Hoofdstuk 2

Beoordeling 4.2
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas havo/vwo | 1460 woorden
  • 25 januari 2015
  • 2 keer beoordeeld
  • Cijfer 4.2
  • 2 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak

De neanderthalers leefden ongeveer 150.000-30.000 v. Chr. Cro-magnon is de mensensoort waar wij vanaf stammen. 50.000 jaar geleden zijn voor het eerst mensen gevonden die waarschijnlijk ritueel zijn begraven. De cro-magnon maakten vele grottekeningen. Ze maakten grottekeningen om ideeën over te brengen, hun dromen zichtbaar te maken en een vorm van communicatie. Het was de basis van de religie.



Religie: een collectieve vorm van zingeving van het bestaan, waarbij de erkenning van een hogere macht centraal staat. Tot een religie behoort ook het overleveren van mythologische verhalen en het uitvoeren van rituelen die voor de groep een samenbindend effect hebben.



Men denkt dat bij het maken van tekeningen woorden en klanken werden gebruikt, wat uiteindelijk heeft geleid tot een gesproken taal. Het gebruik van taal maakte het mogelijk dat er mythische verhalen tot stand kwamen.



Riten worden gezien als betekenisvolle gebruiken. Van alle goden die de vroegere mens kende werd de zonnegod het meest vereerd. In Dublin liggen oeroude grafkamers. De stenen zijn zo op elkaar gestapeld dat ze tegen regenwater beschermd zijn. Vlak boven de monumentale ingang van het grafcomplex is er tussen de stenen een opening vrijgelaten. Precies 5 dagen per jaar schijnt het zonlicht door die opening in de grafkamers. Het goddelijke licht wilden ze verbinden met hun overleden ouders.



In het jaar 270 v. Chr. verklaarde keizer Aurelius de religie van Sol Invictus (de onoverwinnelijke zon) tot officiële staatsgodsdienst van Rome. De geboortedag van Sol Invictus werd gevierd op 25 december.



In 313 verklaarde keizer Constantijn het christendom tot erkende godsdienst en 25 december de geboortedag van Jezus Christus. Voor de christenen werd vanaf die tijd de zon het symbool voor Christus, het Licht de Wereld. In het oosten geloven ze dat Jezus is geboren op 6 januari.



Van tijd tot tijd waren er mensen die niet geloofden in het mythologische wereldbeeld. Vanaf ongeveer 600 v. Chr. waren het Griekse filosofen die de wereld wilden begrijpen met hun logische verstand(ratio of rede), zonder te verwijzen naar goden of religieuze tradities.



Thales van Milete (624-545 v. Chr.) wordt gezien als de eerste rationele filosoof. Hij zocht antwoorden in de natuur zelf. Hij beredeneerde dat alles uit één oerstof water moest bestaan, omdat alles wat leeft water nodig heeft.



Empedokles (490-430 v. Chr.) geloofde in vier elementen: aarde, lucht, water en vuur.



Socrates (469-399) werd niet begrepen en gewaardeerd en dus vermoord. Socrates gaf in het openbaar les. Hij stelde voortdurend vragen, waardoor je dieper ging nadenken. Hij bouwde zijn vragen in moeilijkheid op. Hij werd ervan beschuldigd de jeugd te bederven en goden te willen afschaffen door de machthebbers van Athene, die bang voor hem waren. Socrates probeerde duidelijk te maken dat de mens geen speelbal was van de goden, maar een wezen met een eigen wil en verstand die in staat is om zelf na te denken en zijn eigen richting te kiezen in het leven. Hij vond vooral waarheid en rechtvaardigheid heel belangrijk. Een mens die het antwoord op die vragen wist, zou het juiste doen in zijn leven. Volgens Socrates moet een mens zich laten leiden door de zuiverheid van zijn geweten. Hij richtte filosofische scholen op die ruimte maakten voor een wereldbeeld waarin de aarde en de natuur niet langer het speelveld waren van de goden, maar hun eigen natuurwetten kennen.



Plato (427-347) was een leerling van Socrates. Hij ging verder met het zoeken naar de essentie van de begrippen die we hanteren. Hij kwam tot de conclusie dat alle dingen in ons aardse bestaan tijdelijke afbeeldingen waren van eeuwige essenties die eraan ten grondslag liggen. Het oeridee zit opgeslagen in je hoofd. Plato noemt deze eeuwige vormen de ‘Ideeën’. Het zijn de volmaakte en goddelijke ‘modellen’ van alles wat wij zien als de stoffelijke werkelijkheid. Hij geloofde dus in een scheiding tussen lichaam en geest. Elke ziel maakt voor de geboorte deel uit van de geestelijke wereld der Ideeën, wanneer een ziel in een lichaam komt herinnert deze de volmaakte ‘Ideeën’. Het verstand kan kennis verwerven over de verschijnselen in de wereld door zich te verdiepen in deze herinneringen in de ziel. Plato kijkt omhoog.



Aristoteles (384-322) kijkt omlaag. Hij vond dat we alleen kennis kunnen verwerven over de wereld die we zintuigelijk kunnen waarnemen. Hij was de grondlegger van de moderne wetenschappen, op basis van observatie en waarneming.



Vanaf de vierde eeuw werd het christendom de heersende religie in het Romeinse rijk. Alles wat op aarde gebeurde, was Gods wil en had dus een bedoeling. De tijd werd als het ware teruggedraaid, het vrije denken mocht niet meer. Het gelovige wereldbeeld begon vanaf het begin van de zestiende eeuw langzaam te veranderen. Copernicus en Galilei hadden revolutionaire ideeën over het zonnestelsel bijvoorbeeld. De verandering kreeg een enorme boost door de filosofische stromingen van het Rationalisme en de Verlichting in de 17e en 18e eeuw.



Kant schreef het over de Verlichting het volgende: ”Verlichting is, dat de mens zijn zelfgekozen onmondigheid achter zich laat. De onmondigheid is zelf gekozen, wanneer niet het verstand tekortschiet, maar wanneer het aan moed ontbreekt om zonder leiding van een ander het verstand te gebruiken. Durf te denken! is het motto.”



Descartes (1596-1650) woonde in Nederland omdat je hier beter kon denken. Hij was ervan overtuigd dat de kerk in deze kwestie(vervolging Galilei) kortzichtig had gehandeld, en dat het geloof in God en de theorie van Galilei elkaar niet uit hoefden te sluiten. Hij vond dat de zintuigelijke waarneming soms bedrieglijk of zelfs onbetrouwbaar is. Zintuigen waren dus niet echt waar. Descartes stelt dat betrouwbare en juiste kennis gebaseerd moet zijn op absolute zekerheden. Het was goed om aan alles wat we op grond van waarnemingen denken te twijfelen. Twijfel was noodzakelijk voor kennis. Alleen door systematische twijfel kun je komen tot onbetwijfelbare zekerheden. “Ik weet dat ik twijfel”, en “Ik denk, dus ik ben”. Het empirisme geloofde in zintuigen, het rationalisme was het tegenovergestelde, zintuigen waren niet echt. Descartes wist niet of hij ook over de fysieke wereld zekerheden kon krijgen, omdat hij die zag met zijn ogen en zintuigen kon hij niet vertrouwen. Hij bewijst daarom eerst God: Hij zegt dat hij zelf sterfelijk en dus onvolmaakt is, dus er moet wel iets zijn dat wel volmaakt en eeuwig is. Het idee kon hij niet zelf bedenken, want een onvolmaakt iets kan niet iets volmaakts voortbrengen. Daarom moest het idee van volmaaktheid van God komen. Als deze volmaakte God bestaat, kan ik hem ook vertrouwen. Dat betekent dat de materiële wereld bestaat, omdat die door God geschapen is. Bovendien kunnen we over de materiële wereld betrouwbare kennis verwerven, door ons verstand(gave van God) op de juiste wijze te gebruiken.



Spinoza (1632-1676) kwam al jong tot de conclusie dat de tekst van de Bijbel ‘veel te menselijk van aard is’ om door God geschreven of geïnspireerd te zijn. Joodse geschriften waren zelfs ‘uitvindingen van de menselijke fantasie’, hij werd uit de synagoge verbannen. Spinoza verhuisde en veranderde zijn naam van Baruch naar Benedictus. Beide namen betekenen ‘de gezegende’. Spinoza concludeerde in een van zijn boeken dat de Bijbel niet aan één mens kan zijn geopenbaard, door de vele tegenstrijdigheden. Mozes zou ook niet de Thora hebben geschreven, maar vele andere schrijvers. Zijn boek werd verboden in 1674. In zijn andere boek Ethica schrijft Spinoza over zijn ideeën over het heelal en de plaats van de mens daarin. Hij gaf het eerst niet uit omdat mensen dachten dat het boek ging over het bewijzen dat God niet bestond. Hij gaf zijn vriend de opdracht het uit te geven. Spinoza vond dat wetenschappelijke kennis gebaseerd moet zijn op absoluut zekere uitgangspunten. Hij geloofde niet in Descartes’ godsbewijs, omdat we de gehele natuur en het heelal kunnen verklaren met behulp van natuurwetten en wiskundige berekeningen, dus heb je geen God meer nodig om dingen te verklaren. De bewering dat God bestaat zou dan inhouden dat God tot een andere realiteit behoort dan de realiteit van ons heelal en daar gelooft hij niet in. God is namelijk in essentie zelf het heelal, en het fysieke heelal is als het ware Gods zichtbare lichaam. Hij werd door deze uitspraak beschuldigd, omdat hij geen plaats meer zag voor een persoonlijke God(atheïst) en anderen zeiden dat hij pantheïstisch was, omdat hij stelde dat God en de natuur één zijn, God is in alles en alles is God.



Mede door Descartes en Spinoza zijn geloof en wetenschap twee naast elkaar bestaande onderzoeksterreinen geworden. Ze sluiten elkaar niet uit, maar kijken elk op hun eigen manier naar mens en wereld.




REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.