Lesuitval, een mondkapjesplicht, onzekerheid over de eindexamens... Wij zijn benieuwd hoe jij met de coronacrisis omgaat en wat jij vindt van de maatregelen. Doe mee met ons corona-onderzoek! 😷🦠🏫 We zoeken nog extra jongens!

Doe mee


ADVERTENTIE
1500 euro winnen met je pws of sectorwerkstuk?

Check de online masterclasses van het Rijksmuseum waarin experts hun kennis en tips delen, zodat jij tot een goed onderwerp komt. En wist je dat je mee kunt doen aan de Rijksmuseum Junior Fellowship wedstrijd? Je maakt dan met jouw pws of sectorwerkstuk kans op 1500 euro en een traineeship!

H1 Zuidoost-Azië: een eenheid of een verbrokkeld geheel?

Paragraaf 1: Kennismaken met de macroregio

Natuurlijk milieu:

  • Veel ertsen.
  • Moesson.
  • Veel natuurrampen en landdegradatie.

Cultuur:

  • (Grotendeels) begrenzing van belangrijkste etnische groepen door huidige politieke staten.
  • Chinese gemeenschappen vooral in steden.
  • Meeste etnische minderheden in perifere gebieden.

Economie:

  • Alle landen (behalve Thailand) waren voor 1960 gekolonialiseerd.
  • Globalisering heeft na 1960 voor snelle industriële groei gezorgd. Hierdoor verschoof het economisch zwaartepunt in de wereld (global shift).
  • Gesloten economie: Vietnam, Cambodja, Laos, Myanmar.
  • Open economie: Singapore, Brunei, Thailand, Maleisië, Indonesië, Oost-Timor, Filipijnen.

Politiek:

  • De landen in Zuidoost-Azië vormen een politieke eenheid in de ASEAN.

Paragraaf 2: Het koloniale verleden: de uitgangssituatie voor globalisering

Kolonisatie:

  • Voor kolonisatie en tijdens handelskolonialisme (1500-1850) waren de landen allemaal koninkrijken.
  • Tijdens exploitatiekolonialisme (1850-1950) bleef alleen Thailand onafhankelijk.

Indonesië:

  • Kolonisator: Nederland.
  • Exploitatiekolonialisme ( tot 1945/1947): grondstoffen leveren, en afzetmarkt voor Nederlandse industrieproducten.

Maleisië:

  • Kolonisator: Groot Brittannië.
  • Exploitatiekolonialisme (tot 1957): tin, rubber en palmolie.

Birma:

  • Kolonisator: Groot Brittannië.
  • Exploitatiekolonialisme (tot 1948): rijstteelt, bosbouw, aardolie.
  • Militaire dictatuur: 1962.

Singapore:

  • Kolonisator: Groot Brittannië.
  • Exploitatiekolonialisme (tot 1959).

Brunei:

  • Kolonisator: Groot Brittannië.
  • Protectoraat (tot 1984).

Laos, Cambodja, Vietnam:

  • Kolonisator: Frankrijk.
  • Protectoraat: goedkope grondstoffen, afzetmarkt voor Franse industrieproducten.

Oost-Timor:

  • Kolonisator: Portugal.
  • Exploitatiekolonialisme (tot 1975).

Thailand:

  • Kon onafhankelijkheid behouden door land af te staan aan koloniale machten.

Paragraaf 3: Globalisering in de economische dimensie

Agrarische sector:

  • Door initiatieven van het WTO is de wereldhandel in landbouwproducten steeds vrijer en belangrijker geworden, maar er is hierdoor wel sprake van ruilvoetverslechtering.
  • Vooral in de landen met een open economie is er sprake van een agrarische zelfvoorzienende monocultuur (rijst).
  • Vooral in de landen met een open economie is er sprake van deagrarisatie.
  • Groene Revolutie (HYV): betere rijstopbrengst per hectare.

Drie soorten landbouw:

  • Traditionele zwerflandbouw: extensief & zelfvoorzienend. Stukken bos ontginnen (brand), bodem raakt uitgeput.
  • Traditionele permanente landbouw: intensief & zelfvoorzienend.
  • Plantagegewassen: intensief & voor export. Grote plantages & smallholders (monocultuur).

 Industriële sector:

  • 1950-1960: wederopbouw van de Japanse industrie na WO II & begin importvervangende industrialisatie in enkele landen.
  • 1960-1980: eerste generatie NIC’s (Singapore, Hongkong, Taiwan, Zuid-Korea). Comparatief voordeel: lage lonen. Exportgeoriënteerde industrialisatie.
  • 1980-1996: eerste generatie NIC’s: kapitaalintensieve producten. Tweede generatie NIC’s (Maleisië, Thailand, Filipijnen, Indonesië).
  • 1997-1998: Aziatische beurscrisis.
  • 1998-heden: Japan vormt industrie om, verplaats productie naar oa Indonesië en Vietnam.

Importvervangende industrialisatie (geen succes):

  • Gebrek aan kapitaal.
  • Binnenlandse markt te klein.
  • Door hoge invoerheffingen kregen binnenlandse bedrijven een monopoliepositie.
  • Men wilde de snelle economische groei van op export georiënteerde landen navolgen (bv. Japan en Zuid-Korea).

Exportgeoriënteerde industrialisatie (wel succes):

  • Footloose MNO’s zoeken gunstige vestigingsplek en afzetmarkt. Nevenvestigingen & subcontracting.
  • Exportprocessingszones

Singapore:

  • Koploper.
  • 75% van BBP in dienstensector.
  • Financiële sector, havenactiviteiten, toerisme.

Dienstensector:

  • Vooral in steden
  • Beperkt in landen met gesloten economie.
  • Toerisme: Maleisië, Thailand, Singapore(, Vietnam, Indonesië).

Voordelen toerisme:

  • Levert veel harde buitenlandse valuta op.
  • Levert veel directe en indirecte werkgelegenheid op.
  • Biedt mogelijkheden om cultuurschatten te beschermen en te restaureren.
  • Ondersteund kleine traditionele ambachtelijke bedrijven.

Nadelen toerisme:

  • Afhankelijkheid van internationaal toerisme.
  • Toeristen bedreigen de cultuur door het niet kennen van heersende normen en waarden.
  • Toeristen vragen om dure luxeproducten die vanuit het buitenland moeten worden ingevoerd.

Informele sector:

  • De armoede wordt hier over steeds meer mensen verdeeld (shared poverty).

Paragraaf 4: Globalisering in de sociaal-culturele dimensie

Demografie:

  • Demografische transitie.
  • Voor 1950: pretransitiefase, hoge geboorte & sterfte.
  • Na 1970: transitiefase, hoge geboorte & dalende sterfte.
  • Vanaf 1990: posttransitiefase in landen met open economie, lage geboorte & sterfte. Dit gaat langzamer bij landen met gesloten economie.
  • Sociaal-culturele en sociaal-politieke factoren beïnvloeden geboortecijfer.
  • Indonesië & Thailand: family planning (overheid)
  • Door hoge geboortecijfers van voor 1990, veel jongeren en weinig ouderen.

Urbanisatie:

  • Groei stedelijke bevolking door natuurlijk groei.
  • Groei stedelijke bevolking door urbanisatie.
  • Ontstaan megasteden.
  • Overurbanisatie: bevolking groeit sneller dan bestaansmogelijkheden.

Arbeidsmigratie:

  • Arbeidsimmigranten sturen geld terug naar familie in Zuidoost-Azië.
  • Illegale (moderne) slavenhandel. (Vooral kinderen en vrouwen.)

Paragraaf 5: Globalisering in de politieke dimensie

Factoren die zorgen voor politieke instabiliteit:

  • Verscheidenheid aan etnische volken.
  • Godsdienstverschillen.
  • Welvaartsverschillen.
  • Isolatie door ontoegankelijke bergachtige opbouw en eilandenkarakter.

Nationbuilding:

  • Communisme
  • Autocratische regimes

Samenwerking:

  • ASEAN (1967): stimuleren vrede en stabiliteit & economische groei en sociaal-culturele ontwikkeling bevorderen.
  • AFTA (1992): vrijhandelsovereenkomst
  • Zuidoost-Aziatische Unie: toekomstplan, vergelijkbaar met EU.

 

Paragraaf 6: Wordt Zuidoost-Azië een soort Europa?

Positie in de wereld:

  • Opgeschoven van periferie naar semiperiferie (global shift).

Verschillen in ontwikkelingsgraad:

  • BNP.
  • Armoede.
  • HDI
  • Kopgroep: Singapore en Brunei. Middengroep: Maleisië, Thailand, Filipijnen en Indonesië. Ondergroep: Cambodja, Laos, Myanmar, Oost-Timor.

De samenvatting gaat verder na deze boodschap.

Verder lezen

Verschillen in ontwikkelingsgraad:

  • BNP.
  • Armoede.
  • HDI
  • Kopgroep: Singapore en Brunei. Middengroep: Maleisië, Thailand, Filipijnen en Indonesië. Ondergroep: Cambodja, Laos, Myanmar, Oost-Timor.

H2 Belangrijke actuele vraagstukken

Paragraaf 1: Het tropisch regenwoud als bedreigde natuurlijke hulpbron

Vier functies tropisch regenwoud (conflicterend):

  • Economische productiefunctie.
  • Draagfunctie voor menselijke activiteiten.
  • Informatiefunctie van de natuur (biodiversiteit).
  • Regulatiefunctie van evenwicht in de natuur.

Regulatiefunctie:

  • Evenwicht in de waterhuishouding.
  • Stabilisatie van het klimaat.
  • Bescherming van de bodem.
  • Evenwicht in de hoeveelheid koolstof in de lucht.

Bedreigingen voor regenwoud:

  • Uitbreiding zwerflandbouw. (Ongecontroleerde bosbranden & zwak optreden overheid.)
  • Ontginning door transmigratie.
  • Aanleg plantages.
  • Houtkap.

Maatregelen duurzaam bosbeheer:

  • Aanplant van duurzame houtplantages met ecolabel.
  • Goede hazard management om schade door bosbranden te beperken.

 

Paragraaf 2: Natuurlijke gevaren en natuurrampen in Zuidoost-Azië

Factoren bij gevoeligheid voor natuurrampen:

  • Grilligheid van weer en klimaat (tropische zone).
  • Geologische opbouw (rand van de Euraziatische plaat).
  • Bevolkingsdichtheid in vruchtbare rivierdalen, delta’s, vulkanische gebieden en kustvlaktes.
  • Armoede beperkt hazard management.
  • Onderschatting van gevaren door mensen in risicogebieden.

Gevolgen warmer wordend klimaat (negatief voor economie):

  • Mindere landbouwproductie.
  • Meer extreem weer.
  • Meer overstromingen door zeespiegelstijging.

Tropische cyclonen:

  • Boven Grote Oceaan, Filipijnenzee, Indische Oceaan, Golf van Bengalen.
  • Neemt in verloop van tijd in sterkte af door wrijving van het landoppervlak.
  • Zorgt voor hoge golven die een gevaar voor de kust kunnen zijn.

 

Paragraaf 3: Bedreigingen van de eenheid in de staten

Conflict 1:

  • Tussen: Indonesië & Papoea’s.
  • De opname van Papeoa in de Indonesische staat na onafhankelijkheid van Nederland.
  • Conflicten door de winning van goud, koper, olie en hout. De landrechten van de lokale bevolking zijn niet of slecht geregeld.
  • Conflicten door de transmigratie. Papoea’s gingen zich minderheid in eigen land voelen.
  • Verlangen naar zelfstandigheid.

Conflict 2:

  • Tussen: Indonesië & Molukken.
  • Moslims tegen Christenen.

Conflict 3:

  • Tussen: Myanmar & de Karen.
  • De Karen worden tegengehouden in hun pogingen een eigen staat te vormen.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.