Paragraaf 11-27 Leven

Beoordeling 7.6
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 5132 woorden
  • 19 januari 2004
  • 106 keer beoordeeld
Cijfer 7.6
106 keer beoordeeld

§11 -In de geschiedenis van de filosofie zijn veel ideeën geweest over het ontstaan van leven en wat leven is. Hier zijn een aantal ideeën over leven: § Volgende de oude Grieken (6de eeuw voor Christus) bestond alles uit een bezielde samenhang. Alle stoffen hadden het eeuwig leven en er was geen verschil tussen levend en dood. § Empedocles van Argrigentum onderscheidde vier elementen: water, vuur, aarden en lucht. Daar zou alles uit opgebouwd zijn. § Leerlingen van de school Hipprocates van Kos dachten dat het lichaam bestond uit aarde, water, lucht en vuur met eigenschappen v/d elementen droog, nat, koud en warm. Alle levende wezens zouden een levensadem/lucht nodig hebben die de pneuma genoemd werd. Hij onderscheidde vier lichaamsvloeistoffen: bloed, slijm, zwarte gal en gele gal. Als het evenwicht tussen deze stoffen verstoord zou worden kon je ziek worden. -Stofwisseling= als een levend wezen voortdurend stoffen wisselt met zijn omgeving. Je hebt energie nodig om je stofwisseling op gang te houden. Die energie komt uit de dissimilatie dat is als je lichaam stoffen verbrand voor de verbranding. Alle overtollige energie wordt aan de omgeving afgegeven. Homeostase= als het dynamische evenwicht v/h milieu helemaal goed is. De uitwisseling en afvoer van stoffen gaat dan dus helemaal goed. Stofwisseling en homeostase hebben met elkaar te maken omdat door de stofwisseling stoffen worden uitgewisseld, dat is in evenwicht. -Alle systemen van een organisme zijn goed afgesteld maar toch kan er soms nog wel een foutje zijn bv taaislijmziekte. Wanneer het evenwicht van binnenaf of buitenaf het lichaam is verstoord spreek je van een ziekte. -levende wezens kunnen alleen overleven als ze kunnen reageren op bedreigingen: zweten, afweersysteem, prooidier. Planten kunnen andere planten waarschuwen voor bv insecten door een vluchtige stof af te geven. Andere planten kunnen op deze waarschuwing reageren. Zij doen dit door extra giftige stoffen af te geven. Alleen eten planteneters niet minder van deze planten. -evolutie= als er dmv een verandering een oud soort tot een blijvend nieuw soort wordt gevormd. Een ontwikkeling= als er langzamerhand nieuwe kenmerken worden gevormd. Bv bij een mens. Groei = massa en volume worden groter zonder dat er nieuwe kenmerken bij komen. -Je kunt dus samenvattend zeggen over levende wezens: § Ze hebben een stofwisseling § Ze hebben een homeostase § Ze kunnen worden bedreigt door dingen van binnen en buiten af. § Ze reageren op prikkels uit de omgeving § Ze ontwikkelen en reproduceren zichzelf door vastgestelde blauwdrukken in de genen. -als je kijkt naar hoe een organisme met het milieu zelfstandig stoffen uitwisselt spreek je van een kringloop. Een omgeving kan samengesteld veranderen doordat sommige stoffen in de omgeving worden afgegeven en andere weer opgenomen. §12 -doordat Anthonie van Leewenhoek met zijn microscoop overal kleine diertjes ontdekte werd de theorie dat levende organismen zich uit levensloze materie kunnen ontwikkelen fout verklaart. Door een zwanenhals experiment is voor het eerst aangetoond dat deze theorie fout is. -er zijn veel theorieën over hoe het leven is begonnen. Er is een theorie die zegt dat we allemaal aliens zijn. Alleen kunnen we nu nog niet aantonen hoe het leven is begonnen op aarde. -exobiologie is de tak v/d wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van buitenaards leven. Aanhangers v/d theorie dat alles uit de ruimte komt proberen dit te bewijzen dmv experimenten. Ze gebruikten hier levensloze stoffen en omstandigheden waarvan ze dachten dat die zo waren voordat er leven ontstond op aarde. Na het toevoegen van elektriciteit was er een soort oersoep ontstaan. Die bestond uit aminozuren. Er is alleen op deze manier nog nooit bewezen dat dit echt leven is. Er zijn ook wel eens cellen gemaakt van microbolletjes. Ze hadden een paar kenmerken van levende organismen maar er was geen reactie op de omgeving en er was geen sprake van erfelijke eigenschappen. Daarom worden de cellen ook wel protocellen genoemd. -virussen worden niet beschouwt als levende wezens. Ze hebben namelijk een ander levend wezen nodig om voort te planten en hun stofwisseling te laten werken. Ze hebben dus een gastheer nodig. Als ze die hebben dringt hij diens cellen binnen. De gastheercel wordt gedwongen om veel kopieën van het virus te maken, zo ontstaat er een cel met alle informatie. Als deze cel klaar is barst hij open en kunnen er weer nieuwe gastheer cellen gemaakt worden. -prionen kunnen ook ziekte veroorzaken. Vb: BSE en CJD. Het zijn een soort eiwitten. Ze hebben ook een gastheer nodig om zich ze vermenigvuldigen. Prionen-eiwitten komen in twee vormen voor: een gewone cel die telkens word gevormd en afgebroken en een abnormale eiwit komt in ons lichaam via voedsel. Als dit abnormale bij het normale eiwit komt kan het normale eiwit de vorm van de abnormale aannemen. Het lichaam blijft normale eiwitten maken maar ze worden steeds weer omgezet tot abnomale eiwitten. Doordat deze prionen niet kunnen worden vernietigt verdwijnen er cellen in de hersenen, het proces van normale en abnormale prionen herhaalt zich dan weer. Het wordt dan steeds moeilijker om het lichaam weer normaal te maken. -Stasis= de toestand waarin alle levensprocessen stil staan en je kan denken dat er geen sprake meer is van leven. Dingen v/h lichaam worden dan ingevroren voor later gebruik vb: sperma, eicellen en embryo’s van koeien. Na het ontdooien kunnen ze weer gewoon gebruikt worden. Er zijn mensen die zich laten invriezen alleen is nog niet bewezen dat je dan weer levend wordt. -Coma= als iemand door hersenbeschadiging het bewustzijn heeft verloren zonden bewustzijn, patiënt opent de ogen niet, reageert niet, wordt niet wakker, kan niet communiceren etc. Vaak moeten de lichaamsfuncties in de gaten worden gehouden. De ontwikkeling van iemand gaat wel gewoon door. -Hersendood= als alle hersenactiviteit is vervallen (kasplantje) als de machines worden uitgezet ga je dood. Gebeurt ook bij bv. Orgaandonoren.
§13 -Tijdens de industriële revolutie leek er een nieuw tijdperk te zijn aangeland veel voordelen maar ook nadelen. -Robot= een machine die min of meer op de mens lijkt en bewegingen, verrichtingen en arbeid kan uitvoeren. Voordelen: het bespaart de werknemer kosten en arbeidsplaatsen, ze kunnen alle saai dingen doen, ze kunnen heel precies en gevaarlijk werk doen, ze zorgen ook weer voor nieuw werk. De bekendste robot is de robot arm. -verkenningsrobot= robot die onbekende gebieden verkend, lijkt niet op de mens. Wordt bijvoorbeeld ingezet bij een aardbeving, op mars, in een oceaan enz. Een robot kan een operatie veel nauwkeuriger uitvoeren dan een chirurg. Androïde= een robot die in verschillende dingen op een mens lijkt. Er worden ook wel eens dierlijke robots gemaakt om te zien hoe die functioneren. -Tegenwoordig zijn er ook robots als speelgoed en als gezelschap. -In de toekomst zullen robots veel menselijke klusjes kunnen gaan doen zoals schoonmaken. Je krijgt ook Nanotechnologie hierbij kan men verschillende individuele atomen verschuiven en oppakken. Er zou zo gericht ingegrepen kunnen worden in individuele cellen. -robots moeten worden aangestuurd op afstand door de mens of door een computer. Computers zijn niet altijd geschikt omdat zij niet kunnen leren zoals menselijke hersenen. Neurale netwerken zijn chips die net zo werken als hersenen. Alleen is het heel moeilijk om echte hersenen na te bouwen. -Cyborg= een levend organisme in combinatie met een robot. Bijvoorbeeld iemand met een kunstarm of een kunstorgaan. §14 -de oude Grieken dachten dat het geen zin had om in mensen te snijden omdat de natuurlijke processen dan verstoord zouden worden. Er was ook handarbeid nodig dat was minderwaardig volgens hen. -van 1300 voor Christus werden er ontledingen gedaan om het menselijk lichaam te verkennen. In oa de universiteit van Alexandrie. Dingen zoals de slokdarm en hartkleppen werden ontdekt. Werden gedaan door oa Herophilus en Erisistratus. -Volgens Celsus werden er ook proeven gedaan op levende mensen door Herophilus en Erisistratus. Hiervoor werden misdadigers gebruikt. Niet raar want het levend villen van mensen werd wel vaker als straf gedaan. Hij dacht dat niet de ziekte van belang was maar wat de ziekte wegnam. Bijvoorbeeld wat de aderen doet bewegen maar wat die bewegingen betekenen. -onzekerheidsrelatie= de redenering van Heisenberg, het betekend dat je door experimenteren de omstandigheden van het lichaam verandert, omdat er bijvoorbeeld veel angst bij is, waardoor je niet alles te weten kunt komen dat je wil weten. -Geneesheer Galenus ontleedde vooral apen en varkens omdat hij de bouw en werking v/h menselijk lichaam wilde doorgronden. Hij was erg kritisch over oa de samenhang van de bouw en werking van verschillende organen. Alleen maakte hij nog wel fouten, over bv het wondernetwerk v/d koe. -Vanaf 1474 mochten weer ontledingen gedaan worden. Publieke ontledingen vonden vooral ’s winters plaats (stank) en trokken altijd veel mensen. -Versalius had een passie voor ontleden. Door veel ontleden kreeg hij een grote kennis v/h menselijk lichaam. Door deze kennis kon hij Galenus verbeteren (niet allemaal). Hij maakte hier boeken van die uitkwamen in 1543, in datzelfde jaar kwam ook het boek van Copernicus uit die ging over het heelal. Ze hadden veel overeenkomsten omdat het allebei ging over de volmaakte samenwerking tussen verschillende delen in het heelal en het menselijk lichaam. -Omdat van het lichaam maar weinig bewaard kon worden moest alles goed op tekeningen vastgelegd worden. Er werden ook wassen modellen gemaakt. Tegenwoordig wordt er met kunststof modellen gewerkt. Er werd ook ‘sterk water’ gebruikt om menselijke delen goed te kunnen bewaren. -Von Hagen is een man die ook houd van ontleden. Hij bedacht ook een nieuwe conserveringsmanier. Hij heeft een museum met dode opgezette mensen die op deze manier behouden worden (körperwerten). Ook was hij de eerste die sinds 150 jaar in 2002 in Engeland een openbare lijkschouwing deed. -Een ter dood veroordeelde in Amerika heeft zijn lichaam afgestaan aan de wetenschap. Van zijn hersenen zijn hele dunnen plakjes gemaakt zodat daar veel onderzoek mee gedaan kon worden. In veel ziekenhuizen wordt deze techniek ook toegepast alleen doet een scan het dan en wordt er niet gesneden. §15 -Hippocrates van Kos dacht dat het lichaam uit 4 vloeistoffen bestond: gele gal, zwarte gal, slijm en bloed. Verstoring zou ziekte ten gevolge hebben. Hij spoorde ziektes op door de urine, de ontlasting, de ademhaling en het zweet te bestuderen. -Piskijkers zijn geneesheren in de middeleeuwen die naar de troebelheid en neerslag v/d urine te kijken zodat ze wisten welk orgaan ziek was. -tegenwoordig wordt er nog steeds gekeken naar de urine,slijm en bloed bv: op doping gebruik en suikerziekte. Vroeger waren er grote hoeveelheden nodig, tegenwoordig niet meer. door biosensoren kunnen de testen veel makkelijker bij mensen thuis gedaan worden. De soorten kijkbehandelingen: -Biosensor= combinatie v/e chip en een biologische molecuul. Spoort een molecuul op, als deze gevonden is geeft het een signaal naar het scherm. -een bloeddrukmeting geeft veel informatie over de toestand v/d bloedvaten. -Spirometer= apparaat dat longvolume kan meten. -ECG (elektrocardiogram) = apparaat dat een hartfilmpje maakt. -EEG (Elektro-encefalogram) = apparaat dat activiteit van verschillende hersendelen kan meten. -Doptone= Apparaat dat adv teruggekaatste geluidsgolven opnames maakt. -Echo = apparaat dat hetzelfde werkt als doptone alleen worden de geluiden omgezet in beelden. -Röntgenstralen hiermee kunnen er harde delen (botten) beter bekeken worden. Als weke delen bv. De maag bekeken worden moet er eerst een bariumpapje worden gegeten. Bij bloedvaten wordt er contrastvloeistof ingespoten. -CAT-scan of CT-scan hierbij wordt een dwarsdoorsnede gemaakt met röntgenfoto’s. De computer voegt deze beeldjes samen en er ontstaat een filmpje. -NMR-scan of PET-scan Hierbij wordt de patiënt ook in een tunnel geschoven alleen wordt er met een ander soort straling gewerkt. Bij de NMR is de straling magnetisch, bij een PET wordt gekeken naar de stofwisselingsactiviteit van de organen er wordt een radioactieve stof ingespoten. -Endoscoop= apparaat voor kleine kijkoperatie. Hiermee kan ik het lichaam worden gekeken. Er kunnen ook kleine dingen worden weggehaald. -vroeger hadden ze deze informatie nog niet. Daarom werd er percussie gebruikt, waarbij op de borst geklopt wordt en geluisterd wordt naar de resulterende geluiden, aan de helderheid kan men horen hoeveel slijm er in de borstkas zit. -sinds de uitvinding v/d microscoop kan er weefsel en cellen bekeken worden. Dit heet diagnostiek. -nadeel is dat er soms dingen gevonden worden waar iemand geen last van heeft bv. Galstenen. En zelftesten kunnen een verkeerde uitslag geven.
§ 16 -Herstel van het verloren evenwicht: Humorenleer. Griekse geneesheer Hippocrates van Kos ging er vanuit dat het lichaam zelf de stoffen tot genezing in zich had. Zijn lijfspreuk: ‘Natuur is de beste heelmeester.’ 4lichaamsstoffen: bloed, slijm, geel gal en zwart gal. Bij ziekte was het evenwicht verstoord. Bij te veel bloed: bloedzuigers erop (word ook gebruikt om het bloeden te laten stoppen en het vormen van mooie littekens), te veel zwart gal : tumoren, te veel slijm: reuma. Maden warden gebruikt om een wond mooi schoon te maken. -De leer van Hippocrates van Kos is de basis van de westerse en Arabische-Islamitische geneesleer. -Placebo= nep medicijn dat wordt gebruikt om te kijken of een nieuw medicijn echt helpt. Een paar proefpersonen slikken een placebo en andere slikken het nieuwe echte medicijn. Zo kun je erachter komen of het echt helpt. Om het onderzoek zo goed mogelijk te laten verlopen weet de gebruiker er niks vanaf en de dokter zelf ook niet. Dit heet een dubbelblind onderzoek. -Kenmerk van de reguliere geneeskunde is dat alles eerst heel goed getest wordt door bijv. placebo’s en dubbelblind onderzoek. Hierdoor ontstaat specialisatie. Vroeger was er maar 1soort arts, nu heb je: cardiologen, chirurgen enz, enz. Het gevaar is dat alleen naar afzonderlijke weefsels en organen gekeken wordt zoals de blinde darm op zaal 10. Dit heet Reductionisme. -Tegenwoordig begint het Holisme weer te winnen. Hierbij wordt de mens als volledig maatschappelijke, geestelijke en lichamelijke factor gezien. Soorten geneeswijzen: -HomeopathieBij homeopathie past ipv Contraria contrariis curantuur, beter Similia similibus curantuur.Het gelijksoortige moet met het gelijksoortige genezen worden. In homeopathische middelen zitten bestanddelen die je juist zieker maken, waardoor je zelf gaat genezen. Maar dan in hele dunne vorm zodat het bijna niet meer aan te tonen is. Dit lijkt op vaccinatie. Maar in de Homeopathie worden niet ziekteverwekkers ingebracht, maar de stoffen die dezelfde symptomen opwekken. Homeopathie kijkt heel goed welk medicijn het beste bij een persoon past : heel Holistisch. Ook alle homeopathische middelen moeten geregistreerd staan. -Kruidengeneeskunde
Kruidengeneeskunde is geen Homeopathie want stoffen hebben juist een tegengestelde werking. Zoals bij slapeloosheid, krijg je juist een middel waar je heel moe van wordt. Ook wordt al1 met planten extracten gewerkt. -Acupunctuur
In de niet westerse-culturen heb je ook acupunctuur. Dit berust op het in evenwicht houden van Yin en Yang= 2tegengestelde krachten. Als het uit evenwicht is dan moet je op de juiste plek een acupunctuurnaald in je huid stoppen. Hierdoor kun je zelf endorfine maken wat gelijkstaat aan morfine. Ze kan acupunctuur als verdovingsmiddel gebruikt worden. -Homeopathie, Kruidengeneeskunde en Acupunctuur zijn alternatieve geneeswijzen, die niet door de wetenschap zijn bevestigd. Vaak worden ze als laatste redmiddel gebruikt. Andere soorten geneeswijzen; Chiropractie, Enzymtherapie, Gebedsgenezing, Antroposofische geneeskunde, Iriscopie, Manuele geneeskunde en Paranormale geneeskunde (jomanda). -Doktoren moeten om goed te kunnen helpen een vertrouwensband hebben met hun patiënten. Maar door veel patiënten en hoge werkdruk is dit helaas niet altijd mogelijk. § 17 -Voorkomen is beter dan genezen (lichaamsbeweging, hygiëne, condooms, voorlichtingcampagnes, vaccinatie). -Screening/bevolkingsonderzoek: wanneer een grote groep mensen zich moet laten controleren op ziektes of afwijkingen zoals hielprikken bij baby’s, uitstrijkjes bij vrouwen tussen de 30-60jaar en borstonderzoek bij vrouwen tussen de 55-75jaar. Dit wordt alleen gedaan bij erge ziektes, die niet zeldzaam zijn, die makkelijk op te sporen zijn en behandelbaar zijn. -Het is de vraag of voorlichtingscampagnes helpen want aantal tienerzwangerschappen neemt bijv. toe en mensen die gaan roken ook. Ook heeft 1op de 8jongeren overgewicht. -Als er vaccinatie komt zijn 2dingen heel belangrijk; Hoe ernstig is de ziekten en hoe goed beschermd een vaccin. -Niet altijd wordt daarom gekozen voor een vaccinatie. Sommige mensen kiezen er zelf ook voor om niet gevaccineerd te worden vanwege geloofsovertuigingen. -Ook in de Antroposofische geneeskunde en in de Homeopathie maakt men bezwaar. Dor vaccinatie zou het lichaam zwak worden, ze beweren dat vormen van allergie, ADHD en autisme er door ontstaan, maar dit is nooit bewezen. -Als veel mensen ervoor kiezen om zich niet te vaccineren dan neemt de kans op een epidemie toe. -Behandeling - Remmen, blokkeren of juist stoffen toevoegen of bestrijden door medicijnen (zalfjes, drankjes, pillen, tabletten, poeder) door injecties, slikken en inbrengen. - Dieet - Chirurgie : schoonmaken, wegsnijden, kunst (bijv. heupen), omleidingen in aders. - Bestralen (=radiotherapie), celdeling redden (=chemotherapie) (=palliatieve zorg) bij kanker. - Euthanasie - Bij heel veel pijn: morfine -Soms kan je iemand niet meer redden, maar alleen nog maar liefdevol verzorgen.
§ 18 -Er zijn veel vragen die beantwoord moeten worden als een vrouw zwanger is. Bij de meeste vragen kan medische techniek een antwoord geven (geslacht, een-tweeling) maar ook veel dingen hebben persoonlijke keuzes nodig (waar en hoe bevallen). -Soms kan een vrouw niet zwanger raken, dit kan aan de man of vrouw liggen. De reden kan zijn en er kan dan gekozen worden voor: Ø KID, een anonieme sperma donor geeft sperma zodat een eicel bevrucht kan worden. Ø ICSI, 1 zaadcel wordt in een eicel gezet. Vooral bij minder vruchtbare mannen. Ø Als er niet regelmatig een eisprong plaats vind kan geholpen worden met hormonen. Ø Er kan een blokkade zijn tussen ei en zaad cellen. Er kan dan IVF of GIFT worden gedaan. Hierbij worden buiten het lichaam eicellen en zaadcellen bevrucht. Ø Als de moeder v/d vrouw DES heeft geslikt kan de baarmoeder ongeschikt zijn en is zwangerschap gevaarlijk. Draagmoeders kunnen dan gebruikt worden. Dit is weer emotioneel een probleem als de moeder het kind niet wil afstaan. Ø Adoptie kan ook altijd nog als er helemaal niemand vruchtbaar meer is. -Klonen= is een verzameling van alle nakomelingen die dmv ongeslachtelijke voortplanting (deling) afstammen v/e individu. Eeneiige tweelingen zijn klonen van elkaar omdat ze dezelfde cel eigenschappen hebben. Als de deling niet goed is gegaan spreek je v/e Siamese tweeling. Er zijn drie soorten van kunstmatig klonen te onderscheiden: 1) Bij ivf, de embryo wordt in stukken verdeeld waardoor ze kunnen uitgroeien tot verschillend individuen. 2) Bij ivf, De kern v/d cel v/e embryo wordt in een andere embryo geplaatst waar geen kern meer inzit. 3) Er wordt een kern v/e cel uit een ander wezen gehaald en geplaatst in de kern v/d embryo. -er zijn verschillende meningen over het klonen. Het gaat er vooral om dat je onderscheidt gaat maken en alleen ‘geweldige’ wezens nog ter wereld komen. Zo kun je ook over het geslacht en erfelijke eigenschappen verschillende meningen hebben. Uiteindelijk moet je daar zelf een mening over vormen. § 19 -als er een lichaamsdeel in een lichaam ontbreekt kun je die soms weer vervangen voor een ander lichaamsdeel. Bijvoorbeeld een duim voor een grote teen, een bril of een lens. Dit heet dan een prothese. -Als er een orgaan dan bij de stofwisseling v/d mens helpt vervalt kan dit de dood ten gevolge hebben. Er zijn tegenwoordig apparaten die deze organen kunnen vervangen. Bv: longmachine en nierdyalise. -Bij de meeste transplantaties zijn de donor en ontvanger verschillende mensen. -bij transplantaties kan afstotingsgevaar optreden. Cellen die niet bij het eigen lichaam horen worden dan vernietigd. Als er een donororgaan geplaatst wordt moeten mensen vaak het hele leven nog medicijnen gebruiken die het afweersysteem onderdrukken. -de meeste donororganen worden gehaald uit dode mensen die deze hebben afgestaan. Als iemand hersendood is kunnen de organen uit het lichaam worden gehaald en zsm naar de ontvanger worden gebracht. -In verschillende landen zijn verschillende afspraken over de anonimiteit v/d donor. In Nederland ben je alleen donor als je hier toestemming voor hebt gegeven in een donorcodicil. -Ook worden er soms uit levende mensen donordingen gehaald. Bv. Beenmerg en nieren. Die kunnen mensen missen zonder dat hun leven in gevaar komt. -Xenontransplantatie= organen uit dieren halen en die bij de mens inbrengen. Wegens het grote afstotingsgevaar heeft dit alleen nog niet zo vaak plaatsgevonden. Een gevaar kan ook zijn dat dierlijke ziektes worden overgebracht op mensen. En het idee om met een dierlijk orgaan rond te lopen is ook niet echt fijn. -Bloed uit de navelstreng v/e baby kan worden opgeslagen in een weefselbank en gebruikt worden als het kind problemen krijgt met het bloed. Dit omdat er in dit bloed veel goede stamcellen zitten die gebruikt kunnen worden tegen ziektes. -omdat er een groot tekort is aan organen zoekt met een alternatief. Bijvoorbeeld het kweken van organen. Kraakbeen en huis lukt wel maar organen zijn nog te moeilijk. -Jehova getuigen vinden dat je ziel in het bloed zit en zijn daarom tegen bloedtransfusies. Ook wordt het hart vaak in verband gebracht met emoties. Tijdens een transplantatie zijn er mensen die denken dat de persoonlijkheid dan wordt weggenomen. Allebei deze dingen zijn alleen niet waar. § 20 -Het duurde lang voordat de mens wist hoe zijn eigen lichaam werkte. De wereld van de cellen was nog lang niet ontdekt. Pas toen de microscoop uitgevonden werd door van Leeuwenhoek werden de cellen ontdekt. -In het lichaam heerst een tropisch klimaat. Voor de cellen is het als de bodem van een oerwoud: warm, vochtig en donker. Altijd een constant klimaat en het weer is groeizaam. Het lichaam zorgt ervoor dat de omstandigheden goed blijven. Het zuurstofgehalte, glucosegehalte en zuurgraad in het bloed blijven constant. -Het klimaat v/h lichaam instandhouden is moeilijk omdat de omgeving steeds verandert. Alleen eencellige organisme, de cellen v/d huid, longen en slijmvliezen van je maagdarmkanaal komen in aanraking met de buitenlucht. Daarom heeft de rest v/h lichaam een goede bescherming. Menselijke cellen hebben elkaar nodig om te overleven. Een aantal cellen vormen weefsel, die vormen weer een orgaan. -het lichaam is een wijdvertakt netwerk van grotere en kleinere bloedvaten. Bloed vervoert alle mogelijke stoffen ion het lichaam. Sommige worden gewoon vervoerd in het bloed, andere worden weer ingepakt. -bloed kun je opvatten als weefsel en als orgaan (grootste v/h lichaam). Het bloedvatenstelsel is vertakt tot in de kleinste delen v/h lichaam. De kleinste bloedvaten zijn haarvaten. Je hebt ongeveer een miljard haarvaten. De wand ervan bestaat uit platte cellen die heel nauwkeurig in elkaar gemetseld zijn. Afvalstoffen en voedingstoffen kunnen makkelijk door de dunnen wand heen komen en gaan. -Anthonie van Leeuwenhoek is de uitvinder van de microscoop doordat hij heel veel onderzocht. -ook de plant bestaat uit cellen. Ze zijn ook veel makkelijker te bekijken omdat ze makkelijk in dunne plakjes gesneden kunnen worden en de cellen groter zijn dan die van dieren. Ook heeft de plantelijke cel een hele duidelijke celwand daardoor is de vorm v/d cellen altijd goed te bekijken.
§ 21 -De huid beschermd je lichaam tegen de meeste ziekteverwekkers. De slijmvliezen van de mond en geslachtsorganen zijn weer kwetsbaarder. Als een ziekteverwekker binnendringt ben je geïnfecteerd. De kans dat je ziek wordt is groot omdat het milieu in het lichaam fijn is voor de ziekteverwekker. -Je kunt geïnfecteerd worden door bacteriën, virussen, schimmels, eencellige diertjes en parasieten. De bekendste is de bacterie, die kan zich ook heel snel vermenigvuldigen. -Je hebt verschillende soorten ziekten: Ø Infectiezieken, hier herstel je op eigen kracht weer van. Ø Kinderziekte, ziekten die je maar een keer krijgt en daarna niet meer. -virussen en bacteriën kunnen zich vermenigvuldigen. Virussen kunnen zichzelf alleen vermenigvuldigen in een cel, z zijn dan ook te klein om een organisme te heten. De cel sterft op het moment dat de nieuwe virussen vrijkomen. -Je kun ook besmet raken met asbest, teer en kwik. Je bent dan wel besmet maar niet besmettelijk, het zijn ook geen organismen. -De pest was een aantal eeuwen geleden 3 eeuwen lang heel gevaarlijk. Het was heel besmettelijk en niet te genezen. Het werd vooral overgebracht door vlooien. De hygiëne was dan ook niet zo goed. -Vroeger dacht men dat de pest (net zoals AIDS nu) een straf van god was. Het verschil tussen een levende en levensloze stof kenden ze nog niet. -Het duurde tot 1864 tot men het verschil tussen levend en levenloos wist. -Antisepsis is de manier van de handen ontsmetten in het ziekenhuis dmv fenoloplossing. Later werd het Asepsis dat alles wat in aanraking komt met de operatiewond volledig gesteriliseerd is. § 22 Zelf de fragmenten lezen § 23 Ons immuunsysteem beschermt ons tegen bacteriële infecties. 1. Het is mogelijk om te genezen van een infectie ziekte. Het lichaam maakt antilichamen aan en die verslaan dan de ziekte. 2. Als je een infectie ziekte eenmaal hebt doorgemaakt en je bent genezen, dan ben je bij een volgende besmetting met deze ziekte beschermd. Je bent immuun voor de ziekte want je lichaam/ immuunsysteem weet nog precies welke antilichamen ervoor gemaakt moeten worden. 3. De bescherming die een voorgaande besmetting biedt, werkt in sommige gevallen niet volledig of niet onmiddellijk. Het kost tijd om antilichamen aan te maken. Intussen kan de ziekte zich al vermeerderen in het lichaam voordat de ziekte onder controle is. 4. De bescherming die een voorgaande besmetting biedt, heeft geen effect bij andere infectieziektes. Veel virussen zijn anders. En andere virussen veranderen steeds van samenstelling zoals het griep virus. -Het klopt niet helemaal dat als je de ene ziekte krijgt, je niet beschermt bent voor andere ziektes. Sommige ziektes lijken zo op elkaar dat ons immuunsysteem er geen onderscheid in maakt zoals bij pokken. -Zo ontstond vaccinatie : je kreeg een mindere erge variant pokken ingespoten en werd daar ziek door, waardoor je de erge variant pokken niet kon krijgen. -Als er vroeger geen minder erge variant was van een ziekte dan kreeg je een verzwakte of dode variant maar dit was niet erg veilig want veel mensen gingen dan alsnog dood aan de ziekte. -Voor sommige ziektes is nog steeds geen vaccin omdat de samenstelling van het virus steeds verandert, zoals bij griep maar helaas ook bij AIDS. (Op blz. 108 staan nog meer aanvulling over ons immuunsysteem).
§ 24 -Begin 1900 werd Sulfonilamide tegen longontsteking (pneumonie) door Gehard Domagk. Iedereen was daar heel blij mee want longontsteking was in die tijd een ernstige ziekte; 1op de 3 mensen ging dood. Het leek eerst gewoon verkoudheid maar dan kreeg je plotseling zware koorts en stekende pijn in je longen. Je kon ook blauw worden door zuurstof gebrek. Na 1week tot 10dagen kwam een crisis, als je die overleefde dan kon je genezen van de ziekte. Dit kon wel nog maanden duren dan. -Toen Gerhard Domagk een lezing gaf over Sulfonilamide was microbioloog Alexander Flemming niet enthousiast. Hijzelf had penicilline uitgevonden dat veel beter werkte. Maar niemand nam Flemming serieus. Pas in de WO2 werd penicilline beter onderzocht en geproduceerd voor soldaten aan het front. Eerst werd Penicilline uit schimmels gehaald zoals Flemming had ontdekt. Maar in 1959 lukte het om een werkzame stof te maken zonder die schimmels. Dat was de 1e antibiotica. Ook dieren krijgen antibiotica. -Toch werkt antibiotica niet altijd. Als het wordt toegediend op varkens kon in de infectiebacterie een mutatie optreden. Vaak maakt dat niks uit maar soms worden de bacteriën resistent voor het antibiotica. Als dit gebeurt, moet er weer een zwaarder antibiotica worden toegepast. Enz. Enz. Dit gebeurt niet alleen bij dieren, maar ook bij mensen. Mensen krijgen dan ook weer een zwaarder antibioticum. -In een ziekenhuis is het besmettingsgevaar erg groot omdat allemaal mensen bij elkaar in de buurt liggen en de dokters tussen de patiënten heen en weer lopen. Daarom wordt zo hygiënisch mogelijk gewerkt. -Vroeger werden patiënten die besmettelijk waren ver weg in een gebouw gestopt. Nu dus niet meer maar om besmettingsgevaar te voorkomen worden soms hele afdelingen ontruimt om ze te ontsmetten. §25 -De mens moet erg veel doen om de natuur te begrijpen het lichaam zit in de weg. -Johan Scheuchez (1700) vond een skelet/fossiel. Hij dacht dat deze hele oud was en voor de zondvloed (ark van Noach) mensen wisten toen namelijk nog niet dat het leven zo oud was. Dat bedachten ze pas in de eerste helft v/d 19de eeuw. William Smith onderzocht de bodem en maakte een gedetailleerde kaart met daarop hoe de bodem er volgens hem uitzag met alle fosielen. -toen men eenmaal wist dat de aarde zo oud was werd er verder onderzoek naar gedaan. Alleen vond de kerk het niet fijn want die had het nog steeds over Adam en Eva. Het christelijke geloof was toen ook een van de belangrijkste. George Cuvier bedacht dat bepaalde fossielen bij bepaalde lagen hoorden. Hij koppelde deze lagen goed aan het geloof en de bijbel (zondvloed). -actualisme= een uitgangspunt dat zegt dat alle natuurwetten nog hetzelfde zijn als vroeger maar dat we nu meer weten om alles te verklaren. -Catastrofisme (Cuvier) zegt dat er verschillende catastrofes zijn geweest die de verschillende lagen en fossielen zouden verklaren. §26 -Lamarck dacht de eerste evolutie theorieën en de biologie. Hij was de eerste die het onderscheidt tussen gewervelde en ongewervelde dieren maakte. Hij keek ook heel anders naar fossielen dan Cuvier. Hij ging er vanuit dat sommige diersoorten niet constant waren omdat er een verschil was in de verschillende aardlagen tussen gewervelde en ongewervelde dieren. Hij dacht dat alle dieren zich langzamerhand ontwikkelden. Na miljoenen jaren waren alle planten en dieren pas ontstaan. -er zaten veel zwakke kanten aan de evolutietheorie van Lamarck die in 1809 gepubliceerd werd: Ø Soorten stierven wel uit, alleen niet allemaal tegelijk. Ø Soorten kunnen heel goed vrijwel onveranderlijk zijn. (krokodil) Ø Hij kon niet uitleggen op welke wijze de veranderingen plaats vonden. (vb van lange nek giraf) -De theorie van Darwin sloeg in als een bom maar de aristocratie was beledigt. Zijn theorie hield in: Populatie= een bij elkaar wonende groep van organismen. Ø Organismen veranderen. Een deel v/d veranderde eigenschappen zijn erfelijk, daarom is in de populatie altijd wel variatie te vinden in de erfelijke eigenschappen v/d individuen. Ø Organismen krijgen meer nakomelingen dan uiteindelijk in leven blijven. Ø Sommige organismen kunnen beter overleven dan anderen omdat ze beter voldoen aan de eisen die de omgeving stelt. Zij hebben een hogere fitness = een grotere kans om te blijven leven en voort te planten. Een aantal generaties later hebben bijna alles organismen deze eigenschappen. De kern van Darwin is dus Variatie en Selectie. Dit verklaart ook waarom de meeste soorten voortdurend zijn verandert. De theorie het Darwinisme. -het aantal soorten kan toenemen als een soort gesplist wordt en doe populatie zich gaat aanpassen. Je krijgt dan zo 2 verschillende soorten. -De meeste organismen met een mutatie kunnen zich niet verder ontwikkelen omdat ze altijd in de minderheid zijn. -Op Darwins theorie vielen ook weer dingen aan te merken: Ø Hij wist niet hoe de erfelijke veranderingen veroorzaakt werden. Ø Hij wist niet hoe ze overgeërfd werden. Ø Hij wist niet te verklaren hoe het leven ooit ontstaan was uit niet levende stoffen.
§ 27 -het Darwinisme in steeds een beetje aangevuld en verandert. Het heet tegenwoordig meestal het Neodarwinisme. -Een theorie kan je wel opzetten maar die met ook getest worden. -Virussen kunnen zich veel snellen aanpassen en vermenigvuldigen dan dieren. Daarom kun je met virussen ook veel beter experimenten doen.

REACTIES

C.

C.

Echt een superverslag, heb er echt heel veel aan! Dankjewel, dit wordt een dikke voldoende in de proefwerkweek ;p

11 jaar geleden

L.

L.

Goeie samenvatting, maar let op de kofschip-regel.

10 jaar geleden

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.