Hoe kies jij een studie?

Daar zijn wij benieuwd naar. Vul onze vragenlijst in en bepaal zelf wat voor beloning je daarvoor wilt krijgen! Meedoen duurt ongeveer 7 minuten.

Meedoen

Regionale Beeldvorming

Beoordeling 5.5
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 4130 woorden
  • 21 mei 2005
  • 74 keer beoordeeld
Cijfer 5.5
74 keer beoordeeld

ADVERTENTIE
Overweeg jij om Politicologie te gaan studeren? Meld je nu aan vóór 1 mei!

Misschien is de studie Politicologie wel wat voor jou! Tijdens deze bachelor ga je aan de slag met grote en kleine vraagstukken en bestudeer je politieke machtsverhoudingen. Wil jij erachter komen of deze studie bij je past? Stel al je vragen aan student Wouter. 

Meer informatie
Hoofdstuk 1 Beeldvorming en gebieden * Twee manieren om kennis te krijgen van een gebied - via Interne informatie (de gegevens (kennis, ervaring en gevoel) die iemand in zijn geheugen heeft opgeslagen) die jezelf heb - via mensen en dingen om je heen die zorgen voor je kennis Externe informatie (de gegevens die iemand ontvangt uit zijn omgeving) - Referentiekader is hoe je een regio bekijkt met de kennis en ervaring die je hebt * ⇑ hiermee vorm je een beeld van de wereld. Maar je blijft ontvangen. Je voegt dan gegevens toe, je ideeën versterken en het beeld kan veranderen. * Jou beeld van werkelijkheid noemt men: Perceptie (de manier waarop iemand verschijnselen waarneemt en daaruit een beeld vormt van de werkelijkheid dus objectieve kennis en subjectieve waarneming) * Regionaal beeld van belang bij ruimtelijk handelen. Bv waar je wil wonen, werken en recreëren. Meestal besloten op basis van hun perceptie. - Een regionaal beeld kan verwrongen zijn ten opzichten van de werkelijkheid * Stereotype (vastliggend algemeen (dus collectief) beeld dat een groep mensen, een groep gebieden of een groep verschijnselen of gebeurtenissen betreft)-> merk je aan nadruk op beperkt aantal kenmerken. Collectiefbeeld (de beeldvorming van een regio op basis van gemeenschappelijk gedeelte (subjectieve en objectieve) informatie. De aldus gevormde regionale beelden noemt men ruimtelijk imago en stereotype) - Stereotypen hebben nogal eens een negatieve landing - Je kan van 1 groep gelijkertijd negatieve en positieve stereotype hebben * De zender geeft de informatie door zodat ze hun doel bereiken. Over het algemeen wordt er maar wat aangerommeld met informatie. - Door reclame te maken voor je stad versterk je de identiteit. Men wordt trots op de stad. * Doel van promotie: aantrekken van consumenten dat kan je doen door: product verbeteren (bv betere service) of te werken aan een beter imago - Om bedrijven naar je stad te krijgen noemt men citymarketing (of regiomarketing: Promotie van een stad of gebied. Door het imago te verandering hoopt de stad of streek bedrijven, inwoners en bezoekers aan te trekken) - Vier belangrijke reclamewapen elementen bij marketingstrategie
o De infrastructuur en de bereikbaarheid

o De bezienswaardigheden: attracties, natuurwaarden, landschap en stedenschoon
o De burgers als (geschoolde) arbeidsmarkt en als afzetmarkt
o De kwaliteit van de leefomgeving: schoon, veilig & met 1 hoog voorzieningenniveau - Alles draait om het geld. Ze willen inwoners, toeristen en bedrijfsleven voor geld. Want de status van een stad of regio ligt aan de financiële positie van die stad of regio. - de meningen over de strategie van regiomarketing verschilt duidelijk * Toeristisch gebied doet ook volop aan beeldvorming * In het westen is na de jaren 60 toerisme een booming industry - Drie factoren groei toerisme: geld, mobiliteit en vrije tijd. Iedereen wil toerisme. - Nederlands reisverkeersbalans staat rood: wij meer geld uit geven dan hun hier. Promotie! - Marketing van recreatief-toeristisch product word aan gewerkt door veel mensen. Hoe presenteer je het beste? Wat spreekt aan? Hoe maak je een goede folder? - Het is van belang waar het reclamemateriaal verdeeld kan worden. Leeftijd, inkomen, gezinssituatie, herkomst, wat ze willen en welk beeld ze hebben - Universiteiten worden ingeschakeld. Wetenschappelijk onderzoek uitgevoerd. Belemmeringen om niet te komen: geld, tijd, moeite en afstand. De kunst is om tot het einde in beeld te blijven. Dit kan je doen door idee te geven dat jij hun wensen vervult. * Hoe groter de afstand hoe minder nauwkeurig de brochures. Dit is afstandsverval (naarmate de afstand toeneemt vermindert de mate van contact met en de hoeveelheid en kwaliteit van de informatie over een gebied) - Er vinden ook op andere plaatsen selecties plaats over de regiogegevens. Je probeert accent te leggen op bijzonder gebied. Informatiestroom zijn op basis van leeftijd en inkomen * Invloedrijke zenders van beelden zijn de nieuwsmedia. - Als inwoner geloof je je eigen nieuws eerder dan die van het buitenland. Standplaats () * Hoe verder vandaan een bepaald gebied-> hoe geringer de info die je weet - Jeugd ziet Duitsland anders dan andere Eu-landen. Maar objectieve kennis van Duitsland is klein. Als je d’r mee te maken heeft heb je een andere mening. * - Hoe minder je wil weten kan een negatiefbeeld vormen - Etnocentrisme (cultuur vergelijken met de normen en waarden van je eigen cultuur) kan vreemdelingenhaat worden: Xenofobie (vrees voor alles wat vreemd is) * Gegevens beter maken dan het is = manipuleren. Manipulatie technieken: o Foto’s, film, teksten of tekeningen: foto bv uit standpunt genomen omgeving genegeerd
o Kaarten: altijd elementen weggelaten of vergroot. Kleurgebruik en symbolen benadrukken iets. Schaalverdeling en legenda is bewuste keuze. o Afstand en ligging: ze geven de absolute afstand en ligging (site) meestal niet aan. vaak ten opzichte van andere verschijnselen (situation) De bereikbaarheid doet er toe
o Cijfermateriaal: je denkt dat het betrouwbaar is maar hoe groot de steekproef was word meestal niet verteld. Je moet opletten op relatieve (ong. ten opzichte van) en absolute (objectieve) cijfers. o Het soort weergave van cijfermateriaal en de bepaling van de klassengrenzen van de cijfermatige gegevens: Er zijn er meerdere bv lijngrafieken, cirkel- en staafdiagrammen en kaartdiagrammen. Hoofdstuk 2 Geografische beeldvorming * Wat jij in je hoofd heb van een gebied is een mental map (Een kaart in je hoofd of op papier die een uitdrukking is van subjectieve beelden (percepties) van een gebied) - mental map bv is de weg naar school. Je weet hem uit je hoofd. - hoe dichterbij het gebied hoe nauwkeuriger de mental map’s * Mental map kan je uittekenen en een ruimtelijk beeld of ruimtelijk imago niet (het algemene beeld dat een plaats of gebied oproept. Dit algemene (dus collectieve) beeld van een regio bestaat op grond van subjectieve en objectieve informatie. Toelichting: het ruimtelijk imago omvat (evenals een regionaal beeld) meningen over grote, begrenzing en ligging van een regio, alsmede over de kenmerkende verschijnselen van een gebied) - Buitenlanders weten over een ander land: dingen die anders zijn, dingen van hun eigen interesse, actualiteiten. * doelstelling zender -> subjectief regiobeeld -> ontstaan beeld bij ontvanger -> totaalbeeld ontvanger -> ruimtelijk handelen * Wat is geografie -> aardrijkskunde - bestuderen van gebieden en de spreiding van verschijnselen. Basisvragen: - 1e vraag is beschrijvend: Waar is dat? Waar kan dat? Wat is daar? Wat kan daar? Etc - 2e vraag is zoeken naar verklaring v.d verschijnselen: Waarom is daar (zo)? - 3e vraag heeft te maken met gevolgen voor de toekomst: Waar zal dat plaatsvinden? - laatste vraag is mening opgrond van afweging van argumenten. * Beoordelen regio of plaats kan aan kenmerken: de ligging, landschappelijke kenmerken, bevolkingskenmerken, interne en externe relaties. - dit zijn de eerste bouwstenen die je nodig heb voor een goed aardrijkskundig onderzoek. * er is absolute ligging en relatieve ligging - Absolute ligging (site)(Een objectief vast te stellen plaatsbepaling) Je kan dit vast leggen met behulp van meridianen en parallellen. Met graden’s - Relatieve ligging (situation)(De ligging in relatie met andere ruimtelijke verschijnselen) - Bijvoorbeeld :kosten huis is eigenschappenhuis en omgevingsfactoren. * landschap: fysisch milieu (De natuurlijke omgeving zoals die door natuurlijke processen is gevormd) en de ingerichte ruimte (het door de mens gemaakte landschap – het cultuurlandschap) - Onder fysisch milieu valt: bodem, water, reliëf, klimaat, zeestromen en delfstoffen. - Onder ingerichte landschap: cultuurlandschap, bodemgebruik, verkaveling, infrastructuur, nederzettingsvormen en verstedelijking. * Bevolkingskenmerken: - Culturele kenmerken (kenmerken die te maken hebben met handelingen en uitingen van de mens) Alles wat is aangeleerd door een menselijke groep - bij AK zijn de taal, godsdienst, geschiedenis, normen & waarden van een groep belangrijk - Demografische kenmerken (kenmerken die te maken hebben met de ontwikkeling in de omvang en de samenstelling van de bevolking) Ze letten dus op dichtheid, spreiding en bevolkingsaantal. - Grijzegolf heeft grote gevolgen voor de economie, gezondheidszorg en werkgelegenheid. - De jongeren gingen naar de stad maar zijn nu oud. Dus oude mensen in een wijk dus ook behoefte aan andere voorzieningen - Economische kenmerken (Eigenschappen die te maken hebben met de bestaansmiddelen en de verdeling van de welvaart)Je let dus op, landbouw, industrie en diensten & op in en uitvoer, het type economie en economische samenwerking. Al deze gegevens zijn medebepalend voor de inrichting van een gebied. - Welvaartsverschillen tussen gebieden zorgen voor politieke spanningen. De omvang en de groei van de welvaart hebben gevolgen voor ruimtelijke inrichting. - Politieke kenmerken (Eigenschappen die gaan over de uitoefening en spreiding van de macht) - Bv. bij VS en Mexico. Mexico is armer dan VS en porberen daar binnen te komen. * Relationele kenmerken(Kenmerken die verwijzen naar interne en externe verbanden in en tussen regio’s) - 1e zijn er interne relaties binnen regio’s zijn dwarsverbanden tussen bedrijven& instellingen ook zijn er onderlinge contacten tussen deel gebieden en verhoudingen tussen rand gebieden en de beslissingscentra in een land. - 2e zijn externe relaties. Verbanden van een gebied met een andere regio en/of plaatsen * Leer Figuur 2.9 op bladzijde 24 Hoofdstuk 4 De kaart als hulpmiddel * Indeling in gebruik heb je 3 soorten - Landkaarten: algemeen beeld van aardoppervlak, wegen-rivieren-grenzen-vegetatie-relief. - Topografische kaarten: veel details - Overzichtskaarten: vereenvoudiging van groot gebied maar wel met elementen - Navigatie- of oriëntatiekaarten: voor uitzetten/volgen route. Wegenkaarten, stadsplattegronden - Thematische kaarten: nadruk kop spreiding van een of enkele verschijnselen of thema’s. * Indeling naar vormgeving. 8 soorten - Choropletenkaarten: gebieden ingedeeld naar waarde verschijnsel. Met kleren, stippen en arcering. Bijvoorbeeld kaarten waar bevolkingsdichtheid op word aangegeven. - Isolijnenkaarten: (isos = gelijk)verschijnselen met dezelfde waarde dmv kleren of arcering weergegeven. Bijv hoogtelijnen op een kaart - Chorochromatische kaart: gebieden ingedeeld naar waarde (kwantiteit) van vrijschijnsel. Met behulp van kleuren en arcering aangegeven. Bijv spreiding wereldgodsdiensten - Diagramkaarten: Waarde of ontwikkeling van iets weergeven mbv cirkel, staaf en blokdiagrammen. - Stippenkaart: spreiding van verschijnsel weergegeven - Anamorfosekaart: Gebieden afgebeeld in verhouding verschijnsel ->opdr. provincies - Stoomdiagram: beweging of route met pijlen aangegeven - Remote-Sensing beelden: bijv verontreiniging met al die kleuren. * Belangrijke rol spelen de gradennet op de aardbol voor de manier van projecteren - Breedtecirkels -> parallellen -> oost naar west - Lengtecirkels -> meridianen -> noord naar zuid - Parallellen en meridianen staan loodrecht op elkaar - Alle meridianen zijn even lang - De parallellen hebben naar de polen toe een kleinere omtrek * Mercator: oudste projectie methode. Vormen goedmogelijk weergegeven. Maar niet oppervlak getrouw. Hoe dichter bij polen hoe groter gebieden. Word in lucht en scheepvaart gebruikt * Fuller: vormgetrouw en landmassa loze stukken zijn weggelaten (3 hoekjes) * Peters: vormen niet juist weergegeven maar wel oppervlak getrouw * Winkler: Vormen van de werelddelen en de oppervlakten wijken net al te veel af van de werkelijkheid -> meest voorkomende projectie. * Cartograaf kan 2 dingen doen: Elementen weglaten of elementen vergroten. Ook helpt inkleuren tot het manipuleren van de kaartlezer. Hoofdstuk 5 Australië: ‘down under’ ● Isolatie en afstand zijn twee bepalende begrippen voor Australië ● De absolute en relatieve afstanden naar andere continenten of andere plaatsen is groot ● Grote afstanden --> geïsoleerdheid vroeger misdadigers van GB naar de strafkolonie. Hierna ook andere immigranten, land met onbegrensde mogelijkheden open. In het ‘outback’, droge binnenland, weinig regels. Tot 1976 alleen blanken toegelaten. ● Van west --> oost in 3 gebieden verdelen: o Westelijk Plateau, half continent, oude landmassa die ooit van Antarctica was. Gemiddelde hoogte van 300 tot 500 meter. o Centrale Laagland grote droge vlakte op aantal bergketens en riviervlakten na. Het is herhaaldelijk opgeheven en geërodeerd (land door wind of water afslijten). Van Golf van Carpentaria in het N via het Grote Artesische bekken uitstrekt naar de riviervlakten van de Murray en de Darling in het zuiden. o Het Oostelijk Bergland --> centraal Great Dividing Range. Oud geërodeerd gebergte, waterscheiding tussen rivieren die afwateren in de Grote Oceaan & centraal Australië Dit gebied vaak gezien grens tussen de vruchtbare oostkust en de ‘outback’ ● 25000 km lange kustlijn --> kliffen en witte stranden. Great Barrier Reef grootste koraalrif ● Landschapsvormen door geologische geschiedenis --> veel delfstoffen. o 85% woont in steden en 40% leeft en werkt in stedelijke gebieden. o Aangenaamste klimaat --> sikkelvormige kuststrook in Z en O + gebied rond Perth beste akkerbouw plek. o Het westen van de GreatDR word het te droog voor akkerbouw --> extensieve veeteelt. o Steeds minder mensen op platteland door mechanisatie (minder werknemers) en aantrekkingskracht van de industrie- en dienstensector. o Steden: VS. CBD’s bijhavens --> buitenwijken naar randen van stad. Suburbs goed en uitgebreid wegennet naar centra. Goed openbaarvervoer. Veel groen, weinig criminaliteit ● Aboriginals, inheemse bevolking 40.000 jaar geleden van ZO-Azië naar Australië ● Abel Tasman ontdekte eind achttiende eeuw. Engelse regering maakte strafkolonie. ● Na gevangene gewone Ieren en Engelse. Kust-->landinwaarts. Na goud veel mensen. De Aboriginals naar reservaten en 2e rangsburgers. ● Na oorlog kwamen veel immigranten naar Australië. Vaak gestimuleerd en gesubsidieerd ● 1970 niet Europeanen voorrang op andere migranten. ● 1980 Aziaten namen toe --> sociaal-maatschappelijk gebied gevolgen voor samenleving Aziaten gingen met name naar Sydney wijken nu door andere bewoond. Tijdens economische recessies alleen multiculturele karakter aanleiding tot spanning. o Didgeridoo en boemerang zijn culturele erfenis van de Aboriginalvolken

o Enorm verminderde hun aantal door ziekte, onderdrukking en mensonwaardige behandelingen. Tot 1967 geen Australisch staatsburgerschap. o Ze wonen in tegenstelling tot de rest verspreid, sommige slecht betaalde baantjes stad. o Aboriginals via rechtszaken grond terug krijgen of bescherming teven verdere economische exploitatie. Hun aantal zal flink toenemen. ● Aziatische tijgers: New Industrializing Coutries in A wel eens New Declining Country genoemd. Waarom deze naam? ● Export wol, vlees, delfstoffen en mineralen is belangrijke inkomsten bron geweest. In 1900 hoogste BBP per hoofd van de bevolking van de wereld. ● Extensieve veeteelt en delfstoffenwinning niet veel arbeid steden doorgeefluik rest wereld ● Eerst was importeren duur toen het niet meer was werden importtarieven naar A hoger. Het geld voor deze bescherming kwam uit winsten. Wisselende prijzen, toenemende concurrentie zorgde ervoor dat A dit niet langer vol kon houden. Sinds 1980 bergafwaarts meer werkeloosheid en staatsschuld en inflatie groeiden. ● Geen echte industrie maar wel grondstoffen --> erboven op komen. Ook hadden ze goedkope Aziatische industriële producten nodig --> meer richten op (oost) Azië. ● Hoge importtarieven, A = geen afzetmarkt. Indonesië is aantrekkelijker. Hoofdstuk 6 Noord-Afrika en Zuidwest-Azië: godsdienst en olie ● 24 landen, 6400 km van westkust Marokko tot oostgrens van Iran. ● Ook wel Islamitische wereld genoemd. Noordelijke grens: Iran en Turkije. ● Zuidelijk overgangsgebied: Mauritanië, Mali, Niger, Tsjaad en Sudan dit is moeilijk te bepalen. o De aardrijkskundige gevolgen van de winning en exporteren van olie zijn: o De landen in het gebied hebben een hoog BNP; zelfs bij dalende olieprijzen
o Haven- en hoofdsteden door investeringen gemoderniseerd --> zichtbare tegenstelling tussen de traditionele en moderne samenleving. o Deel winst word geïnvesteerd in olieraffinaderijen en petrochemische industrie. o Migranten van arme gebieden naar rijke gebieden, waar vraag naar arbeid is
o (Vooral vrouwelijke) migranten buiten regio worden aangetrokken voor werken in dienstensector
o tegenstelling tussen gebieden met en zonder olie is groter geworden: de regionale ongelijkheid is toegenomen
o door veel buitenlandse investeringen in de regio is er sprake van internationalisering ● Er zijn veel milieuproblemen veroorzaakt: ontbossing, verzilting, verwoestijning zijn het gevolg van een geweldige druk op de natuur. ● Verzilting: toeneming van het zoutgehalte van binnen- en grondwater
o Kerngebied van de Islam. In sommige gebieden leidt het Islamitisch fundamentalisme tot problemen of er zijn etnische conflicten tussen bepaalde bevolkingsgroepen. o GB in 1948 Israël uitroepen tot staat --> Palestijnse volk zonder staat --> vluchten buurlanden waar ze nu nog steeds in vluchtelingenkampen wonen. ● In midden van een traditionele stad staat een grote moskee. Daaromheen is de souk/markt. Daarom heen heb je 6 punten woonkwartieren met in het midden een klein centrum met lokale souk, moskee, badhuis etc. Aan 3 kanten buiten de stadsmuren heb je mohammedaanse of christelijke begraafplaatsen. Aan 1 kant de citadel/kashba en de veemarkt is ook buiten de stad. Hoofdstuk 7 Europa: een eenheid in verschillen ● In N, Z, W zee als grens en in O 2 bergketens: de Oeral en de Kaukasus. ● Europese cultuur is niet 1 en is sterk in beweging: 2 ontwikkelingen: ● Vervagen van de cultuurverschillen in Europa. Door internationaliseringsprocessen. Maar vooral door de politieke en economische eenwording(intergratie) ● De verschillen hebben vaak te maken met de bouwstenen van het nationalisme: etniciteit, taal, historische erfenis, economische achterstelling en religie. Deze elementen werken de staatkundige verbrokkeling of desintegratie in de hand. o Diversiteit onderscheidt Europa met andere cultuurgebieden, menselijk en natuurlijk

o Menselijke omstandigheden (ongelijke bevolkingsspreiding): o Een grote hoeveelheid volken met reuzen en dwergen. Ieder land eigen oorlogen wat nationalisme versterkt --> Europa heeft het nationalisme uitgevonden. o Grote verschillen in ontwikkelingspeil: NW europa voorsprong op O Europa en Middellandse-zeegebied. o Bestaansmiddelen en urbanisatiegraad te verdelen in hoog ontwikkelde centrumregio en randgebied. Relatief veel mensen werken in primaire sector en minder wonen op het platteland (rurale bevolking) o Ook: taal, godsdienst, eetgewoonten, voedsel, erfrecht, uitgaan etc. Andere manieren van bouwen, nederzettingsvormen, verkaveling en bodemgebruik. o Natuurlijke omstandigheden(klimaat, breedteligging, bodemgesteldheid, reliëf): o Nergens is de zee ver. Hoe meer je landinwaarts gaat het landklimaat overheersen. o Variatie met klimaten heeft te maken met de geografische breedte. o Europa valt op betreft: neerslag, temperatuur en plantengroei in 4 regio’s te verdelen. - Noord-Europese laagvlakte: lager dan 500 meter boven zeeniveau: Rijn, Elbe, Theems - Alpiene plooiingsgebergte: geologisch jonge hooggebergte (hoger dan 1500 meter) ketens van de Pyreneeën, de Apennijnen en de Karpaten Middellandse Zee tot Wenen - Oude middelgebergte: was hooggebergte maar nu grotendeels golvend landschap hier zaten allemaal metaalertsen in. - Westelijke hooglanden: Van Portugal tot de noordkaap. Dit gebied is zo’n 300 miljoen jaar oud. Is ruggengraat van Engeland loopt van Schotse Hooglanden naar Scandinavië, waar gletsjers diepe fjorden hebben ingekerfd in het harde gesteente. ● Oorspronkelijke begroeiing door ontginning en ongebreidelde houtkap plaats gemaakt voor akkers en weilanden, cultuurgrond. ● Houtwinning --> erosie. Hout voor verwarming en timmerbouw. Vanwege moeilijke leefomstandigheden raken veel afgelegen berggebieden onbevolkt: verlaten nederzettingen, verwaarloosde akkers en vervallen bevloeiingssystemen. Hellingsterrassen niet meer onderhouden --> erosie en aardverschuivingen. ● In mediterrane streken in zomer tekort aan water. Vroeger werd de teelt aangepast. Door verschuiving naar groenteteelt en de opkomst van massatoerisme raakte de watervoorziening in het nauw. Verdroging en verzilting zijn gevolgen van onzorgvuldig met water omgaan. ● Stuwdammen heeft voor ingrijpende veranderingen gezorgd. ‘witte steenkool’ ● In Oostblok meer aandacht aan economische groeicijfers dan milieubehoud. ● Rivieren open riolen, landbouwgrond vergiftigd en luchtkwaliteit is bedenkelijk. Zure regen van stoken bruinkool --> gehele bossen ten gronde. ● Veel zorg ten aanzien van chemische stortplaatsen (verouderde kerncentrales etc) ● Winning van ertsen gaat met sterke verontreinig van bodem en rivieren gepaard. ● Het oplossen zal moeilijk zijn. Redenen: - Zijn er mogelijkheden? Financiële zijn beperkt en men vreest economie achteruit als het in natuurlijke leefomgeving word geïnvesteerd. - Westerse investeerders investeren niet vrees voor opdraaien schoonmaken van land - Er ontbreken in veel staten milieuwetgeving en bijhorende milieucontrole - Voor oplossen veel kwesties moeten twee staten samenwerken. o Sterfte in West Europa door vergrijzing in Oost Europa vergrijzing + gezondheidssituatie. Hoofdstuk 8 Noord-Amerika: krachten van buitenaf ● Samenwerking (NAFTA), migratie en vulkanisme & aardbevingen (dit hoofdstuk) ● Economisch gebied is de samenwerking toegenomen een oorzaak van deze verbondenheid is de ontwikkeling van de technologie. Door bijvoorbeeld verkeer en telecommunicatie zijn de relatieve afstanden kleiner geworden. ● GATT en WTO zijn wereld handelsorganisaties: elk land moet produceren waar hij het beste in is, dus ook lage kosten. Als er dan ook nog sprake is van vrije handel kan elk land een hoog welvaartsniveau bereiken. GATT heeft tot stand komen meer vrije handel geholpen door een bijlage te leveren een verlaging douanetarieven. ● Dit proces van internationalisering: groeiende productie, distributie en marketing van goederen en diensten. Ook onderzoek en ontwikkeling wereldwijde netwerken plaats. Dus het word een wereldmarkt. ● 1-1-1994 NAFTA officieel van kracht, economisch samenwerkingsverband tussen VS, Canada en Mexico --> tariefmuren afbreken. 2003 meeste tarieven op handel en investeringen zijn afgeschaft en 2008 resterende deel. Dit is vanwege toenemende economische dreiging van Europa en Aziatische landen. Mexico opvallend -> nog nooit eerder ontwikkelingslanden en ontwikkelde landen markten voor elkaar geopend. ● Positieven: werkgelegenheid zal toenemen, er zal efficiënter gewerkt worden, inkomens omhoog. Hierdoor zal ook stroom illegale afnemen --> gebrek aan werk is weggenomen ● Nadelen VS: verlies werk in eigenland --> Mexico voor ondernemers goedkoper. o Immigratieperiode na Columbus is in 4 perioden te verdelen: o 1790-1820 Engelsen, Schotten, Ieren, Duitsers en Franse: economische motieven, politieke onderdrukking en het niet vrij kunnen uitoefenen van een godsdienst. o 1820-1880 West- en Noord-Europa Industriële Revolutie --> boeren en ambachtslieden bestaansmiddelen kwijt. Hongersnood in Ierland. Door positieve berichten kwamen meer
o 1880-1930 relatieve afstand verkort door stoomschip en oorlog. Ook kwamen er veel mensen uit Zuid- en Oost-Europa ze vonden aanpassen moeilijk en woonde met familie in bepaalde wijken van de grote steden. Hier was de overheid niet blij mee! 1924 mengsysteem
o 1930-1965 geen echte golven alleen naoorlogse vluchtelingen uit Europa. Pas in 1960 bij nieuw toelatingsbeleid, laatste golf. Niet meer afkomst maar familie en kwaliteiten. o Niks tegen migranten hebben, zijn ze zelf ook. Alleen de indianen niet. o De VS zal blijven groeien, er zijn altijd vluchtelingen. ● Lithosfeer: 7 grote platen en een dozijn kleinere platen tussen de 5 en 70 km dik. De platen bewegen en drijven op een onderliggende laag van gedeeltelijk vloeibaar gesteente: asthenosfeer. ● De lithosfeer is de buitenste schil v.d. aarde, bestaande uit de aardkorst en het verste v.d. aardmantel; de asthenosfeer ligt op een diepte van 50 tot 200 km en is enigszins plastisch. ● Lithosfeerplaten bestaan uit continentale korst (graniet, licht dus drijven hoger op aardmantel dan oceanische korst) en oceanische korst (basalt) ● Bij divergerende platen wordt aardkorst gevormd, bij convergerende juist vernietigd; divergeren vindt bijna uitsluitend in Oceanen plaats; convergerend ook op andere plaatsen. ● Convectiestromen vormen motor van de platen. Op grensgebied van schollen zijn vulkanen en aardbevingen. ● Westkust N-A Pacifische en Noord-Amerikaanse plaat. Bij botsing verdwijnt de Pacifische onder de Noord-Amerikaanse --> geweldige krachten vrij --> 300 tot 700 km diep aardbeving. Op diepte van 100 km stijgt magma (gesmolten basaltische korst en oceanische sedimenten) omhoog en vormt vulkaankegels. ● 15 miljoen jaar geleden bewoog Pacifischeplaat naar Noorden --> San-Andreasbreuk. Gedeelte van westen van N-A beweegt nog steeds 4,5 cm per jaar over 16 miljoen jaar liggen Los Angeles en San Fransisco na elkaar als ze niet door aardbevingen zijn vernietigt en de aarde nog bestaat!! Hoofdstuk 9 Zuidoost-Azië: kruispunt van culturen ● ZO-A is moeilijk als 1 geheel te zien: ● Enerzijds: eilandenrijk anderzijds: verzameling staten op vaste land. Vruchtbare delta’s, rivierdalen en kustvlakten worden afgewisseld door ruig en ontoegankelijk bergland. ● Veel talen, religies en tradities -->kruispunt landwegen & waterverbindingen. Veel immi-granten met nieuwe ideeën en technieken, met als keerzijde verovering en onderdrukking ● Variatie in rijkdom en omvang landen. ● Gemeenschappelijke elementen zijn er wel: o Behalve Thailand allemaal gekoloniseerd geweest door een Europese macht of VS
o Alle landen aan zee, behalve bergachtige Laos, land locked state dus geïsoleerd van buitenwereld. Ook Birma (Myanmar) teruggetrokken, militair onderdrukt bevolking
o Maleis is handelstaal en veel spreken ook Engels al zien sommige het als bedreiging
o In alle landen een Chinese meerderheid. o Tussen de naties de onderlinge economische vervlechting beperkt maar het groeit
o Toegenomen kloof arm en rijk, centrum, achtergebleven randregio’s, periferie. ● Milieuproblemen door landen gedeeld. Neiging om tropisch hardhout te verkopen --> bodemuitputting, erosie en overstromingen. ● Ook zorgt de snelle industriële groei en het ontbreken van goede milieuwetgeving vormen zware belasting voor grond- en oppervlaktewater, bodem en lucht. ● ZO-A gekenmerkt door primate cities, reuze steden. Er komen veel mensen heen --> verkeersinfrastructuur, riolering en waterleiding blijven sterk achter bij de behoeften. ● Alle landen aangesloten bij ASEAN, samenwerken VS en China buiten boord houden
o Opbloei Thailand en Indonesië is ongeveer parallel. o Indonesië was vooral exploitatiekolonie. Na onafhankelijkheid bleef ut arm. Overbevolking --> voedseltekorten verdween door Groene Revolutie. o Migratieprogramma moest bevolkingsdruk verlichten --> eigenbevolking wou niet plaats maken. En er werden er naar verhouding maar weinig overgeplaatst. o Lichtpuntje: iedereen wou olie, hardhout en andere grondstoffen. Indonesië had deze. Veel mensen --> goedkope arbeidsmarkt en afzetmarkt. Buitenlandse investeerders brachten veel werk en verbetering in het gemiddeld inkomen. o Singapore profiteert van deze arbeiders. De economische groei in Indonesië beperkt zich tot Jakarta en zuiden van Sumatra. Andere eilanden vormen periferie van armoede, onderontwikkeling en uitzichtloosheid. o Thailand volgde het Tijgers ontwikkelingsmodel. Ze hadden eerst een importsubstitie politiek maar de kennis en kapitaal ontbreken na een tijdje. o Ze kozen voor exportgeoriënteerde industrialisatie. Kapitaal uit Japan of andere investeerders. Ze gingen zich toeleggen op arbeidsintensieve productiesectoren. o Ondernemers hebben in Thailand een aardige regering in tegenstelling tot vakbonden. o In tegenstelling tot buurlanden een democratisch bestuursvorm en een vrije pers. Ook nauwelijks etnische spanningen. De Azië-crisis zorgde terugval eco in Thailand. o 3e tree: gebied neemt rol van ondernemer aan, betrokken organisatie van productie van onderdelen en halffabrikaten. 2e tree: onafhankelijk exporteur van goederen en diensten en heeft daarmee alle touwtjes van financiering, organisatie en productie in handen. o Nadelige kanten groei eco in Thailand: iedereen naar Bangkok en nabije omgeving omdat daar alleen groei was. Mannen slecht betaald werk en vrouwen + meisjes hoeren. o Er zijn slechte arbeidsomstandigheden: gevaarlijk, eentonig werk, lange werktijden, hoog werktempo, weinig loon, geen uitkering ziekte of werkeloosheid, onvoldoende pensioenvoorzieningen. Ook veel kinderarbeid dit omdat vakbonden weinig te zeggen hebben.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.