Wonen in Nederland

 

Nederland rivierenland

1.1

In Nederland zijn er 2 grote rivieren: de Maas en de Rijn. De Rijn is de grootste van de twee.

 

Verwijde, trechtervormige riviermonding waarin de waterbeweging wordt beïnvloed door rivierafvoer en getijdenwerking = Estuarium

 

Gebied dat afwatert op een bepaalde rivier en zijn zijrivieren = Stroomgebied

 

Grens tussen twee stroomgebieden. Wordt gevormd door hogere delen in het landschap (door bijv. een heuvelrug of bergketen) = Waterscheiding

 

Rivier met alle zijrivieren en vertakkingen die in hetzelfde stroomgebied liggen = Stroomstelsel

 

In de Neder-Rijn zijn 3 stuwen gebouwd.

De stuw bij Driel is aangelegd om de watervoorziening van de IJssel veilig te stellen.

De andere 2 stuwen maken scheepvaart mogelijk op de Neder-Rijn.

 

Dam in een rivier of beek om de waterafvoer te beïnvloeden = Stuw

 

1.2

Hoeveelheid water (in m3) die per seconde op een bepaald punt door een rivier of beek stroomt = Debiet / Waterafvoer

 

Tijdelijke extra hoge waterafvoer (hoogwater) van een rivier in een jaar = Piekafvoer

 

Jaarlijkse schommelingen in de waterafvoer van een rivier of beek = Regiem

Het regiem is afhankelijk van een aantal factoren:

  • Klimaatomstandigheden : veel sneeuw? veel regen? hoge/lage temperaturen? windsnelheid?
  • Aanvoer van smeltwater en/of regenwater
  • Eigenschappen van stroomgebied : eigenschappen van de bodem, ondergrond en reliëf. (VB: rotsachtige bodem neemt geen water op dus meer water stroomt naar beneden. Zandbodems nemen veel water op dus minder water stroomt naar beneden)
  • Ingrepen van de mens (VB: ontbossing. Door ontbossing ontbreekt het bladerdek dat bij regen als een soort paraplu dient. De neerslag komt nu direct op de bodem. Het water neemt los materiaal mee (bodemerosie) en meer water stroomt nu direct over de bodem.)

Bekijk figuur 1.10 op p. 21 voor: Dwarsdoorsnede van de rivier

 

 

 

Deel van een rivier of beek vanaf de bron/oorsprong tot de middenloop = Bovenloop

  • Verval, stroomsnelheid en erosie zijn over het algemeen groot

Deel van een rivier of beek vanaf de bovenloop tot de benedenloop = Middenloop

  • Helling is niet zo groot dus de rivier gaat meanderen

Deel van een rivier of beek vanaf de middenloop tot de monding = Benedenloop

  • Verval en stroomsnelheid zijn gering, sedimentatie is groot

 

Gebied tussen de zomerdijken = Zomerbed

Gebied tussen de winterdijken = Winterbed (=zomerbed + uiterwaarden)

 

Hoogteverschil tussen twee plaatsen in de loop van een rivier of beek = Verval

 

Verval per km = Verhang

 

1.3

Wijziging in de gemiddelde weersomstandigheden op lange termijn = Klimaatverandering

 

Schommelingen in de hoeveelheid neerslag over een jaar = Neerslagregiem

 

Veranderingen in neerslagregiem zorgen voor:

  • Grote hoeveelheid neerslag in combinatie met meer kans op perioden met extreme neerslag
  • Meer kans op natte jaren.
  • Temperaturen stijgen dus meer regen dan sneeuw.

 

Opwarming van de dampkring als gevolg van door de mens uitgestoten broeikasgassen = Versterkt broeikaseffect

 

Verhoging van de gemiddelde stand van het zeewater = Zeespiegelstijging

 

Zeespiegelstijging als gevolg van:

  • Opwarming van oceaanwater
  • Afsmelten van gletsjers en landijs + smelten van ijs op Groenland

 

Verlaging van de hoogte van het maaiveld of een rivierbodem ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil (NAP) = Bodemdaling

 

Het dalen van de Nederlandse bodem heeft verschillende oorzaken:

  • Scandinavië daalde in de ijstijd door landijs. Hierdoor steeg Nederland. (wipwap effect) Het evenwicht, ook wel isostasie, werd verstoord door het landijs. Nu het ijs aan het smelten is, stijgt Scandinavië weer en daalt NL.
  • Gewicht van afzettingen/sediment zorgde voor een daling in een deel van NL.
  • Grondwater in de aanwezige polders wordt weggepompt om landbouw en verstedelijking mogelijk te maken. Door verlaging van de waterstand zakt het klei- en veengebied in.
  • Aardgaswinning zorgt dat de druk in het gasveld. Bekijk figuur 1.18 op p. 33 voor: Daling door gaswinning.

 

Tijdelijke toename van de hoeveelheid water die een rivier of beek afvoert = Verhoogde piekafvoer

 

Maximale hoeveelheid water die een rivier kan afvoeren zonder dat het achterland overstroomt = Maatgevende afvoer

 

Hoe hoger men de maatgevende afvoer vaststelt, hoe meer water de rivier moet afvoeren.

 

Ruimte voor water

2.1

Uitbreiding van de stad over het aangrenzende platteland = Verstedelijking

 

Toename van het bebouwde oppervlak en infrastructuur waardoor de infiltratie van neerslagwater vermindert en de oppervlakteafvoer van water toeneemt = Verstening/Verharding

 

Als de natuur lijdt onder de afname van beschikbaar water = Verdroging

 

Oorzaken voor verdroging:

  • Door de snellere waterafvoer wordt de grondwatervoorraad minder aangevuld en zal de grondwaterspiegel dalen. De bovenste laag van de bodem droogt daardoor eerder uit. (VB: kanalisatie = het rechttrekken van een beek of kanaal en voorzien van stuwen en sluizen om een betere waterafvoer en scheepvaart mogelijk te maken.)
  • Door (verwachte) stijging van de gemiddelde zomertemperatuur zal de verdamping toenemen.
  • Gedurende het drogere zomerseizoen zal de neerslag afnemen. Dat betekent dat er minder water in de bodem kan zakken om de grondwaterspiegel aan te vallen.

 

De overheid wil niet te veel water is maar ook zeker niet te weinig.

 

Aanpak volgens de Nota Ruimte die moet voorkomen dat waterproblemen van het ene gebied op het andere gebied worden afgewenteld, volgens het principe van ‘eerst vasthouden, zo nodig bergen en dan pas afvoeren’ van overtollig water = Drietrapsstrategie

  • Vasthouden : overtollig water wordt bewaard op de plaats waar het valt in het oppervlaktewater en in de bodem. (VB: grachten worden uitgediept, verharde parkeerplaatsen worden vervangen door grind of vijvers is wijken.)
  • Bergen/Retentie : in plassen, meren of kanalen kan het overtollige water opgeslagen worden, wat niet meer past om plaatselijk op te slaan.
  • Afvoeren : via rivieren en kanalen wordt zoveel mogelijk water op zee geloosd.

 

Beschrijving van de wijze waarop rekening moet worden gehouden met de waterhuishouding bij nieuwe besluiten op het gebied van de ruimtelijke ordening = Watertoets

 

2.2

Korte dwarsdam die loodrecht op de rivieroever is aangelegd en die dient om de stroomsnelheid te vergroten = Krib

 

Plaatsen van kribben heeft 2 voordelen:

  • De rivier blijft voldoende diep voor de scheepvaart.
  • Het water kan snel worden afgevoerd.

 

Strekdammen liggen evenwijdig aan de rivier en zijn bedoeld om de erosie van de over tegen te gaan.

 

Versterking van een dijk door verbreding, verhoging of versteviging = Dijkverzwaring

 

Verhoging van de hoeveelheid geld of arbeid die in een bepaalde activiteit wordt gestoken = Intensivering

 

Overheidsmaatregelen om het Nederlandse rivierengebied veiliger en aantrekkelijker te maken = Ruimte voor de Rivier

 

Doel om het Nederlandse rivierengebied veilig te maken, maar ook aantrekkelijker.

Nevendoelen van Ruimte voor de Rivier:

  • Aanleg van nieuwe natuur
  • Versterken van de landbouw
  • Ontwikkelen van nieuwe recreatiemogelijkheden
  • Beter verbindingen

 

Combinatie van technische ingrepen om een hoge waterafvoer van een rivier op te vangen = Rivierbedverruiming

Het rivierbed kan ruimer worden door verdieping:

- Relatief kleine geul die min of meer evenwijdig aan de hoofdgeul loopt = Nevengeul

Vergroot de doorstroom van het winterbed, zonder dat de hele uiterwaard vergraven hoeft te worden.

Bekijk figuur 2.16 op p. 61 voor: Nevengeul

- Door mensen gemaakte aftakking van een rivier die in geval van een extreem hoge waterstand een deel van het water op een gecontroleerde manier afvoert = Hoogwatergeul

Deze geul ligt tussen twee hoge dijken. Er wordt voorkomen dat er verdere dijkverhoging noodzakelijk is. Bekijk figuur 2.17 op p. 61 voor: Hoogwatergeul

 

- Verdiepen van het zomerbed. Het is wel duur is geeft maar tijdelijk effect.

 

- Het verlagen van kribben om opstuwing te voorkomen en een grotere waterafvoer bij hoge waterstanden mogelijk te maken = Kribverlaging

- Het geheel van technische ingrepen om de rivier meer ruimte te geven door de winterdijk landinwaarts te verplaatsen = Verbreding

Gebied waarin een deel van de piekafvoer van een rivier tijdelijk opgevangen kan worden = Retentiebekken

 

Polders die gecontroleerd onder water kunne worden gezet om een extreem hoge waterstand in een rivier te verlagen = Noodoverloopgebied

 

Maaswerken hebben 3 belangrijke doelstellingen:

  • Minder overstromingen. Overstromingen komen door klimaatveranderingen en ontbossing.
  • Betere bevaarbaarheid.
  • Een natuurlijke Maas. Het Grensmaasproject zorgt dat er een onbevaarbaar deel van de Maas is waar nieuwe natuur kan groeien.

 

2.3

NGO’s zijn niet-commerciële organisaties die een politiek of maatschappelijk doel nastreven en niet onder een overheid vallen. (VB: Greenpeace)

 

Bijeenkomst van de voor waterhuishouding verantwoordelijke ministers, met als doel alle problemen rond de Rijn gemeenschappelijk aan te pakken en de Internationale Commissie ter Bescherming van de Rijn (ICBR) aan te sturen = Rijnconferentie

 

Samenwerking tussen staten en aan de staat verbonden organisaties = Intergouvernementele samenwerking

 

Plan opgesteld door de ICBR waarin maatregelen voor hoogwaterpreventie en bescherming tegen hoogwater zijn opgenomen = Actieplan Hoogwater, doelen:

  • Vermindering van de risico’s op schade
  • Vermindering van de extreme hoogwaterstanden
  • Zorgen voor grotere bewustwording van hoogwater bij burgers
  • Verbetering van het voorspellings- en waarschuwingssysteem

 

De wereld van de stad

3.1

Kenmerken die een plaats tot een stad maakt zijn te verdelen in 3 groepen:

Vormkenmerken, Bewonerskenmerken en Functiekenmerken.

 

Dichtheid van menselijke activiteiten op basis van de adressendichtheid = Stedelijkheid

Gemiddeld aantal adressen in de omgeving van ieder adres = Adressendichtheid

 

Centrale stad met daaraan vastgegroeide steden en dorpen = Agglomeratie

 

Dichtheid van de bebouwing is een ander vormkenmerk.

Bekijk figuur 3.2 op p. 90 voor: Centrale stad en agglomeratie

In de grote steden springt de bevolking er uit door grotere sociale verscheidenheid. Dat komt doordat er minder sociale controle is. Ook omdat er een gevarieerde woningvoorraad is in de stad. Daardoor zijn er niet alleen voor de hogere inkomensgroepen aantrekkelijke huizen beschikbaar, maar ook voor immigranten, kansarmen en andere lage-inkomensgroepen.

 

Niet-routinematige persoonlijke zakelijke contacten= Face-to-facecontacten

 

Groep bedrijven in de tertiaire sector die diensten verleent zonder winstoogmerk = Non-profitsector (VB: het onderwijs, zorgsector of openbaar bestuur)

 

De vier grootste steden van Nederland: Amsterdam, Den Haag, Groot-Rotterdam en Utrecht.

  • Amsterdam : Het financiële hart van Nederland. Internationaal centrum voor cultuur, onderwijs en onderzoek. Geen bestuurlijke functie.
  • Den Haag : Hofstad waar landelijke overheid zit. Gespecialiseerd in de rechterlijke macht.
  • Groot-Rotterdam : Havenfunctie van wereldbetekenis.
  • Utrecht : Verkeersknooppunt van autowegen en spoorlijnen. Profiteert van centrale ligging. Vergadercentrum en winkelstad.

 

Nederzetting met een verzorgende functie voor een gebied dat groter is dan de plaats zelf = Centrale plaats

Gebied rondom een stad, dat diensten afneemt van die stad = Verzorgingsgebied

 

Maximale afstand die een klant wil afleggen om van een bepaalde dienst gebruik te maken = Reikwijdte

Potentieel aantal klanten voor een centraal goed of een centrale dienst = Draagvlak

Minimaal aantal klanten dat nodig is om een dienst in stand te houden = Drempelwaarde

Kwaliteit en aantal diensten die vanuit een centrale plaats worden aangeboden = Voorzieningenniveau

 

Centrale-Plaatsentheorie van Christaller. Deze theorie helpt om de rangorde van centrale plaatsen te begrijpen, en ook hun onderlinge liggingen.

1) Een ondernemer moet zijn winkel vestigen op een plek waar hij een zo groot mogelijk aantal mensen binnen zijn reikwijdte heeft.

 

Dienst die geleverd wordt vanuit een centrale plaats = Centrale voorziening

 

2) Nagaan hoever ondernemers van elkaar moeten vestigen om geen last van elkaar te hebben.

 

Bekijk figuur 3.6 op p. 94 voor: Theorie van Christaller

 

Concentratie van gelijksoortige bedrijven op grond van de voordelen die de onderlinge nabijheid oplevert = Clustering

 

Gebied waarin een stad of agglomeratie dagelijks intensieve betrekkingen met het ommeland/verzorgingsgebied onderhoudt, soort van netwerkstad = Stadsgewest

Gebied dat bestaat uit betrekkelijk dicht bij elkaar gelegen stadsgewesten die functioneel verbonden zijn = Stedelijke zone / Stedelijk netwerk

 

3.2

Toegankelijkheid: de mogelijkheden die er zijn om een plaats of activiteit te bezoeken = Bereikbaarheid

Als een stad slechte toegankelijkheid heeft, verliest hij zijn centrale functie.

 

Migreren vanuit een centrale stadsgemeente naar het omliggende platteland = Suburbaniseren

 

Beweging van mensen of activiteiten naar elkaar toe = Concentratieproces

 

Verspreiding: beweging van mensen of activiteiten van elkaar af = Deconcentratie

3 redenen voor deconcentratie naar ‘buiten’:

  • Welvaart nam sterk toe. Er was geld voor brommers of zelfs auto’s en duurdere huizen.
  • Meer vrije tijd. Er was vrije tijd om aan andere dingen te denken zoals huis, tuin en ontspanning.
  • Toename van autobezit. Er was de mogelijkheid om werk te bereiken in de stad, zonder in de stad zelf te hoeven wonen.

Ziet er allemaal goed uit, maar er zijn ook ruimtelijke nadelen:

  • Ontstaan van enorme verkeersstromen. Bereikbaarheid van steden kwam onder druk te staan. Snel groeiend energieverbruik, toenemende geluidhinder en zorgwekkende luchtvervuiling.
  • Open ruimtes tussen steden werden volgebouwd.

 

De aanpak dat de migratie naar het ‘platteland’ werd gestuurd door alleen vestiging in groeikernen mogelijk te maken = Gebundelde deconcentratie

 

Verdichting van de stedelijke bebouwing en de stedelijke activiteiten = Compacte verstedelijking, kan op 2 manieren:

  • Inbreidingslocaties* zoeken binnen agglomeratie.
  • Door zo dicht mogelijk tegen de rand van de bestaande stad te bouwen.

* inbreidingslocaties = Groene locatie in een stedelijk gebied waar woningen, kantoren, winkels of bedrijven worden gebouwd.

 

Het voorzien van winkels, horeca en bouwlocaties binnen een stedelijk gebied = Stedelijke distributie




 

 

 

3 oorzaken van bereikbaarheidsprobleem:

  • Dienstverlenende bedrijven zoeken naar een zo centraal mogelijk gelegen vestigingsplaats, omdat daar hun klanten dicht bij elkaar zitten. Deze concentratie van de afzetmarkt roept een grote verkeersstroom van bezoekers en voor de bevoorrading op.
  • In veel steden dateert de tegenwoordige binnenstad. Het autoverkeer loopt vast in smalle, bochtige straten die uitmonden op pleinen waar nauwelijks ruimte is voor parkeren.
  • Veel bedrijven en instellingen verhuisden uit de oude binnensteden naar beter ontsloten locaties aan de stadsrand. Maar door de trek naar de stadsrand wordt de groei van de automobiliteit niet te beheersen.

 

Mate waarin schaarse grond wordt gevraagd door verschillende marktpartijen om hun activiteiten te kunnen ontplooien = Concurrentie om de ruimte

 

De wens van bedrijven, instellingen of personen om te kunnen beschikken over voldoende ruimte om hun activiteiten te kunnen ontplooien = Ruimtebehoefte

 

De nieuwe locaties aan de snelwegen zijn erg aantrekkelijk voor het bedrijfsleven:

  • Betere bereikbaarheid per auto
  • Voldoende parkeergelegenheid
  • Lagere huur- en koopprijzen voor de grond
  • Meer ruimte voor uitbreiding van het bedrijfsoppervlak
  • Een zichtlocatie: iedereen kan het bedrijf zien vanaf de snelweg

 

Er zijn al veel maatregelen maar het erop uitgaan met de auto neemt ook toe, dus eigenlijk is het dweilen met de kraan open. De maatregelen zijn onder te verdelen in 2 groepen:

  • Lokmiddelen : het verleiden van de automobilist om met de fiets of met het ov te gaan. Investeren in het verbeteren van stedelijke vervoer. Aanleg van fietsroutes. Aanschaf van carpoolplaatsen.
  • Afschrikmiddelen : het duurder maken van parkeertarieven.

 

3.3

Samenleving waarvan de economische ontwikkeling in hoge mate afhankelijk is van scholing, innovatie en creativiteit = Kenniseconomie

 

Door het toepassen van kennis ontstaan nieuwe ideeën en technische vernieuwingen. Deze innovaties leiden weer tot de vraag naar nieuwe producten of diensten. Zo ontstaat economische groei in de vorm van werk en welvaart

 

Stedelijk gebied waarin samenwerking en onderlinge contacten op bestuurlijk, economisch en cultureel gebied van grote invloed zijn op de ruimtelijke inrichting en de mobiliteit = Netwerkstad

 

Maatschappelijke tegenstellingen kunnen nog erger worden door kennissamenleving, in Nederland zijn er 3 voorbeelden:

  • Krimp tegenover groei. In de steden gaat het met de kenniseconomie goed. De perifere gebieden dreigen te verarmen doordat ze de aansluiting op de kenniseconomie verliezen.
  • Jong tegenover oud. Door de kenniseconomie wordt vergrijzing versterkt. De ouderen raken achter met kennis op de jongeren.
  • Hoogopgeleid tegenover laaggeschoold. Hogeropgeleiden hebben meer kans op werk. Zij voelen zich gelukkiger, zijn gezonder en leven langer. Lageropgeleiden voelen zich vaker buitengesloten en haken af in de kenniseconomie.

 

Tweedeling in het aanbod van arbeidskrachten in een regio, waarbij een slecht geschoolde, kansarme groep duidelijk te onderscheiden valt van een beter geschoolde, kansrijke groep = Duale arbeidsmarkt

 

Scheiding van groepen met een eigen sociaaleconomische en/of etnische status naar woongebied = Ruimtelijke segregatie

Woongebied waarin meer dan de helft van de bevolking behoort tot een etnische minderheidsgroep = Getto

Toename van de tegenstellingen tussen bevolkingsgroepen die leiden tot politieke en culturele spanningen = Polarisatie

 

Samenwerkingsorgaan van verschillende soorten bestuursorganisaties, waaronder overheidsorganisaties, op vaak meerdere schaalniveaus = Bestuurlijk netwerk

 

Overleg tussen bestuurlijke en andere organisaties in een gebied om een sterkere onderhandelingspositie te verkrijgen ten opzichte van andere overheden of marktpartijen, bijvoorbeeld op het gebied van de ruimtelijke inrichting = Regionale samenwerking

 

Stad waar nieuwe ontwikkelingen en innovatieve activiteiten sterke stimulansen ondervinden = Creatieve stad

 

De yuppen (Young Urban Professionals) is de bevolkingsgroep die de basis kan vormen voor een groeiende creatieve klasse. Om de yuppen te trekken maken steden gebruik van city marketing.

 

Het verlenen van diensten aan bedrijven op winstbasis door een bijzondere groep van bedrijven in de tertiaire sector = Zakelijke dienstverlening

 

De sector van zakelijke diensten heeft 3 gemeenschappelijke kenmerken:

  • De meeste bedrijven zijn klein tot erg klein. Hooguit 10 werknemers.
  • Het aandeel startende ondernemingen is hoger dan in andere bedrijfstakken. De drempel om te starten is laag.
  • Relatief veel bedrijven draaien op creatief denkwerk en passen in de kenniseconomie.

Een leefbare stad

4.1

Toename van het inwoneraantal van een stadsgemeente na een langere periode van bevolkingsafname. Hernieuwde trek naar de stad = Re-urbanisatie

1) Hoogopgeleide mensen die voor werk en ontspanning een stedelijk milieu nodig hebben.

2) Senioren die zich geïsoleerder gaan voelen op het platteland naarmate ze ouder worden.

 

Vestiging van een bevolkingsgroep met een hogere sociaaleconomische status in een stadsbuurt met een lagere status = Gentrificatie

Mate waarin de voorwaarden voor goede leefomstandigheden in een stad aanwezig zijn = Stedelijke kwaliteit

Gentrificatie zorg voor een goede stedelijke kwaliteit.

 

Proces waarbij de ene functie of bevolkingsgroep plaats moet maken voor een andere in een buurt vanwege een zwakkere concurrentiepositie = Verdringing

 

Sociale gevolgen van gentrificatie:

  • Arme gezinnen met veel kinderen en laagopgeleide jongeren maken steeds minder kans op passende huisvesting binnen de stad.
  • Meer mensen met lagere inkomens moeten buiten de dure stad woonruimte zoeken.
  • De demografische samenstelling van de buurt verandert van kinderrijk naar kinderarm.
  • Het percentage autochtone bewoners van de buurt neemt weer toe, waarmee de etnische samenstelling verandert.
  • De polarisatie kan toenemen doordat de buurt bewoond wordt door groepen die wat betreft cultuur en sociaaleconomische status totaal van elkaar verschillen.

 

Het uitgangspunt dat in een stad alle culturen gelijkwaardig zijn en een gelijke behandeling verdienen = Multiculturele stad

 

Overheid kan voor 2 uitersten kiezen om iemand in te laten burgeren:

  • Streven naar assimilatie. Wanneer de immigrant volledig opgaat in de nieuwe samenleving, zich volledig aanpast en dus alle cultuurelementen overneemt.
  • Voeren van een vergaand multicultureel beleid. De dubbele nationaliteit wordt geaccepteerd. Hij heeft dus twee paspoorten.


Mate waarin alle inwoners zich verbonden voelen met de nationale samenleving en zich daaraan aanpassen met daarin ruimte voor eigen cultuurkenmerken = Integratie

 

 

 

 

 

4.2

Typering van een buurt waarbij wordt gelet op bewonerskenmerken, woningkenmerken, woonomgeving en de openbare ruimte als onderdeel daarvan = Buurtprofiel

 

Een buurtmonitor meet een groot aantal dingen die iets zeggen over de leefbaarheid van een wijk of buurt.

Een belangrijke functie van een buurtmonitor is het vergelijken van buurten, wijken en stadsdelen. De buurtmonitor krijgt veel informatie over buurten, wijken en stadsdelen en ziet dus de sterke en de zwakke punten.

Een andere belangrijke functie van een buurtmonitor is het meten van ontwikkelingen en het volgen daarvan.

De beleving is een belangrijk onderdeel van een buurtmonitor. (De mate waarin bewoners zich thuis voelen.)

 

Hoofdeigenschappen van de wijk of de buurt:

  • Eigenschappen van woningen gelet op ouderdom, eigendom, woningtype, onderhoudstoestand en marktwaarde = Woningkenmerken
  • Eigenschappen van de buurtbevolking gelet op huishoudensgrootte, etniciteit, inkomen en gezinsfase = Bewonerskenmerken
  • Hoedanigheid van een buurt gelet op de beschikbare voorzieningen en de sociale omgeving (cohesie, netwerken en veiligheid) = Woonomgeving

 

De woonomgeving is gebaseerd op objectieve gegevens maar ook deels op subjectieve gegevens.

 

De bescherming of het zich beschermd voelen tegen gevaar dat veroorzaakt wordt of dreigt van de kant van menselijk handelen in de openbare ruimte = Sociale veiligheid

De bescherming of het zich beschermd voelen tegen gevaar dat veroorzaakt wordt of dreigt van de kant van menselijk handelen in de openbare ruimte = Sociale veiligheid

Gemeten en geregistreerde veiligheidsincidenten van alle vormen van criminaliteit in de openbare ruimte = Objectieve veiligheid

Mate van veiligheid zoals die door personen en groepen wordt ervaren = Subjectieve veiligheid

 

Aantallen, soorten en niveau van winkels, medische en sociale zorginstellingen en vervoersvoorzieningen in een wijk of buurt = Buurt- en wijkvoorzieningen

 

Mate waarin mensenhinder ondervinden van buurtbewoners, bedrijven, instellingen of verkeer = Overlast

Achteruitgang van de kwaliteit van de woonomgeving door gebrek aan onderhoud, ernstige verwaarlozing of ongewenst sociaal gedrag = Verloedering

 

Onderdelen van een woonomgeving:

  • Het grondgebied in de gemeente dat eigendom en in beheer is van de overheid en in principe voor alle burgers toegankelijk is = Openbare ruimte
  • Gemak waarmee ruimte en voorzieningen kunnen worden bezocht door de inwoners van een plaats = Toegankelijkheid
  • Tijd en kosten die worden besteed aan het behoud van de kwaliteit van voorzieningen = Onderhoud
  • Mate waarin men de openbare ruimte kan overzien in verband met plaatsbepaling, het vinden van de weg en het ervaren van veiligheid = Overzichtelijkheid
  • Tijd en kosten die worden besteed aan het houden van doelmatig toezicht op de openbare ruimte en de openbare voorzieningen = Toezicht

 

Mate van samenhang tussen de bevolking in een samenleving, het bindmiddel dat leefgemeenschappen bijeenhoudt en dat traditioneel wordt gevormd door familie, kerk, school en verenigingen = Sociale cohesie

 

Patroon van onderlinge relaties en contacten waarover de bewoners beschikken = Sociaal netwerk

 

Door gemengd te bouwen in buurt probeert de overheid een omgeving te creëren waarin de ontmoetingskans tussen arm en rijk en tussen verschillende etnische groepen te vergroten.

 

4.3

Ontwikkeling waarbij de woonfunctie in de binnenstad plaatsmaakt voor een werkfunctie die wordt uitgeoefend in winkels en kantoren = Cityvorming

 

Vernieuwing en verbetering van de woningen en de woonomgeving om de leefbaarheid in verouderde wijken te verhogen, met de nadruk op het behoud van de bestaande bebouwing = Stadsvernieuwing

 

Er was kritiek op de stadsvernieuwing: ‘De woningen worden beter, maar het helpt de buurt niet vooruit.’ Nog 3 redenen:

  • De stadsvernieuwing was te kleinschalig. Er werd alleen maar gefocust op de armere terwijl je ook mooie huizen kan bouwen voor de rijke, die de stad aan het verlaten waren. Bouwen voor de hele stad.
  • Er was weinig aandacht voor belevingswaarde. De nieuwe, lege panden waren niet aantrekkelijk en gezellig.
  • Allerlei maatschappelijke problemen in de wijk bleven bestaan.

 

Het Grote Stadsbeleid (GSB) richt zich vooral op:

  • Bouwen in steen aan stedelijke vernieuwing
  • Zorgen voor werk en inkomsten
  • Werken aan onderwijs, leefbaarheid, veiligheid en zorg

 

Ingrijpende verbetering van de verouderde woningvoorraad en de wijkvoorzieningen, en de aanpassing van de sociale structuur van een buurt om de leefbaarheid te vergroten = Herstructurering

 

Samenwerkingsvorm tussen een overheid en een of meer private ondernemingen. de overheid stelt bij PPS-constructies de randvoorwaarden en het einddoel, de marktpartijen zorgen voor de uitvoering van het project = Publiek-private samenwerking PPS

 

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.