Rijbewijs AM

Beoordeling 0
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • Klas onbekend | 11039 woorden
  • 22 november 2016
  • nog niet beoordeeld
  • Cijfer
  • nog niet beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Studententijd zomerspecial

Heb jij de Zomerspecial van Studententijd de podcast al geluisterd? Joes, Steie, Dienke en Pleun nemen je mee in hun zomer vol festivals, vakanties en liefde. En kijken ook alvast vooruit naar de introductietijd van het nieuwe collegejaar. Luister lekker mee vanaf je strandbedje, de camping of onderweg. 

Luister nu!
1. veiligheid en milieu:

1.1Veiligheid:

Ongeveer 1,2 miljoen verkeersongevallen.

Risicofactoren zijn mensen tot en met 19 jaar, mannen, hoog jaarkilometrage en hoge rijsnelheid.

 1.2.Milieu:

1. De uitlaatgassen zorgen voor een zeker hoeveelheid luchtverontreiniging.

2. De bromfiets kan voor geluidsoverlast zorgen.

 1.2.2 luchtverontreiniging:

De mate van luchtverontreiniging word onder meer bepaald door de technische staat van de bromfiets, de onderhoudstoestand van de bromfiets, de snelheid waarmee gereden word, het ontwerp van de motor en de aanwezigheid van een katalysator.

 1.2.3 technische voorzieningen:


• Als de oude gassen door de nieuwe onverbrande gassen uit de uitlaat worden gedreven, vervliegen er ook onverbrande gassen

• De ruimte rond de zuiger moet goed worden gesmeerd, omdat deze ruimte bij een tweetakt motor geen olie bevat, moet er aan de brandstof van tweetaktmotoren olie worden toegevoegd. Deze olie wordt ook verbrand en via de uitlaat afgevoerd. Dit is echter zeer schadelijk voor het milieu.

 1.2.4 afstelling van de motor:

 conclusie: sleutelen aan de scooter is slecht.

 1.2.5 onderhoudstoestand:

Een te lage brandstofspanning of een niet goed gespannen ketting, leiden vaak tot onnodig veel brandstof verbruik.

 1.2.6 rijsnelheid:

Te snel rijden, maar ook snel optrekken en abrupt remmen leiden tot meer uitstoot van schadelijke stoffen

1.2.7 choke:

Als de choke te lang openstaat word de verhouding tussen lucht en brandstof verstoord.

1.2.8 katalysator:

Door montage van een katalysator kan de uitstoot van schadelijke stoffen worden beperkt.

 1.2.9-11Er zijn 3 belangrijke uitingen van luchtvervuiling:


• verzuring(zure regen): veroorzaakt door ammoniak, s en zwavel oxiden.

• smogvorming: ontstaat door zonlicht ingewerkt op stikstofoxiden en koolwaterstoffen.

• Broeikaseffect: warmer worden van de aarde.

1.2.12 geluidsoverlast:

Van de Nederlandse bevolking zegt 30% wel eens last te hebben van lawaai dat word veroorzaakt door het wegverkeer. Met name bromfietsen, motoren en zware voertuigen veroorzaken veel overlast. (een bromfiets mag niet meer dan 97dB overbrengen en een snorfiets niet meer dan 90 dB)

 

2. nog (even) niet het verkeer in:

2.1 aanschaf van de bromfiets:

2.1.1 status van de bromfiets:

In het RVV (reglement verkeersregels verkeerstekens) staan alle verkeersregels en verkeersregels beschreven.

 2.1.2Motorrijtuigen:

Motorrijtuigen: alle voertuigen, bestemd om anders dan langs spoorstaven te worden voort bewogen, uitsluitend of mede door mechanische kracht, op of aan het voertuig zelf aanwezig of door elektrische tractie met stroomtoevoer van elders, met uitzondering van fietsen met trapondersteuning. (volgens de wegenverkeerswet WVW 1994)

2.1.3 Motorvoertuigen

Motorvoertuigen: alle gemotoriseerde voertuigen behalve bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen, bestemd om anders dan langs rails te worden voortbewogen. De regels met betrekking tot motorvoertuigen zijn dus niet van toepassing op brom- en snorfietsen. (volgens het regelement verkeersregels en verkeerstekens RVV 1990)

 2.1.4 bromfiets:

Een voertuig op twee of drie wielen, met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45km/h, uitgerust met een verbrandingsmotor met een cilinder inhoud van ten hoogste 50cm³ of met een elektromotor met netto maximumvermogen van 4 kW. Een bromfiets heeft een gele kentekenplaat en de bestuurder draagt een helm.

 2.1.5 snorfiets:

Een snorfiets is in feite een bromfiets met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 25 km/h. De snorfiets heeft een blauw kentekenplaat en de bestuurder draagt geen helm.

2.1.6 motieven voor aanschaf:

• Kosten: tussen 1000 en 3500 euro

• Jongere leeftijd te bereiden

• Nadeel: meer risico op verkeersongeval

• Voordeel: goedkoper dan een auto

 2.1.7 technische eisen:

 1. Goedgekeurd type of exemplaar met goed leesbaar goedkeurmerk

 2. Maximaal 50cm³ cilinder inhoud

3. Maximumsnelheid is 45 km/u (bij een snorfiets 25 km/u)

4. Niet opgevoerd worden

5. Brandstof systeem mag geen lekkage vertonen en vul opening moet afgesloten zijn

6. Uitlaatsysteem moet over de volle lengte gasdicht zijn.

7. Het geluidsniveau mag niet meer dan 97dB zijn ( bij een snorfiets niet meer dan 90 dB)

8. De wielen moeten zijn voorzien van luchtbanden en deze moeten goed afgeschermd zijn, ze mogen niet aanlopen en de banden moeten over de gehele omtrek voldoende profilering hebben.

9. Geen scherpe delen hebben

10. Met uitzondering van groot licht niet zijn voorzien van verblindende verlichting.

11. Voorzien van een deugdelijke bedrijfsrem, remvertraging tenminste 4.0 m/s²

12. Dimlicht, een achterlicht en aan de achterzijde voorzien zijn van een niet driehoekige rode reflector.

13. Goede bel of hoorn met vaste toonhoogte (claxon)

14. Linker buitenspiegel

15. Goed werkende snelheidsmeter

2.1.8 soort bromfiets:

1. bromfiets met automatische koppeling en versnelling

2. scooterachtige bromfiets (vrijwel altijd automatisch)

3. bromfiets met versnellingen (meestal oudere bromfiets)

2.1.9 nieuw of tweedehands:

Bij een tweedehands is de kilometerstand en de staat van onderhoud maar ook de leeftijd van de bromfiets sterk van invloed op de prijs.

2.2.1 kentekenplaat en kentekenbewijs:

Met ingang van 2007 mogen brom- en snorfietsen alleen nog maar met eigen kentekenbewijs en kentekenplaat op de openbare weg rijden.

Geel met zwarte letter: bromfiets

Blauw met witte letters: snorfiets

Onderdelen van het kentekenbewijs:

Deel 1A: hierop staan de technische gegevens van je brom- of snorfiets

Deel 1B: hierop staan jouw persoonsgegevens

Deel2 : het overschrijvingsbewijs

2.2.2 kentekencard

Het is niet meer verplicht een kentekenbewijs te tonen. 

2.2.3 eisen kenteken en kentekenbewijs:

Kentekenbewijs dient:

• Te voldoen aan de vastgestelde eisen inzake inrichting en uitvoering

• Geldig te zijn

• Niet ingevorderd te zijn

• Leesbaar te zijn

2.2.4 onjuiste inlichtingen en gebruik

Je bent strafbaar als je een kentekenbewijs van een ander voor jou bromfiets gebruikt. Het is ook verboden met het kentekenplaat te knoeien waardoor het niet meer leesbaar is.

2.2.5 invordering kentekenbewijs

Als je je bromfiets opvoert en je kentekenbewijs word ingevorderd mag je niet meer rijden totdat je je bromfiets weer aan de eisen laat voldoen.

2.3.1 rijbewijs AM

Het rijbewijs moet voldoen aan eisen inzake inrichting, uitvoering en invulling, zijn geldigheid niet hebben verloren en leesbaar zijn. Een rijbewijs is 10 jaar geldig.

2.3.2 aanvraag rijbewijs

Het rijbewijs geldt ook als legitimatie.

2.3.3 ontzegging van de rijbevoegdheid en inpikbevoegdheid rijbewijzen

Omstandigheden waarin je rijbewijs kan worden ingenomen zijn:

• Door een strafbeschikking

• Ongeldigverklaring van categorie of categorieën van het rijbewijs

• Bij lichamelijke of geestelijkheid ongeschiktheid

• Alcoholgebruik bij 0,8 of 1,3 %

• Overschrijding maximumsnelheid

• Op de grond van Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften

2.4.1 verzekering

• WA- verzekering

• Allriskverzekering

2.4.2 WA-verzekering (wettelijke aansprakelijkheid)

Is verplicht voor elke bromfietseigenaar. Vergoed alleen de schade die jij anderen toebrengt door het gebruik van je bromfiets.

2.4.3 Allriskverzekering

Dekt de schade van de anderen en van jezelf.

2.4.4 Gebruik in het buitenland

Als het land het Verdrag van Geneve heeft ondertekend dan mag je daar met je bromfiets op de openbare weg van gebruik maken.

2.5. uitrusting

2.5.1 kleding

Bromfietsers zijn vrij slecht zichtbaar voor andere weggebruikers. Opvallende kleding is verstandig.

2.5.2 herkenbaarheid:

Als automobilist in het donker rijdt en je ziet een lichtje aankomen, dan kun je niet meteen inschatten of het een bromfiets, een motor of een fiets is.

2.5.3 verrassingseffect:

Door in verhouding weinig bromfiets weggebruikers zijn andere weggebruikers vaak niet voorbereid op een ontmoeting met een bromfiets. Een jack in lichte en felle kleuren valt het meeste op in het verkeer. Kleding moet warm “genoeg” zijn.

 2.5.4 zicht:

Draag een zonnebril als de zon schijnt en laat je ogen regelmatig testen.

2.5.5 helmdraagplicht:

Alle bromfietsers en hun passagiers moeten een helm dragen. Deze regel geldt niet voor bestuurders en passagiers van snorfietsen en brombakfietsen. Als je een helm draagt heb je bij een ongeval 40% minder kans om bij een ongeval gedood te worden en 30% minder kans om aan het hoofd gewond te raken.

2.5.6 goedgekeurde helm:

Je mag alleen een helm dragen die is  goedgekeurd, door het TNO.

2.5.7 pasvorm:

• Goede maat

• De helm moet tot het ‘knobbeltje’ achter je hoofd komen zonder dat de helm bij het buigen je nek of rug raakt

• De helm moet goed afsluiten op je hoofd

• Kinband mag niet worden verschoven

2.5.8 onderhoud van een helm:

• Je mag de helm niet verven of schoonmaken met bijtende chemische middelen

• Je mag geen stickers op de helm plakken

• Na een ongeval moet je de helm laten vervangen

• Het vizier mag niet bekrast zijn

• De helm mag geen kapotte onderdelen bevatten



2.6 ritvoorbereiding:

2.6.1 verkeerstaak:

Om veilig en goed aan het verkeer deel te kunnen nemen moet je voor je taak berekend zijn.

2.6.2 verkeersinzicht en anticiperen:

Onder verkeersinzicht wordt verstaan: de mate waarin je als verkeersdeelnemer kennis, vaardigheden en houding weet toe te passen in het verkeer om een zo optimaal mogelijk verkeersveilig gedrag weet toe te passen.

Anticiperen is vooruitzien, vooruit denken, instellen op de handeling of uit voorzorg reeds handelen.

2.6.3 sociaal verkeersgedrag:

Sociaal verkeersgedrag is er op gericht dat verkeersdeelnemers zelf zo zorgvuldig mogelijk de regels toepassen en daarbij rekening houden met fouten van een ander.

2.6.4 toestand op de weg:

Let op de toestand van het wegdek:

• Modderspoor achtergelaten door een tractor

• Bladeren maken de weg glad

• Rubbersporen bij bochten

• Na reparatie van het wegdek

• Spoorvorming

• Tekens op het wegdek die glad zijn

• Putdeksels

• Grind, zand, asfalt, beton

2.6.5 weersituatie (lichtconditie)

Let op bij beperkt zicht:

• Overgang van dag naar nacht

• Gezichtsvermogen is minder bij nacht

• Fietser of bromfietsers die geen licht aan hebben

• Auto’s die nog geen licht aan hebben

2.6.7 weercondities

• Draag een zonnebril bij lage zon

• Vermijd remmen met de voor rem op gladde wegen

• Minder zicht bij mist

• Gemakkelijk doorslippen bij een glad wegdek dus lagere snelheid

• Remschijven nat bij nat weer dus eerder remmen

• Dynamo van een fiets werkt niet goed bij sneeuw

• Schittering van de zon en het sneeuw waardoor je minder ziet

• Bij sneeuw en hagel zijn verkeerstekens minder goed zichtbaar

• Beslagen ruiten bij kou of regen

• Bij harde wind moet je oppassen

2.6.8 tijdstip van vertrek en routekeuze

De meeste bromfietsongevallen vinden plaats binnen de bebouwde kom (71%): slechts 29% gebeurt buiten de bebouwde kom.

2.6.9 duopassagier

Passagier moet met beide benen aan een andere kant van de scooter dus geen amazone zit. De bestuurder is verantwoordelijk voor kinderen achterop.

2.6.10 lading

Spullen die je vervoert mogen niet breder dan 1 meter en moet vast staan.

2.7 rijvaardigheid beïnvloedende middelen:

2.7.1 rijden onder invloed

Je mag niet drinken en rijden.

2.7.2 wettelijke promillage

De wet zegt dat het verboden is een bromfiets te besturen als het alcohol gehalte van het bloed hoger is dan 0,2 milligram alcohol per milliliter bloed. (zelfde als 0,2 promille) of bij het uitademen van meer dan 88 microgram per uitgeademde liter lucht. Beide worden behaald door het drinken van 1 standaard glas alcoholhoudende drank in een uur tijd.

2.7.3  rijbevoegdheid:

De rijbevoegdheid kan bij rijden onder invloed voor een bepaalde termijn of vrijblijvend worden ontzegd. Rijden onder invloed van alcohol met een te hoog percentage is ongeacht de mate van overschrijding een misdrijf.

2.7.4  alcoholopname:

 De volgende factoren zijn van invloed op de opname van alcohol in het bloed:

 1. lichaamsgewicht: de opgenomen alcohol word verdeeld over de totale hoeveelheid vocht in het lichaam.

 2. Voedsel in de maag: een volle maag vertraagt de opname van alcohol in het bloed, maar de invloed houd langer aan.

 3. Snelheid van drinken: binnen een uur drie standaard glazen alcoholhoudende drank leidt zeker tot een hoger alcohol gehalte dan 0,5promile

 2.7.5 afbraaktijd:

Per standaard glas alcoholhoudende drank moet worden gerekend op één tot anderhalf uur afbraaktijd. Er bestaat geen enkel trucje of middel dat de werking van je lever en dus de afbreektijd van alcohol kan versnellen.

 2.7.6 nadelige invloeden van alcohol op je gedrag:

Je waarnemingsvermogen word minder. Enerzijds merk je minder dingen in het verkeer op. Daarnaast is er juist sprake van een vernauwing van het blikveld(het tunnel effect)

concentratie: In drukke situaties kun je minder goed je aandacht verdelen tegelijkertijd letten op verschillende soorten verkeer lukt niet meer goed, omdat je oog trager reageert en langer blijft hangen op één punt.

reactiesnelheid: Je reageert veel trager

kleur: De kleur rood kun je minder goed onderscheiden met als nadeel dat je lichten zoals remlichten te laat opmerkt

inschattingsvermogen: Je overschat je eigen kunnen, waardoor je dus roekelozer wordt.

2.7.7 puntenstelsel:

In het puntenstelstel  (officieel ‘’Recidiveregeling voor ernstige verkeersdelicten’’) wordt je rijbewijs voor alle categorieën motorvoertuigen (ook voor de bromfiets) automatisch ongeldig, als je binnen 5 jaar twee keer door de rechter bent veroordeeld voor een alcoholdelict.

2.7.8 bromfiets rijden en het gebruik van medicijnen:

Medicijnen met een rode stikker hebben effect op rij-vermogen. Medicijnen met een gele stikker “kunnen” effect hebben op rij-vermogen

2.7.9 effect van geneesmiddelen op rijvaardigheid

Het effect van geneesmiddelen op de rijvaardigheid is verraderlijk en niet altijd direct merkbaar.

2.7.10 allergieën:

Uw rijvaardigheid kan ook sterk beïnvloed worden door een allergie zoals bijvoorbeeld hooikoorts. Mensen waarvan de rijvaardigheid, naast die van een allergie, nog door andere factoren (bijvoorbeeld ziektes of medicijnen) veroorzaakt worden, dienen extra oplettend te zijn.

2.7.11 verkeersdeelname na drugsgebruik:

In verdovende middelen als hasj, marihuana, cocaïne en heroïne, maar ook in de zogenaamde geestverruimende middelen als XTC of diverse paddenstoelen (paddo’s) zitten stoffen die in het bijzonder inwerken op hersenfuncties. 

2.7.12 effecten van drugs op de rijvaardigheid:

Het waarnemingsvermogen wordt verstoord en je concentratie -, reactie- en inschattingsvermogen nemen af door drugs.

2.7.13 daarnaast kan bij gebruik van deze stoffen nog sprake zijn van:

• Overgevoeligheid

• Verstoring van het evenwichtsgevoel

• Verstoring van de lichaam coördinatie

• Het ontstaan van angst

2.7.14 wettelijke grenzen drugs / alcohol:

Als je verschillende drugs tegelijkertijd gebruikt op je gebruikt een combinatie van drugs en alcohol  dan mag je als bestuurder niet meer deelnemen aan het verkeer.

2.7.15 verkeersdeelname bij emotionele instabiliteit:

Nare gebeurtenissen kunnen een negatieve invloed hebben op je rijprestaties. Je aandacht is dan vooral bij deze nare gebeurtenissen en niet gericht op het verkeer. Waardoor je minder snel reageert dan anders, prikkelbaar bent en daardoor agressief rijgedrag vertoont.

2.7.16 verkeersdeelname bij vermoeidheid:

Ook vermoeidheid heeft een negatieve invloed op je rijprestaties. Dit komt, omdat je concentratievermogen en reactievermogen afnemen.

2.7.17 controle en gevolgen alcohol, drugs en geneesmiddelen; onderzoek alcohol en drugs:

Je bent altijd verplicht medewerking te verlenen aan een onderzoek.

2.7.18 weigering:

Als je weigert aan één van de onderzoeken mee te werken, pleeg je een misdrijf.

2.7.19 rijverbod:

Bijna altijd legt de politie bij geconstateerd alcohol- of drugsgebruik een rijverbod op, dat tot maximaal 26 uur kan oplopen. Zo’n rijverbod geldt ook voor de fiets.

2.7.20 LEMA- en EMA-cursus:

Als de politie je aanhoudt en met een blaastest een alcoholovertreding constateert, dan meldt zij dat aan het CBR. Op basis van deze mededeling krijg je een LEMA (Lichte Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer) of EMA (Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer) opgelegd door het CBR. Doe je niet mee aan de cursus dan wordt je rijbewijs ongeldig verklaard. Als je na het volgen van de LEMA opnieuw wordt aangehouden voor rijden onder invloed dan legt het CBR een zwaardere maatregel op, zoals het alcoholslotprogramma of een onderzoek alcohol.

2.7.21 LEMA-cursus:

Deze cursus bestaat uit tweedagdelen.

2.7.22 EMA-cursus:

Deze cursus bestaat uit een gehele dag, gevolgd door twee dagdelen en een nagesprek, verspreid over zeven weken.



3. Nu het verkeer in:

3.1.1 inleiding:

De Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) en het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV1990)

3.1.2 algemene norm:

De algemene norm voorziet in de gevallen waarin regels ontbreken en geldt dus altijd.

2.1.3 gevaar en hinder:

De algemene norm is gericht op sociaal weggedrag waarbij ook rekening gehouden wordt met de fouten van andere weggebruikers. Het overtreden van een aantal verkeersregels tegelijk (rood licht, te hoge snelheid en gevaarlijk inhalen) kan ok leiden tot veroordeling op grond van de algemene norm.

3.1.4 herkenbaarheid verkeersborden:

De ronde borden (veelal met rode rand of geheel blauw) houden een verbod of gebod in. Driehoekige borden geven meestal een gevaarlijke situatie aan. Vierkante blauwe borden kunnen een regiem in een bepaald gebied aangeven, informatie bevatten of bewegwijzering inhouden. Blauwe parkeerborden kunnen ook een verbod voor andere voertuigen, die dan op het bord staan, inhouden. Verder zijn er borden die je informatie verschaffen, zoals bijvoorbeeld voor wegbewijzering en bij voorsorteren.

a. Snelheid

b. Voorrang

c. Geslotenverklaring

d. Rijrichting

e. Parkeren en stilstaan

f. Overige geboden en verboden

g. Verkeersregels

h. Bebouwde kom

i. Waarschuwing

j. Bewegwijzering

k. Informatie

3.1.5 aanwijzingen, verkeerstekens en verkeersregels:

Je bent verplicht te stoppen als jou door een begeleider van een railvoertuig een stopteken met een bord, een rode vlag of een rode lamp wordt getoond.

3.1.6 rangorde aanwijzingen, verkeerstekens en verkeersregels:

• Aanwijzingen gaan altijd boven verkeerstekens en verkeersregels

• Alle weggebruikers zijn verplicht verkeerstekens op te volgen die een gebod of verbod inhouden

• Verkeerstekens gaan boven verkeersregels, als deze regels onverenigbaar zijn met de verkeerstekens

• Verkeerslichten gaan boven verkeerstekens die de voorrang regelen.

3.2 begrippen m.b.t verkeer:

3.2.1 wegen:

Wegen zijn alle voor openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.

3.2.2 rijbaan:

Dat is elk voor rijdende voertuigen bestemd weggedeelte met uitzondering van de fietspaden en de fiets/bromfietspaden.



3.2.3 rijstrook:

Dat is een door doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan van zodanige breedte dat bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen daarvan gebruik kunnen maken.

3.2.4 busbaan:

Dat is een rijbaan waarop het woord ‘BUS’ of ‘LIJNBUS’ is aangebracht.

3.2.5 bus strook:

Dat is een door doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan waarop het woord ‘BUS’ of ‘LIJNBUS’ is aangebracht.

3.2.6 haaientanden:

Haaientanden zijn voorangsdriehoeken op het wegdek.

3.2.7 kruispunten:

Een kruispunt is een ontmoetingspunt van wegen.

3.2.8 volledig kruispunt:

Bij een volledig kruispunt kruisen de wegen elkaar onder een hoek van ongeveer 90 graden.

3.2.9 t-aansluiting:

Bij een t-aansluiting loopt één van de wegen door en de andere sluit daar onder een hoek van ongeveer 90 graden.

3.2.10 y-splitsingen:

Bij een y-splitsing sluiten de wegen op elkaar aan onder een hoek van minder dan 75 graden.

3.2.11 driehoeks aansluiting:

 Een driehoeks aansluiting bestaat eigenlijk uit 3 y-splitsingen.

3.2.12 rotonde:

Een rotonde wordt veelal aangelegd als alternatief voor een kruispunt met verkeerslichten. Door de lage snelheid zijn er weinig omgevallen.

3.2.13 het naderen van een kruispunt:

Bij het naderen van kruispunten dien je extra goed te letten of een bestuurder van een naderende auto jou gezien heeft.

3.2.14 verkeer:

Verkeer zijn alle weggebruikers

3.2.15 weggebruikers:

Weggebruikers zijn alle personen die gebruik maken van de weg, zat zijn: voetgangers, fietsers, bromfietsers, bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, bestuurders van een motorvoertuig of van een tram, ruiters, geleiders van rij- en trekdieren en vee, bestuurders van een bespannen of onbespannen wagen.

3.2.16 bestuurders:

Bestuurders zijn alle weggebruikers behalve voetgangers.

3.2.17 voetgangers:

Voetgangers zijn alle personen die zich in het verkeer lopend voortbewegen, zij hebben geen bescherming en worden daarom ook wel de zwakkere weggebruikers genoemd.

3.2.18 voertuigen:

Voertuigen zijn fietsen, bromfietsen, snorfietsen, brommobielen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens.

3.2.19 motorvoertuigen:

Motorvoertuigen zijn alle gemotoriseerde voertuigen behalve bromfietsen, fietsen met een trapondersteuning en gehandicaptenvoertuigen, bestemd om anders dan langs rails (trein of tram) te worden voortbewogen.

3.2.20 bestemmingsverkeer:

Bestemmingsverkeer zijn bestuurders  van wie het reisdoel één of meer percelen betreft die zijn gelegen aan of in de directe nabijheid van een weg met een door verkeerstekens aangegeven geslotenverklaring voor bepaalde categorieën bestuurders.

3.2.21 militaire colonnes:

Een militaire colonne is een aantal zich achter elkaar bevindende militaire motorvoertuigen of motorvoertuigen van een onderdeel van de rampenbestrijdingsorganisatie onder leiding van één commandant en die de volgende vastgestelde herkenningstekens voeren:

• Eerste voertuig heeft aan de rechter en linke voorzijde een blauwe vlag

• Volgende voertuigen hebben aan de rechtervoorzijde een blauwe vlag

• Laatste voertuig heeft aan de rechtervoorzijde een groene vlag

3.2.22 uitvaartstoet van motorvoertuigen:

Een stoet motorvoertuigen, die een lijk of de as van een gecremeerd lijk begeleiden en die de vereiste herkenningstekens voeren.

3.2.23 snorfietsen:

Snorfietsen zijn bromfietsen waarvan de snelheid is beperkt tot 25 km/u.

3.2.24 brombakfiets:

Brombakfietsen zijn bromfietsen op 3 symmetrisch geplaatste wielen met 2 voorwielen met een diameter van meer dan 0,40 m. De bestuurder volgt exact dezelfde regels als die van bromfietsers met uitzondering van het dragen van een helm.



3.2.25 gehandicaptenvoertuig:

Bestuurders mogen zelf een keuze maken waar ze gaan rijden: voetpad, trottoir, fiets-/bromfietspad of op de rijbaan. Op het voetpad en trottoir geldt een maximumsnelheid van 6 km/u.

3.2.26 brommobiel:

Een brommobiel is een bromfiets op meer dan 2 wielen met een carrosserie.

3.2.27 een brommobiel is te herkennen aan:

• Een gele kentekenplaat met zwarte letters

• Aan de achterzijde een wit rond plaatje met een rode rand met daarin de zwarte cijfers; 45

• Een carrosserie open of gesloten

3.3 eisen m.b.t brommobielen:

3.3.1 afmetingen:

• Hoogte: max 2,50 m

• Lengte: max 4,00 m

• Breedte: max 2,00 m

3.3.2 inrichtingseisen:

Een brommobiel moet voorzien zijn van:

• Een goed werkende snelheidsmeter

• Een bedrijfsreminrichting

• Een deugdelijke handrem

• Een goed werkende ruitenwisserinstallatie

• Een binnenspiegel en een linkerbuitenspiegel

• Goed sluitende deuren

• Het slot en de scharnieren van de motorkap en het kofferdeksel moeten een goede sluiting waarborgen.

• Autogordels voor alle naar voren geplaatste zitplaatsen

Brommobielen mogen geen scherpe delen hebben. De wielen en banden mogen niet aanlopen en er mogen geen delen beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast.

3.3.3 een brommobiel moet zijn voor zien van de volgende verlichting:

Tussen 1 en 1,3 meter breed:

• Eén of twee dimlichten

• Eén of twee stadslichten

• Eén of twee achterlichten

• Eén of twee remlichten

• Eén driehoekige rode retroreflector aan de achterzijde

Meer dan 1,3 m breed:

• Twee dimlichten

• Twee stadslichten

• Twee achterlichten

• Twee remlichten

• Eén driehoekige rode retroreflector aan de achterzijde

Alle bromfietsen moeten twee richtingsaanwijzers aan de voorkant (wit) en twee richtingsaanwijzers aan de achterkant (rood) hebben.

 Brommobielen mogen voorziend zijn van:

• Eén of twee grote lichten

• Kentekenverlichting

• Waarschuwingsknipperlichten

• Ambergele retroreflectoren

• Naar voren gerichte retroreflectoren

• Twee mistlichten

• Eén of twee achteruitrijlichten

• Eén derde remlicht

Brommobielen mogen, met uitzondering van groot licht, niet zijn voorzien van verblindende verlichting.

3.3.4 verkeersregels voor bestuurders van brommobielen:

De regels van het RVV 1990 voor motorvoertuigen, bestuurders en passagiers van motorvoertuigen gelden, in plaats van regels voor bromfietsen, ook voor brommobielen en bestuurders en passagiers van brommobielen.

3.3.5 plaats op de weg:

Als bestuurder van een brommobiel moet u de rijbaan volgen. De plaatst op de rijbaan is zoveel mogelijk rechts.

3.3.6 maximumsnelheid:

Binnen en buiten bebouwde kom 45km/u.

3.3.7 overwegen:

Een overweg mag pas worden opgegaan, als direct kan worden doorgegaan en de overweg geheel kan worden vrijgemaakt.

3.3.8 rotonde:

Als bestuurder van een brommobiel mag je vlak voor of op een rotonde rechts inhalen.

3.3.9 gebruik van auto(snel)wegen:

Een brommobiel volgt de regels  voor motorvoertuigen echter, zij mogen geen gebruik maken van een autoweg of autosnelweg.

3.3.10 autogordels:

Als bestuurder en passagier van een brommobiel met je een autogordel dragen.

3.3.11 verdrijvingsvakken:

Met een brommobiel mag je de verdrijvingsvlakken en puntstukken niet gebruiken.

3.3.12 voeren van verlichting:

Het is verplicht om dimlicht, achterlichten en kentekenplaatverlichting te hebben.

3.3.13 mistlicht aan de voorzijde:

Bij mist, sneeuwval of regen, die het zicht ernstig belemmert, mag mistlicht aan de voorzijde worden gevoerd.

3.3.14 mistachterlicht:

Bij mist of sneeuwval, die het zicht ernstig belemmert tot een afstand van minder dan 50 m, mag mistachterlicht worden gevoerd. Voor de veiligheid is het beter om één mistachterlicht aan te sluiten en wel aan de linker achterzijde.

3.3.15 licht tijdens stilstaan:

Als een brommobiel buiten de bebouwde kom stilstaat op de rijbaan moet bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht stadslicht en achterlicht worden gevoerd.

3.3.16 gevarendriehoek:

Bij pech met een brommobiel is het verplicht een gevarendriehoek te plaatsen als de brommobiel een obstakel vormt dat niet tijdig door naderende bestuurders kan worden opgemerkt. De gevarendriehoek moet goed zichtbaar op de weg worden geplaatst op ongeveer 30 m van de brommobiel en in de richting van het verkeer waarvoor het voertuig gevaar oplevert. Als er waarschuwingslichten worden gevoerd is het plaatsten van een gevarendriehoek niet verplicht.

3.3.17 verboden stil te staan:

• Op een kruispunt of overweg

• Op een fietsstrook of op een rijbaan naast een fietsstrook

• Op een oversteekplaats of binnen een afstand van 5 m daarvan

• In een tunnel

• Bij een bushalte

• Op de rijbaan langs een busstrook

• Langs een gele doorgetrokken streep

• Op een busstrook

3.3.18 parkeren:

Een passagier laten uitstappen is géén parkeren

3.3.19 verboden te parkeren:

• Op minder dan 5 m afstand van een kruispunt

• Voor een in- / uitrit

• Buiten de bebouwde kom op de rijbaan van een voorrangsweg

• Langs een gele onderbroken streep

• Op een plaats bestemd voor laden/ lossen

• Op een parkeerplaats voor vergunninghouders



3.3.20 parkeren in een erf:

Een brommobiel mag binnen een erf alleen parkeren op parkeerplaatsen die als zodanig zin aangeduid of aangegeven.

3.3.21 vervoer van personen in een brommobiel:

Er mogen in een open of gesloten laadruimte van een brommobiel en in of op een aanhangwagen achter een brommobiel geen personen worden vervoerd.

3.4.1 snelheidsregeling bromfietsen:

Binnen bebouwde kom op een fietspad: 30

Op een fietspad buiten bebouwde kom: 40

Op de rijbaan binnen en buiten bebouwde kom: 45

3.4.2 naderingssnelheid:

Je moet altijd goed kunnen laten zien aan je snelheid of je gaat stoppen of doorrijden.

3.4.3 wegen binnen de bebouwde kom:

Op wegen binnen de bebouwde kom zijn verkeerssituaties over het algemeen ingewikkeld. Dit komt omdat er zoveel verschillende soorten weggebruikers zijn.

3.4.4 wegen buiten de bebouwde kom:

Buiten de bebouwde kom rijden bromfietsers vaak op de fiet-/ bromfietspaden. Er zijn drie soorten 80 km/u wegen:

• Provinciale wegen (stroomwege): Provinciale wegen met aan 1 kant of aan beide kanten een parallelweg. Brommers rijden hier dus op de parallelweg.

• provinciale wegen (gebeid ontsluitingswegen): provinciale wegen met aan een of beide kanten een fiets-bromfietspad. Bromfietsers rijden uiteraard op het bromfiets paden.

• Erftoegangswegen: Wegen zonder fiets-bromfietspad of parallelweg en bedoeld voor alle soorten verkeer.

3.4.5 erven:

Bestuurders mogen binnen een erf niet sneller rijden dan 15 km/u.

3.4.6 30 km/u zones:

Hier geldt een maximale snelheid van 30 km/u.

3.4.7 bruggen, tunnels en viaducten:

Een brug of een viaduct is een ongelijkvloers kruispunt, dat er voor zorgt dat je geen last hebt van kruisend verkeer. Een brug is meestal verhoogd en slecht beschut dus er staat op een brug al gauw veel wind. Bij vorst zijn bruggen eerder glad dan gewone wegen.

 Je moet je verlichting van je bromfiets aandoen, voordat je de tunnel inrijdt.

3.4.8 overwegen:

Als een weg kruist met een rails is er sprake van een overweg.

 1. alleen met lichten en bellen(knipperlichten) (zo geheten: A.K.I. Automatische Knipperlicht Installatie)

 2. met halve spoorbomen, lichten en alarmbellen(zo geheten: A.H.O.B. Automatische Halve Overweg Bomen)

 3. hele overwegbomen, lichten en alarmbellen(zo geheten: bewaakte overweg.

Over het al gemeen moet je bij een overweg zo lang wachten dat je beter je motor uit kunt zetten dat bespaard brandstof en is beter voor het milieu

3.4.9 bebakening:

Op wegen buiten de bebouwde kom en soms ook binnen de bebouwde kom, wordt door bakens en waarschuwingsborden aangegeven, dat je een overweg of tramkruising nadert. De bakens zijn links en rechts van de rijbaan geplaatst. Het eerste bord staat op 240 m afstand, het twee op 160 m en het laatste bord op 80 m afstand van de overweg.

 

3.4.10 risicovolle gebieden:

Onder risicovolle gebieden vallen bijvoorbeeld: gebieden vlak bij scholen, ziekenhuizen, uitgaanscentra en dergelijke. Deze gebieden worden risicovol genoemd, omdat je daar kunt verwachten dat andere weggebruikers dun aandacht niet zo bij het verkeer hebben.

3.5 plaats op de weg:

3.5.1 links-rechtspositie:

Je plaats op de weg is zoveel mogelijk rechts op de rijbaan.

3.5.2 fietspaden:

Er zijn 3 soorten fietspaden:

• Fiets-/bromfietspaden

• Verplicht fietspad

• Onverplicht fietspad

3.5.3 fiets-/bromfietspad:

Bromfietsers moet in dit geval, net als snorfietsers en fietsers gebruik maken van het fiets-bromfietspad. Bromfietsers mogen niet naast elkaar rijden, snorfietsers mogen ook niet naast elkaar rijden, fietsers mogen wel naast elkaar rijden.

Wanneer een bromfietser op de rijbaan moet gaan rijden vanaf het fiets-/bromfietspad, worden zij daar attent op gemaakt door de het witte bordje met rode bromfiets en een rode pijl richting de rijbaan. In de meeste gevallen is er een speciale strook(verbindings-pad) aangelegd zodat je de gelegenheid hebt om je veilig tussen de motorvoertuigen te voegen. Kijk wel goed achter je en vergeet geen richting aan te geven.

3.5.4 plaats op de weg algemeen:

Als bromfietser rijd je in principe binnen bebouwde kom op de rijbaan en word je alleen als het door een bord wordt aangegeven naar het fiets-bromfietspad verwezen. Als bromfietser val je veel beter op tussen het autoverkeer, voor automobilisten ben je nu goed zichtbaar in de binnenspiegel.

3.5.5 verplicht fietspad:

Bromfietsers mogen geen gebruik maken van het verplichte fietspad. Snorfietsen dienen, tenzij anders staat aangegeven, het verplichte fietspad te gebruiken.

 3.5.6 onverplicht fietspad:

Bromfietsers mogen helemaal géén gebruik maken van het onverplichte fietspad. Snorfietsen mogen gebruik maken van een onverplicht fietspad mits zij de motor hebben uitgezet. Indien je met de bromfiets op de rijbaan moet rijden omdat een fiets-/bromfietspad ontbreekt, dan ben je verplicht om gebruik te maken van de voorgesorteerd-stroken. Op 70km/h wegen binnen de bebouwde kom, mogen bromfietsers niet op de rijbaan rijden. Zij moeten dan gebruik maken van het fiets-bromfietspad en indien dit niet aanwezig is moeten zij net als de fietsers een andere route kiezen.

3.5.7 de fietsstrook:

Een fietsstrook is een door doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan, waar op afbeeldingen staan van een fiets . Wanneer op de rijbaan een fietsstrook is aangebracht, mogen snorfietsers, fietsers en gehandicaptenvoertuigen dit gedeelte volgen. Bromfietsers moeten op de rijbaan blijven rijden.

 1. een doorgetrokken streep: alleen fietsers, snorfietsers en bestuurders van een

 2. een onderbroken streep: andere bestuurders mogen alleen de strook berijden als ze fietsers, snorfietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig niet hinderen

 3. op de rijbaan een gedeelte is afgescheiden door een onderbroken streep, waarin geen fiets staat afgebeeld. Een zogeheten “suggestie-strook” er word dan verondersteld dat fietsers, snorfietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig dat gedeelte volgen.

3.5.8 volgafstand:

Omdat de snelheid van een bromfietser veel hoger ligt dan van een fietser is het belangrijk dat je altijd voldoende afstand hebt ten opzichte van een voertuig dat voor je rijdt. Een eenvoudige vuistregel bij normale weersomstandigheden is: de volgafstand is de helft van de gereden snelheid.

 Het is verstandig bij de volgende situaties de volgafstand te vergroten:

 1. beperkt zicht

 2. slechte toestand van het wegdek

 3. als je rijd met een zwaar beladen bromfiets



3.6  verkeerslichten:

3.6.1 driekleurige verkeerslichten:

• Rood: stoppen

• Oranje: stoppen en als dat echt niet lukt doorrijden

• Groen: doorgaan

Als in een van de boven genoemde lichten een pijl is afgebeeld geld dat teken alleen voor verkeer wat die kant op wil.

3.6.2 driekleurige verkeerslichten met afbeelding van fiets:

Mocht er een fiets in het licht zijn afgebeeld geld het alleen voor fietsers bromfietsers en bestuurders van gehandicaptenvoertuigen.

3.6.3 tweekleurige verkeerslichten:

Deze lichten worden vaak geplaatst op plaatsten waar maar af en toe het verkeer geregeld moet worden bijvoorbeeld bij oversteekplaatsen en bruggen.

• Rood: stoppen

• Geel: stoppen en als dat echt niet lukt doorrijden

3.6.4 overweglichten:

• Wit knipperlicht: er nadert geen trein, dat wil niet zeggen dat je klakkeloos door kunt rijden.

• Rood licht of rood knipperlicht: stop, er is een trein in aantocht, je moet wachten tot het licht is gedoofd er kan immers nog een trein aankomen.

3.6.5 bruglichten:

• Rood licht of rood knipperlicht: stoppen

• Geel knipperlicht: waarschuwingslicht voor een gevaarlijke situatie

3.6.6 tram- en buslichten:

 

1. rechtdoor  2. rechtsaf 3. Linksaf 4. Geel  5. rood

3.6.7 voetgangerslichten:

Rood met een stilstaande voetganger: stoppen voor voetgangers

Groen met lopende voetganger: voetgangers mogen oversteken

Geel knipperend licht met waarschuwingsdriehoek: eigen risico

3.7.1 van richting veranderen:

Volgorde: kijken, richting aangeven en eventueel voorsorteren.

3.7.2 kijken:

Wil je recht afslaan kijk dan eerst goed of er geen ander verkeer aankomt want remmen tijdens het sturen dan is het meestal te laat.

3.7.3 richting aangeven:

Geef vroeg aan als je af wilt slaan zodat overig verkeer rekening kan houden met je plannen.

Nadelen van richting aangeven met het uitsteken met een hand

 1. de meeste scooter remmen af op de motor als de gashendel word losgelaten.

 2. minder controle over het remmen en sturen aangezien het stuur met 1 hand word vast gehouden.

3.7.4 voorsorteren en afslaan:

Een bromfietser mag bij het afslaan of voorsorteren geen gebruik maken van een fietsstrook met doorgetrokken streep. Ligt er langs de rijbaan en fietsstrook met onderbroken streep of een suggestiestrook, dan mag je deze strook gebruiken bij het voorsorteren en bij het passeren.

3.7.5 links afslaan en voorsorteren naar links:

Bromfietsers die links afslaan mogen op rijbanen met verkeer in twee richtingen links tegen de wegas of op éénrichtingswegen geheel tegen de linkerzijde van de rijbaan voorsorteren. Zodra je van de rijbaan gebruik maakt binnen de bebouwde kom, ben je verplicht om, als er voorsorteervakken op het wegdek zijn aangebracht, in het juiste vak te gaan rijden.

3.7.6 bromfietsers mogen de OFOS niet gebruiken:

Als er op het wegdek een OFOS strook (Opgeblazen Fiets Opstel Strook) is aangebracht mogen alleen fietsers en snorfietsers er van gebruik maken.

3.7.7 bij het afslaan naar links moet je drie handelingen uitvoeren:”

• Kijken

• Richting aangeven

• Voorsorteren en afslaan

3.8 inhalen en ingehaald worden:

3.8.1 inhalen:

Inhalen heeft niet altijd zin dus haal alleen in als het de doorstroming verbeterd als je bijvoorbeeld achter een veel langzamer voertuig rijdt.

3.8.2 basisregel inhalen:

Je moet altijd links inhalen

3.8.3 wanneer moet/mag je rechts inhalen?

Bij een tram die meestal in het midden van de weg is geplaatst mag je ook rechts inhalen. Of als je een voorgesorteerd iemand wil inhalen. Houd veel afstand van het voertuig dat je wilt inhalen aangezien een kleine inhaal afstand kan lijden tot een schrik reactie en een plotselinge stuur beweging ook is het inhalen van geparkeerde auto's gevaarlijk het gebeurd redelijk vaak dat een automobilist niet uitkijkt of hij het portier wel veilig kan openen.

3.8.4 vrije ruimte

De passeerruimte moet minimaal 1 meter bedragen.

3.8.5 achteropkomend verkeer:

Kijk goed naar achter of er misschien verkeer van achter aankomt.

3.8.6 tegemoet komend verkeer:

Inhalen bij beperkt zicht is erg onverstandig omdat je niet weet of er iemand aankomt of niet bijvoorbeeld bij een scherpe bocht om een gebouw heen of over een heuvel. Inhalen bij dichte mist is helemaal niet toegestaan.

 3.8.7 voetgangers oversteekplaats:

Inhalen bij een voetgangers oversteek plaats mag niet het is belangrijk je aandacht te focussen op de voetgangers en niet op het sneller thuis zijn.

3.8.8 doorgetrokken streep:

een doorgetrokken streep die zich niet langs de rand van de rijbaanverharding bevindt mag je niet overschrijden. Deze regel geldt niet als aan de zijde vanwaar je de streep overschrijdt een onderbroken streep is aangebracht.

3.8.9 gewenst gedrag:

• Goed vooruit kijken

• Gied naast en achter je kijken

• Let op of je andere weggebruikers niet hindert

• Links inhalen

• Tussenruimte minimaal 1 meter

• Nooit inhalen vlak voor een onoverzichtelijk punt

• Nooit inhalen vlak bij of op een voetgangersoversteekplaats

• Rechts inhalen als andere bestuurders linksaf slaan

3.8.10 ingehaald worden:

Als je wordt ingehaald door een andere bestuurder, is het verboden om sneller te gaan rijden.

3.9 verlenen van voorrang en voor laten gaan

3.9.1 voorrang verlenen

Algemene regel: rechts heeft voorrang

Voorrang word pas over gesproken als het gaat om voertuigen als het gaat om één persoon en een voertuig heeft het voertuig voorrang. Voorrang geven betekend dat je het andere voertuig zonder hinder laat gaan dus niet vol gas aankomen en op het laatste moment remmen of stil staan op een plek waar hij niet omheen kan. Voorrang neem je niet je geeft of krijgt het. Let op dat je duidelijk laat zien wat je intenties zijn waar je heen wilt en of je de andere persoon hebt gezien.

Als je een voorrangsweg wilt oversteken moet je er rekening mee houden dat de bestuurders op de voorrangsweg er vanuit gaan dat ze voorrang krijgen en houden dus geen rekening met onverwachts stoppen en steek dus pas over als er van beide kanten niemand aankomt. Dit geld ook op voorrangskruisingen let dus goed op de haaientanden en de borden die voorrang kunnen aangeven. Bij een stop bord altijd stoppen kijken of er niemand aankomt en dan pas rijden.

3.9.2 afbuigende voorrangsweg/ voorrangskruispunt:

Verharde wegen gaan voor onverharde wegen. Zandwegen, landweggetjes, bospaden en karresporen zijn duidelijk onverharde wegen. Als een verharde weg een onverharde weg kruist, moeten bestuurders die van een onverharde weg naderen, de bestuurders op de verharde weg voorrang verlenen.

Nadert de tram een voorrangsweg of voorrangskruispunt, dan moet hij aan alle bestuurders op de kruisende weg voorrang verlenen.

3.9.3 rotondes:

Als de rotonde niet met voorrangsborden is geregeld, is het een gewoon kruispunt en moeten bestuurders op de rotonde voorrang verlenen aan bestuurders die de rotonde naderen. Bestuurders die de rotonde verlaten, moeten het verkeer dat de rotonde blijft volgen voor laten gaan. Als bromfietser mag je vlak voor en op de rotonde ook op de linkerrijstrook rijden.

3.9.4 voor laten gaan:

Alle afslaande bestuurders moeten recht doorgaand verkeer op dezelfde weg voor laten gaan. Hierop zijn uitzonderingen: een tram, een militaire colonne en een uitvaartstoet van voertuigen. Bestuurders die uit een uitrit komen, moeten alle verkeer op de kruisende weg voor laten gaan. Als je een uitrit uitkomt of als je wegrijdt vanaf een trottoir. Dan moet je alle verkeer (ook voetgangers) voor laten gaan. Bestuurders die uit een erf komen volgen dezelfde regels als bij het uitrijden van een uitrit.

3.9.5 voor laten gaan blinden:

bromfietsers moeten blinden en overigens alle personen die zich moeilijk voortbewegen op de rijbaan, voor laten gaan.

3.9.6 voor laten gaan bij voetgangersoversteekplaats:

Bij een voetgangersoversteekplaats moet de bromfietser een voetganger en een bestuurder van een gehandicaptenvoertuig die oversteekt of wil oversteken altijd voor laten gaan.

3.9.7 voorrangsvoertuigen:

Weggebruikers moeten bestuurders van een voorrangsvoertuig (politie, brandweer, ambulance en andere hulpverleenverdiensten) die de optische en geluidssignalen voeren zo mogelijk ongehinderd voor laten gaan. Ook moet je zoveel mogelijk ruimte maken door aan de kant te gaan.

3.9.8 wegrijden bij een bushalte:

Bij een bushalte binnen de bebouwde kom moet men de wegrijdende autobus voor laten gaan.

3.10 Gebruik van verlichting en signalen:

3.10.1 verlichting:

Een dimlicht, achterlicht en een niet driehoekige rode reflector zijn verplicht. Bromfietsen mogen met uitzondering van groot licht niet voorzien zijn van verblindende verlichting. Zorg altijd dat de verlichting werkt ander is bij dichte mist of `s nachts kan dat je te laat word opgemerkt.

3.10.2 wanneer geen groot licht?:

Overdag, als er tegemoet komend verkeer is of als je dicht achter een ander voertuig rijdt.

3.10.3 signalen:

Alleen geluids- of knipper signalen geven bij gevaar anders kan het verwarring en irritatie opleveren.

3.11.1 uitvoeren van bijzondere manoeuvres:

Bij het uitvoeren van bijzondere manoeuvres zoals het inrijden of verlaten van een op of uitrit moet je altijd het overige verkeer voor laten gaan.

3.11.2 starten en wegrijden:

Starten is ook een bijzonder manoeuvres dus het andere verkeer heeft voorrang. Vergeet ook niet met een teken aan te geven dat je weg wilt rijden zoals knipperlicht of het uitsteken van een arm. Pas als je anderen niet hindert mag je wegrijden.

 3.11.3 gebruik van in- en uitrit:

Bij het betreden van een inrit mag je niemand hinderen dus al het verkeer heeft voorrang dus ook voetgangers. Bij het uitrijden geldt hetzelfde.

3.11.4 keren op de weg:

Tijdens het keren mag je wederom niemand hinderen en dus iedereen voorlaten gaan en begin dus ook pas met keren als er geen verkeer meer is of aankomt om te voorkomen dat er ongelukken gebeuren tijdens het keren. Kijk ook tijdens het keren goed om je heen want er kan onverwachts toch iemand zijn die jou niet ziet.

3.12 stoppen, stilstaan en plaatsen:

3.12.1 stoppen:

Als je stop neem je nog steeds deel aan het verkeer kijk dus goed uit waar je stopt en wanneer je weer weg kunt rijden.

3.12.2 stilstaan:

 Waar mag je niet stilstaan?:

 1. op een kruispunt of overweg

 2. fietsstrook of een rijbaan naast de fietsstrook

 3. oversteek plaats of binnen 5 meter daarvan

 4. in een tunnel

 5. niet binnen 12 meter van een bushalte tenzij met blokjes is aangegeven waar je buiten moet blijven.

 6. Langs een busstrook

 7. langs een gele-doorgetrokken streep

 8. op een busstrook

 3.12.3 plaatsen:

Als het gaat om stallen van bromfietsen word er gesproken van “plaatsen” in plaats van parkeren. Je dient je scooter te plaatsen op het trottoir, het voetpad of de berm. Of op aangewezen plekken zoals een fietsenstalling. Houd bij het plaatsen op een trottoir rekening met het in de weg staan voor gehandicapte personen en of je niet voor een in/ uitrit staat.

3.13 overige regels:

3.13.1 misbruik:

Het is verboden om wedstrijden om voertuigen, dus ook met bromfietsen, op de openbare weg te houden. Ook het zogenaamde joyriden is verboden.

3.13.2 aanhangwagens:

Met bromfietsen, inclusief brommobielen, mag je één aanhangwagen voortbewegen. De aanhangwagen mag slechts éénassig zijn. De aanhangwagen mag niet hoger zijn dan 1 m en niet breder dan 1 m achter een tweewielige bromfiets en 2 m achter een brommobiel. Deze aanhangwagen moet dan voorzien zijn van het kenteken van de trekkende bromfiets of brommobiel. Bestuurders van brommobielen of bromfietsen met aanhangwagen, die met inbegrip van de lading breder zijn dan 0,75 m, gebruiken de rijbaan.

3.13.3 slepen:

Het is verboden om met een tweewielige bromfiets een motorvoertuig te slepen of gesleept te worden. Voor brommobielen geldt dat niet. Daarbij geldt dat de lengte van de kabel maximaal 5 m mag bedragen.

3.13.4 verkeerscontrole:

Naast controle van de algemene regels wordt er bij bromfietsen dikwijls gecontroleerd op het opvoeren.

3.13.5 aanwijzingen:

Als er controles worden gehouden dient daar aan meegewerkt te worden. Je bent verplicht om te stoppen en moet zodanig meewerken dat de controle goed uitgevoerd kan worden.

3.13.6 documentencontrole:

Je bent verplicht je geldige rijbewijs en je kentekenbewijs deel 1A en 1B ter inzage te geven.

3.13.7 voertuigcontrole:

Soms met de bromfiets worden overgebracht naar een plaats van nader onderzoek. Ook hieraan moet medewerking worden verleend.



4. bediening van je brom- of snorfiets:

4.1 inleiding:

In dit hoofdstuk besteden we aandacht aan basisvaardigheden en aan voertuigbeheersing.

4.2 basisvaardigheden:

4.2.1 de juiste zithouding:

Om goed te sturen is een ontspannen zithouding vereist. Het stuur moet losjes worden vastgehouden. De armen zijn licht gebogen en vormen één rechte lijn met de handen. De polsen dus niet laten doorzakken. Tijdens het rijden is het het veiligst om twee handen aan het stuur te houden. Slechts bij uitzondering mag er één hand worden losgelaten. Houd je knieën bij elkaar en zit rechtop met je neus in de wind. Je rug dient eerder bol dan hol te zijn.

4.2.2 bedieningsonderdelen:

Je hebt een schakelbromfiets en een automaat.

4.2.3 automaat:

Een automaat heeft een kickstarter. Het gas geven gebeurt door het draaien aan het rechter handvat. Als de gashendel niet automatisch terugdraait  zal de kabel moeten worden gesmeerd of vervangen. Een automaat heeft twee remmen: een voorrem en een achterrem.

4.2.4 schakelbromfiets:

Een schakelbromfiets heeft een elektrische starter. Hierbij hoef je alleen maar een knopje in te drukken en vervolgens start de bromfiets. Bij het wegrijden kan niet worden volstaan met het opendraaien van het gas, maar moet er ook geschakeld worden naar een hogere versnelling. Een schakelbromfiets heeft vier versnellingen. Schakelen gebeurt door met de linkervoet het versnellingspedaal  omhoog en omlaag te bewegen. Voor het schakelen dient men de motor met de koppelingshendel ontkoppelt te worden. De koppeling bevindt zich in de vorm van een hendel aan de linkerkant van het stuur. Voor het ontkoppelen moet de hendel worden ingetrokken en kan de bromfiets in de eerste versnelling worden gezet. Om te voorkomen dat de motor afslaat moet je rustig wat gas bijgeven en steeds vermeerderen. Als de motor op toeren is, moet je doorschakelen naar de tweede versnelling. Voor het schakelen gelijktijdig het gas verminderen, de koppelingshendel inknijpen en gelijktijdig daarmee met je voet het schakelpedaal omhoog duwen tot aan een klikkend geluid. Bij het terugschakelen moet je het pedaal herhaaldelijk naar beneden duwen met je voet terwijl je de koppeling inknijpt en geen gas geeft. De schakelbromfiets heeft de bediening van één rem (voorrem) aan het stuur. De achterrem bedien je met je rechtervoet. Dat pedaal bevindt zich voor de rechter voetsteun.

4.2.5 choke:

Als de motor koud is, moet vlak voor of tijdens het starten de choke ingeschakeld worden. Na 5 a 10 minuten rijden kan de choke uitgeschakeld worden. De meeste bromfietsen hebben een elektrische of automatische choke.

4.3.1 voertuigbeheersing:

Alle nieuwe bromfietsen moeten volgens de wet zijn voorzien van een linkerspiegel en een goed werkende claxon.

4.3.2 15 km per uur:

Als je ontspannen op je bromfiets zit met je kin vooruit en je handen ontspannen aan het stuur dan zal het snel lukken om met deze snelheid rechtdoor te rijden zonder te slingeren.

4.3.3 30 a 45 km er uur:

Bij hogere snelheden is het makkelijker je evenwicht te bewaren.

4.3.4 accelereren en snelheid verminderen:

• Je komt sneller vooruit wanneer de wielen niet doorslippen

• Je gebruikt hierdoor meer brandstof

• Te sterk accelereren is slecht voor de banden.

4.3.5 correct en effectief remmen:

in feite zorgt het achterwiel maar voor éénderde van je remvermogen en het voorwiel voor tweederde. Het moet als het ware een gewoonte worden dat je met de voorrem remt en alleen de achterrem gebruikt om de bromfiets te stabiliseren.

4.3.6 remmen met de achterrem:

Een geblokkeerd wiel verlengt de remweg en veroorzaakt slippen.

4.3.7 remmen met de voorrem:

Fasen remmen:

1. Lichte druk aanleggen

2. Druk verhogen tot blokkeergrens

3. Druk verminderen

4.3.8 remmen met beide remmen:

De kortste en meest veilige remweg krijg je door beide remmen te gebruiken.

Fasen remmen:

1. Voorrem aanleggen

2. Druk op voorrem verhogen, achterrem aanleggen

3. Druk op beide wielen opbouwen.

4. Druk op beide wielen afbouwen

Alleen als je op zand, sneeuw, modder of grind rijdt, kun je beter alleen de achterrem gebruiken omdat het voorwiel waarop de meeste kracht komt te staan dan te snel blokkeert.

4.3.9 remkracht en wielbelasting:

De remkracht van een wiel moet in overeenstemming zijn met de wielbelasting.

4.3.10 het remmen met een passagier achterop:

De kans op blokkeren is kleiner door het gewicht van een passagier.

4.3.11 correct en effectief sturen door bochten:

Je moet iets langzamer de bocht in gaan en tijdens de bocht gas bijgeven. In de bocht remmen kan heel erg gevaarlijk zijn. Het nemen van een bocht doe je als volgt:

1. Tijdig snelheid verminderen

2. Goed doorkijken in de bocht

3. Inrijden met licht gas

4. Uitrijden met wat meer gas

4.3.12 noodstop:

Bij een noodstop is het belangrijk dat je zowel met je voor als achterrem remt.

4.3.13 reactietijd:

Reactiesnelheid beïnvloedt door:

1. Geluidssterkte

2. Een waarschuwing

3. Rijvaardigheidsbeïnvloedende middelen

4. Vermoeidheid

5. Afgeleid zijn

4.3.14 remweg:

De remweg is de afstand die nodig is om tot stilstand te komen vanaf het moment van daadwerkelijk remmen.

4.3.15 stopafstand:

De stopafstand = de afgelegde weg in de reactietijd + remweg

De helft van de gereden kilometers per uur in meters, plus 10 % hiervan.



5. Voertuigkennis en onderhoud:

5.1 inleiding:

Hoe beter je de bromfiets onderhoudt, hoe langer de bromfiets meegaat en hoe veiliger hij blijft.

5.2 onderhoud:

Kapotte onderdelen moet je tijdig laten vervangen. Als vuistregel geldt dat een bromfiets iedere 5000 km of andere éénmaal per jaar een servicebeurt nodig heeft.

5.3 voertuigkennis:

5.3.1 de bromfietsmotor:

De motor van een bromfiets is meestal een verbrandingsmotor. De verbrandingsmotor heeft volgens het RVV 1990 een cilinderinhoud van ten hoogste 50 cm³. Heel algemeen kan gesteld worden, dat de motor lucht aanzuigt (via de zuiger), daar brandstof bij mengt en dit onder hoge druk verbrandt binnen de verbrandingskamer (cilinder). Door inwendige verbranding stijgt de temperatuur daardoor zetten de gassen uit en stijgt de druk in de cilinder. De druk wordt omgezet in arbeid. Als er stof in de cilinder komt kan de zuiger verslijten of vastlopen, waardoor hij klem komt te zitten in de cilinder en niet meer op en neer wil.

5.3.2 benzinekaartje:

Een benzinekaartje heeft een ingebouwde filter dat verontreinigingen opvangt, voordat die de carburateur kunnen bereiken.



5.3.3 elektrische installatie:

De drie belangrijkste onderdelen van het elektrisch systeem van de bromfiets zijn de accu, de ontsteking en de bougie

5.3.4 accu:

De accu is de plaats waarin de elektrische energie is opgeslagen die voor het starten van de bromfiets en de stroomvoorziening van belang is.

5.3.5 ontsteking:

Bij het starten en draaien van de motor laat de ontsteking het mengsel van benzine en lucht ontbranden.

5.3.6 bougie:

De bougie-elektroden bevinden zich onderin de bougie. Door de vonk die van de ene naar de andere bougie-elektroden overspringt wordt het brandbare mengsel tot ontsteking gebracht. Als de vonk op het verkeerde moment overspringt, bijvoorbeeld nadat de zuiger alweer naar beneden is levert de verbranding niet voldoende vermogen en zal er geen volledige verbranding  zijn. Als er een onvolledige verbranding is krijg je weer vervuiling in de motor.

5.3.7 uitlaat:

De uitlaat is bedoeld om het motorgeluid te dempen en (bij aanwezigheid van een katalysator) de uitstoot van schadelijke gassen te beperken, maar heeft ook invloed op de prestaties van de motor.

5.3.8 smering:

Als twee stukken metaal droog op elkaar bewegen en war worden, ontstaat er wrijving en dus slijtage. Daarom doe je er een laagje olie tussen zodat de onderdelen soepel tegen elkaar glijden zonder elkaar te raken.

5.3.9 koelsysteem:

De koeling is nodig om de warmte af te voeren. Het materiaal zou anders te heet worden en gaan scheuren of smelten of teveel uitzetten. De eenvoudigste manier voor koelen is rijwindkoeling.

5.3.10 overbrenging:

De verbinding tussen de motor en het achterwiel wordt tot stand gebracht met behulp van versnellingen.

5.3.11 vering en schokdemping:

De vering en de schokdempers moeten in goede staat van onderhoud verkeren.

5.3.12 banden:

De wielen van een bromfiets hebben luchtbanden. De banden bestaan uit koordlagen, waar overheen een rubberlaag zit.  Het profiel van de band moet meer dan 1 mm bedragen en de banden mogen niet opgesneden (nageprofileerd) zijn. Het loopvlak mag geen metalen elementen bevatten en de banden mogen geen beschadigingen of uitstulpingen tonen. Terreinbanden hebben noppen nodig om grip te hebben.

5.3.13 wielen:

Bromfietsen kunnen uitgerust zijn met gewone fietswielen, gietwielen of Comstarwielen.

5.3.14 remsysteem:

Bromfietsen moet uitgerust zijn met een goed functionerende bedrijfsrem. De remkabels mogen niet zijn gerafeld en er mag geen knik of speling in zitten. De remkabels dienen tijdig gesmeerd te worden en zonodig vernieuwd. Je hebt twee soorten remmen: trommelremmen en schijfremmen.

5.3.15 windschermen en stroomlijnkappen:

Deze voorzieningen moete deugdelijk zijn bevestigd en mogen de bediening van de stuurinrichting, de koppeling en de remmen echter niet belemmeren.

5.3.16 schoonmaaktips:

Je kan de scooter wassen met een sopje maar let op de volgende dingen:

• Sluit de inlaat

• Verwijder het luchtfilter

• Vuil en de ontvetter kunnen het beste met een vochtige lap worden verwijderd.

•  Alle verchroomde  en gelakte oppervlakten met was worden behandeld

• Als alles klaar is de motor een paar minuten laten draaien.

5.4.1 voertuigcontrole:

De bromfiets moet in deugdelijke staat van onderhoud verkeren en blijven voldoen aan de eisen.

Let daarbij op:

• Bradstofpeil

• Oliepeil

• Remmen

• Bandenspanning

• Kettingspanning

• Verlichting

• Claxon

5.4.2 brandstoppeil:

Steeds meer bromfietsen krijgen een eigen mengsmering via een apart oliereservoir op de bromfiets.

5.4.3 oliepeil:

Te weinig olie is slecht voor de motor, want dan kan de motor vastlopen. Te veel olie is ook niet goed, want dan kan de motor gaan roken, omdat niet alle olie kan worden tegengehouden.

5.4.4 remmen:

Controleer of de remkabels bij de hendels geen rafels vertonen, of er geen knik zit in de remkabel en of er geen speling is op de remkabels.



5.4.5 bandenspanning:

Onvoldoende spanning van de banden leidt tot:

• Grotere kans op slijtage en beschadiging

• Hoger brandstofverbruik

• Slechtere wegligging

• Langere remweg

Te harde banden maken het rijden minder comfortabel.

5.4.6 kettingspanning:

Een te strak gespannen en slecht gesmeerde ketting betekent kracht verspilling, want alles loopt er moeilijker door en dat leidt weer tot overmatig benzineverbruik.

5.4.7 verlichting:

Bromfietsers moeten een dimlicht, achterlicht en een niet-driehoekige rode reflector aan de achterzijde en vier ambergele retroreflectoren aan de trappers hebben. Een bromfiets moet ook voorzien zijn van één of twee rode remlichten als de bromfiets een maximumsnelheid van 25 km/u heeft. Ook moet een bromfiets kentekenverlichting hebben.

5.4.8 bel of claxon:

Alle bromfietsers moeten een goedwerkende bel of claxon met een vaste toonhoogte hebben.



6. maar je bent niet alleen op de weg:

6.1 inleiding:

Van belang is dat je inzicht krijgt in de verschillen tussen de weggebruikers en dat je rekening moet houden met sterkere en zwakkere verkeersdeelnemers op de weg.

6.2.1 zwakkere verkeersdeelnemers:

Zwakkere verkeersdeelnemers zijn jongere en oudere voetgangers en fietsers. En sterkere verkeersdeelnemers zijn auto’s en vrachtwagens.

6.2.2 civiele aansprakelijkheid:

Bij een aanrijding russen een fiets en een bromfiets is in principe de bromfietser aansprakelijk.

6.2.3 voetgangers:

Op de stoep, is die er niet op het fietspad, is die er niet in de berm of op de weg kant. Pas op bij slecht weer en dergelijke want voetgangers zijn traag dus rem op tijd af.

 6.2.4 kinderen te voet:

Voor kinderen is het deelnemen aan het verkeer veel gevaarlijker dan voor volwassenen. Kinderen zijn speels en hebben niet altijd aandacht voor het verkeer. Let op dat kinderen tussen auto's kunnen zitten en zich verstoppen of onverwachts tussen 2 auto's vandaan kunnen springen. Verwacht het onverwachte je weet nooit wanneer er weer eens een te voorschijn komt.

6.2.5  oudere voetgangers:

Houd rekening met het lage reactievermogens en langzame beweging snelheid. Dus let op bij oudere mensen want ook de kans op letsel is veel groter.

6.2.6 gehandicapten (voetgangers):

Laat mensen met een beperking duidelijk merken dat je ze gezien hebt en geef ze ruime tijd om over te steken en dergelijke en let goed op omdat mensen in een rolstoel soms minder goed zichtbaar zijn.

6.2.7 fietsers:

Fietsers houden meestal weinig rekening met andere mensen en geven ook bijna nooit tekens. Helaas zijn ze vaak niet goed zichtbaar maar toch heel kwetsbaar dus houd veel afstand en blij alert.

Een fietser heeft snelheid nodig om recht te fietsen houd dus rekening mee dat een fietser bijvoorbeeld bij het wegrijden bij een stoplicht soms de neiging heeft om te slingeren.

6.2.8 kinderen op de fiets:

Ze kunnen meestal niet fietsen en kennen de regels niet of nauwelijks houd dus rekening met onverwachte bewegingen en rare acties, afstand houden dus zowel er achter als tijdens het inhalen.

6.2.9 schoolgaande jeugd op de fiets:

Vaak fietsen ze in groepjes en letten dan op elkaar en niet op de weg een meestal volgen ze elkaar blindelings dus misschien kan de eerst er nog veilig door groen en rijd de rest onbewust door rood houd daar dus rekening mee.

 6.2.10 Oudere fietsers:

Ze rijden langzaam dus kunnen onverwachts gaan slingeren om evenwicht te bewaren en ze reageren minder alert en snel dus wederom afstand bewaren.

6.2.11 race- en trimfietsers:

Race- en trimfietsers kunnen onverwacht hoge snelheid hebben en zullen minder goed in staat zijn op tijd tot stilstand te komen. In bepaalde gevallen is het daarom verstandig deze fietsers voor te laten gaan en hen voldoende ruimte te bieden.

6.2.12 gewenst gedrag:

• Hou rekening met langzaam bewegende personen

• Pas je snelheid aan

• Hou rekening met onverwachte spelende kinderen

• Hou minimaal 1 m passeerafstand

6.3.1 kenmerken van sterkere verkeersdeelnemers:

Zware voertuigen zijn bussen, auto’s en vrachtauto’s. Zware voertuigen zijn vooral bedreigend voor anderen.

6.3.2 automobilisten:

De auto is voor jou als bromfietser één van de grootste gevaren in het verkeer, omdat het zoveel op de weg voorkomt. Hou er rekening mee dat een bestuurder van een auto jou niet altijd kan zien.

6.3.3 vrachtauto’s en autobussen:

Vrachtauto’s en autobussen spelen een belangrijke rol in het hedendaagse verkeer.

Verklaringen voor ongelukken:

1. Vrachtauto’s en autobussen rijden dag en nacht door onder alle weersomstandigheden. De arbeidsomstandigheden zijn daarom niet optimaal.

2. Bus- en vrachtautochauffeurs hebben een beperkt zicht naar achteren en rechts opzij. De lengte en breedte zorgen ervoor da vrachtauto’s en autobussen veel ruimte in beslag nemen.

3. Vrachtauto’s hebben een grote omvang.

4. Denk bij vrachtauto’s en autobussen aan het uitzwaai-effect.

5. Door het grote gewicht van autobussen en vrachtauto’s zijn ze traag met schakelen.

6.3.4 gewenst gedrag:

• Wees bedacht op zware voertuigen

• Bedenk dat deze chauffeurs een beperkt zicht hebben

• Hou voldoende afstand

• Pas je snelheid tijdig aan

• Laat voldoende ruimte over voor motorvoertuigen

6.3.5 speciale voertuigen en bijzondere verkeersdeelnemers:

• Gehandicaptenvoertuigen

• Ruiters

• Bestuurders van bespannen of onbespannen wagens

• Trams en militaire colonnes

• Optochten en uitvaartstoeten

• Voertuigen met bijzondere snelheden

Extra oplettend zijn is bij deze voertuigen van groot belang.

6.3.6 gehandicaptenvoertuigen:

Bestuurders van een gehandicaptenvoertuig mogen zelf hun plaats op de weg bepalen.

6.3.7 rij- of trekdieren, vee en ruiters:

Onder bespannen wagens worden onder meer een paard en wagen verstaan. Een onbespannen wagen is bijvoorbeeld een handkar. Beide wagens kunnen niet eenvoudig uitwijken en de handelingen verlopen nogal traag.

6.3.8 trams:

Voor trams gelden er afwijkende voorrangsregels

Let op:

• In slechte weersomstandigheden zijn tramrails spekglad.

• De wielen van en bromfiets kunnen blijven steken in de tramrails.

• Als je naast de trambaan rijdt moet je eventueel aanwezige witte lijnen niet overschrijden.

6.3.9 colonnes:

Door voetgangers gevormde colonnes, optochten of uitvaartstoeten mogen gebruik maken van de rijbaan en volgen dan dezelfde regels die gelden voor bestuurders van wagens.

6.3.10 militaire colonnes en uitvaartstoeten:

Weggebruikers mogen militaire colonnes en uitvaartstoeten van motorvoertuigen niet doorsnijden.

Op voorrangswegen, voorrangskruispunten en op rotondes waar het verkeer op de rotonde voorrang heeft ligt dit anders. Daar mag het kruisend verkeer dat op de voorrangsweg of het voorrangskruispunt rijdt de colonne of stoet weg doorkruisen.

6.3.11 voorrangsvoertuigen:

Voorrangsvoertuigen zijn motorvoertuigen die signalen bestaan uit blauwe zwaai-, flit-, en knipperlichten en een tweetonige hoorn voeren.

6.3.12 segway:

Een segway is een elektrisch aangedreven voertuig met twee parallel geplaatste wielen. De bestuurder moet minstens 16 jaar zijn, een verzekering hebben en de segway moet reflectoren en een blauw kentekenplaat hebben.

6.3.13 voertuigen met bijzondere snelheden:

Een tractor kan bij het uitrijden van het land een modderspoor achterlaten, waardoor de banden van de bromfiets minder grip op het wegdek krijgen. Ook moet je bij tractoren extra alert zijn bij het inhalen want ze hebben een dode hoek. Land- en bosbouwtrekkers, motorvoertuigen met een beperkt snelheid en de daardoor getrokken aanhangwagens moeten aan de achterkant een afgeknotte driehoek hebben.

6.3.14 uitwijkplaatsen:

Als je met je brommobiel goed anticipeert en tijdig gebruik maakt van de uitwijkplaats kunnen gevaarlijke situaties voorkomen worden.

6.3.15 passeerstroken:

Om de doorstroming te bevorderen zijn op wegen met veel landbouwverkeer passeerstroken aangebracht.

6.4.1 bromfietsen in een groep:

Het is niet toegestaan met twee of meerdere bromfietsen naast elkaar te gaan rijden.

6.4.2 agressief en sportief rijgedrag:

Als je in het verkeer rijdt, zul je je rijgedrag moeten aanpassen aan de overige verkeersdeelnemers. En dien je je sportief en fair te gedragen in plaats van agressief.

6.5 maatregelen bij verkeersgevaarlijk gedrag:

6.5.1 beginnersbewijs:

Onderzoek heeft uitgewezen dat beginnende bestuurders vaker bij een ongeval zijn betrokken. Daarom is ingesteld dat, in de eerste 5 jaar, je rijbewijs na drie zware overtredingen wordt geschorst.

6.5.2 EMG

Een ander maatregel is het EMG (Educatieve Maatregel Gedrag). Het EMG is een maatregel binnen de vorderingsprocedure van het CBR. De cursus bestaat uit een individueel gesprek, 1 hele cursusdag en twee halve cursus dagen. Je leert op de cursus op een veilige manier deel te nemen aan het verkeer.



7. pech en ongevallen:

7.1.1 inleiding:

Probeer nooit risico’s te nemen of je eigen grenzen op te zoeken. Dat kan resulteren in het onderschatten van verkeersrisico’s.

7.1.2 mens, omgeving en voertuig:

De drie factoren die de belangrijkste oorzaak zijn van verkeersongevallen zijn; mens, omgeving en voertuig. Bij deze factoren spelen de weersomstandigheden ook een belangrijke rol in het verkeer. Het is van belang dat je in de eerste ogenblikken van een ongeval de juiste eerste hulp verleent.

7.2.1 pech onderweg:

Als je je bromfiets goed onderhoudt, is de kans op pech onderweg heel erg klein. Als je toch pech hebt met je bromfiets, moet je de bromfiets zo plaatsen dat et geen of zo min mogelijk hinder oplevert voor de andere weggebruikers.

7.3 verkeersongevallen:

7.3.1 dood of letsel door schuld:

Deze regel heeft betrekking op verwijtbare schuld aan gevaarlijk gedrag, waardoor een verkeersongeval ontstaat waarbij iemand wordt gedood of ernstig wordt verwond. Overtreding van deze regel is een misdrijf.

7.3.2 verlaten plaats ongeval:

Deze regel wordt ook wel het vluchtmisdrijf genoemd. Het is verboden het ongeval te verlaten als je weet of vermoedt dat een ander een letsel heeft of is gedood en als je vermoedt of weet dat je iemand in een hulpeloze toestand achter laat.

7.3.3 niet strafbaar:

Niet strafbaar ben je, als je in het eerste geval (dood, letsel en schade) op de plaats van het ongeval behoorlijk de gelegenheid hebt geboden je identiteit vast te stellen.

7.3.4 vrijwillig melden:

In het geval dat iemand is weggegaan heeft diegene 12 uur na het ongeval om zich te melden bij de politie. Hij wordt dan niet aangehouden.

7.3.5 markeren van de ongevalplaats:

Verleen ook hulp bij een ongeval waar je zelf niet bij betrokken bent. Vraag aan een autochauffeur of hij een gevarendriehoek heeft en zet die neer.

7.3.6 afhandelen van een ongeval:

Veelal zal de afhandeling van een ongeval via de betrokken verzekeringsmaatschappij lopen.

7.4.1 Eerste Hulp Bij Ongelukken (EHBO)

Aangezien ongevallen in de samenleving een dagelijks voorkomend verschijnsel zijn, is het van belang dat in de eerste ogenblikken na het ongeval de juiste eerste hulp wordt verleend.

7.4.2 vijf belangrijke vuistregels bij het verlenen van eerste hulp:

• Op gevaar blijven letten

• Weten of nagaan wat er is gebeurd en wat het slachtoffer mankeert

• Als het slachtoffer aanspreekbaar is dan geruststellen

• Waarschuw deskundige hulp

• Het slachtoffer hulp verlenen op de plaats waar hij of zij ligt.

7.4.3 eerste hulp aan slachtoffers:

Verleen je hulp, denk er dan aan dat je in volgorde aandacht besteedt aan de drie vitale functies die direct het leven bedreigen:

• Bewustzijn

• Ademhaling

• Bloedsomloop

7.4.4 afnemen van de helm:

Doe dit alleen in uiterste nood. Als het slachtoffer dreigt te stikken, ademhalingsmoeilijkheden heeft, braakt of bloed in de mond heeft, dan verkeert het slachtoffer in levensgevaar. Doe dit wel volgens de stappen:

• Het hoofd met de helm rechthouden

• Het vizier openklappen

• De helmsluiting losmaken

• Eén persoon steunt de nek en de onderkaak

• De andere persoon neemt vervolgens de helm van het hoofd

• Met de halsspalkgreep wordt het hoofd vervolgens ondersteunt

7.4.5 shock

De belangrijkste oorzaak van een shock is bloedverlies. En actieve bloeding met groot bloedverlies moet je direct stoppen anders kan dit leiden tot een shock. Dit doe je door de druk uit te oefenen op de wond.

• Alarmeer 112

• Help het slachtoffer te gaan liggen

• Hou de luchtwegen vrij

• Stop de uitwendige bloedingen

• Zorg dat het slachtoffer niet onderkoeld raakt

• Controleer het bewustzijn en de ademhaling

• Warm het slachtoffer niet op

• Laat het slachtoffer niet drinken

7.4.6 rautekgreep

• Kniel achter het slachtoffer en schuif je handen onder de schouders door tot bij de oksels.

• Til het bovenlichaam omhoog en plats je knie en bovenbeen onder tegen de rug zodat het slachtoffer tegen je aanleunt.

• Schuif nu je armen verder onder de oksels door en leg een onderarm van het slachtoffer horizontaal onder de borst

• Plaats beide handen, met de duimen naar voren wijzend, over de horizontale arm en til het slachtoffer daaraan op. Sleep hem zo naar een veilige plaats en verleen daar eerste hulp.

7.4.7 uitwendige bloedingen:

Je moet het slachtoffer laten liggen en druk uitoefenen op de wond.

7.4.8 stoornissen van bewustzijn:

Om stoornissen van het bewustzijn op te heffen moet je:

• Het slachtoffer luid en duidelijk aanspreken

• Pijnprikkels toedienen als het slachtoffer niet reageert.

7.4.9 stoornissen van de ademhaling:

Dit is wat je moet doen om stoornissen van de ademhaling op te heffen:

• De ademweg vrijmaken

• Leg het slachtoffer op de rug

• Pas de kinlift toe

• Knijp de neus van het slachtoffer dicht

• Blaas je adem gedurende 2 seconden in zijn mond

• Kijk of de borstkas van het slachtoffer omhoog komt

• Adem weer opnieuw in zijn mond

Doe dit 12 keer per minuut

7.4.10 stabiele zijligging:

• Draai het hoofd opzij

• Kijk of er iets in de mond zit (kauwgom) en haal het eruit

• Maal knellende kledingstukken los

• Kniel aan de linkerzijde van het slachtoffer

• Leg de linkerarm gestrekt naar boven

• Buig de rechterknie en plaats de rechtervoet in de knieholte van het linkerbeen

• Leg de rechterarm over de borst

• Trek aan de rechterknie en leg het slachtoffer op de zijn

• Leg indien mogelijk iets onder het achterhoofd

7.4.11 borstcompressie:

Enkele aanwijzingen:

• Borstcompressie heeft voorrang tot beademing

• Als het slachtoffer rustig en bewusteloos op de grond ligt moet je hem laten liggen.

7.4.12 brandwonden:

• Als iemand in brand staat laat hem onmiddellijk gaan liggen en het vuur bij voorkeur met water uitdoven

• Brandwonden moeten onmiddellijk tenminste 10 minuten met lauw stromend water worden gekoeld

• Kleding die vast zit aan de verbrande huid moet je niet verwijderen.

• Bij tweede en derde graads verbranding is er vaak een open wond die steriel moet  worden afgedekt.

7.4.13 botbreuken en ontwrichtingen:

Om botbreuken en ontwrichtingen te behandelen moet je:

• Het gekwetste lichaamsdeel zo ondersteunen dat het niet kan bewegen.

• Het lichaamsdeel moet steun en rust krijgen in de positie waarin het slachtoffer is aangetroffen.

7.4.14 na een verkeersongeval:

Maak na een verkeersongeval altijd de rijbaan schoon. a

 

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.