld aandelen, obligaties en opties.


De effectenbeurs brengt vraag en aanbod van effecten bij elkaar.


Om effecten te kopen of verkopen betaal je provisie aan de bank, je voert een opdracht tot koop/ verkoop en de bank voert dat uit.


2 soorten orders:



  • Limietorder: de belegger geeft aan de bank een max koopprijs of min verkoopprijs. De kans bestaat dat de order niet uitgevoerd kan worden.

  • Marketorder: geen max of min prijs, opdracht tegen eerstvolgende prijs uitgevoerd. Opdracht zeker uitgevoerd, geen zekerheid over prijs.


Het koersverloop van een voor een bepaalde beurs representatieve groep effecten wordt weergegeven in een index. Geeft presentatie van markt neer en of de koersen stijgen of dalen.


Paragraaf 3. Aandelen


Aandelenkapitaal is permanent eigen vermogen, het is blijvend en er zijn geen rentelasten en geen aflossingen.


Aandeel = een bewijs van deelname in het eigen vermogen van een bv / nv


Nominale waarde = het bedrag dat op het aandeel staat


Koerswaarde = het bedrag dat je voor het aandeel moet betalen als je het wil kopen


Emissiekoers = de prijs waartegen beleggers nieuwe aandelen kunnen kopen als een nv hun aandelenkapitaal wil uitbreiden


Het beleggen in aandelen is risicovoller dan geld op een spaarrekening zetten want de beurskoersen schommelen en aandelen kunnen hun waarde volledig verliezen, maar de kans is er ook voor grotere winsten.


Je kan op twee manieren geld verdienen met aandelen: dividend winstuitkering of koerswinst. Dividend is winstuitkering die aandeelhouders ontvangen als deel van de behaalde winst. Dividendrendement = dividend : aandelenkoers x 100%


Voorbeeld: een nv keert €10 per aandeel uit. De beurskeurs van het aandeel is €100. Dividendrendement = €10 : €100 x 100%


Ook kan je koerswinst of verlies maken. Je maakt koerswinst als de vraag naar aandelen toeneemt waardoor de prijs stijgt door o.a. goede prestaties onderneming, positief beurssentiment, goede toekomstverwachtingen, verwachtingen dat een nieuw product aan zal slaan etc. (inter)nationale economische ontwikkelingen of geruchten kunnen ook de koers laten stijgen of dalen, bv stijging van de olieprijs zal veel aandelen laten dalen. Het koersrendement bereken je door (nieuw-oud): oud x 100%


Aandelenrendement is de som van dividendrendement en koersrendement


Voorbeeld: Aandeel A is op 1 januari 2019 €10 en op 1 januari 2020 €20. Koersrendement = (20-10):10x100%= 100% oftewel verdubbeling


Paragraaf 4. Obligaties en beleggingsfondsen


En obligatielening is een geldlening op lange termijn die verdeeld is in kleine stukjes. Een obligatie is een bewijs van deelname in een obligatielening.


Beurskoers = de prijs die op een beurs wordt betaald voor de obligatie. Dit is vaak een % van de nominale waarde. Beurskoers afhankelijk van gemiddelde marktrente, inflatie en betrouwbaarheid uitgevende partij.


Staatsobligaties zijn risicovrij, de staat gaat niet failliet. De koers van een staatsobligatie wordt dus vooral bepaald door de huidige marktrente. Rente van staatsobligaties leveren wel minder interest op.


Voorbeeld: obligatie A heeft een nominale waarde van €100 en staat te koop voor €80. Beurskoers = 80 : 100 x 100% = 80%


Couponrendement = de verhouding tussen de nominale rente en de koers van de obligatie. €rente : €betaald x 100%


Voorbeeld: Obligatie A heeft een nominale waarde van 100 euro, is gekocht voor 120% en heeft een couponrente van 5%. Ontvangt per coupon (= nominale rente) 5% van 100 euro = 5 euro. Heeft betaald 120% van 100 euro = 120 euro. Couponrendement = 5 : 120 x 100% = 4,2%


Bij een daling van de rente is de obligatie minder aantrekkelijk want de renteopbrengst is lager. Voor een belegger is her rendement van een obligatie laag maar ook het risico is laag.

















































Aandelen



Obligaties



Vermogenstitel waarin belegd kan worden



Vermogenstitel waarin belegd kan worden



Via effectenbeurs verhandelt



Via effectenbeurs verhandelt



Bewijs mede-eigendom



Schuldbewijs



Permanent eigen vermogen



Tijdelijk vreemd vermogen



Geen voorrang bij faillissement



Voorrang bij faillissement



Groter risico



Kleiner risico



Afhankelijk van winstverwachting



Afhankelijk van rentestand



Dividenduitkering wisselt



Vaste dividenduitkering



Kans op hoger rendement



Minder kans op hoger rendement




Converteerbare obligatielening geeft het recht om tegen bijbetaling in aandelen om te wisselen. Waarde afhankelijk van partij die besluit tot conversie: uitgever van lening bepaald -> zekerheid opbrengst voor belegger kleiner, minder waard, hogere rentevergoeding. Belegger bepaald -> afhankelijk van waarde obligatie zelf en beurskoers van aandelen


Voorbeeld: converteerbare obligatielening, nominale waarde 100 euro, bij betaling van 5 euro per aandeel krijg je 5 aandelen. Bereken bij welke beurskoers de waarde van de obligatie hoger is dan 100 euro. (100 + 5 x 5) : 5 = 25 euro, bij een beurskoers van 25 euro. Bereken de beurskoers van de converteerbare obligatie bij een beurskoers van de aandelen van 40 euro. 100 + 5 x (40 – 25) = 175 euro


In dit voorbeeld is 25 euro het omslagpunt voor de beurskoers, dat heet de conversieprijs / conversiekoers. Beleggen in veel verschillende aandelen en obligaties = risicospreiding. Beleggingsfonds = fonds waarin beleggers met vergelijkbare beleggingsdoelen geld inleggen en beleggen in een mix van aandelen, obligaties, vastgoed etc.


Doelstellingen beleggingsfonds:



  • Hoog koersrendement

  • Hoog dividendrendement

  • Behoudend met weinig risico


Bij sparen in vreemde valuta / aandelen en obligaties in vreemd valuta kopen (bijvoorbeeld doller, pond) is er ook nog een valutarisico.


Hoofdstuk 8. Woning


Paragraaf 1. Huren


Redenen om te huren:



  • Je studeert

  • Je inkomen is laag

  • Je hebt te weinig vermogen om te kopen


Sociale huurwoning: gebouwd met overheidssteun met een max huurprijs. Je krijgt soms huur toeslag, wanneer je veel huur betaald in verhouding tot je inkomen. Voor een sociale huurwoning moet je inkomen onder een bepaalde grens liggen.


Vrije sector huurwoning = particuliere huurwoning, hoge huur, geen huurtoeslag.


Plichten huurder:



  • Huur betalen

  • Rekening houden met opzegtermijn

  • Aanpassen/ verbouwen mag alleen met toestemming, je moet het in oorspronkelijke staat achterlaten

  • Betalen klein onderhoud, schoonmaken, grasmaaien etc.


Plichten verhuurder:



  • Woning ter beschikking stellen

  • Opstalverzekering betalen

  • Kosten groot onderhoud op zich nemen


Een huurder heeft huurbescherming, de verhuurder mag niet zomaar de huur opzeggen, dit moet 3 maanden van tevoren, er moet een wettelijke reden zijn en de huurder moet akkoord zijn.


Paragraaf 2. Kopen


Extra kosten bij een woning kopen: kosten notaris, overdrachtsbelasting etc.


Voordeel makelaar:



  • Hij kent de woningmarkt goed dus waardebepaling is eenvoudiger

  • Hij heeft meer ervaring met onderhandelen, goedkopere prijs

  • Hij kan helpen met opstellen koopcontract


Je betaalt een makelaar courtage = beloning voor de makelaar, meestal een percentage van de huisprijs, elke makelaar rekent een ander tarief, de meeste mensen nemen geen makelaar.


Een hypotheekadviseur biedt advies om de optimale hypotheek te vinden. Je hebt een onafhankelijke hypotheekadviseur, die kijkt maar alle banken, een hypotheekadviseur verbonden met een bank kijkt alleen naar het aanbod van zijn eigen bank. Een hypotheekadviseur kan het hele traject regelen, hij brengt hiervoor advieskosten in rekening.


De bank wil voor het geven van een lening een taxatierapport om risico’s te voorkomen. Dit moet meestal een gevalideerde taxatie door het NWII zijn. Voor een taxatie zijn taxatiekosten verschuldigd, een taxateur kan helpen bij de taxatie.


De bank is de geldverstrekker, de bank kijkt ook naar andere schulden voor het verstrekken van een hypotheek. Andere kosten zijn nog afsluitkosten. Notaris maakt de notariële akte, eigendomsoverdracht. Kadaster = register met gegevens over eigen woningen, rechten/ plichten, lening


Voordelen eigen woning:



  • Je kan het helemaal naar eigen wens aanpassen

  • Uitgaven hypotheek zijn zeker

  • Door de aflossing bouw je vermogen op

  • Een huis kan in waarde stijgen


Nadelen eigen woning:



  • Hoge kosten, ook nog voor het kopen

  • Huis kan in waarde dalen


Paragraaf 3. Lineaire hypotheek


Lineaire hypotheek = gelijke aflossing elke periode


NL heeft een progressief belastingstelsel, hoe hoger je inkomen hoe meer % belasting je betaalt. Je mag een % van je hypotheek van je belastbaar inkomen aftrekken. Je moet dit corrigeren met je eigenwoningforfait.


Voordelen lineaire hypotheek:



  • De interestkosten worden snel lager

  • De interestkosten zijn in de inkomstenbelasting aftrekbaar

  • De schuld wordt steeds kleiner


Nadelen lineaire hypotheek:



  • Doordat de interest snel afneemt neemt ook het belastingvoordeel snel af

  • De uitgaven wegens interest en aflossing zijn in de eerste jaren het hoogst terwijl het inkomen dan nog niet het hoogste niveau heeft bereikt


Paragraaf 4. Annuïteitenhypotheek


Annuïteit = periodiek gelijkblijvend bedrag aan interest en aflossing


Voordelen annuïteitenhypotheek:



  • Doordat er in de eerste jaren weinig wordt afgelost en dus veel interest wordt betaald is er in die jaren sprake van een groot belastingvoordeel.

  • De lasten per maand zijn de eerste jaren lager dan aan het einde, dat is gunstig bij een stijgend inkomen

  • Belastingaftrek


Nadelen annuïteitenhypotheek:



  • Belastingvoordeel wordt steeds kleiner

  • Maandlasten worden steeds hoger, nadelig voor een dalend inkomen door bv pensionering


9.1 trouwen:


Burgerlijk huwelijk = de huwelijksplechtigheid zoals plaatsvind in het gemeentehuis.                Religieus huwelijk = Het huwelijk in bijvoorbeeld de kerk.                                                                      Dit hoofdstuk gaat over het burgerlijk huwelijk.


Voorwaarden / materiele vereisten trouwen:



  • Een huwelijk is tussen 2 personen

  • Beide personen zijn ongehuwd / hebben geen geregistreerd partnerschap

  • Beide personen zijn meerderjarig

  • Beide personen weten wat ze doen en willen het huwelijk zichtbaar aangaan

  • Beide personen hebben geen bloedverwantschap in rechte lijn (ouders / grootouders en kinderen) of tweede graad (broer of zus)


Mensen die met iemand uit het buitenland willen trouwen hebben speciale regels voor het tegengaan van schijnhuwelijken.


Melding voorgenomen huwelijk / ondertrouw = min 14 dagen en max 1 jaar voor het huwelijk maak je het huwelijk kenbaar bij de burgerlijke stand, waarbij je gegevens verstrekt zoals namen, geboorteakte, de getuigen, ontbindingen van eventuele eerdere partnerschappen etc.                                                                                         Een van de doelen hiervan is dat derden kennis nemen van het huwelijk en eventueel het huwelijk kunnen stuiten wanneer het niet aan de voorwaarde voldoet / er vermoeden is van een schijnhuwelijk.


Huwelijksvoltrekking = met een ambtenaar van de burgerlijke stand en 2-4 meerderjarige getuigen word het ja-woord gezegd. Vervolgens stelt de ambtenaar een huwelijksakte op en deze wordt ondertekend.


Vermogenssituaties:                                                                                                                                           standaard tot 1 januari 2018: wettelijke gemeenschap van goederen = alle bezittingen en schulden van voor en tijdens het huwelijk, erfenissen en schenkingen zijn van beide erfgenoten.                          Standaard na 1 januari 2018: beperkte wettelijke gemeenschap van goederen = de gemeenschap van goederen is beperkt tot alle goederen die voor het huwelijk samen zijn gekocht en dat wat tijdens het huwelijk samen word gekocht. Bezittingen en schulden van voor het huwelijk, erfenissen en schenkingen blijven privévermogen.


Situaties waardoor vermogen schuift van gemeenschap naar privévermogen:



  • Als voor een goed voor meer dan de helft met privévermogen wordt bepaald, is het privévermogen, wel ontstaat er vergoedingsrecht. (bv iets wordt gekocht met 700 euro privévermogen en 500 euro gemeenschappelijk vermogen)

  • Als een goed voor meer dan de helft met gemeenschappelijk vermogen wordt bepaald, is het gemeenschappelijk vermogen, wel ontstaat er vergoedingsrecht. (bv iets wordt gekocht met 500 euro privévermogen en 700 euro gemeenschappelijk vermogen)


Een voorhuwelijkse onderneming blijft buiten de gemeenschap, je moet de regels over een onderneming goed vast leggen.                                                                                                                           Ieder van de echtgenoten heeft bestuursbevoegdheid over de gemeenschappelijke goederen, ze mogen er mee doen wat ze willen. Dit kan niet bij privé goederen van de andere echtgenoot of dingen die op naam van de ander staan (bv huizen).


Om van de standaardregeling af te wijken kun je trouwen onder huwelijkse voorwaarden, ook tijdens het huwelijk kun je nog huwelijkse voorwaarden laten maken, maar dan moet eerst de hele gemeenschap van goederen worden verdeeld. Voor huwelijkse voorwaarden is een notariële akte nodig.


Bewijslast bij huwelijke voorwaarden:



  • Bewijs tussen echtgenoten is vrij, bv als iets op naam staat of met kassabonnetjes, bij conflict zonder bewijs word alles door de helft gedeeld.

  • Bewijs tegenover derden is ook vrij, maar het kan slechts worden bewijzen als de goederen zijn vermeld en door beide echtgenoten bij de notaris zijn ondertekend.


Als in huwelijkse voorwaarden gemeenschap van goederen word uitgesloten -> verrekenbeding = er word afgesproken hoe inkomen en vermogen worden verrekend. Soorten:



  • Periodiek verrekenbeding = er word elke periode verrekend.

  • Finaal verrekenbeding = er word alleen bij het eindigen van het huwelijk verrekend.


9.2 verplichtingen tijdens het huwelijk:


Taken in een huwelijk:



  • Huishoudelijke taken.

  • Onderhoudsplicht = echtgenoten moeten elkaars levensonderhoud voorzien, en zijn verplicht samen hun kinderen op te voeden en de kosten hiervan te dragen.

  • Draagplicht = iedere echtgenoot betaald mee aan de kosten van het huishouden en kinderen.

  • Fourneerplicht = het geld ook echt beschikbaar stellen om de draagplicht te betalen.


Bij een nihilbeding draagt een echtgenoot geen geld bij, maar die is bijvoorbeeld huismoeder/vader.



  • Beide echtgenoten zijn aansprakelijk voor schulden.

  • Beleggingsleer = als een echtgenoot met zijn privévermogen betaald voor een privé-eigendom van de ander, krijgt deze ook de winst die op dit product word gemaakt als deze bijvoorbeeld verkocht wordt.


Dingen waarvoor toestemming nodig  is van de andere echtgenoot:



  • Handelingen i.v.m. met de woning / inboedel

  • Het geven van een buitengewoon hoge gift

  • Borg of zekerheidsstelling voor schulden van anderen

  • Overeenkomst met koop of afbetaling / huurkoop


9.3 beëindiging huwelijk:


Manieren waarop een huwelijk kan eindigen:




  • Nadat iemand langer dan 5 jaar vermist is.

  • Echtscheiding. Ontbinding van het huwelijk. Duurzaam ontwricht = de verhouding in het huwelijk is zo lastig geworden dat het niet meer mogelijk is om samen te blijven, dit is als beide een scheidingsverzoek indienen. Als het scheidingsverzoek van 1 kant komt moet de rechter onderzoeken of er sprake is van duurzaam ontwricht. Er is pas sprake van een echtscheiding als de beschikking van de rechter in het register van burgerlijke stand word ingeschreven, dit moet binnen 6 maanden gebeuren, anders komt het te vervallen.

  • Scheiding van tafel en bed. Hierbij word het huwelijk niet ontbonden, dit doen mensen bv om religieuze redenen of als een van beide bv een verslaving heeft. Als het verzoek van scheiding van tafel en bed langer dan 3 jaar doet, of een van de partners doet hier een verzoek toe, word het huwelijk alsnog ontbonden.



Na de ontbinding van gemeenschap van goederen -> beide helft van de spullen en schulden, beide houden hun eigen privévermogen.


Het beëindigen van het huwelijk is niet altijd hetzelfde als scheiden! Scheiden is alleen een echtscheiding of ontbinding tafel en bed.


Scheidingsprocedure:



  1. Verzoekschrift – de partners nemen een advocaat of mediator = een onafhankelijke bemiddelaar die beide partijen helpen om samen afspraken te maken. Vaak word bij een gezamenlijk verzoekschrift gelijk een echtscheidingsconvenant toegevoegd = een overeenkomst waarin alle afspraken over nevenvoorzieningen zijn vastgelegd, dat zijn regelingen over de gevolgen voor bv de woning, het pensioen etc. dit is niet verplicht maar wel handig. Als de partners het oneens zijn komt er een eenzijdig verzoekschrift, en oordeelt de rechter. De indiener = verzoeker, de andere = verweerder. Als er minderjarige kinderen binnen het huwelijk zijn moet er een ouderschapsplan worden opgesteld waarin staat: de verdeling van de zorg en opvoedingstaken, de manier waarop ouders informatie delen over het kind, de kosten van de minderjarige kinderen.




  1. Verweerschrift (bij eenzijdig verzoek) – als bij een eenzijdig verzoek de verweerder het oneens is met het verzoekschrift komt er een verweerschrift. Soorten verweer: hij vind dat er geen sprake is van duurzame ontwrichting, de verweerder wil afspraken maken over het pensioen of hij heeft bezwaar tegen de nevenvoorzieningen. Bij een ontbinding na scheiding van tafel en bed, kan de verweerder: beweren dat er verzoening is = de scheiding van tafel en bed is opgehouden, afspraken over het pensioen of hij heeft bezwaar tegen de nevenvoorzieningen.                                                                                Als de verweerder geen verweerschrift wil inleveren, levert hij een referteverklaring                               




  1. Zitting – er is een zitting als: er is een eenzijdig verzoek met verweerschrift of er zijn minderjarige kinderen. Er is geen zitting als: er is een eenzijdig verzoek met referteverklaring of er is een gezamenlijk verzoek zonder minderjarige kinderen.




  1. Beschikking – de rechter neemt een beslissing, deze beslissing heet de echtscheidingsbeschikking.




  1. Hoger beroep en cassatie – binnen 3 maanden is het mogelijk om de hoge raad de beslissing te laten controleren als je het oneens bent met de beslissing.




  1. Beschikking inschrijven – als de beschikking word ingeschreven in het register van de burgerlijke stand, is de echtscheiding officieel. Als dit niet binnen 6 maanden word gedaan vervalt het.



Als het niet mogelijk is om goede afspraken te maken kan je een voorlopige voorziening aanvragen.


Gevolgen scheiden voor alimentatie:


De alimentatie is wat je betaald om het leven van je ex-partner of kind te onderhouden. Dit betaal je aan de ouder van het kind als het kind onder de 18 is en rechtstreeks aan het kind als hij onder de 21 is. Als het niet lukt om de alimentatie te betalen zal de rechter een alimentatieregeling vaststellen, dit kan op de volgende momenten / manieren : gelijk bij de scheiding, na de zitting bij de scheiding, later na de scheiding, bij een verzoek tot alimentatieregeling. De rechter kijkt bij partneralimentatie naar de behoefte van de ene partner (de behoeftigheid is de mate waarin ze niet in staat zijn zichzelf te voorzien), en de draagkracht van de andere partner. Als de situatie weer veranderd kun je een herziening van de alimentatie aanvragen.


Gevolgen scheiden voor pensioen:


De ene partner heeft recht op een deel van het pensioen van de ex-partner, totdat deze z’n eigen opgebouwde pensioen ontvangt. Als een van de partner overlijd ontvang je of alles weer of niks. Door huwelijksvoorwaarden kan dit afwijken. Als een van de partners is overleden heb je recht op nabestaandenpensioen.




9.4 andere samenlevingsvormen


Geregistreerd partnerschap – alternatieve juridische gelijke vorm aan het huwelijk.                Verschillen huwelijk en geregistreerd partnerschap:                 



  • Er is geen ‘ja-woord’

  • Het word niet wereldwijd erkend

  • Scheiding van tafel en bed is niet mogelijk

  • Kan worden beëindigd zonder rechter

  • Kan worden omgezet in een huwelijk


Samenleven zonder samenlevingscontract – samenleven zonder enige afspraken, en dus ook geen kosten, je hebt veel vrijheid. Er komen wel veel moeilijkheden bij kinderen, overleiden van een van de partners en bij uit elkaar gaan.


Samenleven met samenlevingscontract – samenleven met afspraken over financiële bijdragen, kinderen, bezittingen etc.                                                               


 hoofdstuk 10


Paragraaf 1. Schenken civiel


Een schenking = de overeenkomst die ervoor zorgt dat de schenker, ten koste van eigen vermogen, de begiftigde iets schenkt. Kenmerken schenking:



  • Een schriftelijke of mondelinge overeenkomst

  • Geen tegenprestatie

  • Verarming schenker en verrijking begiftigde

  • Uit vrijgevigheid, met bevoordelingsbedoelingen


Een schenking is altijd een gift, maar een gift niet altijd een schenking. Bij een gift is geen overeenkomst en kan soms een tegenprestatie zijn.                                                                       Redenen om een notariële schenkingsovereenkomst te sluiten:



  • Een schenking die bij overlijden word uitgevoerd kan alleen via een notariële schenkingsovereenkomst.

  • De bewijskracht is groter, je hebt een notariële overeenkomst nodig voor de belasting, (als 180 dagen na de schenking de schenker overlijd moet je erfbelasting betalen).

  • Een schenker kan beweren dat een schenking oneerlijk is overeengekomen bv door dementie, je hebt een notariële akte als bewijs nodig.


Bij een schenking onder bewind, beheerd de bewindvoerder de schenking. Dit is altijd schriftelijk met een bewindakte. Je hebt 3 rollen: schenker, ontvanger en bewindvoerder. Een schenking onder bewind word vaak gekozen bij een schenking aan jonge kinderen of geestelijke beperkten.


Bij een schenking onder uitsluitingsclausule / insluitingsclausule sluit je in of uit dat een schenking in een huwelijk komt, bij de partner / schoonkind.


Paragraaf 2. Schenken fiscaal


Over een schenking betaal je schenkbelasting, het tarief hiervan hangt af van de waarde van de schenking en de verwantschap van de ontvanger en de schenker.  Hoe hoger de waarde en hoe verder het verwantschap, hoe hoger de prijs.



























Waarde schenking



Partner / kind



(achter)kleinkind



overige



ANBI / SBBI



€0 - €122.268



10%



18%



30%



vrijgesteld



€122.269 en meer



20%



36%



40%



Vrijgesteld




Eenmalige vrijstelling:                                               jaarlijkse vrijstelling:


























Relatie



doel



bedrag



(pleeg)kind



algemeen



€25.526



(pleeg)kind



studie



€53.176



iedereen



woning



€100.000























Relatie met schenker



Vrijgesteld bedrag



(pleeg)kind



€5.320



Andere verkrijgers



€2.129



ANBI en SBBI



Volledige bedrag




Een ANBI = een algemeen nut beogende instelling. Voorwaarden:



  • 90% van de winst gaat naar algemeen nut

  • Geen winstoogmerk

  • Beloning bestuurders beperkt tot onkostenvergoeding

  • Alle gegevens staan openbaar


Voorbeelden zijn Greenpeace, stichting Parkinson etc. je kan alle ANBI’s vinden op de site van de belastingdienst. Een periodieke gift (voor minimaal 5 jaar elke periode een gift) is volledig aftrekbaar. Voor een gewone gift is de aftrek: 10% van het drempelinkomen = het totaal van inkomsten en aftrekposten in box 1, 2 en 3 maar zonder persoonsgebonden aftrek.


Een SBBI = sociaal belang behartigende instellingen, bv muziekvereniging, sportclub etc


Paragraaf 3. Erven civiel


Nalatenschap = het vermogen (bezittingen en schulden) dat de overleden persoon op de dag van overlijden nalaat. De overledene = de erflater


Erflater geen testament -> versterferfrecht. Er zijn 4 groepen, mensen uit de eerste groep krijgen allemaal hetzelfde deel van de erfenis, mocht er niemand in groep 1 zitten, krijgen de mensen uit groep 2 allemaal hetzelfde deel etc. plaatsvervulling is mogelijk. (de (klein)kinderen nemen de plaats van de erfgenaam in.)



  • Groep 1 -> echtgenoot en kinderen

  • Groep 2 -> ouders, broers, zussen (half broers of zussen krijgen de helft van volle broers of zussen)

  • Groep 3 -> grootouders

  • Groep 4 -> overgrootouders


Langstlevende ouder overlijd -> kinderen krijgen overblijfselen erfenis door blote eigendom met 6% renteaftrek. Binnen 3 maanden na overlijden kan de langstlevende een ongedaanmakingsverbintenis inleveren waardoor de erfenis ongedaan wordt. Wanneer de langstlevende ouder hertrouwd -> stiefoudergevaar, kinderen kunnen dan wilsrechten uitoefenen als bescherming, bijvoorbeeld:



  • Langstlevende ouder hertrouwd; kinderen kunnen blote eigendom aanvragen, zij ontvangen dan alles van de oude erfenis

  • Langstlevende ouder hertrouwd, overlijd, laat stiefouder achter: ze kunnen opnieuw de blote eigendom aanvragen

  • Stiefouder en langstlevende ouder overlijden: kinderen kunnen het erfdeel van de langstlevende ouder opeisen bij de erfgenamen stiefouder.


Voor een aangepaste erfenis kun je een testament opstellen, als je ouder dan 16 bent en geen lichamelijke of geestelijke stoornis hebt. (Je kan geen huisdieren erfgenaam maken maar wel iemand de last opleggen om voor het huisdier te zorgen.)



  • Notarieel testament, de notaris stelt een testament op aan de hand van jouw wensen, is openbaar

  • Depottestament, testateur maakt zelf een testament en de notaris bewaard deze.


In een testament kan je:



  • Opeisbaarheid vorderingen uitbreiden

  • Uitoefenen wilsrechten uitbreiden, beperken of opheffen

  • Stiefkinderen in wettelijke verdeling opnemen


Legaderen = bepaalde goederen of een geldbedrag achterlaten aan iemand of een organisatie bv een ANBI.


Een erflater kan last opleggen bv om voor een huisdier te zorgen.


Een codicil = een onderhands door de erflater geschreven stuk over kleding, sieraden, meubels en boeken, ook kan er in staan hoe de uitvaart er uit moet zien.


De legitieme portie = het deel van de erfenis waar een kind recht op heb als hij/zij niet is opgenomen in het testament, dit is de helft van het bedrag via versterferfrecht.


De legitieme massa = waarde nalatenschap + waarde giften uit de laatste vijf jaar – schulden van het nalatenschap : legitieme portie. Door beroep te doen op de legitieme portie bestaat een geldvordering op de nalatenschap. (dus geen goederen)


Je kan in je testament onterven, maar als je je kind onterft kan deze nog de legitieme massa aanvragen.


Delegitimaire aanspraak is de legitieme portie minus door de legitimaris tijdens zijn leven ontvangen giften van de erflater.


Paragraaf 4. Afwikkeling nalatenschap


Verklaring van erfrecht = notariële akte waarin de erfgenamen en bevoegden staan.


Verklaring van executele = een executeer beheerd de erfenis, maakt een boedelbeschrijving (overzicht bezittingen en schulden) en betaald de schulden.


Als je een erfenis krijgt heb je 3 keuzes:



  • Zuiver aanvaarden, dit gebeurd door een verklaring bij de rechtbank maar ook al door gedragingen = je gebruikt iets uit de erfenis met economische waarde. Als je later een onverwachte schuld tegenkomt ben je verplicht deze te betalen.

  • Beneficiair aanvaarden, door een schriftelijke verklaring bij de rechtbank (kost geld) ben je niet aansprakelijk voor schulden. Minderjarige kinderen aanvaarden altijd beneficiair.

  • Verwerpen. Als je een erfenis verwerpt gaat die naar verdere afstammelingen, als tm de zesde graad iedereen verwerpt vervalt de erfenis aan de Nederlandse staat.


Paragraaf 5. Erven fiscaal


Boedelkosten = kosten voor begrafenis, notaris, taxateur (bepaald waarde van voorwerpen) etc.


De tarieven en vrijstellingen van de erfbelasting zijn afhankelijk van:



  • Waarde erfenis

  • Verwantschap erfgenaam en erfgelater


Vrijstellingen erfbelasting:


































Relatie met erflater



Vrijgesteld bedrag



partner



€638.089



Kind of kleinkind



€20.209



Kind met een handicap



€60.621



ouder



€47.859



anders



€2.129



ANBI en SBBI



Volledig vrijgesteld




De tarieven van de erfbelasting zijn hetzelfde als die voor de schenkbelasting. (zie par 2)

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.