Zit je in 4/5 havo en heb je een N&T of N&G profiel? Vul deze korte vragenlijst in over chemie-opleidingen en maak kans op 20 euro Bol.com tegoed.

Meedoen

Politiek en Ruimte

Beoordeling 6.3
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • Klas onbekend | 1563 woorden
  • 27 april 2004
  • 34 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.3
  • 34 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!
Politiek en Ruimte

Hoofdstuk 1: Ruimtelijk gedrag en politiek

§1.1
De gedragsruimte is de dagelijkse ruimte die je gebruikt voor je dagelijkse activiteiten (school) en leefsfeer:
1.) Functionele gedragsruimte: de verplaatsingen waarbij een reikwijdte is, woon-werk, winkels, ziekenhuis. Mensen uit een gebied hebben altijd een primaire gedragsruimte, dat is het gebied waar de meeste activiteiten plaats vinden.
2.) Mentale gedragsruimte: de binding met het gebied en de inwoners van dat gebied door:

Gemeenschappelijke gewoonten en tradities -> de mensen in een gebied hebben eigen gewoontes en tradities zoals, taal, kleding enz. Ze hebben een eigen identiteit.
Verbondenheid met het woongebied -> er is regionaal bewustzijn, de mensen zijn trots op hun dorp of landschap. Als een groep in een gebied anderen buitensluit noem je dat exclusiviteit.

§1.2
Men woont tegenwoordig niet meer op dezelfde plaats als dat men werkt, dat is mogelijk door de toename van mobiliteit, de toename van welvaart, de ontwikkelingen in het wonen en de ontwikkelingen in het werken.
Ontwikkelingen in het wonen: de mensen gaan van de stad in een dorp wonen, suburbanisatie. Daardoor wordt de bevolking over een ruimer gebied verspreidt en wordt de woon - werk afstand steeds groter.
Ontwikkelingen in het werken: bedrijven zoeken steeds naar betere locaties om zich te vestigen en moeten ook uitbreiden, daardoor verhuizen zij vaak naar buiten het centrum, dit noem je ruimtelijk uitschuifproces. De woon – werk afstand wordt dus niet alleen door de verhuizingen van mensen maar ook door de verhuizingen van bedrijven steeds groter.

§1.3
Mensen maken gebruik van commerciële en niet-commerciële diensten. Commerciële diensten. Commerciële diensten (profitsector) willen winst maken: winkels, banken, horeca. De gedragsruimte van commerciële diensten hangt af van:

1.) Verzorgingsgebied van dienstverlener: een winkelier vestigt zich pas ergens als hij zijn drempelwaarde (minimum aantal klanten) kan bereiken en genoeg omzet maakt, draagvlak (in klanten). Het gebied waar de klanten van een dienstverlener vandaan komen noem je het verzorgingsgebied. Dit gebied is niet bij iedere dienstverlener hetzelfde een bakker heeft een kleiner verzorgingsgebied dan een juwelier, omdat een bakker elke dag klanten heeft die brood nodig hebben en een juwelier ga je niet iedere dag naar toe.
2.) Spreidingspatroon van centrale plaatsen: de spreiding van de diensten in een gebied hangt af van de nederzettingen (bewoonde plaatsen) in een gebied. De nederzettingen zijn de centrale plaatsen. Omdat niet alleen centrale plaatsen even belangrijk zijn, zijn er ook niet overal evenveel diensten. In een stad zitten meer gespecialiseerde diensten en in een dorp alleen het hoognodige. De rangorde naar de belangrijkheid van de centrale plaatsen noem je hiërarchie.
3.) Reikwijdte van commerciële diensten: de reikwijdte is de afstand die mensen af willen leggen voor een bepaalde dienst. Voor diensten met een grote frequentie (aantal keren dat je van een dienst gebruik maakt) is de reikwijdte klein. Voor diensten met een kleine frequentie is de reikwijdte groot.

§1.4
Bij niet-commerciële diensten (non-profitsector) zoals onderwijs, brandweer, politie, ziekenhuizen enz. Is het verzorginsgebied vastgesteld door middel van een rayon, dat is het werkgebeid van een niet-commerciële dienst. De rayongrens is gelijk aan de gedragsruimte en kan bijvoorbeeld veranderen bij gemeentelijke herindeling.

§2.1
In een gedecentraliseerde eenheidsstaat worden de gebieden onderverdeeld in kleinere stukken en die weer verder onderverdeeld zodat het bestuur wat kleiner is. Overheid, provincies, gemeente met een gemeenteraad en B&W zij besturen alleen over hun eigen grondgebied. Vroeger lagen de dorpen en steden verder van elkaar af omdat de mensen nog niet zo mobiel waren, relatieve afstand. Toen is die onderverdeling ontstaan.

§2.2
De gemeenten zijn later weer samen gaan werken omdat de relatieve afstand kleiner werd doordat mensen aan suburbanisatie gingen doen en zich niks meer aantrokken van de gemeentelijke grenzen. Daardoor kwamen er gemeentelijke herindeling (minder en grotere gemeenten) en stadprovincies.
De politiek-ruimtelijke schaalvergroting houdt in dat de dingen die mensen toen over steeds grotere afstanden zijn, ook het bestuur is over een steeds groter gebied.

§2.3
Motieven om gemeenten te vergroten:
 Hoe meer inwoners, hoe groter de bestuurskracht.
 Beter voorzieningenniveau en groter draagvlak voor de basisvoorzieningen.
 Meer kostenbesparing door samenvoeging.
 Extra en goedkopere uitbreidingsruimte voor steden.
 Steden hebben hogere uitgaven dan dorpen bij sociale wetten.

§2.4
Doordat de welvarende inwoners uit de stad de laatste jaren naar de dorpen zijn getrokken zijn er in de stad over het algemeen mensen met lage inkomens en uitkeringen over gebleven. Een stadsprovincie vervangt de huidige provincie en een deel van het gemeentelijke bestuur zij krijgt daarbij bevoegdheden van de stadsbesturen en omliggende gemeenten. Er zijn veel herindelingen om stadsprovincies te creëren.

§3.1 en §3.2
Vragen die je stelt om te kijken of te gemeentelijke herindeling een succes is:
 Heeft de nieuwe gemeente meer bestuurs – en daadkracht?
 Valt de herindeling samen met de primaire functionele gedragsruimte van de inwoners?
 Is er kwaliteitsverbetering van de diensten?
 Valt de gemeentegrens samen met de mentale gedragsruimte van de inwoners?

Politiek en Ruimte

Hoofdstuk 2: Economie en politiek-ruimtelijke organisatie.

§1.1
De relatieve afstand over de wereld wordt steeds kleiner. Mensen verplaatsten zich sneller, goedkoper en makkelijker. Informatie wordt over steeds grotere afstanden met nieuwe technieken uitgewisseld. Er ontstaat een eenheid op de wereld door intergratie, er komen steeds meer verbindingen en relaties tussen gebieden en gebied kunnen een hechte eenheid vormen, vervlechting.

§1.2
De EU was het begin van een economisch en politiek integratieproces in Europa met twee ontwikkelingen:
1.) Uitbreiding van samenwerkingsverband: er worden steeds meer landen lid van de EU en met sommige landen zijn ook associatieverdragen gesloten, voor economische en financiële hervormingen.
2.) Intensivering van de integratie: de relaties worden intensiever door versterking van:
handelsrelaties -> de Europese handelsrelaties zijn sterk.
Investeringsrelaties -> de Europese landen investeren veel in elkaar.

§1.3
Door de eenwording van Europa op economisch en politiek gebied vervallen de landsgrenzen en komt er meer handel en tussen meer concurrentie. Landen gaan hun goederen zo goedkoop mogelijk produceren in verhouding met andere landen dat noem je comparatief voordeel. Ook ontstaat er regionale specialisatie, producten worden geproduceerd in de landen waar de omstandigheden voor dat product het beste zijn.

§1.4
Nederland was altijd koploper in de tuinbouw maar door concurrentie van Spanje en Marokko gingen andere landen ook de Nederlandse producten produceren en daar leidde Nederland onder. Nederland heeft door de dure grondstof en de hoge arbeidsprijs en hoge kostprijs dat is niet zo bij Spanje en Marokko. Nederland krijgt meer concurrentiekracht door verbeteringen.

§2.1
In het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid staat dat landbouwproducten zonder belemmeringen van het ene naar het andere EU-land vervoerd mogen worden. Deze samenwerking heeft vier doelstellingen:
1. Productiviteitsverhoging van de landbouw: door een betere inzet van de productiefactoren grond, kapitaal en arbeid is er schaalvergroting.
2. Verzekeren van een redelijk levenspeil voor de agrarische beroepsbevolking: landbouwers gelijk loon te geven als werkers in andere sectoren dit noem je, inkomenspariteit.
3. Evenwicht vraag en aanbod van landbouwproducten: door vraag en aanbod gelijk te stellen komen er stabiele landbouwprijzen.
4. Voldoende en kwalitatief goed voedsel voor een redelijke prijs: veiligstellen van voedsel voor de consument.

§2.2
In het landbouwbeleid is ook het markt - en prijsbeleid belangrijk, hierin worden de markt en de prijsvorming van producten beïnvloed en dat is gunstig voor het inkomen van de boer.
In het markt – en prijsbeleid zijn twee belangrijke prijzen:
1. basisrichtprijs -> de streefprijs die jaarlijks voor een product wordt vastgesteld.
2. interventieprijs -> als de prijs van een product van een prijs zo laag wordt dat het de interventieprijs bereikt dan grijpt de EU in. Dit is de prijs die de landbouwer altijd voor een product krijgt, de garantieprijs.

§2.3
De twee belangrijke nadelen aan het markt – en prijsbeleid zijn:
1. De noodzaak van protectie: garantieprijzen maken producten duur en dat is nadelig voor de wereldmarktprijzen:
 Als de prijs aan de grens onder de drempelprijs ligt moeten er invoerrechten worden betaald. (import)
 Restituties, exportsubsidies, worden door de EU gegeven, omdat de landen te duur zijn voor export en daardoor hun prijs moeten verlagen.
2. Het ontstaan van productieoverschotten: landbouwers gaan meer produceren omdat ze zeker zijn dat ze er voor betaald krijgen.

§2.4
Omdat de markt van de EU zo goed is afgeschermd krijgen landen buiten de EU moeilijk toegang in deze markt. Daarom is er liberalisering van de wereldhandel dat wil zeggen dat de internationale handel vrij wordt gemaakt en invoerrechten en handelsbarrières verdwijnen.
In de GATT later de WTO (World Trade Organisation) onderhandelt men over toegang tot de vrije markten. De komende 10 jaar moeten invoerrechten omlaag en moeten handelsbarrières verdwijnen. Ook de tarieven van import zullen lager worden. Dit bescherming van de EU-landen wordt hierdoor wel minder.

§3.1
In de EU is er tussen de verschillende gebieden veel regionale ongelijkheid, dat wil zeggen dat er grote welvaartsverschillen zijn.

§3.2
Om de regionale ongelijkheid in de EU weg te werken zijn er vijf structuurfondsen een daarvan is het Europees Fonds voor regionale ongelijkheid. Zij willen aandacht besteden aan de landbouwpolitiek, de regionale ontwikkelingen en geld aan de periferie besteden. Dit zijn de zes doelen van het fonds:
1. Ontwikkeling en verbetering in de periferie.
2. Economisch omschakelen in gebieden met afnemende industriële activiteit.
3. Langdurige werkloosheid en jongeren in arbeidsproces beschermen.
4. Werknemers aan werkleven en nieuwe systemen aanpassen.
5. Verbetering van landelijke gebieden in landbouw, visserij en kwetsbare landbouwgebieden.
6. Gebieden met een lage bevolkingsdichtheid aanpassen.

§3.3
Er zijn drie redenen waarom het de regionale ongelijkheid binnen de EU niet kan verdwijnen:
1. Er is te weinig economische groei.
2. Door verbeteringen in centrum of kern, de rijke gebieden, worden de rijke er beter op en de armen in verhouding nog armer.
3. Door aandacht de besteden aan de herstructureringsgebieden worden de rijken rijker en de armen armer.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.