De komende twee weken zijn 'seksweken' op Scholieren.com. Samen met de Sense Infolijn geven we antwoord op al jouw seksvragen.

 


Alles over seks Alles over seks


ADVERTENTIE
Geslaagd? Doneer je verslagen We zijn heel trots op je, supergoed gedaan. Waarschijnlijk ga je Scholieren.com nu voorgoed verlaten. Wil je ons nog bedanken voor 4, 5 of 6 jaar trouwe dienst? Upload dan nu al je verslagen en samenvattingen voor de generaties scholieren die na jou strijden voor dat diploma.

Nu uploaden

Aardrijkskunde samenvatting Zuidoost-Azië in Beeld
H1 Zuidoost-Azië in kaart gebracht
§1.1 Kennismaking met Zuidoost-Azië
Grenzen aan de regio
> Om regio’s te kunnen begrenzen, worden verschillende criteria gehanteerd, staatkundige grenzen, klimaat, cultuur, inkomen etc etc. Een gebied met een bepaald kenmerk dat in principe geldt voor het gehele gebied heet een formeel gebied.
- Bij de staatkundige indeling die in het boek wordt gehanteerd bestaat Zuidoost-Azië uit: Myanmar (Birma), Thailand, Cambodja, Laos, Vietnam, Singapore, Indonesië, Maleisië, Brunei, Oost-Timor en de Filipijnen.
Fysisch-geografische criteria
> De kaart in de GB van de ecologische landschapszones is gemaakt op basis van fysisch-geografische criteria. De landen van Zuidoost-Azië liggen in de tropische zone.
- Kijkend naar het reliëf valt op dat alle landen uitgestrekte, hoge bergketens hebben. Dat heeft met de platentektoniek te maken, er komen veel vulkaanuitbarstingen voor.
- De relatieve ligging is een ander criterium, de ligging ten opzichte van andere locaties uit het oogpunt van bereikbaarheid en toegankelijkheid. De ene helft van Zuidoost-Azië ligt op het vasteland en de andere helft bestaat uit eilanden. Dat heeft zijn voor- en nadelen.
Bevolking
> De bevolkingsaantallen per land in Zuidoost-Azië verschilt enorm.
- De bevolkingsdichtheid in de regio’s is niet erg hoog, de bevolking is niet gelijk verspreid. De meeste mensen wonen in de kustvlakten, steden en de delta’s van de grote rivieren.
- Zuidoost-Azië is nooit overspoeld door immigratiegolven vanuit andere continenten. Door het reliëf was het over land moeilijk om te bereiken. Alleen via zee was de regio goed te bereiken, hier hebben de Chinezen goed gebruik van gemaakt en in Zuidoost-Azië zijn hierdoor vaak Chinatowns terug te vinden.
Welvaart
> Singapore is het welvarendste land in Zuidoost-Azië, daarna komt Brunei. De armste landen zijn Myanmar, Cambodja en Laos. Indonesië, de Filipijnen en Thailand hebben een iets hoger BNP. Bij Indonesië en de Filipijnen moet men veel rekening houden met vulkanen.
Cultuurgebieden
> Landen in een cultuurgebied hebben een aantal kenmerken met elkaar gemeen. De landen in Zuidoost-Azië hebben niet allemaal dezelfde godsdienst, eten en taal.
- Zuidoost-Azië blijkt op indeling van taal veel verschillende talen te hebben.
- De godsdienst is een belangrijk cultureel iets, het zorgt voor eenheid en conflicten in de regio. Zuidoost-Azië is een mengelmoes van islam, boeddhisme en hindoeïsme. Het Rooms-katholieke geloof speelt alleen op de Filipijnen een belangrijke rol. Het taoïsme en confucianisme spelen een rol in Maleisië, Singapore en Vietnam.
- Zuidoost-Azië is een smeltkroes van etnische bevolkingsgroepen, die hebben dezelfde taal, religie, cultuur of geschiedenis.
§1.2 Een onvoorspelbare natuur
Vulkanen en platen
> Geologisch gezien wordt Zuidoost-Azië aan de west-, zuid- en oostkant begrensd door breuken, de randen van tektonische platen. De aanwezigheid van vulkanisme en het voorkomen van aardbevingen hangen hiermee samen. De Filipijnen en Indonesië liggen aan de ‘’ring van vuur’’, een groot aantal vulkanen in de vorm van een boog rond de Grote Oceaan. De as zorgt voor een vruchtbare bodem, dat zorgt weer voor dichte bevolking rondom de vulkanen.
- In Zuidoost-Azië bewegen 4 grote platen: Indisch-Australische plaat, Euraziatische plaat, Filipijnse plaat en de Pacifische plaat.
De aarde beeft in Indonesië
> Sommige delen van Indonesië liggen op stabiele plaatstukken en hebben geen vulkanen.
- In het westelijke en zuidelijke deel van Indonesië vindt subductie plaats. De Australische plaat duikt in noordoostelijke richting onder de Sundaplaat. De beweging gaat geleidelijk en schoksgewijs, hierdoor hoopt zich soms kracht op dat op een gegeven moment vrijkomt en resulteert in een aardbeving.
- De oceanische Indisch-Australische plaat is zwaarder en duikt de diepte in. Bij deze convergente breukzone, de subductiezone, ontstaat een diepe trog. De plaat schuift schuin onder de Sundaplaat en bevindt zich onder Java. Op 150km diepte smelt het gesteente, de magma stijgt op naar het aardoppervlak en vormt vulkanen.
- Over het eiland Sumatra loopt een langgerekte transversale breukzone die is ontstaan door de druk van de verschillende platen.
- In het noordoostelijke deel van Indonesië, de miniplaatjes zoals de Bandaplaat, Timorplaat, Molukkenplaat en de Vogelkopplaat staan aan alle kanten onder druk. Daardoor ontstaan, divergente, transforme breukzones en subductiezones op korte afstand van elkaar. In dit gebied is het risico op zware aardbevingen zeer groot.
- Als gevolg van subductie kan een zeebeving ontstaan, het epicentrum ligt dan op de bodem van de oceaan. Als de zeebodem hierbij omhoog beweegt, kan er een tsunami ontstaan. De langzaam oplopende zeebodem zorgt ervoor dat de golven vertraagd worden en zo kunnen ze tientallen meters hoog worden.
Gevaarlijke vulkanen in Indonesië
- Het Tobameer is een caldera die ontstaan is als gevolg van de uitbarsting van de vulkaan Toba. Er kwam veel as vrij en wereldwijd daalde de temperatuur door het zwavelzuur dat het zonlicht blokkeerde.
- In 1883 barstte de Krakatau uit. Grote pyroclastische stromen en gesteente en as kwamen vrij. Door het instorten van het centrale deel van de caldera ontstonden er hoge golven en daardoor een tsunami. Het as zorgde voor temperatuurdaling.
- In de herfst van 2010 barstte de Merapi uit, er vielen veel doden en er kwamen veel pyroklastische stromen vrij en aswolken.
- De vulkaan Kelud met een kratermeer barstte in 1919 uit en in 2007.
Complexe subductiezones op de Filipijnen
> De Filipijnen liggen op enkele microplaten tussen twee subductiezones. De Filipijnse plaat en Euraziatische plaat oefenen aan weerzijden druk uit.
- Door de druk loopt er een 1200km lange breukzone van het noordelijke eiland Luzon naar Mindanao in het zuiden. De delen van de plaat bewegen langs elkaar, transforme breuk.
> Door de subductie ontstaan niet alleen vulkanen, maar vindt ook gebergtevorming plaats. Daarbij worden cordilla’s gevormd, langgerekte bergketens die zijn gevormd door het botsen van fragmenten aardkorst.
> Er zijn minder vulkanen op de Filipijnen dan op Indonesië.
- De Pinatubo barstte in 1991 uit en er kwamen pyroklastische stromen, as  en stukken gesteente vrij. Er ontstond een caldera.
§1.3 Natuurlijke hulpbronnen en ontwikkeling
Natuurlijke hulpbronnen in Zuidoost-Azië
- Natuurlijke hulpbronnen zijn op te delen in 3 categorieën. Er zijn ertsen, fossiele energiebronnen en de bodem water ruimte lucht en bossen.
Ertsen en fossiele brandstoffen
> Delfstoffen in een vulkanisch gebied zijn ontstaan op de volgende manier. In de mantel bevinden zich magmahaarden met vloeibare elementen die elk hun eigen stollingstemperatuur hebben. Stijgt de magmahaard op, dan wordt de temperatuur lager en zullen achtereenvolgens verschillende elementen gaan stollen. De elementen die het laatst stollen vormen ertsaders.
- Als de magmahaarden en ertsaders door subductie en gebergtevorming dichter bij het aardoppervlak komen kunnen ze gewonnen worden.
- Olie en gas worden in ondiepe zeeën gevormd en vind je op het continentale plat van Indonesië, dat is een gebied dat onder water staat.
Hulpbronnen en ontwikkeling
- Natuurlijke hulpbronnen doen het goed in de export.
- Als de winning niet goed wordt uitgevoerd kan dit negatieve effecten hebben voor het milieu.
Maleisië
> Een van de belangrijkste delfstoffen van Maleisië is tin. Door de aanleg van de mijnen verdwijnt het ecosysteem en worden de natuurlijke drainageprocessen verstoord.
- Maleisië staat nummer 8 op de ranglijst wereldproductie.
Brunei
> In 1920 vond men olie in Brunei. Nu is Brunei een rijk land met veel gratis voorzieningen en hoge inkomens.
Indonesië
> Indonesië beschikt over, bauxiet, zilver, tin, koper, nikkel, goud, olie, steenkool en gas.
- Indonesië staat zevende in de wereldproductie lijst van steenkool.
- Indonesië staat 22e op de wereldranglijst van olieproducenten. Indonesië is een belangrijke exporteur van vloeibaar gas.
- Indonesië heeft beschikking over veel natuurlijke hulpbronnen, maar het BNP per capita is niet zo hoog als in Singapore. Dit heeft mede te maken met het koloniale verleden.
§1.4 Klimaat en landbouw
Klimaat en moessons
> Vrijwel heel Zuidoost-Azië heeft een tropisch regenklimaat.
- De Filipijnen, Maleisië, Brunei, westkust Thailand, Myanmar en grootste deel van Indonesië hebben een Af-klimaat: hele jaar neerslag met meer dan 2000mm
- Een deel van Indonesië, Vietnam, Laos, Cambodja en Thailand kent wel een droge periode en heeft een savanneklimaat. Het droge seizoen wordt veroorzaakt door de moesson.
- In juli bevindt zich boven Azië een lagedrukgebied, dat ontstaat door de verwarming van het aardoppervlak. In Australië is er een hogedrukgebied. Door het drukverschil komt er een wind op gang. Door de draaiing van de aarde heeft deze wind op het zuidelijk halfrond een afwijking naar links (Wet van Buys Ballot) en vanaf de evenaar op het noordelijk halfrond een afwijking naar rechts. Omdat Australië dicht bij Indonesië ligt kan de lucht over de oceaan weinig vocht opnemen waardoor er in Indonesië een droge tijd volgt. Regio’s die verder liggen krijgen wel regen, omdat de wind veel meer vocht kan opnemen.
- In januari waaien winden die precies uit tegenovergestelde richting komen. Azië heeft een hogedrukgebied door de koude lucht. Australië een lagedrukgebied. Er ontstaan bij Thailand en Vietnam aflandige droge winden. Vanaf het vasteland van Azië is de weg over zee lang en daardoor wordt er veel vocht opgenomen. Zo bereiken vochtige aanlandige winden Indonesië en Australië en die lucht stijgt op boven het land en veroorzaakt neerslag.
Tyfoons
- De Filipijnen, Thailand, Vietnam en Myanmar hebben last van tropische stormen genaamd tyfoons. Tyfoons ontstaan in tropische gebieden boven oceanen met een zeewatertemperatuur van ten minste 27*C. Het zijn lage luchtdrukgebieden. De taifoens ontstaan aan de westkant van Noord-Amerika.
Bodems en landbouw
> In Zuidoost-Azië zijn er voor het grootste deel latosol bodems, een tropische bodem. Door de hoge temperatuur en vochtige omstandigheden zitten er veel bacteriën in de grond die snel al het dode plantenmateriaal omzetten in mineralen, die meteen worden opgenomen door de plantenwortels. Door de vele neerslag vindt er ook uitspoeling plaats. De bodemvruchtbaarheid van latosols is niet hoog.
- Bij de grote rivieren heb je bodems die gevormd zijn door rivierafzettingen. In vulkanische gebieden komen er ook veel vulkanische bodems voor. Beide bodems hebben een hoge vruchtbaarheid.
- Veel mensen vinden hun bestaan in de landbouw. Op Java, Thailand en Vietnam wordt de grond intensief gebruikt, uit deze intensieve landbouw haalt men 2-3 oogsten per jaar.
- De landbouw in Laos is nog niet goed ontwikkeld. Myanmar heeft een vruchtbare riviervlakte, maar door de militaire dictatuur en het koloniale verleden heeft het land lange tijd geen relaties met andere landen. Dit zijn voorbeelden van extensieve landbouw, landbouw waar weinig arbeid en/of kapitaal wordt ingezet.
- Door de toenemende bevolkingsdichtheden gaan boeren naar minder begaanbare gebieden om akkers te bouwen, berghellingen bijvoorbeeld.
Rubber in Thailand
> In Zuidoost-Azië vind je ook grootschalige gemechaniseerde plantages. Palmolieplantages, fruitplantages en rubberplantages.
- In Thailand wordt veel rubber en latex geproduceerd uit het sap van de rubberbomen. Thailand is de grootste wereldproducent van natuurlijke rubber. Olieprijzen stijgen, dus ook de prijs voor synthetische rubber. Dat is gunstig voor Thailand.

H2 Zuidoost-Azië: een regio in beweging
§2.1 De koloniale invloed in Zuidoost-Azië
Het verleden
> Tot de zestiende eeuw hadden het boeddhisme en het hindoeïsme grote invloed in Zuidoost-Azië. De islam begon vanaf de zestiende eeuw populair te worden in Maleisië.
De Europese invloed breidde zich over dit gebied uit vanaf de zestiende en zeventiende eeuw door het kolonialisme. Nederland bezat: Indonesische Archipel. Frankrijk: Indochina: Laos Vietnam Cambodja. Groot-Brittannië: Maleisië, Brunei Birma(Myanmar) Singapore. Spanje en
de VS: Filipijnen. Portugal: Oost-Timor. Thailand is nooit een kolonie geweest.
- De meeste landen zijn nu vier tot vijf decennia onafhankelijk, maar de koloniale invloed is nog terug te zien in de cultuur, stadsopbouw en productiesystemen.
Indochina onder invloed van de Fransen
> De Fransen bezetten tussen 1860 en 1956 Vietnam, Laos en Cambodja, ofwel Indochina. Vietnam had het grootste potentieel op economisch gebied. De Fransen brachten hulgoederen, zoals zaaimachines, stelden hun onderwijssysteem in, bouwden infrastructuur, wegen, elektriciteit en spoorwegen. De rijstproductie en de uitvoer van mijnproducten nam toe. Om nationalisme uit te bannen deelden de Fransen Vietnam op in 2 delen. Het overbevolkte onrendabele deel, het betere rendabele deel. De afhankelijkheidsrelaties ten aanzien van het Franse moederland waren groot. De Fransen buitten Vietnam uit, de export was eenzijdig en ze begonnen expres geen industrie in Vietnam.
- Vietnam werd na 1945 een politiek conflictgebied toen het noorden in handen kwam van de communisten (met steun van China en Rusland) en het zuiden in handen van westers gezinde partijen. Na 1965 ontstond een jarenlange oorlog met de VS. In 1976 werden de Amerikanen verdreven en werd Vietnam onafhankelijk.
Laos en Cambodja
> In Laos en Cambodja deden Fransen geen investeringen. De Mekong, een potentiële handelsroute naar China, was voor hen van belang. De kolonisten vroegen hoge pachten aan de arme, lokale, landbouwende bevolking. Laos werd in 1945 onafhankelijk, Cambodja in 1953.
- Cambodja heeft tussen 1975 en 1979 te lijden gehad van het regime van de Rode Khmer. Laos kreeg een deels socialistisch regime.
Engelse koloniën
> De Engelsen hadden verschillende exploitatiekoloniën. De tinindustrie in Maleisië, die in handen was van de Chinezen, groeide door Engelse kapitaalintensieve investeringen uit tot een winstgevende productietak. De rubberproductie waar veel immigranten uit India in werkten, was in opkomst. Daarom stelden de Engelsen de Maleisiërs achter bij de Chinezen en Indiërs. Veel grond werd gebruikt voor de rubberplantages; koffie- en theeplantages moesten wijken. Tijdens de Japanse bezetting werden de Maleisische moslims bevoordeeld t.o.v. de Chinezen.
- De Engelsen kregen in 1920 interesse voor Brunei vanwege de olievondsten. In 1984 werd Brunei onafhankelijk.
- Singapore had een belangrijke strategische ligging aan de straat van Malakka ten opzichte van China. In de negentiende eeuw was het een belangrijk handels- en financieel centrum. Vóór 1960 was er nauwelijks industrie en werkte 74% in de dienstensector. In 1965 werd Singapore een onafhankelijke stadstaat. De dominante cultuur was Chinees.
> Myanmar was van strategisch en commercieel belang voor de kolonisten. De landbouw, het onderwijs en de infrastructuur werden sterk uitgebreid. Het land werd onafhankelijk in 1948. Corruptie en economische instabiliteit leiden in 1960 tot een militaire coup. Het land voert een zeer geïsoleerde politiek, gebaseerd op militaire dictatuur.
De Indonesische archipel als kolonie van Nederland
> De VOC had in 1756 grote delen van het huidige Indonesië onder controle gebracht; later nam de Nederlandse regering het gezag over. Begin twintigste eeuw was de kolonie in zijn geheel veroverd.
- De kolonie werd geregeerd vanuit Batavia. De kolonisatie had een grote invloed op de economie. Het merendeel van de bevolking werkte eerst in de zelfvoorzienende landbouw aka bevolkingslandbouw. Om te concurreren met de Engelsen werd dit systeem omgegooid door de Nederlanders tot het cultuurstelsel. De Nederlandse staat had nu overal controle over. Met de winsten werden infrastructuur in Nederland aangelegd en suikerfabrieken en havens in Indonesië. Dit ging ten koste van de voedsellandbouw, met honger tot gevolg voor de bevolking.
In 1870 werd het cultuurstelsel afgeschaft en het land werd opgesteld voor buitenlandse bedrijven. Er ontstonden moderne agrarische bedrijven gericht op de export, ondernemingslandbouw. Dit vond echter plaats in delen van de landbouwsector en zorgde voor fragmentarische modernisering. Er ontstonden verschillen tussen het platteland: rurale differentiatie. Eind negentiende eeuw werd veel grond benut voor export en uitbreiding van steden. Er vond veel ontbossing plaats en grondstofwinning, onder andere olie. Indonesië zelf profiteerde er nauwelijks van. De eenzijdige exportstructuur maakte het afhankelijk van Nederland.
- Nederlanders introduceerden het Nederlands onderwijssysteem, waarvan alleen de rijken profiteerden.
- Java kende een sterke urbanisatie, het was en is een van de dichtstbevolkte gebieden op aarde.
- Tijdens de Tweede Wereldoorlog wakkerden de Japanners de onafhankelijkheidswens in Indonesië aan, dat leidde tot onafhankelijkheid in 1949. 55.000 Nederlanders keerden terug naar Nederland. Na deze oorlogstijd was de economie verwoest. Na 1950 lag de nadruk minder op ondernemingslandbouw, en meer op houtwinning en mijnbouw.
Onafhankelijk Thailand
> Thailand is nooit een kolonie geweest. Eind achttiende eeuw werd Bangkok de hoofdstad en groeide uit tot een primate city. Begin twintigste eeuw bestond meer dan 70% van de export uit rijst. Pas vanaf 1960 vond industrialisatie van betekenis plaats.
- Thailand kent een monarchie waarin de militairen veel invloed hebben.
§2.2 Zuidoost-Azië vanaf 1970: werkplaats van de wereld
Japan en de tijgers
> Het viel niet mee voor de jonge onafhankelijke staten in Zuidoost-Azië om tot economische bloei te komen. Ze hadden zich gericht op export van landbouw producten, waar lage prijzen voor werden betaald. De landen hadden een slechte infrastructuur, laag opgeleide mensen en soms ook nog interne conflicten.
- De industrialisatie van Zuidoost-Azië begon in Japan. Door hulp van de VS werd na de WOII het land wederopgebouwd. De Japanse overheid werkte samen met het bedrijfsleven om de economische en industriële sector te sturen.
- Door stijgende welvaart in Japan werden de arbeidskrachten daar te duur. De multinationals verplaatsen de arbeidsintensieve takken naar omliggende landen met lagere lonen: Zuid-Korea, Taiwan, Hongkong en Singapore. De staat zorgde voor een goed ondernemingsklimaat. Door de snelle economische opkomst worden ze de Aziatische Tijgers genoemd en behoren tot de NIC’s, de Newly Idustrializing Countries.
Koploper Singapore in Zuidoost-Azië
> Singapore, een van de 4 Aziatische Tijgers en NIC’s is het welvarendste land van deze regio. De sterke handelspositie werd versterkt door de komst van de multinationals. Er is veel import en distributie van olie, consumptie- en kapitaalgoederen. Die worden eerst bewerkt voordat ze doorgevoerd worden naar de andere landen van de regio. Toen in 1980 de lonen te hoog werden verplaatsen de multinationals zich weer, naar Thailand, Indonesië en Maleisië. Singapore legde zich met de toegenomen welvaart toe op kennisintensieve industrieën. Singapore richtte zich op Research en Developement met hoge kapitaalsintensiteit en wil een Total Business Centre worden met een belangrijke regionale en mondiale rol.
De tweede generatie tijgers
> Door de komst van de multinationals in Thailand, Indonesië en Maleisië, tweede generatie NIC’s. Amerika en Japan investeerden veel in Thailand. De export van natuurlijke hulpbronnen bleef van groot belang in Thailand. De export van natuurlijke hulpbronnen leverde in de drie landen vaak ruilvoetverslechtering op, afgezien van olie- en gasexport. Na een prijsdaling van de olie en gas moest het roer echter wel om. Na de fase van importsubstitutie (maken van laagwaardige producten die anders ingevoerd moesten worden) legden de landen zich toe op exportgeoriënteerde industrieën, zoals textiel, computers, ICT en elektronica. De bedrijfstakken met lage lonen en een hoge arbeidsintensiteit werden verplaatst naar lage lonen landen zoals Vietnam en China, omdat de lonen in Maleisië ook weer te hoog werden. De footloose industrieën (vaak bedrijven met een hoge arbeidsintensiteit) kunnen zich makkelijk verplaatsen zonder veel kapitaalverlies. Maleisië legde zich toe op exportproducten van een hoogwaardige kwaliteit. Dit proces vindt nu ook in Thailand plaats. In de verschillende landen zie je verschillen tussen de rijkere industriegebieden en achtergebleven plattelandsgebieden: regionale differentiatie.
Rol van de overheid
- In de eerste generatie NIC’s bemoeide de overheid zich met de directe investeringen in industrieën. Bij de tweede generatie NIC’s was dat minder. Veel kapitaal uit het buitenland werd geïnvesteerd in onroerend goed, een kwetsbare sector. In 1997 ontstond de Azië-crisis die leidde tot de ineenstorting van de onroerendgoedmarkt. Thailand heeft zich daarvan goed hersteld. Indonesië had meer en langer te lijden.
Vietnam en de Filipijnen
> De Filipijnen hadden in 1960 industrieel gezien een voorsprong, maar kenden daarna door corruptie en politieke instabiliteit een teruggang in de economie. Pas na 1987 was er weer economische groei, vooral door de elektronica- en textielindustrie.
- Vietnam kent sinds 2005 een sterke economische groei dankzij de lage lonen. Het land werd minder hard getroffen door de Azië-crisis, omdat het land minder opgenomen was in het mondiale systeem. Er vindt een verandering plaats van een agrarische maatschappij nar industriële economie. Ook dit land produceert veel elektronica en textiel. Er is een regionale differentiatie ontstaan, waarbij het noorden achterblijft ten opzichte van het midden en zuiden. Vietnam is een socialistische staat met één partij, maar er is ruimte voor vrije ondernemingen.
De groep met een economische achterstand
> Laos, Cambodja en Myanmar liggen, economisch gezien, achter.
- Myanmar heeft te maken met een gesloten economie, dit komt door een brute en onderdrukkende politiek. Er is grote politieke onstabiliteit wat de economische groei verhindert. Ook is Myanmar in 2008 zwaar getroffen door een tropische orkaan.
- Cambodja herstelt van het regime van de Rode Khmer, maar is nog afhankelijk van buitenlandse hulp. Maar sinds 2006 groeit de textielindustrie en daarmee de export. Er is olie gevonden, maar dit wordt nog niet geëxploiteerd.
- Een van de armste landen is Laos. Laos is landlocked (geen vrije toegang tot zee) en heeft weinig infrastructuur. Er is een duale economie: enerzijds het achtergebleven platteland en een grote informele sector(daar vinden activiteiten plaats die niet officieel geregistreerd zijn) waar 50% van de mensen onder de armoedegrens leeft, anderzijds de wat welvarender hoofdstad Vientiane. Dit leidt tot ruraal-urbane migratie en een grote informele sector.
De financiële crisis vanaf 2008
> De jongste financiële crisis vanaf 2008 heeft gevolgen voor deze regio. Afhankelijk van de verwevenheid met de mondiale economie, globalisering, was de economische groei korte tijd wat lager. Sinds 2010 is het herstel voorspoedig.
Relatieve voordelen
> Industrieën verplaatsen zich door de globalisering naar een land met de beste comparatieve voordelen. Daarbij gaat het om de beschikbaarheid van relevante productiefactoren zoals goedkope arbeid, technologische kennis, een goede relatieve ligging, bereikbaarheid en politieke stabiliteit. Regio’s kunnen zo hun sterke kanten presenteren.
Vliegende ganzen of een technologische ladder?
> Het model voor de ontwikkeling van de economie in Azië wordt wel vergeleken met een vlucht ganzen: trapsgewijs, van een land met laagontwikkelde arbeidsintensieve exportindustrieën, tot een land met hoog ontwikkelde kapitaalsintensieve industrieën.
- Een beter model lijkt de Technologische Ladder Hypothese: niet de totale productiekolommen verplaatsen zich, maar alleen onderdelen van de productie, outsourcen. Arbeidsintensieve textielfabrieken gaan naar lage lonen landen, maar Research en Development in de kledingindustrie blijft in landen met technologische kennis.

§2.3 Verder inzoomen op Zuidoost-Azië
Primaire en tertiaire sector
> Vanwege de industriële ontwikkelingen is de aandacht in veel landen van Zuidoost-Azië verschoven van de primaire sector(onttrekken van producten uit natuur) naar de secundaire sector(industrie). Afhankelijk van het land is overal, in meerdere of mindere mate, sprake van de-agrarisatie of van agrarische transitie. De toename in de industriële sector leidt tot meer vanen in de tertiaire sector(dienstverlening). Er bestaan echter grote verschillen tussen de landen (Laos: > 80% in de landbouw werkzaam; Maleisië slechts 13%).
- Binnen de landbouwsector zijn grote verschillen in type werk. Op het platteland wordt het meest verdiend in de commerciële landbouw en exportgeoriënteerde landbouw. Daartegenover staat de uiterst arbeidsintensieve rijsteelt op bevloeide terrasakkertjes.
- De bijdrage aan het BBP van de primaire sector staat in geen verhouding tot het aantal mensen dat erin werkzaam is. De relatief kleine aantallen grote bedrijven leveren de hoogste bijdrage aan het BBP. Soms is toegang tot mondiale en nationale markten gering door de geïsoleerde ligging. Dit houdt de zelfvoorziening in stand, bijvoorbeeld in Laos, Myanmar en Cambodja.
> De verdeling in beroepsbevolking in een land hangt samen met de rangorde van de VN-Ontwikkelingsindex, aka Human Development Index aka Index Menselijke Ontwikkeling. De index meet alfabetiseringsgraad, BBP per persoon en levensverwachting, 0.5 is laag 0.8 is hoog.
Stedelijke magneten
> Dankzij de economische vooruitgang is er een grote urbanisatie. Pushfactoren zoals gebrek aan werk en pullfactoren, zoals scholingsmogelijkheden en werk en voorzieningen, vormen een grote aantrekkingskracht voor vele mensen. Vele migranten komen in krottenwijken terecht. Een aantal heeft een baan in de laagwaardige industrie zoals textiel en assemblage. De moderne hightech-industrie vind je in science-parken die samenwerken met universiteiten, vooral in Maleisië en Singapore.
- De economische vooruitgang leidt tot een hoog urbanisatietempo. Mensen trekken vooral naar de hoofdsteden (bijvoorbeeld megastad Bangkok). Het versterkt de regionale verschillen in een land. Er zijn uit hun voegen gegroeide primate cities ontstaan, behalve in Maleisië dat een hogere urbanisatiegraad met meerdere grote steden kent.
- Binnen de steden ontstaan tweedelingen op economisch en sociaal gebied. Naast de groep die goede banen in de formele sector krijgt en een toenemende welvaart ervaart, moeten veel migranten van het platteland zien te overleven in de sloppenwijken en de informele sector.
- De trek naar de stad zal doorgaan. In 2025 zal in Indonesië 60% van de bevolking in de steden leven; in Maleisië 73%.
Een jonge bevolking
> Het hoge percentage jongeren is een probleem voor economische ontwikkeling. Ook al daalt het geboortecijfer: de bevolking is nog jong.
- De demografische druk is het hoogst in Laos en Oost-Timor, de Filipijnen en Cambodja. In Thailand en Singapore is juist sprake van ontgroening, die op termijn zal omslaan in vergrijzing. Maleisië heeft, ondanks zijn hoge welvaart, een hoog geboortecijfer. Dit is te verklaren vanuit de islamitische achtergrond én het regeringsbeleid om de bevolking te verdubbelen. Binnen het demografisch transitiemodel nemen de verschillende landen dus uiteenlopende posities in.
Gevolgen van de globalisering
> Globalisering heeft voorspoed gebracht en economische groei. Singapore behoort nu tot de centrumlanden. Er zijn ook nadelen. Jongeren ervaren het controlerende klimaat in Singapore als benauwend. Soms worden de arbeidsomstandigheden in landen uit het oog verloren in het streven naar winst. Soms heeft het milieubeleid geen hoge prioriteit. Dit leidt tot bodemuitputting en vervuiling. Wanneer multinationals dit veroorzaken, wordt dit een vorm genoemd van neokolonialisme.
Tenslotte leidt de groei vaak tot een regionale differentiatie tussen stad en platteland en tussen kustlocaties en binnenland.

H3 Wedstrijd tussen wereldregio’s
§3.1 Zuidoost-Azië en buitenlandse handel
Handelsstromen breiden zich uit
- De belangrijkste handelsstromen op de wereld lopen nog steeds via de landen van de triade, Noord-Amerika, EU en Japan. De landen van Zuidoost-Azië behoren tot de ASEAN, een economisch samenwerkingsverband. Vroeger was de ASEAN niet zo sterk, maar tegenwoordig vormt de ASEAN een belangrijk handelsblok. De welvaartsgroei in de wereld zorgde voor een grote afzetmarkt voor consumptiegoederen. Door de technologische vooruitgang en de globalisering wordt de wereld steeds kleiner. Veel productie-eenheden van multinationals zijn footloose en worden steeds verplaatst naar de laagste lonenlanden. Er heeft verschuiving plaatsgevonden van de weerszijden van de Atlantische Oceaan naar het gebied rond de Stille Oceaan, de Pacific Rim. Deze verschuiving heet global shift.
Handelspartners
> De handelsbalans maakt deel uit van de betalingsbalans van een land. Aan de ontvangsten kant staat de export, aan de uitgaven kant de import. Export hoger dan import: actieve handelsbalans. Import groter dan export: passieve handelsbalans.
- De ASEAN regio is sterk verbonden met de wereldeconomie, driekwart van de import en exportmarkt is gericht op landen buiten de ASEAN zelf. Japan en China zijn de belangrijkste afnemers. De handelsbalans met de meeste partners is actief, alleen die met Japan en China is passief.
- De openheid van de Zuidoost-Aziatische economie valt ook af te lezen uit de samenstelling van het exportpakket. In Zuidoost-Azië heeft de eenzijdig gerichte export plaatsgemaakt voor een breder exportpakket, zoals elektronica en machines.
Belang van invoer en uitvoer per land
> Om het belang van de invoer en uitvoer voor een land te meten, berekent men vaak de importwaarde en exportwaarde als percentage van het bruto nationaal product BNP.
- Het aandeel van de waarde van de buitenlandse handel in de hele ASEAN is 102%, dat betekent dat de totale waarde van import en export 2% hoger is dan de waarde van alle geproduceerde goederen in de hele ASEAN zelf. De hoogte van het nationale inkomen gaat niet altijd samen met een hogere mate van externe gerichtheid, de mate waarin de economie gericht is op het buitenland.
- De keuze voor exportoriëntatie gaat vaak samen met het bevorderen van exportvalorisatie, dat wil zeggen dat een ruwe grondstof industrieel wordt bewerkt om het product daarna te exporteren. Deze aanpak biedt voordelen: Een land ontvangst meer inkomsten, de bewerking van de grondstoffen levert werkgelegenheid op.
Buitenlandse investeringen
> Voor de opbouw van een mondiaal gerichte economie hebben de ASEAN landen veel geld nodig, daarbij spelen directe buitenlandse investeringen DBI, foreign direct investments FDI, een belangrijke rol. Men spreekt van DBI als geld wordt gestoken in de productiesectoren van een ander land, door bijvoorbeeld fusies of overnames.
- De omvang van DBI groeide eind twintigste eeuw, maar stagneerde door de Azië-crisis.
- De belangrijkste investeerder in 2009 was de EU, vervolgens intra ASEAN, Japan en VS. De investeringen kunnen jaarlijks sterk schommelen.
- Investeerders buiten de ASEAN zoeken veilige bestemmingen met hoog rendement. Singapore scoort dan het hoogst.
Aantrekkelijke investeringsgebieden
> De investeringen van het buitenland worden vaak binnengehaald door het scheppen van aantrekkelijke voorwaarden in speciaal aangewezen gebieden voor de multinationals.
- Een groot deel van de goederen wordt in elkaar gezet in export processing zones EPZ. Daar zijn gunstigere vestigingsvoorwaarden. Hoewel een land hierdoor belastinginkomsten mist ontstaat er wel werkgelegenheid. Hiervan profiteert de overheid, dankzij belastinginkomsten over arbeid en toegevoegde waarde. Meestal zijn er ook havens en een vliegveld dichtbij om personen en goederen te kunnen vervoeren.
- Voordelen zullen per land verschillen. Zo ontstaan clusters van bedrijvigheid.
- Soms wordt een vrij groot gebied aangewezen als speciale economische zone SEZ, voor investeringen in de industrie en dienstsector. In dit soort zones wordt vrijhandel gestimuleerd.
- Sommige gebieden zijn zelfs grensoverschrijdend: voorbeeld SEZ in Indonesië bij eiland Riau, en Singapore. Sindsdien vindt er een enorme economische groei in dat gebied plaats.
Stedelijke netwerken
> Er ontstaan op deze manier steeds meer grensoverschrijdende productieregio’s. De samenwerking tussen Indonesië en Singapore strekt zich nu ook uit tot Maleisië: de Singapore-Johor-Batam groeidriehoek. Een ander voorbeeld van een groeidriehoek is de Greater South China Economic Zone, binnen deze zones liggen twee grote stedelijke netwerken, in dit type netwerk hebben de steden sterke economische en culturele banden.
- Toch is er tussen veel landen nog weinig onderling contact vanwege de slechte infrastructuur (o.a. bergachtig landschap), verschillen in politieke systemen en een gebrek aan complementariteit.
De keerzijde
> Soms gaat een land erg ver om buitenlandse investeringen binnen te halen. De multinationals eisen dat er geen sociale onrust is, daarom wordt in sommige zone de arbeidswetgeving versoepeld. Dit resulteert in: slechte werkomstandigheden, veel uren draaien, geen lid van vakbond, zeer lage lonen.
- Al deze negatieve ontwikkelingen zijn een vorm van ruimtelijke afwenteling, het afschuiven van nadelige milieueffecten van menselijk handelen op andere gebieden. Het is makkelijk om in de producerende landen minder eisen te stellen, terwijl er in het westen wel veel eisen aan worden gesteld.
- Voorbeeld: afvalexport elektronica. Per jaar wordt 100 miljoen ton aan giftig afval geproduceerd. Een deel daarvan is giftig elektronica afval dat naar andere landen wordt getransporteerd (ondanks internationale wetgeving). Soms gebeurt dit ook illegaal. De verwerking gebeurt vervolgens niet op de goede manier.
§3.2 Voor- en nadelen van internationale contacten
Werken over de grens
u De ontwikkeling in de periferie blijft achter bij de kerngebieden, hetgeen leidt tot een grote binnenlandse en internationale arbeidsmigratie.

De samenvatting gaat verder na deze boodschap.

Verder lezen

˜ Regeringen stimuleren gastarbeid omdat het een deviezenstroom oplevert, de werkloosheid vermindert en arbeiders krijgen in het buitenland werkervaring en scholing. Bilaterale afspraken regelen de gastarbeid.

˜ In Zuidoost-Azië zijn veel illegale gastarbeiders (30 tot 40%).

Honger naar arbeidskrachten in Singapore
u Vlak na de onafhankelijkheid was het als laaggeschoolden bijna onmogelijk Singapore binnen te komen. Met de exportgerichtheid van de industrie zijn de regels verruimd. Er zijn nu veel immigranten in Singapore, eerst vooral afkomstig uit China. Later kwamen juist veel ongeschoolden uit Sri Lanka, India, Filipijnen en Thailand voor werk in bouw, huishouden en laagwaardige industrie.

˜ Ruim 34% van de beroepsbevolking bestaat nu uit buitenlanders (driekwart laaggeschoold). De goed opgeleide bevolking in Singapore wil geen laaggeschoold werk doen. De buitenlandse migranten krijgen tijdelijke verblijfsvergunningen. Men probeert ook de stroom hooggeschoolden op gang te houden.

˜ Veel studenten uit Singapore willen de stadstaat verlaten; ze zijn op zoek naar uitdaging en minder strenge regels.

Indonesiërs, ver van huis …
u Gastarbeid is van groot belang voor Indonesië. De migrantenstroom, vooral ongeschoolde vrouwen en meisjes, verschuift van het Midden-Oosten naar de jonge tijgerlanden. Veel van de migranten werken zonder officiële registratie.

˜ De omvang van illegale gastarbeid, vooral naar Saoedi-Arabië en Maleisië, is groot.

˜ Een groot deel van de verdiensten van gastarbeid wordt naar familie in Indonesië gestuurd. Zo wordt de regionale economie gestimuleerd en wordt de werkloosheid daar minder. De slecht betaalde banen in het huishouden zijn zwaar. Soms worden vrouwen misbruikt. Sommigen plegen uit wanhoop zelfmoord.

˜ Vaak komen migranten uit één gebied: bij slechte economische omstandigheden trekken nog meer migranten uit een gebiedje weg naar het nieuwe land en gaan bij elkaar wonen.

˜ Veel kiezen voor de illegaliteit, vanwege de papieren rompslomp. Soms blijft men in het nieuwe land achter met een toeristenpas en gaat dan daar aan het werk.

Arbeidsmigratie in en om Thailand
u Het aantal Thaise laaggeschoolde gastarbeiders is met de toenemende welvaart afgenomen. Het aantal laaggeschoolde gastarbeiders uit landen met minder ontwikkelde economieën (Laos, Myanmar, Cambodja) in Thailand is juist toegenomen. Ook hier komen veel (negen keer zo veel) illegale arbeiders voor.

˜ Het niveau van het werk van de gastarbeiders is laag. Vrouwen en kinderen vormen de meest kwetsbare groep. Medische zorg ontbreekt en werkomstandigheden zijn soms gevaarlijk. Daarnaast komt (seksueel) geweld voor.

Witte stranden en Aziatische gastvrijheid
u Zuidoost-Azië is een belangrijk vakantiegebied aan het worden; de toeristische sector groeit hard, door de gunstige dollarkoers, de komst van low cost carriers en de vereenvoudigde grensafwikkelingen.

˜ Wereldwijd reist een vijfde deel van alle toeristen naar Azië, waarbij China de meeste toeristen trekt. Thailand, Indonesië en Maleisië zijn binnen Zuidoost-Azië de grootste trekpleisters.

˜ Voor Nederlanders is Thailand met zijn stranden en exotische cultuur de belangrijkste bestemming. Thailand ontvangt veel deviezen en stimuleert de toeristensector. Door de crisis in 2008 en onlusten in 2009 in het land nam het aantal toeristen wat af.

˜ In Cambodja is het toerisme de snelst groeiende economische tak. Belemmering is de gebrekkige infrastructuur.

˜ Laos kent geen massatoerisme. De regering wil de sector wel stimuleren: natuur en cultuur voor het hogere segment van groepsreizen.

˜ Maleisië heeft vooral toeristen uit de regio die relatief weinig geld uitgeven (toeristen uit buurlanden). Het land wil meer inzetten op kapitaalkrachtige toeristen uit EU en VS.

˜ Eén specifiek deel van de toeristische sector doet het steeds beter: het gezondheidstoerisme: voor schoonheidsbehandelingen bijvoorbeeld.

Voor- en nadelen van toerisme
u Wanneer je niet veel natuurlijke hulpbronnen hebt, is de toeristensector een manier om buitenlandse deviezen binnen te halen.

˜ De schaduwzijde is dat het toerisme voor flinke milieuproblemen zorgt zoals de aantasting van kwetsbare natuur en van de waterhuishouding. Bergen, bossen en kusten worden aangetast. Het watergebruik is vele malen hoger dan dat van de lokale bevolking.

˜ De regeringen promoten duurzaam toerisme, maar dit toerisme leidt niet altijd tot verbetering van de levensstandaard van de bevolking. De winsten gaan naar de grote ondernemers en de reisorganisaties.

Leidt globalisering tot meer democratie?
u De regel ‘naarmate een land een meer politieke en democratische stabiliteit kent, er meer buitenlandse investeerders zijn’ gaat niet altijd op.

˜ Myanmar laat nog weinig buitenlandse bedrijven toe door de gesloten economie. Er treedt nu wat verandering in.

˜ Laos wil deels vasthouden aan zijn socialistische politiek. Vrije verkiezingen zijn nog niet mogelijk. Er mag wel over dit soort dingen gepraat worden.

˜ Thailand leek een stabiel land. De militairen zijn koningsgezind. Er vinden regelmatig (vreedzame) staatsgrepen plaats. Er is nu een strijd tussen de koningsgezinde middenklasse rondom Bangkok en de plattelanders in het arme noorden en oosten. Dit heeft invloed op bijvoorbeeld investeerders en toeristen.

˜ De Filipijnen volgen tegenwoordig een wat liberalere politiek met als gevolg meer buitenlandse investeerders.

˜ Singapore blijft een autoritair geregeerde staat. Veel buitenlandse investeerders. Maar veel controle. Geen corruptie.

§3.3 Zuid-Azië
Fysische en politieke kenmerken
u Drie fysische geografische gebieden in Zuid-Azië.

˜ Noorden: lange bergketens van de Himalaya met droogte in het oosten en vochtiger gebieden in het westen.

˜ Ten zuiden van de bergen: de grote laaggelegen riviervlakten van de Indus en Ganges.

˜ Zuidelijke plateaus met moessonklimaat en hoge bevolkingsdichtheden.

u Afgezien van Nepal zijn alle landen kolonie geweest van Groot-Brittannië. India is de grootste democratie op aarde (qua inwoners): federale republiek.

Sociaal-culturele kenmerken
u Het gebied wordt overheerst door één groot land: India (1,2 miljard mensen). Door het hoge geboortecijfer passeert India in 2030 China qua bevolkingsaantal.

˜ De meeste mensen wonen op platteland. Het urbanisatietempo is zeer hoog. Er zijn vele miljoenensteden als Mumbai en Karachi en Delhi. Er is veel armoede en analfabetisme door gebrek aan scholing en werk.

˜ De meeste mensen wonen op platteland. Het urbanisatietempo is zeer hoog. Er zijn vele miljoenensteden als Mumbai en Karachi en Delhi. Er is veel armoede en analfabetisme door gebrek aan scholing en werk.

˜ Urbanisatie is in Mumbai zeer hoog sinds 1950. Veel mensen komen in slums terecht. Zeer grote verschillen tussen de armen en rijken in de stad.

˜ Qua etniciteit en godsdienst is het geen homogene regio. In India vind je het hindoeïsme, maar ook islam en christendom en boeddhisme. In Pakistan overheerst de islam. Daar vind je veel geweldsconflicten tussen aanhangers van verschillende godsdiensten. Ook in andere landen vind je een lappendeken aan volken van wie het leefgebied niet samenvalt met staatsgrenzen.

Economische kenmerken
u Het BNP is sterk gestegen. Verschillen tussen landen zijn minder groot dan bij Zuidoost-Azië.

˜ Groot deel van beroepsbevolking werkt nog in landbouw.

˜ Uitbreiding landbouwareaal door bevolkingsgroei ging ten koste van ecologisch belangrijke bosgebieden. Er zullen nu steeds meer marginale gronden in gebruik worden genomen. Er is een ondeugdelijk pachtstelsel. En traditionele landbouwvormen zullen verloren gaan. De oppervlakte landbouwgrond per inwoner neemt snel af.

Voorbeeld India
u De industriële productie groeit. Het aandeel van de buitenlandse handel in het BNP neemt toe. De handel met China neemt toe. Er wordt veel software geëxporteerd: sterke groei IT-sector (kennisintensieve industrieën in met name Bangalore). Een groep van koopkrachtige nieuwe rijken met consumptieve uitgavenpatronen is groeiende. Pluspunt: veel Indiërs zijn westers georiënteerd.

˜ India is lid van de SAARC: groep van acht Zuid-Aziatische landen (met 1,5 miljard mensen) die zich economisch en politiek hebben georganiseerd.

Problemen
˜ India zou de uitvoer meer moeten diversifiëren.

˜ Grondstofprijzen en prijzen van energiebronnen stijgen door krapte op de wereldmarkt. Dit leidt tot maatschappelijke onrust door stijgende voedselprijzen en energie.

˜ Er is onvoldoende capaciteit op de wegen en spoorlijnen.

˜ Er is een toenemende kloof tussen arm en rijk. De overheid zorgt onvoldoende voor de armen. Kastelozen worden gediscrimineerd. Door hogere economische groei hoopt de regering op meer investeringsmogelijkheden voor sociale uitgaven. Of dit gaat gebeuren is afwachten.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Rozemarijn

Rozemarijn

Dankjewel!

2 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

P.

P.

goedgedaan

4 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast