Hoofdstuk 4, Biosfeer

Beoordeling 6
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 1047 woorden
  • 13 februari 2010
  • 2 keer beoordeeld
  • Cijfer 6
  • 2 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ANW
Methode
ADVERTENTIE
Help nu jouw favoriete goede doel door jouw mening te geven!

Hoe? Heel simpel. Geef je op voor het panel van Young Impact en geef jouw mening over diverse onderwerpen zoals gelijke kansen, diversiteit of het klimaat. Voor iedere ingevulde vragenlijst (+/- 1 per maand) ontvang je een bedrag dat je direct mag doneren aan een goed doel naar keuze. Goed doen was nog nooit zo easy!

Meld je aan!
Paragraaf 1 De bewegende aarde
Vanaf 1910 deed Alfred Wegener onderzoek naar het verschuiven van de aardplaten. Zijn theorie was dat de continenten eerst aan elkaar vast zaten en langzaam maar zeker uit elkaar waren geschoven. Deze theorie heet het mobilisme.
Verificatie: Theorie aanvaarden wanneer deze bevestigd wordt.
Nadeel: Het blijft bijna onmogelijk om de waarheid vast te stellen.
Er kunnen altijd tegenbewijzen gevonden worden.
Falsificatie: (Karel Popper). Als verbetering om de verificatie, theorie wordt verworpen bij een tegenbewijs.

Paradigma: het uitgaan van een bepaald stramien van waaruit onderzoek wordt gedaan.
Het ging lange tijd tussen het Fixisme en het mobilisme. Na verloop van tijd pasten veel feiten niet meer in de theorie van het fixisme. Het nieuwe paradigma wordt het mobilisme.
Filosoof Imre Lakatos beschreef de wetenschap in researchprogramma’s: Het oude programma wordt daarbij verworpen bij een nieuw en beter alternatief. Het nieuwe programma moet wel aan een paar voorwaarden voldoen:
• Zijn theorieën verklaren alles wat de oude ook verklaarden.
• Nieuwe, onverwachte feiten kunnen voorspeld worden.
• Minstens een deel van die feiten moet ook door wetenschappelijk onderzoek bevestigd worden.
Pas als de feiten het oude researchprogramma tegengaan, wordt op een andere overgegaan. Dit verklaard waarom het mobilisme pas in 1968 aanvaard werd. Beide researchprogramma’s hadden goede argumenten voor hun theorieën en daarbij kon Wegener ook niet verklaren hoe de continenten verschoven.
In 1968 werd de schollentectoniek ontdekt: De aardkorst schuift mee op de convectiestromingen (warme deel in de aardmantel stijgt, koelere daalt). De 6 grote platen/schollen:


• Amerika
• Eurazie
• Afrika
• De grote oceaan
• Antartica
• India

Paragraaf 2 Onze dampkring, de beschermende mantel.
De aarde 4,6 miljard jaar geleden:
• Ontstaan van de aarde
• Veel vulkanische activiteit
• Geen dampkring, waardoor de temperatuur instabiel was.
• Geen zeeën of oceanen
De aarde 3.5 miljard jaar geleden:
• Eerste leven op aarde
• Aardkorst was afgekoeld en gestold.
• Er waren oceanen ontstaan door de condensatie van waterdamp uit de vulkanen.
• Er was een dampkring ontstaan door de vulkanische gassen.
Eerste leven ontstond in water, daar was een constant milieu.
Cyanobacteriën produceerden zuurstof d.m.v. fotosynthese. Zuurstof was een afvalproduct.
De broeikasgassen in de dampkring zijn vooral stikstofoxiden, methaan, waterdamp en koolstofdioxide. 99% van de dampkring bestaat uit stiksof (78 %) en zuurstof.
Functies van de dampkring:
• Vasthouden van warmte.
• Bescherming tegen meteorieten.
• Schadelijke straling van de zon tegenhouden. De ozonlaag filtert de UV staling en zet dit om in warmte.
Voorbeelden van kringlopen:
• Waterkringloop
• Energiekringloop
• Zuurstofkringloop
• Koolstofkringloop
Omdat men niet precies de ouderdom van de aarde kon bepalen, stelde men een tijdsschaal op op basis van aardlagen. Hierbij gebruikte men 4 uitgangspunten:
1. Gesteenten zijn in de loop der tijd ontstaan waarbij het onderste gedeelte en oudst is en het bovenste het nieuwst. Dit heet de wet van superpositie.
2. Fossielen die in opeenvolgende gesteentelagen voorkomen, zijn versteende levensvormen die elkaar opgevold zijn.
3. Huidige sedimentatie en vulkanisme geven informatie over de aardgeschiedenis.
4. Aan de dikte van de aardlaag is te zien hoe lang een bepaalde periode heeft geduurd.
Paragraaf 3 Klimaatveranderingen.

Het Carboon is een periode waarin veel steenkool is afgezet. Hieruit blijkt dat er veel plantengroei was en dat het klimaat tropisch was.
Het Krijt is een periode van veel mariene afzettingen. Er is veel kalk gevonden. Hieruit blijkt dat er veel schelpen waren.
In het Pleistoceen waren er perioden van extreme kou (ijstijden/glacialen) en warme perioden (interglacialen). Deze wisselden elkaar af.
Louis Agassiz gebruikte de term IJstijd als eerste in 1937
Men gaat er tegenwoordig vanuit dat er 7 grote ijstijden zijn geweest, afgewisseld door interglacialen.
Mogelijke oorzaken van interglacialen:
• Verminderde intensiteit van zonnestralen
• Schommeling van de aardas
• Wisselende baan van de aarde om de zon
• De manier waarop de aarde om haar eigen as draait.
De laatste ijstijd eindigde 10000 jaar geleden.
Overblijfselen:
• In Nederland zijn alleen in Zuid-Limburg nog oude lagen te vinden. De rest van Nederland is gevormd in het Pleistoceen en het Holoceen.
• In Nederland is een gletsjergordel te vinden die ontstaan is in het Saalien, ongeveer 150000 jaar geleden. Hij gaat van Texel via Wieringen, Gaasterland, Steenwijk en Hoogeveen naar Coevorden. Deze stuwwal bestaat uit Keileem.
• Bij de Utrechtse heuvelrug en de Stuwwal bij Nijmegen zijn ook stuwwallen. Het zijn zandafzettingen die wel ontstaan zijn door het ijs, maar het zijn geen gletsjerafzettingen.
• Zwerfkeien die zijn meegnomen. Hier zijn Hunebedden van gemaakt.
Neanderthalers
De mens werd geboren in Afrika. Later trok ze naar Europa en Azië. Het is niet duidelijk hoe dit gebeurd is. De menssoort die 100000 jaar geleden in Europa voorkwam is de Neanderthaler. Ze kenden vuur en leefden in grotten. Zijn bouw was aangepast aan de kou, hij had een stevige schedel en een compact postuur. De Neanderthaler is 30000 jaar geleden uitgestorven. Inmiddels was de moderne mens, de homo sapiens, al verschenen.
Paragraaf 4 Aarde, een bijzondere planeet.
Planeten zijn te verdelen in Reuzenplaneten en aardse planeten.
Reuzenplaneten hebben een vaste kern en een uitgestrekte koude atmosfeer
De aardse planeten staan veel dichter bij de zon. Van de aardse planeten lijkt Venus en daarna Mars het meest op de Aarde.
Venus:
Overeenkomsten met de Aarde:
• De grootte
• De vorm
• De Samenstelling
• De massa
Verschillen met de Aarde:
• Het is er zeer heet, doordat Venus veel dichter bij de zon staat.
• Het heeft een verstikkende, kurkdroge dampkring. Deze dampkring heeft een grote dichtheid en daardoor is de luchtdruk aan de oppervlakte 90 x groter dan op Aarde. Er is 96% koolstofdioxide en 3.5% stikstof. Het overige is zwaveldioxide, waterdamp, argon en koolstofmono-oxide.
• Er valt voortdurend regen van zwavelzuur
• Het waait er continu. De winden bereiken soms snelheden van 360 km per uur.
• Doordat er zoveel koolstofdioxide in de dampkring is, heerst er een sterk broeikaseffect en de gemiddelde temperatuur is er dan ook 457 graden C.
Mars:
Verschillen met de Aarde:
• Door de baan van Mars zijn er grotere verschillen in de lengte van seizoenen.
• Dampkring bestaat voor 95% uit koolstofdioxide, 2.7% stikstof, 1.6% Argon. 1.3% zuurstof en 0.3% waterdamp.
• IJle lucht, de luchtdruk op mars is 0.7 x zo groot als op Aarde.
• De temperatuur is -50 tot -140 graden C.
• Flinke temperatuurwisselingen doordat er geen oceanen zijn.
Voorwaarden voor leven:
Gematigd klimaat met een temperatuur van gemiddeld 15 graden C.
De warmte wordt deels vastgehouden door koolstofdioxide in de atmosfeer.
Evenwicht van koolstofdioxide tussen de aardkorst en de dampkring.
Er is vulkanische activiteit nodig voor het vrijkomen van koolstofdioxide.
Er moet water aanwezig zijn

Eind jaren 60 stelde Jemas Lovelock de Gaia-hypothese op: De aarde is een groot zelfregulerend geheel. Het leven houdt de aarde leefbaar.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.