Gezocht: vmbo-scholieren uit jaar 3 of 4! Vul deze vragenlijst over het mbo in, en maak kans op een cadeaubon van 25 euro.

Meedoen

Synthese H6, 7, 9

Beoordeling 5.2
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas vwo | 2470 woorden
  • 26 mei 2003
  • 15 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.2
  • 15 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ANW
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!
ANW Samenvatting Hoofdstuk 6,7 en 9

Hoofdstuk 6

Atmosfeer: dunne schil van gas die de aarde omgeeft.
De lucht bestaat uit 78%stikstof, 21% zuurstof, beide bestaande uit 2 atomen (N2 en O2). Samen met CO2 en H20 (waterdamp) zijn het de belangrijkste factoren voor het leven. Behalve gassen zweven er ook kleine deeltjes die dienen als condensatiekernen voor waterdruppels. Smog: luchtverontreiniging met mist. Dit komt door bijv. verkeer, chemische industrie en huishoudens.
Straling waar ons netvlies gevoelig voor is, heeft een golflengte tussen de 400 (violet) en 700 (rood) nm. Straling kleiner dan 400 nm heet ultraviolettestraling (UV). Heel kortgolvige straling is röntgenstraling. Infraroodstraling (IR) is groter dan 700 nm. Radiostraling heeft een straling van cm’s. De straling van de zon is meestal 500nm  geel licht.

Kortgolvige straling wordt door moleculen geabsorbeerd in de dampkring. Die moleculen krijgen energie hiervan en verwaren zo de atmosfeer.
Fotosynthese: CO2 en water  (door lichtenergie in bladgroenkorrels)  glucose en zuurstof
Broeikaseffect: zon straalt warmte naar de aarde. Het aardoppervlak wordt warmer en straalt nu zelf infraroodstraling uit. Moleculen in de atmosfeer absorberen het en de energie blijft in de atmosfeer  temperatuur stijgt.
Stralingsbalans: verschillen tussen ontvangen en gestuurde straling.
Fossiele brandstoffen: ontstaan uit levende organismen en bevatten veel koolstof. Bij verbranding ontstaat CO2 en dit komt in de atmosfeer  versterkt broeikaseffect.
Broeigassen: waterdamp H2O, koolstofdioxide CO2, ozon O3, methaan CH4 en lachgas N2O.
Het ijs op Groenland en Antarctica bestaat uit lagen die ontstonden door de wisseling van seizoenen. In die lagen bevinden zich luchtbellen  uit de tijd dat die laag is gevormd. De luchtbellen werden onderzocht en de chemische samenstelling is bekend.
Zuurstof bestaat uit 2 atomen en is reukloos. Ozon bestaat uit 3 atomen en heeft een karakteristieke geur. De concentratie van ozon is op 25 km groter  ozonlaag. UV van de zon dringt de atmosfeer binnen en vindt een zuurstofmolecuul. De UVstraling is zo groot, dat het molecuul in 2 atomen uiteenvalt. Als 1 van de 2 een andere tegenkomt, ontstaat ozon. Deze moleculen kunnen UVstraling buitengewoon goed absorberen.

Zonnespectrum: in het UVgedeelte van de zon zitten absorptielijnen van ozon. Heeft 2 beperkingen: het is alleen overdag mogelijk, en de info is alleen over de hoeveelheid ozon op de plaats van het meetstation. Daarom gebruikt men nu satellieten, die overdag en ’s avonds en op elke plaats op aarde te gebruiken zijn.
Bij een vulkaanuitbarsting komt zwaveldioxide in de atmosfeer zodat de ozonlaag afbreekt.
Katalysator: stoffen die de reactiesnelheid beïnvloeden.
CFK: chloorfluorkoolwaterstoffen.
Gat in de ozonlaag is ontdekt door Britten op Halley Bay in Antarctica waar de hoeveelheid ozon in de absorptielijnen van de zon veel minder was geworden na 1 jaar.
Koolstofkringloop: planten nemen via huidmondjes CO2 op. Dit wordt omgezet tot glucose, de koolstof blijft gedeeltelijk in de plant. Dieren en mensen eten het, ze produceren het ook zelf en zo komt een gedeelte weer terug in de atmosfeer. Aan zee zakt de koolstof weg, deze plantenresten verkolen. Hier zit koolstof in, als deze fossiele brandstoffen verbranden komt de koolstof terug in de atmosfeer. In de zee lost veel water op. Veel organismen gebruiken het. Er komt door de temperatuurverandering minder water, want het verdampt. Ook wordt het water warmer omdat het CO2 in de oceanen minder goed oplost oor de temperatuurverandering.
Weer: situatie van de atmosfeer op een bepaald tijdstip en plaats.
Klimaat: gemiddelde van verschillende grootheden zoals temperatuur, luchtvochtigheid, neerslag en wind, over tientallen jaren gezien.
Fluctuaties: verschillen in bijv. temperatuur, niet te verwarren met een klimaatverandering.
Atmosfeermodel: beschrijving van processen in de dampkring.
Zonnevlekken: donkere gebieden op de zon. Er is een sterk magnetisch veld. Er is een regelmaat in het voorkomen ervan  zonnecyclus  i.v.m gemiddelde temperatuur.
Kosmische straling: elektrisch geladen deeltjes die met een grote snelheid de aardatmosfeer binnendringen. De zonnevlekken houden de geladen deeltjes tegen.

Hoofdstuk 7

4 Eisen die we aan kleding stellen:
- warmte-isolerend
- winddicht
- waterdicht
- ademend
Eigenschappen van textiel zijn op 4 niveaus in te delen:
- weefsel
- garen
- vezel
- stof
Wol komt van de binnenkant van de vacht van schapen, 1e x: lamswol, 2e x: jaarlingswol, latere scheringen heten moederswol.
Eigenschappen wol:
- wol is makkelijk te spinnen omdat de vezels geschubd zijn.
- Wol kan tot 40% van het eigen gewicht aan vocht opnemen zonder vochtig aan te voelen.
- Wolvezels zijn veerkrachtig  kreukherstellend
- Het hoofdbestanddeel was keratine: reageert met zuren (structuur eiwitmolecuul wordt niet verbroken) en basen (structuur wordt wel verbroken).
Zijderupsen eten blaadjes van moerbeibomen, bouwen een cocon om zich heen van 2 gesponnen draden. 1/3 van de cocon werd afgewikkeld tot 1 lange draad van max. 3km lang.
Eigenschappen zijde:
- zijdevezels zijn buitengewoon sterk. Ze zijn elastisch en kreukherstellend
- zijde kan tot 30% van het eigen gewicht aan vocht opnemen zonder vochtig aan te voelen.
- Zijde bestaat uit de eiwitten fibroïne (draden) en sericine (lijmt de draden aan elkaar). De sericine wordt verwijdert om zijde zacht en glanzend te maken.
- Zijde is beter bestand tegen basische stoffen, maar kan bij hoge temperatuur en sterk basische stoffen oplossen.
Katoenvezels zijn lange, dunne buizen onregelmatig in elkaar gedraaid. De lengte is 3-6 cm. Schoongemaakte vlokken katoen worden evenwijdig in een laag gelegd m.b.v een kaarde (ruwe kam). Daarna in smalle stroken verdeeld  dikke losse draden.
Eigenschappen katoen:
- katoen kan 30% opzwellen door vochtopname en kan veel opnemen  wordt er sterker door.
- Katoen is niet kreukherstellend en houdt warmte niet goed vast.
- Katoen bestaat uit 90% cellulose  koolhydraat is goed bestand tegen basische stoffen. Zuren breken de cellulosemoleculen af. Basische stoffen worden ook bij de zuivering en bleking van ruwe katoen  dus bestand ertegen.
De vezels van linnen zitten in de bast van de stengel van de vlasplant. Door de stengels in het water te houden worden de bacteriën gedood. Het wordt gehekeld: vezels ontward en gereinigd met behulp van kamen. Vlasvezels zijn 50-70 cm lang.
Eigenschappen linnen:
- niet elastisch  kreukt snel
- kan goed vocht opnemen.
- Niet warmte-isolerend.
- 70% cellulose
Vezels in elkaar draaien: spinnen. Als je daarna dit met 2 andere gesponnen draaien in elkaar draait is dat twijnen. In 1733 maakte John Kay de 1e machine voor de textielbewerking. In 1769 maakte Richard Arkwright een spinmachine. Hij was een Britse uitvinder en katoenproducent. Hij gebruikte als eerste de arbeidsverdeling. Samuel Crompton verbeterde in 1779 de spintollen in de machine van Arkwright.
In de lengterichting worden draden evenwijdig aan elkaar gespannen. In de breedterichting worden inslagdraden ingevlochten met behulp van een schietspoel.
Joseph Marie Jacquard programmeerde voor het eerst een machine voor de textielbewerking. Later kwamen sponskaarten, die op het idee van Jacquard leken.
Het viscoseproces is het meest gebruikte proces om een synthetische vezelstof te maken. De naam kunstzijde werd vervangen door rayon. Eigenschappen rayon:
- sterk en licht in gewicht
- veerkrachtig  kreukherstellend
- nemen weinig vocht op  snel droog na wassen
De stoffen waar die synthetische vezels van worden gemaakt zijn polymeren. Een molecuul daarvan is gebouwd uit een lange keten van aan elkaar gebonden kleine moleculen. Dit wordt een monomeer genoemd. Cellulose is ook een polymeer, deze molecuul wordt door aan elkaar geknoopte glucosemoleculen gemaakt.
Nylon heet polyamide. Amide is de groep atomen die de schakel vormen in de keten van monomeermoleculen. Het is bestand tegen chemicaliën waaronder basische stoffen, zeef en de stoffen die gebruikt worden bij chemisch reinigen. Je zweet erin, na grote inspanning.
Acryl is textiel gemaakt met vezels van polyacrylonitril. Toen een oplosmiddel was gevonden om het door de spindop te persen werd het toegepast in 1950. Het is zacht en luchtig, et een groot warmte-isolerend vermogen.
Polyester: ester is de naam voor de groep atomen die de schakel voren in de keten van monomeermoleculen. Polyester is bestand tegen alle chemicaliën, zelfs tegen zuren in matige concentratie. Het is vormvast: ingeperste vouwen zijn houdbaar.
Waterdicht: textiel is zo dicht geweven dat er geen water doorheen kan.
In 1830 naaide Macintosh een jas en behandelde die met een oplossing van rubber. Dit werd de regenjas, in het Engels heet het nog steeds een mackintosh. Een nadeel hiervan is dat het niet meer ademt. Van waterafstotende vezels glijdt het water in losse druppels af. De ideale regenjas stoot water van de buitenkant af, laat waterdamp door en neemt aan de binnenkant lichaamsvocht op. Daarom zijn vele jassen met meerdere lagen.
Teflon is waterafstotend, wordt gebruikt voor het membraan in jassen, dat ervoor zorgt dat waterdamp kan worden doorgelaten.
Kenmerkend voor de ambachtelijke manier van werken is:
- de best mogelijke technieken zijn gevonden door trial en error
- de technieken zijn vastgelegd, zodat elke ambachtsman ze kan gebruiken.
- De ambachtslieden hebben zodanige vaardigheid, dat bij gebruik van de vastgelegde techniek de kwaliteit van het product hoog en constant is
- Er wordt niet gezocht naar verklaringen die aangeven hoe het kot dat de gebruikte technieken tot het best mogelijke resultaat leiden.
Systematisch onderzoek: er werd gezocht naar geschikte vezelmaterialen en verbeterde productiemethoden.

Hoofdstuk 9

Roggeveen ging op 2e paasdag 1722 naar een onbekend eiland t.w.v Chili. Hij trof daar een primitieve samenleving aan. In 1877 haalden Peruanen alle mogelijke arbeiders weg. Er waren veel massieve stenen beelden. In de 5e eeuw kwamen er Polynesiërs met veel vrije tijd. Ze woonden in clans. Elke clan had een hoofdman, eigen rituelen en stenen. Deze Ahu’s worden voor begrafenissen enzo gebruikt. Door het maken van deze platforms werd het eiland ontbost  bodemerosie en geen hout voor huizenbouw. Ze konden het eiland niet meer verlaten: kannibalisme.
Onder leiding van Brundtland (Deense premier) moest een lange termijnvisie op economische ontwikkelingen op wereldschaal ontwikkelt worden  Our Comon Future
Duurzame ontwikkeling: proces van verandering waarin de benutting van hulpmiddelen,richting van investeringen, oriëntatie van technologische ontwikkelingen en de institutionele verandering met elkaar in harmonie zijn en huidige en toekomstige mogelijkheden vergroten in om de menselijke behoeften te voorzien.
Primaire levensbehoeften: zorg voor voeding, water kleding en onderdak.
Steentijd: 30000 jaar geleden met mensen in tropische gebieden. Ze leefden in groepen zonder vaste verblijfplaats: nomaden. Ze verzamelden en jaagden.
Nomadische landbouw: ze bleven op een plek, gooiden alle afval op een hoop, zagen het effect van vruchtbare grond, grond raakte uitgeput. Dan gingen ze naar een ander gebied.
Ouderdom kan bepaald worden door het meten van het gehalte radioactiviteit in platenresten.
Veredeling: planten die niet ziek waren werden geteeld. Hierdoor werden wilde soorten cultuurgewassen. Tarwe en gerst waren de 1e cultuurgewassen
Neolithische revolutie: overgang nomadisch bestaan  landbouw
Erosie werd veroorzaakt door ontginning van land, bos verdween en planten waren er niet het hele kaar.
Plato: Griekse wijsheer uit 400 v. Christus. Hij zei dat de grond water op kan nemen en dat klei water opslaat.
Toename van de bevolking leidde tot intensievere landbouw. De bevolkingsdruk  hongersnood.
Sawa’s: rijstvelden waar de rijst van traag stromend water wordt voorzien. Het leverde extra voedingsstoffen voor rijst maar vroeg om extra inspanning.
Wisselbouw: steeds wisselende gewassen te kweken en verbouwen. In Nederland werd het drieslagstelsel toegepast: 1e jaar tarwe, 2e jaar haver en 3e jaar kindgewas of klaver.Soms lagen er delen van het land braak.
1e gevonden kleitabletten zijn afkomstig uit Uruk en zijn 5000 jaar oud.
Mechanisatie kwam mid 19e eeuw  industriële revolutie: transport nam toe, fossiele brandstoffen werden getransporteerd. Door kolonies liep de EU voor op de rest wat betreft de handel.
Plantenveredeling: door selectie van zaad van goeie groeiers heeft de mens ingegrepen in het natuurlijke proces selectie  cultuurgewassen ontstonden.
Kruisen is de volgende stap in plantenveredeling: proberen de erfelijke eigenschappen van gewassen te verbeteren. De kweker brengt stuifmeel over op de stamper van een andere plant.
Erfelijkswetten van Mendel in 1868 opgesteld.
Moderne biotechnologie: technoloog brengt het gewenste erfelijk materiaal in een platencel. Deze cel wordt verder gekweekt in een weefselkweek.
Kortstro-typen: stevige stengels, ze konden meer stikstofkunstmest verwerken en groeiden snellen en hadden een hogere opbrengst.
Deze ontwikkelingen leiden tot een groene revolutie. Dit was voor de armen geen succes:
- de wonderzaden moesten van een producent worden gekocht
- zaden vragen om een speciale behandeling
- kunstmest moet worden gebruikt
- gewasbeschermingsmiddelen waren nodig  vervuild grondwater
Guano: huano is spaans voor vogelpestje. Meststof van versteende uitwerpselen van vleermuizen en zeevogels.
Kunstmest maakt de grond vruchtbaar.
Stikstof komt als nitraat vrij  kan door planten worden opgenomen. Dode organismen worden afgebroken  ammoniak ontstaat dat wordt omgezet tot nitraat.
Aan de wortels van vlinderbloemigen zitten knolletjes die bacteriën zetten stikstof om in nitraat. Als die knolletjes op arme grond worden gestrooid, wordt de grond van nitraan voorzien  groenbemesting.
Satellieten worden gebruikt voor weersvoorspelling, info over geologische structuren, bodemgesteldheid en vegetatie, oppwater en oceanen.
2,5% van het al het water op de aarde is zoet water. 68,7% daarvan komt uit ijskappen.
FAO (Voedsel en Landbouworganisatie van de VN) heeft het over waterschaarste als niet de behoefte van 100 m2 water per persoon per jaar kan worden voldaan.
Waterkringloop: op zonne-energie draaiend proces waarin water verdampt vanaf het aardopp. Om in de atmosfeer weer als vloeistof terug te keren. Als er eer grondwater gebruikt wordt dan er door de neerslag bijkot, plegen we roofbouw.
Aralmeer: voor een groot gedeelte opgedroogd doordat het water van rivieren die het Aralmeer van water voorzagen voor de katoenteelt werd gebruikt. Het land is verzilt en verontreinigd door chemicaliën die voor de katoenteelt gebruikt zijn.
Stuwdammen: verzamelen water van elders, hierdoor kan een constantere waterstroom geregeld worden.
Verzilting: zouten blijven in de bodem achter.
Biotechnologie: wetenschappelijke kennis van de levende natuur gecombineerd met technische vaardigheden.
Recombinant-DNA: erfelijk materiaal overbrengen van een donorcel naar een gastheercel.
2e groene revolutie: ze wilden planten met een hoge opbrengst. Die niet meer aangetast konden worden door onkruidverdelgers en niet vatbaar voor ziektes zijn.
Genetische modificatie is een vreemd gen inbrengen in een organisme. Hiermee doorbreekt men de soortengrenzen door materiaal van de ene soort naar de andere over te brengen.
Sommige bacteriën hebben erfelijk materiaal dat zelfstandig kan leven: plasmide.
Deze techniek is onmogelijk te gebruiken voor arme boeren, wat moet er veranderen:
- de wonderzaden moeten goedkoper worden
-
-
Aristoteles: dieren zijn ten behoeve van de mens.
Plato: menselijk ingrijpen in het milieu is volmaakt en natuurlijk.
Genesis: de mens is geen onderdeel van de natuur, maar draagt wel de zorg voor haar.
Descartes: geheel ontleden in samenstellende delen ten behoeve van de wetenschap: reductionisme. Je ziet dit terug in de westerse medische wetenschap: specialisatie van artsen op het zieke orgaan of zieke lichaam i.p.v de mens als geheel. Ook het dumpen van giftige stoffen in zee zonder over de gevolgen voor het milieu na te denken is een voorbeeld van het reductionisme.
Evenwicht tussen de mens en natuur wordt benadrukt in de Indiase traditie, boeddhisme etc. Ze hebben een speciale plaats, maar regeren niet volgens God.
Chief Seattle zei in 1854 dat de aarde niet toebehoort aan de mens, de mens behoort toe aan de aarde.
Economie en ecologie stammen af van oikos (huis). Na het rapport van de Club van Rome uit 1972 bekommerde men zich om het milieu.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.